
Verering van Onze-Lieve-Vrouw op 't Stokske. Kopergravure. (Antwerpen, ufsia, Centrale Bibliotheek: Kathedraalarchief)
De mogelijkheden en de ontwikkelingskansen van de opkomende hervormingsbeweging hingen nauw samen met de positie van de oude Kerk van Rome. Een goed georganiseerde en levenskrachtige Kerk die een stevige impact had op de gelovige gemeenschap, kon de verspreiding van nieuwe, onorthodoxe ideeën immers ten zeerste bemoeilijken. Daarom moeten we de nodige aandacht besteden aan het kerkelijke apparaat, bemand door een rijkgeschakeerde seculiere en reguliere clerus, en aan de situatie van de katholieke lekengemeenschap.
De stad Antwerpen behoorde in kerkelijk opzicht tot het uitgestrekte bisdom Kamerijk. Het gezag van de bisschop van Kamerijk was echter ver verwijderd en in werkelijkheid deed vooral het machtige kapittel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk zijn invloed gelden. De bisschoppen van Kamerijk verschenen slechts sporadisch in de stad en zonden voor de wijding van kerken, kloosters, kapellen of altaren vaak hun suffragaan of hulpbisschop naar Antwerpen. De organisatie van de zielzorg was daarentegen in handen van het kapittel, dat de praktische uitvoering ervan delegeerde aan de plebaan of opperparochiaan. Het kapittel oefende voor het gehele Antwerpse grondgebied toezicht uit op de eredienst, visiteerde de kerken en bezat de jurisdictie over clerici en leken en de investituur van kerkelijke beneficies. Ondanks frequente conflicten bleef het Onze-Lieve-Vrouwekapittel tot aan de nieuwe bisdommenregeling van 1559 nagenoeg volledig onttrokken aan de bisschoppelijke jurisdictie. Naast de deken en 22 kanunniken waren in de collegiale Onze-Lieve-Vrouwekerk nog veel meer kapelanen bedrijvig, belast met het lezen van wekelijkse missen aan een van de vele altaren. De sterke machtspositie van het kapittel mag nog blijken uit het feit dat de kanunniken tot 1477 wisten te verhinderen dat een andere kerk binnen de stadsmuren volledige parochierechten kreeg. Pas na de sociale woelingen van 1477 werden aan de kerken van Sint-Joris, Sint-Walburgis en Sint-
| seculieren | mannen- kloosters |
vrouwen- kloosters |
begijnen | totaal | ||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1480 | [176] | 324 | 394 | 87 | 981 | |
| 1526 | [176] | 629 | 101 | 906 | ||
| 1578-1581 | 96 | 140 | 337 | 161 | 734 | |
| Bron: Prims, Geschiedenis van Antwerpen, vii-3, 91-92, 278-279. | ||||||
| Noot: De telling van 1480 verschaft gegevens per klooster, die van 1526 slechts het totaal. |
Jacobs gehele of gedeeltelijke parochierechten toegekend. In 1529 kwam daar nog Sint-Andries bij. Al deze kerken bleven als subalterne kerken echter ondergeschikt aan het kapittel, dat de benoemingsrechten van pastoors en kapelanen behield en verzekerd bleef van een deel van de parochiële inkomsten.1
De meerderheid van de in Antwerpen verblijvende geestelijken was evenwel niet verbonden aan een parochiekerk, maar behoorde tot een van de vele kloosters of godshuizen. Onder de mannenkloosters moeten vooral de prestigieuze norbertijnenabdij van Sint-Michiels, de bedelorden, vertegenwoordigd door de minderbroeders, de dominicanen en de karmelieten, en de cisterciënzerpriorij van Pieter Pot vermeld worden. Aan vrouwelijke zijde waren er onder meer de victorinnenpriorij van Ternonnen, de falcontinnen - sedert 1436 ressorterend onder het kapittel van Windesheim - en de clarissen, terwijl de begijnen een aparte plaats innamen.2
2 De haardentellingen van 1480 en 1526 geven ons een idee van de globale kloosterpopulatie. Tabel 4.1 vat de gegevens samen, waarbij die voor de seculiere geestelijkheid voor de jaren 1480 en 1526 gebaseerd zijn op een in 1539 ingesteld onderzoek in verband met vrijstelling van de wijnaccijns. Het op die manier geëxtrapoleerde cijfer moet worden beschouwd als een minimum wanneer we rekening houden met de dalende trend van het aantal clerici. Voor een overzicht van de klerikale aanwezigheid aan de vooravond van de Calvinistische Republiek baseerden we ons op de lijsten van de in 1578-1579 uitgewezen clerici en op de in 1580-1581 op last van de stedelijke overheid georganiseerde telling van de seculiere en reguliere geestelijkheid.3
Hieruit blijkt dat het aantal katholieke geestelijken in de zestiende eeuw daalde, vooral bij de seculieren en de mannelijke kloosterlingen. In de vrouwenkloosters deed zich een veel lichtere achteruitgang voor, terwijl het aantal begijnen in de zestiende eeuw zelfs toenam. De globale daling komt nog veel sterker tot uiting wanneer we tevens rekening houden met de sterke demografische expansie die Antwerpen in de zestiende eeuw kende. Delen we het aantal geestelijken door het totale bevolkingscijfer, dan komen we tot een verhouding van één clericus op 41 voor 1480, één op 52 voor
1526 en één op 123 voor 1578-1581. Een verhouding van één geestelijke op 41 of 52 inwoners mogen we zeker hoog noemen, en door hun specifieke klederdracht vielen de talrijke religieuzen ongetwijfeld op binnen de stadsmuren. Toch was deze situatie niet uitzonderlijk. In 's-Hertogenbosch telde men in 1526 zelfs één clericus op achttien à negentien personen.4 De daling van het aantal geestelijken die blijkt uit de cijfers voor 1578-1581, kunnen we bezwaarlijk verklaren door het verdwijnen van enkele kloostergemeenschappen5, maar moet veeleer worden toegeschreven aan de tanende aantrekkingskracht van de geestelijke stand.
We kunnen ons afvragen in welke mate dit toch nog altijd omvangrijke kerkelijke apparaat erin slaagde de Antwerpse bevolking te bereiken. Daarbij mogen we niet vergeten dat de Antwerpse clerus en de kerkgemeenschap in het algemeen tot ver in de zestiende eeuw aansloten bij de laatmiddeleeuwse tradities en nog niet getekend waren door het hervormingsprogramma van het Concilie van Trente. De kanunniken van de Onze-Lieve-Vrouwekerk waren goedgevormde intellectuelen. Velen droegen een magistertitel en verscheidenen hadden een graad in de rechten of de theologie behaald.6 Zij leidden doorgaans een aanvaardbaar zedelijk leven, maar zij lieten zich zo goed als niet in met de zielzorg. Dat laatste werd van hen overigens niet expliciet verwacht, aangezien hun voornaamste taak bestond in hun deelname aan de dagelijkse koordienst en kapittelmis. De meeste kanunniken waren bekommerd om het handhaven van hun beneficies en kerkelijke rechten, en een derde tot de helft resideerde zelfs niet in Antwerpen. Bovendien leidde het nepotisme onder de kanunniken tot de vorming van familiale dynastieën in het kapittel. Floris Prims noteerde zelfs dat Roger de Tassis de eerste deken was die werkelijk bezorgd was om de zielzorg en het religievraagstuk in het algemeen.7 De dagelijkse zielzorg werd in de verschillende parochies waargenomen door de pastoors of opperparochianen, die bijgestaan werden door enkele onderparochianen. Zij zorgden voor de toediening van de sacramenten en stonden in voor de predikatie.8 Over het peil van deze seculiere priesters en over de respons die de door hen verstrekte zielzorg vond bij de parochianen, zijn we zeer slecht ingelicht. In een memorie uit 1569 klaagde Lorenzo de Villavicencio over de kwaal van de niet-residentie en over het lamentabele intellectuele peil van de gehuurde vervangers van de parochiepriesters.9 Volgens landvoogd Luis de Requesens kenden de pastoors hun parochianen niet echt. Zij dienden de sacramenten toe aan diegenen die erom verzochten, zonder zich te bekommeren om de anderen. Het aantal communicanten in hun parochie kenden ze op basis van het aantal geconsumeerde hosties en niet op grond van een persoonlijke band met hun parochianen. Daarom wenste de landvoogd in een dichtbevolkte stad als Antwerpen zeven of acht nieuwe parochies op te richten, maar hij voegde er betekenisvol aan toe dat zijn plannen weinig steun vonden bij de plaatselijke clerus.10
Naast de parochiepriesters waren er aan elke parochiekerk nog kapelaans verbonden - in de Onze-Lieve-Vrouwekerk alleen al 96 in 1539 - die wekelijks een aantal missen lazen en verantwoordelijk waren voor de gestichte kapelanieën. Verder woonden zij de koordienst bij, lazen zij missen bij overlijdens en verzorgden zij missen en loven ten behoeve van de talrijke broederschappen. Hun bijdrage tot de actieve zielzorg mag echter gering genoemd worden. Sommige kapelaans waren overigens vanwege hun geringe inkomsten gedwongen zich met andere, meer wereldlijke taken in te laten en fungeerden bijvoorbeeld als notaris.11 We mogen aannemen dat de vorming en de sociale positie van de meeste kapelaans ver onderlagen bij die van de kanunniken.12
Bij het overzicht van het aantal clerici in Antwerpen wezen we reeds op de dalende curve van de kloosterbevolking, die vooral bij de mannelijke kloosterorden markant was. Door het quasi-volledig ontbreken van kloosterarchieven voor het zestiende-eeuwse Antwerpen is het echter zeer moeilijk een beeld te krijgen van het religieuze leven in de Antwerpse kloosters. De losse gegevens die we aantreffen over allerhande misbruiken, geven wel interessante indicaties, maar mogen niet zonder meer veralgemeend worden. Volgens Valvekens brandde het religieuze leven in de norbertijnenabdij van Sint-Michiels op een bijzonder laag pitje. Orde en tucht lieten er zeer te wensen over en de religieuzen leefden er alsof ze nooit van een Concilie van Trente gehoord hadden.13 Toen in februari 1567 brand uitbrak in het klooster van de minderbroeders, trof men er volgens Godevaert van Haecht naast dronken monniken ook drie hoeren aan. Bovendien vond men er uitgerekend in de vastentijd vlees, bier en wijn.14 In 1557 vroeg Digna Wolffaerts, zuster in de priorij van Ternonnen, dat de bisschop het klooster zou visiteren vermits het ‘niet religoeselyc en gaet in ons convent’. De priorin liet zich domineren als een kind en liet ‘alle de statueten ende goede religie ende sermoenien geheel te niette gaen’. Dagelijks hield ze met nog vier andere zusters ‘brasserie’ in haar kamer.15 Dergelijke klachten vernemen we niet over de - doorgaans kleine - religieuze gemeenschappen die zich inlieten met de verzorging van zieken, bejaarden en pestlijders.16 Blijkbaar hebben zij hun werk in stilte voortgezet en werd dit gewaardeerd of op zijn minst nuttig bevonden. De taak van de reguliere clerus lag uiteraard niet op het domein van de lekenzielzorg, maar leden van sommige mannelijke kloosterorden, zoals dominicanen, minderbroeders en karmelieten, werden wel geregeld ingeschakeld voor het horen van de biecht en het verzorgen van predikaties.17 Vanaf 1562 lieten ook de jezuïeten zich opmerken in de Scheldestad. Vanaf dat jaar preekten enkele paters in het milieu van de Spaanse en Italiaanse kooplieden in Antwerpen.18
De negatieve houding van een deel van de Antwerpse bevolking tegenover de katholieke clerus komt duidelijk tot uiting in de gevoelens van anti-
aant.
klerikalisme die we van verschillende zijden opvangen. Voor een deel vonden die antiklerikale gevoelens een voedingsbodem in de economisch geprivilegieerde positie van de clerus. Toen de stadsmagistraat in de jaren veertig overging tot het heffen van extra belastingen ter financiering van de nieuwe omwallingen en de geestelijkheid obstinaat weigerde ook maar één stuiver te betalen, stuitte dit op algemene kritiek en eisten alle geledingen van het stadsbestuur dat de clerus zou bijdragen tot de sanering van de stadsfinanciën.19 Een refrein beschreef de clerus als ‘Eenen hoop gesellen, die op den bedelsac leven. [...] Ende en geven acchijnsen noch tribuyt.’20 Ook het zedelijk leven van de clerici vormde een voorwerp van kritiek. We wezen in dat verband reeds op de ontdekking bij de minderbroeders toen in 1567 hun klooster uitbrandde, een gebeuren dat volgens Godevaert van Haecht heel wat weerklank vond, ook in de naburige steden. Kritiek op de sacrale macht van de clerus treffen we meermaals aan in dicht en lied uit de zestiende eeuw. In het vorige hoofdstuk zagen we hoe de rederijkers de bemiddelende rol van de priesters en de sacramenten verzwegen. Bovendien werden de clerici extra onder vuur genomen omdat zij uit de heilsmiddelen die zij de gelovigen aanboden, zoveel mogelijk geldelijk gewin probeerden te halen.21 Ook de beeldende voorstellingen waren dragers van kritiek, zoals blijkt uit de ‘Refereynen, Beelden, Schilderyen tegen de Misse, Paus, ende Geestelycheyt’ die bij het begin van het Wonderjaar bij de predikaties verkocht werden.22 De vijandige houding tegenover de clerici werd
bovendien nog versterkt omdat zij in de ogen van velen verantwoordelijk waren voor de vervolging van weerloze protestanten, waardoor veel onschuldig bloed vergoten was. Vooral de minderbroeders moesten het in Antwerpen om die reden ontgelden, ‘doer dien vuele oock wisten, sy meer riepen om 't volck te persequeren, metter inquisitien en placcaten, dan eenige ander monicken, waerdoer sy meer in den haet waeren’.23 Al deze elementen hebben in de ogen van vele Antwerpenaars ongetwijfeld het prestige en de geloofwaardigheid van de clerus aangetast. In 1568 gewaagde een anonieme briefschrijver, vermoedelijk een Antwerpse geestelijke, van ‘une opinion de hayne quasi universelle [...] aux coeurs de la plus part du peuple contre lestat ecclesiasticque, comme si nous estions cause des rigueurs et executions faictes depuis long temps pour le faict de la religion’.24
Gevoelens van antiklerikalisme dienen echter niet noodzakelijk samen te vallen met een alomvattende antikatholieke houding. Daarom moet de vraag worden gesteld of zich in het geloofsleven van de lekengemeenschap ingrijpende veranderingen voordeden. Een interessante parameter vinden we in de evolutie van de devotiegiften van de gelovigen, zoals deze voorkomen in de rekeningen van de kerkfabriek van de Onze-Lieve-Vrouwekerk (zie grafiek 4.1). Deze giften waren zeer verscheiden van aard en omvatten de opbrengst van collectes gehouden tijdens de misvieringen, giften voort-

Grafiek 4.1: Evolutie van de devotiegiften, totale devotie en Onze-Lieve-Vrouw op 't Stokske, 1474-1565
Bron: Philippen, Le culte de Notre-Dame op 't stocxken, bijlage 2; Vroom, De Onze-Lieve-Vrouwekerk te Antwerpen, bijlage 1.
vloeiend uit de verering van relieken en heiligenbeelden, offers verbonden met aflaten en giften met een buitengewoon, incidenteel karakter, zoals de collectes gehouden in de straten van de parochie na de brand van de kerk in 1533. Al deze devotiegiften mogen als representatief beschouwd worden, omdat zij een anoniem en vrijwillig karakter hadden en omdat het in nagenoeg alle gevallen ging om kleine bedragen bijeengebracht door een zeer groot aantal gelovigen. Bovendien zullen wijzigingen in de religieuze belevingswereld zich makkelijker en eerder manifesteren in de vrijwillige devoties dan in het sacramentele leven dat een meer verplicht karakter had.
Naast de globale opbrengst van de devotiegiften hebben we het aandeel van de devotie tot Onze-Lieve-Vrouw op 't Stokske afzonderlijk weergegeven. De verering van het miraculeuze Mariabeeld op het Stokske nam een aanvang in 1474. Vanuit financieel oogpunt was deze populaire devotie onmiskenbaar de belangrijkste. Uit grafiek 4.1 kunnen we een duidelijke evolutie afleiden. Tot 1521 handhaven de globale giften zich op een hoog niveau met bedragen die steeds de 300 gulden overschrijden. De jaren 1485-1497 vormen daarbij een hoogtepunt met een niveau dat steeds boven de 400 gulden ligt. Maar vanaf 1522 zet zich een geleidelijke maar duidelijke daling door, die onderbroken wordt in de jaren dertig door de belangrijke inbreng van de collectes die gehouden werden nadat de Onze-
Lieve-Vrouwekerk door een brand was verwoest. Bij de devotie tot Onze-Lieve-Vrouw op 't Stokske, die door haar aard niet onderhevig was aan dergelijke materieel georiënteerde schommelingen, was de daling nog uitgesprokener. Tot 1499 bedroegen de offergelden meer dan 100 gulden, maar vanaf 1524 zette zich een forse daling in. Na 1545 deemsterde de betekenis van de verering volledig weg met bedragen die de 10 gulden niet meer overschreden. De forse daling van de devotiegiften vanaf de jaren twintig is in werkelijkheid nog frappanter wanneer we rekening houden met de demografische groei van Antwerpen en met de inflatie. De oprichting van nieuwe parochies in 1477 kan geen noemenswaardige invloed hebben gehad vermits de stijgende trend zich ook de twee volgende decennia voortzet. Economische factoren kunnen we moeilijk inroepen voor de betrokken daling, aangezien de hoogste pieken precies samenvallen met de economische crisis van de late vijftiende eeuw en de neerwaartse trend zich ook voortzette tijdens de ‘betere’ jaren van de zestiende eeuw. Bijgevolg moeten we een verklaring zoeken in de religieuze sfeer.
Onze bevindingen krijgen nog meer gewicht wanneer we de evolutie van de devotiegiften relateren aan de oprichting van religieuze broederschappen en aan de stichting van nieuwe kapelanieën. In het vorige hoofdstuk benadrukten we reeds de rol van de broederschappen als kernen van onderlinge bijstand en samenhorigheid. De belangrijkste functie van de broederschappen was echter van religieuze aard: via deelname aan missen en gebeden en via diensten voor de overleden medebroeders hoopten de leden hun zielenheil veilig te stellen. Dit laatste gold eveneens voor de kapelanieën. Dit waren misbeneficies, waarvan de inkomsten een kapelaan in staat stelden wekelijks een aantal missen te lezen ten behoeve van de stichter van de kapelanie. Hoewel we mogen aannemen dat de broederschappen en de kapelaniestichtingen in vergelijking met de devotiegiften betrekking hadden op een kleiner deel van de geloofsgemeenschap, toch waren zij uitingen van de heersende religieuze mentaliteit. In grafiek 4.2 hebben we de in de periode 1470-1549 opgerichte broederschappen en gestichte kapelanieën weergegeven. Hieruit blijkt een evolutie die merkwaardige parallellen vertoont met die van de devotiegiften. Het hoogtepunt wordt ook hier bereikt in het laatste decennium van de vijftiende eeuw met achttien kapelaniestichtingen en zestien nieuwe broederschappen. De eerste tien jaren van de zestiende eeuw scoren nog zeer behoorlijk, maar dan zet zich een duidelijke daling in. Zowel voor de broederschappen als voor de kapelanieën kwamen na 1520 nog maar uiterst zelden nieuwe stichtingen voor. Ook voor het nabijgelegen Mechelen stelden we een dergelijke trend vast.25 Al deze gegevens wijzen op een veranderende geloofsbeleving die zich vanaf de jaren twintig van de zestiende eeuw manifesteerde. De leken namen in toenemende mate afstand van de laatmiddeleeuwse heilseconomie, waarin aller-

Grafiek 4.2: Stichting van broederschappen en kapelanieën, 1470-1549
Bron: Claessens, De broederschappen te Antwerpen, 6-40; Prims, Geschiedenis van Antwerpen, vi-3, 64; vii-3, 74-75.
lei geformaliseerde en geïnstitutionaliseerde bemiddelingskanalen een centrale rol vervulden. Dat de populariteit van de broederschappen, de zielenmissen, de aflaten en de verering van heiligen en relikwieën afnam, had ongetwijfeld te maken met het opkomende ideeëngoed van de humanisten en reformatoren. De aanhangers van Erasmus, die we in de eerste decennia van de zestiende eeuw in Antwerpen vooral aantreffen in het milieu van het stedelijke bestuur, de kapittelschool en de boekdrukkerij26, waren wars van formalisme en uiterlijke ceremoniën en streefden naar een ethisch doorleefd en bijbels georiënteerd christendom.27 Bij Luther vinden we een nog sterkere afwijzing van de laatmiddeleeuwse optelvroomheid die erop gericht was zelf het zielenheil te bewerkstelligen. Reeds in 1523 klaagden de kerkmeesters van Sint-Jacobs dat de giften van de gelovigen sterk gedaald waren sedert ‘dat trumoer ende opine van Lutherus geregneert heeft’.28
De processies die geregeld door de Antwerpse straten trokken, waren eveneens uitingen van katholieke godsvrucht.29 Op de belangrijkste dagen van de liturgische kalender werden de grote momenten uit het leven van Christus herdacht met een plechtige processie, die de ‘kleine cirkel’ rond de parochiekerk volgde of de ‘grote cirkel’, een vast parcours op het grondgebied van de parochie, aflegde. De processies die uitgingen tijdens de drie Kruisdagen en op Onze-Lieve-Heer Hemelvaart, Sacramentsdag, Allerheiligen en kerstdag, dienen in dit verband speciaal vermeld te worden. Verder waren er meer plaatselijk gebonden processies, die evenwel konden uitgroeien tot hoogtepunten van de stedelijke feestcultuur, zoals de Besnijdenisommegang op de zondag na Pinksteren en, meer nog, de Onze-Lieve-
Vrouwe-ommegang op de zondag na Maria Hemelvaartdag. In al deze plechtige optochten hadden de talrijke deelnemers, onder wie de geestelijkheid en de wethouders, een welomlijnde plaats en inbreng.30 Uit de samenstelling van de processies blijkt dat zij een zaak waren van de geestelijke én de wereldlijke overheid. Dit wordt nog extra onderstreept door de talrijke ‘processies van devotie’ die de gehele zestiende eeuw werden afgekondigd op last van de stadsmagistraat. Dergelijke processies werden georganiseerd om ‘peys ende vrede’ te bekomen, om het familiaal en staatkundig welslagen van keizer of koning af te smeken, om katholiek geloof en Kerk te vrijwaren en om bescherming in te roepen tegen besmettelijke ziekten, natuurrampen en allerhande plagen.31 Al deze motivaties illustreren hoe de processies een beschermende en zuiverende functie hadden voor de stedelijke gemeenschap. De prachtige optochten moesten duidelijk maken dat de katholieke religie het enige ware geloof was binnen de stadsmuren.
Bij de organisatie van de processies wezen we op de samenwerking van de clerus en de stedelijke overheid. Voor ons onderzoek is het van groot belang te weten in welke mate er een band bestond tussen de Antwerpse stadsbestuurders en de rooms-katholieke Kerk. Deze band was ten eerste van bestuurlijke aard. Uit het milieu van de wethouders werden de kerkmeesters en -voogden aangeduid die moesten toezien op het financiële beheer van de parochiekerken en de gods- en gasthuizen.32 Verder waakte de stadsmagistraat erover dat de kerkelijke erediensten en plechtigheden ordelijk konden verlopen. Wanneer we echter willen peilen naar de meer persoonlijke houding van de stedelijke elite tegenover Kerk en clerus, moeten we de formele, ambtelijke sfeer verlaten. Een interessante indicatie wordt ons geboden door de familiale banden die de Antwerpse wethouders onderhielden met de katholieke Kerk als instituut. Vóór de aanvang van het Wonderjaar bevonden zich onder de kanunniken van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel, de pastoors en onderpastoors van de parochiekerken en de oversten van de kloosters, gods- en gasthuizen echter slechts weinig telgen van de leidinggevende schepenfamilies.33 Onder de Antwerpse kanunniken vinden we telkens één van Berchem, van Halmale, van Schoonhoven en van Immerseel, een gering aantal wanneer we er rekening mee houden dat de leden van de grote kapittels doorgaans uit aanzienlijke families gerekruteerd werden. Onder de pastoors en onderpastoors vonden we helemaal geen namen die ons herinnerden aan bekende magistraatsfamilies, terwijl we bij de oversten van kloosters en godshuizen slechts twee potentiële gevallen aantroffen. Na de Val van Antwerpen in 1585, toen de Scheldestad een bolwerk van de Contrareformatie werd, zou dit in elk geval veranderen. De wethouders uit de periode 1585-1621 hadden 35 zonen die voor de geestelijke stand opteerden, van wie tien als kanunnik en acht als jezuïet.34 Het lidmaatschap van een religieuze broederschap kan eveneens een uiting zijn van een stevi-
ge katholieke geloofsovertuiging, maar ook hier stellen we een verschillend beeld vast voor de periodes vóór en na 1585.35 De prestigieuze broederschap van de Heilige Besnijdenis werd de gehele zestiende eeuw door voor het overgrote deel bevolkt door leden van de machtige, veelal adellijke, magistraatsfamilies. Traditie en conventie kunnen in een dergelijke exclusieve vereniging, die haar bestand op peil hield door middel van interne coöptatie, echter zeer belangrijk geweest zijn. Ook in de broederschap van het Heilig Kruis treffen we vóór en na 1585 vooraanstaande wethouders aan. Voor de Sint-Huibrechtsgilde is dit echter alleen het geval na de Val van Antwerpen. Dezelfde cesuur doet zich ook voor in de gilde van Onze-Lieve-Vrouw-Lof en de broederschap van Sint-Antonius, waarin we vóór 1585 slechts zeer weinig wethouders aantreffen, terwijl de magistraatsklasse na dat jaar zeer sterk vertegenwoordigd is. In de periode 1585-1621 was trouwens 56 percent van de wethouders lid van een of meer broederschappen.36 Dergelijke gegevens wijzen erop dat de Antwerpse wethouders een lossere band hadden met de voor-Tridentijnse Kerk dan hun collega's van na 1585, die zich uitdrukkelijker engageerden.
Vanaf de jaren twintig wijzigde het religieuze landschap in Antwerpen zich ingrijpend. In de metropool vonden de protestantse ideeën niet alleen vlug ingang, ook werden de geloofspraktijken van de laatmiddeleeuwse katholieke Kerk er door een groeiend deel van de lekengemeenschap aangevochten. We moeten er ons echter voor hoeden dit transformatieproces voor te stellen als een precies afgelijnd gebeuren waarbij al snel twee duidelijk onderscheiden partijen tegenover elkaar stonden. Voor de tijdgenoten van de eerste helft van de zestiende eeuw was de opsplitsing in welafgebakende confessies, die enkele generaties later een vertrouwd gegeven vormden, immers nog geen evidentie. Vooral de Leidse hoogleraar j.j. Woltjer heeft in een aantal belangrijke bijdragen gewezen op het belang van kerkelijke middengroepen. Tussen de aanhangers van een orthodox, weldra door Trente getekend katholicisme en de resolute volgelingen van Luther of Calvijn stond een brede, heterogene middengroep. Hieronder bevond zich een ruime stroom die nog in de traditie stond van het weinig afgelijnde middeleeuwse katholicisme. Anderen typeert Woltjer als ‘protestantiserende katholieken’: lieden die zich niet meer konden verzoenen met een aantal praktijken of dogma's van de katholieke Kerk en aanknopingspunten vonden in de opvattingen van de reformatoren, maar die het niet - of nog niet - tot een openlijke breuk met de gevestigde Kerk lieten komen. Ongetwijfeld moeten ook heel wat onverschilligen tot die ruime middengroep gerekend worden.37 Aan de vooravond van het Wonderjaar bestond te Antwerpen in elk geval een omvangrijke kerkelijke middengroep.
De echo's die we opvangen over protestantiserende priesters, beperken zich uiteraard tot individuele gevallen. In 1564 werden de predikaties van
aant.
de pastoor van het Kiel, Cornelis Huberti, bijgewoond door wel 3.000 à 4.000 toehoorders.38 Godevaart van Haecht sprak met enig enthousiasme over deze pastoor, wiens predikaties in 1565 nog veel volk uit Antwerpen en de omliggende dorpen trokken. Huberti hield ‘niet vuel van aflaten van de paus, van den offer noch van bevarden, maer was cloeck in der scrifturen’.39 Toehoorders van Huberti's preken, door een andere pastoor ‘fluctuantes in fide’ genoemd, beweerden dat hij het vagevuur verloochende en de communie onder twee gedaanten en het huwelijk voor priesters voorstond. Op de opmerking van tegenstanders dat hij een lutheraan was, antwoordde Huberti dat hij slechts het woord Gods verkondigde.40 Eenzelfde houding vinden we bij heer Kerstiaan, een dominicaan wiens sermoenen in de vasten van 1568 voor een volle kerk zorgden. Er eveneens van beschuldigd een predikant van de lutheranen of de martinisten te zijn, repliceerde hij ‘als dat hy noch mertinis, noch calvinis, noch swinglius, noch doops en was, maer Godts woerdt rechtelyck sou leeren’.41 Tijdens de vasten van 1570 en 1571 herhaalde zich hetzelfde scenario, waarbij telkens een in Antwerpen predikend karmeliet voor problemen zorgde.42
De omvang van de kerkelijke middengroepen is zeker moeilijk te kwantificeren, maar toch menen we daarin bij benadering te slagen wanneer we hun houding volgen in wat Woltjer een ‘plastische fase’ noemde. In een periode waarin opvattingen en partijen nog niet definitief gevormd en afgelijnd waren en velen een keuze wilden vermijden of uitstellen, kon een ingrijpen van de overheid of de werking van een predikant voldoende zijn om diegenen die tot het onbesliste centrum behoorden, te doen bewegen in de richting van een van beide uitersten.43 Het begin van het Wonderjaar, waarbij plots zoveel mogelijk bleek dat voordien verboden was, was ongetwijfeld zo'n fase. Als we via diverse bronnen vernemen dat de predikaties die calvinisten en lutheranen in de maanden mei, juni en juli buiten de Antwerpse stadsmuren organiseerden, aanvankelijk een 4.000 à 5.000 toehoorders op de been brachten maar in juli reeds een 20.000 à 25.000 mensen mobiliseerden44, kunnen we uit die spectaculaire groei afleiden dat er in Antwerpen duizenden waren die nog geen definitieve keuze gemaakt hadden. Zij behoorden met andere woorden tot een vlottende middengroep en helden nu over naar het protestantisme. Dit laatste wil niet zeggen dat al deze duizenden plots overtuigde protestanten waren geworden en dat zij meteen lidmaten van de calvinistische of lutherse gemeente werden. Velen toonden ongetwijfeld veel sympathie voor de nieuwe leer, maar wensten zich nog niet verregaand te engageren tegenover het georganiseerde kerkverband. Anderen werden wellicht uit nieuwsgierigheid naar de predikaties gedreven. Alles wijst erop dat het grootste deel van deze middengroep zich tijdens de landvoogdij van de hertog van Alva weer geconformeerd heeft aan de katholieke Kerk. Toen op 16 juli 1570 in Antwerpen een koninklijk en pauselijk
aant.
Pardon werd afgekondigd, verzoenden zich de volgende maanden alleen al 14.128 personen.45 Wanneer we het cijfer van de 14.128 reconciliati verbinden met de gegevens uit het Wonderjaar, dan mogen we vooropstellen dat de omvang van de kerkelijke middengroep in Antwerpen zeker een 15.000 personen bedroeg. Dit is een zeer aanzienlijk deel van alle volwassen gelovigen. Tijdens de eerste jaren van de Calvinistische Republiek brachten de vrije calvinistische predikaties opnieuw vele duizenden op de been.46 Dit wijst erop dat velen die tot de middengroep behoorden, tijdens het bewind van Alva en Requesens nog niet omgevormd waren tot ‘definitieve’, overtuigde katholieken.
Terugblikkend mogen we besluiten dat zich vanaf de jaren twintig een duidelijke verschuiving voltrok in het religieuze klimaat. Het kerkelijke apparaat heeft echter onvoldoende en te laat ingespeeld op dit transformatieproces. Een door de clerus op grote schaal georganiseerd en systematisch geloofsonderricht bestond niet. De lauwe houding van de Antwerpse katholieke geloofsgemeenschap mag nog blijken uit het feit dat zij tijdens het Wonderjaar niet noemenswaardig reageerde tegen de calvinistische agressie, terwijl in vele Franse steden gewelddadige acties van de katholieke massa het probaatste middel bleken om de calvinistische opmars te stuiten.47 Uit katholiek oogpunt waren de nieuwe bisdommenindeling, die in Antwerpen een bisdomszetel vestigde en het kapittel tot kathedraalkapittel verhief, en de besluiten van Trente uiterst welkom om de ketterij een halt toe te roepen. Maar dit strookte niet met de allures en de ambities van een internationale handelsmetropool die op haar vrijheid stond en omwille van de handel een zo groot mogelijke tolerantie wilde waarborgen. De Antwerpse wethouders verzetten zich dan ook tegen de vestiging van een bisschop binnen de stadsmuren en tegen de proclamatie van de decreten van het Concilie van Trente. Vooral de komst van een bisschop werd beschouwd als een potentiële aantasting van de eigen jurisdictie en werd geassocieerd met de introductie van de inquisitie.48 Het Antwerpse verzet kende succes. Op 4 januari 1563 overleed Filips Nigri, die tot bisschop van Antwerpen was benoemd, zonder dat hij ooit zijn bisschopszetel in bezit had kunnen nemen. Bovendien ging het verzet tevens uit van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel dat zich in zijn autonomie bedreigd zag.49 Pas onder de landvoogdij van Alva bleek de tijd rijp om een bisschop in Antwerpen te installeren.