terug  begin  verderprepost
[p. 91]

Deel II
Antwerps protestantisme in opmars 1550-1567

[p. 93]

Hoofdstuk 5
Vestiging en groei van ondergrondse gemeenten 1550-1566

[p. 94]



illustratie
Zinneprent op de religieuze verdeeldheid. De paus (‘Ay Pap’), Luther (‘Ick slae den Luyt teer’) en Calvijn (‘Dit Calf fyn’) zitten samen aan tafel, terwijl een doopsgezinde knielt bij de haard. De dienstmeid ‘Ratio’ spoort aan tot vrede. Anonieme gravure, 16de eeuw. (Amsterdam, Rijksmuseum, Prentenkabinet)

[p. 95]

Omstreeks het midden van de zestiende eeuw onderging de evangelische beweging in Antwerpen belangrijke wijzigingen. Vanaf de vroege jaren vijftig vinden we er sporen van een georganiseerde gereformeerde gemeente. Het slagvaardige calvinisme werd ten minste vanaf de jaren zestig de dominante stroming binnen het protestantisme en het ondernam zelfs pogingen om in Antwerpen de politieke macht te veroveren. Vanaf ongeveer 1550 kende het door de Fries Menno Simons vormgegeven ‘stille’ doperdom eveneens een sterke opleving en groeide Antwerpen uit tot een van de belangrijkste kernen van anabaptistisch leven in de Nederlanden. Terwijl de protestantse ideeën tijdens de eerste helft van de zestiende eeuw beleden werden door individuen en door informele groepjes die niet door een overkoepelende structuur werden samengehouden, was de gemeentevorming typerend voor de gereformeerden en doopsgezinden. De aanhangers van deze richtingen vormden goedgeorganiseerde ondergrondse tegenkerken, die het samenhorigheidsgevoel en de slagkracht tegenover een hun vijandig gezinde overheid aanzienlijk versterkten. De toenemende organisatievorming ging tevens gepaard met een scherpere aflijning op het leerstellige vlak, zowel in de eigen geloofsgemeenschap als tegenover de andere christelijke kerken. Er voltrok zich met andere woorden binnen de brede protestantse beweging een proces van religieuze confessionalisering.1

De Calvinistische kerk

De uit Oudenaarde afkomstige tapijtwever Jan van Ostende, die op 16 oktober 1551 in Antwerpen werd terechtgesteld, wordt door een aantal auteurs voorgesteld als de eerste predikant van de Antwerpse gereformeerde gemeente onder het kruis.2 Hoewel Van Ostende in de schoutsrekeningen

[p. 96]

aant.
betiteld wordt als een aanhanger ‘vande Lutheriansche secte’3, wijzen zijn contacten met de Nederlandse vluchtelingenkerk in Londen, in het bijzonder met Maarten Micron, en zijn Avondmaalsopvatting eerder in de richting van het gereformeerd protestantisme. In de vroege jaren vijftig ondergingen de Nederlandstalige gereformeerden immers niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats de invloed van het Genève van Calvijn. De Nederlandse vluchtelingenkerk in Londen, die in die periode een sterke band onderhield met de gereformeerden in de Nederlanden, vertoonde duidelijk meer affiniteiten met het Zürich van Zwingli en Bullinger.4 Vandaar dat we beter kunnen spreken over een pluriform gereformeerd protestantisme dat steeds duidelijker in een calvinistische bedding zou gaan vloeien.5 Er zijn geen gegevens beschikbaar die erop wijzen dat Jan van Ostende aan het hoofd stond van een georganiseerde gereformeerde gemeente. Niettemin oefende hij in Antwerpen een reële invloed uit. In 1552 zond de Antwerpse lutheraan Alexander Bruchsalius een door hem gemaakte Latijnse vertaling van twee geschriften - een van Maarten Micron en een van Jan van Ostende - naar Duitsland met de vraag dat de bekende lutherse theologen Joachim Westphal en Matthias Flacius Illyricus er een weerlegging zouden op schrijven. Bruchsalius meldde dat het nauwelijks te geloven was hoe ‘secta haec sacramentariorum’ groeide in Antwerpen, Engeland en elders.6

De uit Mechelen afkomstige Gaspar van der Heyden kunnen we beschouwen als de eerste en voornaamste architect van de Nederlandstalige gereformeerde Kerk onder het kruis in Antwerpen.7 Van der Heyden had op zestien- à zeventienjarige leeftijd voor de nieuwe leer gekozen en zich in Antwerpen gevestigd, waar hij als schoenmakersknecht in zijn onderhoud voorzag. Na de martelaarsdood van Jan van Ostende werd hij eind 1551 predikant van de Antwerpse gereformeerden. Vier jaar later, in 1555, kon hij zich voltijds toeleggen op het predikambt. Alles wijst erop dat Gaspar van der Heyden tijdens de eerste jaren voorganger was van een dogmatisch nog niet scherp geprofileerde gereformeerde gemeenschap en dat pas in 1555 een gestructureerd kerkverband ontstond. Op 17 december 1555 kon hij aan de kerkenraad van Emden melden dat ‘wy Christo den Heeren door den H. Geest beginnen te verzamelen een kleine tedere Bruydt of Gemeente’. Uit dezelfde brief vernemen we dat Heydanus ‘ordinantien’, een soort kerkorde, had opgesteld, die onder meer bepaalden dat de gemeenteleden elke zondagavond moesten samenkomen. De plaats van samenkomst werd dezelfde dag door daartoe gemandateerden meegedeeld. Hij had het tevens raadzaam gevonden ‘te vorderen van eenen iegelyken zyns geloofs belydinge, op dat daardoor de conscientie versterket, alle valsche lere geweert, en uitgesloten, ende Schrift onderzocht werde’. Gaspar van der Heyden stelde zich met andere woorden op een zeer strak standpunt en wenste iedereen uit te sluiten die nog ‘gezelschapten metten genen, die de roomsche grou-

[p. 97]

welen en superstitien zomtyden noch genieten’, een exclusieve opstelling die duidelijk aan Calvijn herinnert. De belangrijkste geloofspunten, zoals de tien geboden en de apostolische geloofsbelijdenis, werden in kleine groepjes onder leiding van een groepsleider uitvoerig besproken.8 Ruim twee jaar later vernemen we dat de Antwerpse gemeente bestond uit zestien of achttien secties, die elk acht tot twaalf personen groepeerden. Voor de predikaties werden twee tot drie secties verenigd.9

In 1556 kreeg Gaspar van der Heyden versterking van een tweede predikant, de uit Zeeland afkomstige Adriaan van Haemstede. Deze laatste had het echter moeilijk met de strikte afbakening van de gemeente die van der Heyden hanteerde. Van Haemstede wenste zich ook te richten tot die lieden die het uit principe of vanwege hun maatschappelijke positie nog niet tot een radicale breuk met de katholieke Kerk wilden laten komen. De kerkenraadsleden konden zich daarentegen moeilijk verzoenen met de vrijblijvende ‘salonpredikaties’ van Adriaan van Haemstede, die de veiligheid van hun ondergrondse gemeente in gevaar bracht. Bovendien wakkerde het eigengereide karakter van van Haemstede de tegenstellingen meermaals aan.10 Het conflict met Adriaan van Haemstede openbaart in elk geval een van de fundamentele karakteristieken van het vroege calvinisme, dat zich in moeilijke omstandigheden een weg moest banen, met name het spanningsveld tussen de beperkte kern van gemeenteleden en de ruimere kring van belangstellenden die zich minder verregaand wensten te engageren. Gaspar van der Heyden en de Antwerpse kerkenraadsleden maakten in dat verband een duidelijk onderscheid tussen de kinderen van God en de kinderen van de Wereld, waarbij de eerste categorie bestond uit diegenen die belijdenis van hun geloof aflegden en zich onderwierpen aan de kerkelijke discipline.11

Naast een Nederlandstalige gemeente ontstond in de jaren vijftig in Antwerpen ook een Franstalige of Waalse gereformeerde gemeente. De eerste sporen van gereformeerd leven waren er een uitvloeisel van het optreden van Pierre Brully in de Waalse gewesten. Brully was predikant van de Franse vluchtelingenkerk in Straatsburg en werd in september 1544 naar de Nederlanden gezonden om er gereformeerde gemeenten op te richten in Doornik, Rijsel, Valenciennes en de omliggende plaatsen. Hij werd echter eind 1544 in Doornik aangehouden en na zijn arrestatie volgde een strenge repressie.12 Heel wat volgelingen van Brully vluchtten via Antwerpen naar Wezel in het Land van Kleef, waar zij een eigen gemeenschap vormden. Een aantal aanhangers uit Rijsel vestigden zich echter in Antwerpen, vanwaar zij in contact bleven met hun geloofsgenoten in Straatsburg.13 Pas in 1554 bleek er een georganiseerd kerkverband te bestaan. In dat jaar preekte Jacques de Lo enige tijd in Antwerpen, en eind 1553-begin 1554 hielden ook de predikanten Juan Morillo en François Perussel dict de la Rivière zich op in Antwerpen vooraleer ze doorreisden naar Wezel. De Spanjaard

[p. 98]

aant.
Morillo, een leidinggevende figuur in de kringen van Spaanse protestanten, bereikte Antwerpen vanuit Parijs. Perussel was predikant van de Franse kerk in Londen (1550-1553), Wezel (1554-1557) en Frankfurt (1557-1561).14 Het belang van de Waalse Kerk van Antwerpen blijkt overigens uit haar aanzienlijk aandeel in de herinrichting van de Franstalige gemeente in Wezel. Morillo en Perussel waren beroepen ‘publica et canonica electione Fratrum peregrinorum loci illius et Fratrum Antverpiensium, qui simul tanquam una erant Ecclesia’.15 De Franse Kerk van Wezel was met andere woorden een soort verlengstuk van die van Antwerpen. De eerste vaste predikant van de Waalse gemeente in Antwerpen was mr. Evrard Erail, die in mei 1557 op verzoek van de Antwerpse Kerk van Genève naar Antwerpen werd gezonden.16 Het is echter zeer waarschijnlijk dat reeds vóór 1557 van tijd tot tijd predikanten in Antwerpen actief waren, maar door het karige bronnenbestand zijn we daarover niet ingelicht.

Van bij de aanvang was de Franse Kerk in Antwerpen opgenomen in een netwerk van internationale contacten. Met de Franse Kerken van Wezel en Frankfurt bleven steeds nauwe banden bestaan17 en de broeders van Antwerpen bemiddelden wanneer er in deze vluchtelingengemeenschappen problemen of conflicten rezen.18 Bevoorrechte relaties waren er ook met de in 1554 opgerichte Franstalige vluchtelingenkerk van Emden.19 Na de dood van de Emdense predikant Pierre du Val stelde de Franse Kerk van Antwerpen zelfs voor om gezamenlijk twee predikanten te onderhouden, die samen met Evrard Erail om beurten in Antwerpen en in Emden zouden dienen.20 De invloed van Genève liet zich niet alleen gelden in de persoon van predikant Erail, ook Calvijn zelf toonde zich bezorgd om het lot van zijn Antwerpse broeders.21 Ten slotte moet worden beklemtoond dat de inrichting van gestructureerde gemeenten in 1554-1555 ongetwijfeld gestimuleerd werd door de terugkeer van gereformeerden die Londen ontvlucht waren na de katholieke restauratie onder Queen Mary in 1553. Dit was het geval voor ten minste drie ouderlingen van de Kerk van Antwerpen: Hendrik Moreels en Louis Thierry van de Nederlandse en Nicolaas Wilpin van de Franse Kerk.22 Na de troonsbestijging van koningin Elizabeth I hadden zowel de Franse als de Nederlandse Kerk van Antwerpen veelvuldige contacten met de in 1559 opnieuw georganiseerde vluchtelingenkerken van Londen.

De uitbouw van een internationaal netwerk werd in de hand gewerkt door de mobiliteit die vervolgde geloofsgenoten noodgedwongen aan de dag legden. Bovendien werden de contacten vergemakkelijkt door de positie die Antwerpen als internationale handelsmetropool bekleedde. Het wijdvertakte economische netwerk dat Antwerpen met vele steden op het Europese continent verbond, bleek zich uitstekend te lenen voor een vlotte circulatie van ideeën en personen. Brieven van hervormers uit Zwitserland, het Duitse

[p. 99]

aant.
Rijk en Engeland werden vaak via Antwerpen ter bestemming gebracht. Verscheidene predikanten of theologen bereikten plaatsen in Engeland of het continent via Antwerpen, waar ze soms voor een kortere periode verbleven.23 De Franse Kerk van Antwerpen stond van bij de aanvang sterker onder de invloed van Calvijn dan de Nederlandse Kerk. Dit nam niet weg dat ook Straatsburg en Zürich een impact hadden op het Franstalig gereformeerd calvinisme en dat het overwicht van Calvijns Genève zich slechts stapsgewijze zou doorzetten in de jaren vijftig.24

nbsp;

De jonge gereformeerde gemeenten die zich ondergronds moesten organiseren, hadden in Antwerpen geen makkelijk bestaan. Het risico vervolgd te worden vanwege het geloof en de strikte regels die de kruiskerken aan hun leden oplegden, spoorden velen ongetwijfeld aan tot voorzichtigheid en terughoudendheid. De aanmoedigingen die Johannes Calvijn eind 1556 formuleerde aan het adres van de Franse Kerk van Antwerpen, moeten we in dit licht zien. Hij spoorde de Antwerpse broeders krachtig aan niet af te wijken van de goede weg:

Seulement gardez de vous refroidir, car vous scavez a quelle condition nous sommes appellez. [...] Sur tout vous estes en un lieu ou il y domine tant de corruptions, que si vous navez tousiours les remedes a la main, il vous seroit bien difficile de perseverer en la pureté laquelle Dieu demande de tous les siens. Et ie pense bien que chacun sent assez en soy combien Satan sefforce a user de telles occasions. [...] Parquoy, mes freres, exercez vous non seulement a lire en privé, mais aussi a vous assembler au nom de Iesus Christ, affin dinvoquer Dieu et recevoir quelque bonne instruction pour profitter de plus en plus.25

De Geneefse kerkhervormer haalde meermaals fel uit tegen de nicodemieten, die in navolging van Nicodemus, de Farizeeër, Jezus uit vrees 's nachts bezochten en hun geloof niet openlijk en puur durfden te belijden.26 Het nicodemisme bleef echter een constante factor in een gemeenschap die voortdurend bedreigd werd door de repressie.27 Vanuit dit perspectief bekeken is het allerminst toevallig dat Calvijns Institutes niet in het Nederlands vertaald werden vóór 1560, terwijl zijn Excuse à messieurs les Nicodemites reeds in 1554 een Nederlandse druk kende. De drukpersen die in Emden gerund werden door Nederlandse vluchtelingen, produceerden vanaf dat jaar een aanzienlijk aantal antinicodemitische werken, waaronder vertalingen van Calvijns traktaten.28

De pogingen om aan de vervolgende overheid te ontsnappen, noopten de ondergrondse gemeenten tot een grote mobiliteit. Dit blijkt duidelijk uit de positie van de predikanten die geestelijke leiding gaven aan de gerefor-

[p. 100]

meerde gemeenten. Voor de periode 1550-1566 konden we met zekerheid 29 personen identificeren die in Antwerpen het predikambt vervulden.29 Van deze 29 predikanten waren er zeventien minder dan één jaar actief in Antwerpen. Zij behoorden tot de grote groep van mobiele predikanten die heen en weer trokken tussen de gemeenten onder het kruis in de Zuidelijke Nederlanden en de buitenlandse vluchtelingencentra. Vijf predikanten verbleven ongeveer een jaar in de Antwerpse metropool, terwijl zeven er voor minstens twee jaar een werkterrein vonden. In verband met deze laatsten moet worden opgemerkt dat geen van deze predikanten onafgebroken in Antwerpen diende. Af en toe verlieten zij hun standplaats, hetzij om een nabijgelegen gemeente te assisteren, of om tijdelijk elders een veiliger onderkomen te vinden. Aan Nederlandstalige zijde valt het op dat acht predikanten voor of nadat zij in Antwerpen optraden, in Londen en/of Emden verbleven, terwijl zich bij de Franse Kerk vooral een vruchtbare wisselwerking voordeed met de calvinistische gemeenten van Doornik, Rijsel en Valenciennes.

Van 22 predikanten konden we hun vorige beroepsactiviteit achterhalen. De gewezen priesters waren met tien, onder wie vier seculieren en zes regulieren, veruit de sterkst vertegenwoordigde categorie. Daarmee bevestigt de Antwerpse situatie een patroon dat typerend was voor de lutheranen en gereformeerden van de eerste generatie.30 Verder waren er drie schoolmeesters, één advocaat, twee kooplieden en zes ambachtslieden (twee schoenmakers, telkens één glasschilder, tapijtwever, passementwever en een niet nader gespecifieerde ambachtsman).

Ook het opleidingsniveau van de Antwerpse predikanten vormt een interessant gegeven. Hoewel voor slechts vijftien predikanten gegevens beschikbaar zijn, is het opvallend dat een academische vorming vaker voorkwam bij de predikanten verbonden aan de Franse Kerk dan bij hun collega's van de Nederlandse gemeente. De in 1559 geopende academie van Genève wierp al snel vruchten af voor het Antwerpse calvinisme.31 Zes predikanten van de Waalse gemeente hadden er een opleiding genoten, terwijl de oudere academie van Lausanne driemaal in onze lijst voorkomt, waarbij tweemaal in combinatie met Genève. Zes predikanten hadden aan meer dan één academie of universiteit gestudeerd. Naast de twee combinaties Lausanne-Genève komen voor: Bourges-Genève, Parijs-Wenen-Genève en Leuven-Genève-Orléans. Verder nog Dole en Parijs met telkens één vermelding. Nemen we de opleidingscentra als criterium, dan stond het Franstalig gereformeerd protestantisme zeker vanaf 1559 onder een sterke Zwitserse en meer bepaald Geneefse invloed, maar in de herkomst van de predikanten en de hogescholen die ze frequenteerden, komt eveneens het aandeel van Frankrijk tot uiting.32 Aan Nederlandstalige zijde hadden slechts drie predikanten een academische opleiding genoten. Het geringere

[p. 101]

aant.
gewicht van de universitaire vorming blijkt ook uit het feit dat hier geen combinaties van verschillende academies of universiteiten voorkwamen. Twee predikanten hadden aan de universiteit van Leuven gestudeerd en één aan de universiteit van Keulen. Het ontbreken van eigen opleidingsinstituten liet zich bij de Nederlandstalige gereformeerden van de eerste generatie duidelijk gevoelen.

Ondanks de moeilijke beginjaren gingen de leiders van de plaatselijke kerken niet lichtzinnig te werk bij de selectie van de kandidaat-predikanten. Jaspar Hermans, die in Antwerpen de roomse Kerk verlaten had, werd door de kerkenraad van de Nederlandse gemeente naar Emden gezonden in de hoop dat daar zijn kennis en geloof verder zouden groeien, zodat hij achteraf in Antwerpen als predikant zou kunnen fungeren. Toen achteraf bleek dat hij toch ongeschikt was voor de dienst in Antwerpen, waar men gezien de zware lasten ‘een triffelijck campyoen’ nodig had, adviseerden de Antwerpse kerkenraadsleden uit te kijken of hij in Emden of omgeving niet als predikant of schoolmeester ingezet kon worden. Zo niet diende men hem een ambacht aan te leren.33

Naast de predikanten werd in de gereformeerde gemeenten eveneens een belangrijke plaats bekleed door de ouderlingen en de diakens. Calvijn had bij de opstelling van zijn kerkorde een onderscheid gemaakt tussen vier kerkelijke ambten: predikant, doctor of leraar in de theologie, ouderling en diaken.34 De ouderlingen vormden samen met de predikanten de kerkenraad en zij moesten erop letten dat de kerkelijke discipline gehandhaafd bleef, zodat de gemeente in zuiverheid kon vergaderen rond het Avondmaal. De diakens waren belast met de ondersteuning van zieken en armen. Alles wijst er echter op dat in de kerken onder het kruis deze strikte functie-afbakening niet altijd gehandhaafd kon worden. Zo bepaalde de synode die op 26 april 1563 in Antwerpen plaatsvond, dat ouderlingen en diakens in afwezigheid van de predikant ‘pourront faire priere, ou lecture de la parole de Dieu, respondre briefvement aux questions proposées’.35 Bovendien hadden de moeilijke omstandigheden waarin de ondergrondse gemeenten hun kerkelijke leven moesten organiseren, genoopt tot de instelling van een bijkomend ambt, met name dat van weetdoener. Deze weetdoeners - een soort geheime boodschappers - moesten de gemeenteleden aanduiden waar de kerkelijke vergaderingen zouden plaatsvinden. In totaal konden we zestig personen identificeren die vóór het Wonderjaar fungeerden als ouderling, diaken of weetdoener van de Nederlandse of Waalse gemeente.36 Dit is vanzelfsprekend een minimumaantal, aangezien we door het ontbreken van kerkenraadsacta aangewezen waren op toevallige vermeldingen in zeer verspreide bronnen. Van 35 onder hen konden we de beroepsactiviteit achterhalen. De handelaars (onder wie twee oudkleerkopers) en de textielsector waren met respectievelijk negen en twaalf eenheden het sterkst vertegen-

[p. 102]

aant.
woordigd. 25 ouderlingen, diakens of weetdoeners vonden we vóór of na hun ambtstermijn in Antwerpen terug in een vluchtelingenkerk, van wie liefst achttien in Londen. De hoge score van Londen werd zeker voor een deel in de hand gewerkt door het rijke bronnenbestand dat de Londense gemeenten nalieten, maar hij onderstreept evenzeer de nauwe contacten die er tussen de kerken van Antwerpen en Londen, vooral vanaf 1559, bestonden. De negen Antwerpse gemeenteleiders die nadien in Londen het ambt van ouderling of diaken bekleedden, bevestigden die bevoorrechte relatie nog eens extra.

De vraag hoeveel aanhangers het jonge calvinisme in Antwerpen telde, valt moeilijk te beantwoorden. Bij de interpretatie van de schaarse cijfers die meegedeeld worden, moeten we een onderscheid maken tussen de gemeenteleden stricto sensu en de bredere kring van belangstellenden die af en toe de predikaties bijwoonden. Wanneer we vernemen dat de Nederlandse gemeente begin 1558 ingedeeld was in zestien of achttien secties die elk acht tot twaalf personen groepeerden, liep het aantal gemeenteleden minimaal tot 128 en maximaal tot 216 eenheden op.37 Het aantal leden van de Nederlandstalige en de Franstalige gemeente samen mogen we rond die tijd wellicht op enkele honderden schatten. Alles wijst erop dat de aanhang van de calvinisten aanzienlijk werd uitgebreid door de predikaties die Adriaan van Haemstede buiten de gemeente hield, vooral toen hij eind 1558 in de openbaarheid preekte.38 Begin december hadden twee geheime predikaties respectievelijk ongeveer tweehonderd en vierhonderd toehoorders op de been gebracht en op 11 december trok een publieke samenkomst wel tweeduizend toehoorders, maar pensionaris Jan Gillis voegde eraan toe dat ‘daeraf nochtans het vierendeel nauwelycs en was geweest vande secten des voors. Adrianus’.39 De deken en de kanunniken van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel schatten het aantal aanwezigen zelfs op drie- à vierduizend personen, hoewel ook zij meenden dat de meesten geen calvinisten waren.40 Het openbare optreden van Adriaan van Haemstede had op de stadsbestuurders, de Antwerpse clerus en de centrale overheid alleszins een diepe indruk gemaakt.41 Het deed hen de expansieve kracht van de calvinistische beweging ten volle beseffen. Hoe op het einde van de jaren vijftig de verhouding lag tussen de harde kern van gemeenteleden en de ruimere kring van sympathisanten, valt echter niet uit te maken. Dat de reikwijdte van Adriaan van Haemstedes activiteiten niet onderschat mag worden, blijkt nog uit een brief van Karel Utenhove, die op 16 mei 1561 liet weten dat van Haemstede in Antwerpen tweeduizend personen in het gereformeerde geloof had onderricht.42

De Antwerpse calvinisten hebben zich bij de verspreiding van hun geloof niet beperkt tot de enge grenzen van hun stad. Van bij de aanvang fungeerde Antwerpen als een soort bruggenhoofd, van waaruit het gereformeerde

[p. 103]

gedachtegoed werd uitgedragen naar de omliggende steden en gewesten. Het spreekt vanzelf dat het intense netwerk van commerciële kanalen waarover Antwerpen als handelsmetropool beschikte, de centrale positie van het Antwerpse calvinisme bevorderd heeft. Een aantal Brabantse steden, Mechelen inbegrepen, heeft bij de introductie van de gereformeerde religie beslissende stimuli ontvangen vanuit Antwerpen. Al begin 1558 waren Antwerpse predikanten van tijd tot tijd bedrijvig in Brussel, Turnhout en andere plaatsen.43 In Brussel, waar de reformatorische beweging van bij het prille begin sterk op de Antwerpse metropool georiënteerd was, werden in 1558 en 1562 telkens vanuit Antwerpen een Nederlandstalige en een Franstalige gemeente opgericht.44 In 1560 verzochten drie Antwerpse ouderlingen van de Nederlandse Kerk de Emdense kerkenraad een bekwaam predikant te zenden die de omliggende steden, zoals Brussel, Mechelen, Breda en Turnhout, en Holland zou kunnen bedienen, omdat, voegden zij eraan toe, ‘den oegst groet is ende die aerbeyders hier weynich sijn’.45 De calvinisten van Breda kregen af en toe het bezoek van een Antwerpse predikant, maar zij ontvingen vanaf 1560 een nog krachtiger stimulans door de inwijking van Antwerpse en Waalse migranten.46

Over het belang van Antwerpen voor de verbreiding van het gereformeerd protestantisme in het graafschap Vlaanderen zijn we goed ingelicht dankzij het grondige onderzoek van Johan Decavele. De nog kleine gereformeerde kern in Brugge ondervond een belangrijke steun van de uitgeweken Bruggelingen Louis Thierry en Joos van Westhuysen, die in 1557-1558 een belangrijke positie bekleedden in de Nederlandse Kerk in Antwerpen.47 De predikant Pieter Gabriël, die in november 1564 uit Brugge gevlucht was en zich gevestigd had in Antwerpen, trok van daar uit nog om de veertien dagen naar zijn Brugse geloofsgenoten. Nauwe banden, mede in de hand gewerkt door het handelsverkeer, waren er ook met de Vier Ambachten, waaronder vooral Axel en Hulst, en met de streek rond Eeklo. De ex-karmeliet Lodewijk de Voghele hield zich in de vroege jaren zestig op in Antwerpen, waar hij het in de Nederlandse gemeente tot consistorielid bracht. Hij bezocht in die periode geregeld de gereformeerde gemeenschappen in zijn geboortestreek Eeklo en in het Land van Saaftinge.48 Ook de in Eeklo geboren koopman Jan Claeyssens had zich in 1562 uit vrees voor de vervolgingen in Antwerpen gevestigd, waar hij vermoedelijk tot predikant werd opgeleid. Tijdens de handelsreizen die hij vanuit Antwerpen ondernam, fungeerde hij tevens als zielzorger voor de gereformeerden in de Vier Ambachten, het Land van Saaftinge en Eeklo.49 Een belangrijk propagandist en verbindingsman tussen Antwerpen en de streek van Axel, Hulst en het Land van Saaftinge was verder Gelein Brant, een visverkoper uit Casuele. Tijdens zijn tochten colporteerde hij ijverig boeken en geschriften die hij uit Antwerpen meebracht.50 Ten slotte moeten we nog de Eeklonaar Lauwereis de Vos ver-

[p. 104]

melden, die na zijn terugkeer uit Emden in de jaren 1562-1563 de spil werd van het reformatorische gebeuren tussen Gent en Antwerpen, waarbij hij dankbaar gebruik maakte van zijn goede relaties met de Antwerpse Kerk onder het kruis.51

Het Vlaamse Westkwartier was sedert de late jaren vijftig een bijzonder expansieve groeipool van gereformeerd leven.52 De belangrijkste impulsen werden daarbij ontvangen van de heringerichte vluchtelingenkerken van Londen en vanaf 1561 nog meer van de strijdbare vluchtelingengemeenschap van Sandwich. Niettemin ging er ook invloed uit van Antwerpen, wat niet hoeft te verbazen aangezien via de Antwerpse wereldmarkt een groot deel van de lichte draperie van het Westkwartier werd geëxporteerd. De nauwe banden waren in de eerste helft van de jaren zestig vooral het werk van de predikant Peter Hazaert, die geregeld van Antwerpen naar het westelijke deel van Vlaanderen reisde. Hij werd daarin bijgestaan door de exkapelaan Jan Hendrickx, die fungeerde als een soort verbindingsman met de Antwerpse Kerk onder het kruis maar midden 1564 op een van zijn vele tochten naar Antwerpen gearresteerd werd.53 Uit het verhoor van Jan Hendrickx bleek dat Hazaert in Antwerpen onder meer logeerde bij Joos Laureins, een prominent protestant uit het Westkwartier, en in de verkoopshalle van Nieuwkerke, waar hij het gezelschap vond van Gelein en Hans Baelde, twee telgen uit een bekende Nieuwkerkse drapiersfamilie.54 Een mooier voorbeeld van een samentreffen van handel en religie kan men zich moeilijk indenken.

De Franstalige gereformeerde gemeente van Antwerpen werd van bij de aanvang aanzienlijk versterkt door de inwijking van nieuwgezinden uit de Waalse gewesten. Deze immigratie werd in sterke mate gevoed door de commerciële banden die deze gewesten onderhielden met de Antwerpse handelsmetropool. Op basis van de poortersboeken toonde Emile Coornaert aan dat de poortersinschrijvingen van personen afkomstig uit steden als Rijsel, Armentières, Valenciennes, Doornik en Atrecht een hoogtepunt kenden in de periode 1542-1566, met een piek in de jaren 1559-1566. De grote meerderheid van diegenen die het poortersrecht kochten, waren kooplieden.55 De Waalse calvinisten wisten bovendien zeer goed dat de stedelijke overheid van Antwerpen een vrij tolerante houding aannam in religiezaken, zeker wanneer er commerciële belangen in het geding waren. Om die reden heeft Antwerpen steeds gefungeerd als een soort schuilkerk voor opgejaagde Waalse geloofsbroeders. Hoewel de inwijking een continu karakter had, kende zij bij momenten een sterke opflakkering, veroorzaakt door een verscherpte repressie in de Waalse steden. Zo zochten heel wat hervormden uit Doornik in 1552 een toevlucht in Antwerpen na de arrestatie en terechtstelling van hun predikant Godefroid de Hamal. Dit herhaalde zich na de ontmanteling van de Doornikse gemeente eind 1561.56 In 1562-

[p. 105]

aant.
1563 kwam een versterkte immigratie vanuit Valenciennes op gang, nadat de centrale regering koninklijke inquisiteurs en een garnizoen naar die stad had gezonden. Uit het verhoor van Paul Chevalier, die in de jaren 1563 en 1564 geregeld predikaties hield in Antwerpen, blijkt hoe de Waalse calvinisten in de metropool een netwerk van onderlinge relaties hadden uitgebouwd en hoe zij zich geïntegreerd hadden in het ondergrondse gemeenteleven. De contacten met de achtergebleven geloofsbroeders werden daarbij niet verwaarloosd.57 Deze vruchtbare wisselwerking blijkt eveneens uit het gevarieerde itinerarium van verscheidene predikanten die verbonden waren aan de Franstalige gemeente van Antwerpen.58 Bovendien werden door calvinistische colporteurs vanuit Antwerpen boeken geëxporteerd naar de Waalse gewesten.59 De herhaalde aansporingen van de centrale regering en van andere autoriteiten om streng op te treden tegen de ketterse immigranten60, werden door de Antwerpse magistraat nooit met harde hand uitgevoerd.

Uit het bovenstaande blijkt voldoende dat Antwerpen een centrale rol vervulde in de verspreiding en ondersteuning van het gereformeerd protestantisme in Brabant, Vlaanderen, Frans-Vlaanderen, Henegouwen en Artesië. Vooral voor vervolgde calvinisten uit Vlaanderen en de Waalse gebieden fungeerde Antwerpen als een centraal toevluchtsoord. Deze inwijkelingen werden ingeschakeld in het ondergrondse gemeenteleven van de Nederlandse en de Franse Kerk. Sommigen brachten het zelfs tot ouderling of diaken en voor een aantal ondernemende lieden was Antwerpen een geschikte uitvalsbasis om het gereformeerde geloof in het thuisland te ondersteunen. Dit alles werd ten zeerste bevorderd door de commerciële positie van Antwerpen: in de dichtbevolkte handelsmetropool heerste een relatieve tolerantie, en het netwerk van persoonlijke contacten en handelswegen leende zich uitstekend voor de verspreiding van ideeën. Bovendien verliepen de contacten tussen de vluchtelingenkerken in Engeland en het Duitse Rijk en de Nederlandse gewesten vaak via de Antwerpse metropool. Commissarissen van de Raad van Vlaanderen drukten in 1556 de situatie wel zeer treffend uit toen zij stelden:

datter groote menichte die uut diversche steden ende plaetsen van Vlaenderen, Doornik ende de casselrije van Rijsele ter cause vande secten uut vreese van justicie gevloden zijn ende verhuust, t'Antwerpse wonen, omme daer elck naer zyn kettersche opinie te moghen levene, gheselscap t' hebbene ende gherief van bouxkens, de welcke - zo wel te beduchtene es - ooc daghelicx confort ghecryghen van heurlieder complicen die te Wesel, Francfort, oft in 't Land van Emde respectivelic wonen en dicwile t'Andwerpe commen of zenden; ghelijckerwys notoire es datter ooc daghelicx uut Vlaenderen ende elders van alle ste-
[p. 106]
aant.
den ende plaetsen vele volcx t'Antwerpe hantiert, dat zulcke contagieuse coopmanscepe thuuswaerts draecht ende verspreit.61

De centrale positie van de Antwerpse Kerk mag nog blijken uit het feit dat alle synodale vergaderingen die vóór 1571 in de Nederlanden georganiseerd werden, op één na in Antwerpen plaatsvonden.62 Op deze synodes, die ten minste vanaf 1562 werden gehouden en zo algemeen waren als de omstandigheden toelieten, hebben vertegenwoordigers van de diverse gemeenten onder het kruis afspraken gemaakt over een gemeenschappelijke kerkorde en werden praktische problemen waarmee de jonge kerken te kampen hadden, besproken.63 Deze vergaderingen hebben het samenwerkingsverband onder gereformeerden uit verschillende steden en gewesten en tussen de twee taalgroepen ongetwijfeld versterkt. Mogelijk ging nog meer eenheid uit van de aanvaarding en het gebruik van dezelfde geschriften, zoals de psalmberijmingen van Jan Utenhove en Pieter Datheen. Bovenal dienen we in dit verband echter de Confession de foy te vermelden die in 1561 door Guy de Brès werd opgesteld in nauwe samenwerking met de Kerk van Antwerpen. De Antwerpse inbreng was blijkbaar zo groot dat tijdgenoten spraken van de ‘Confession des fidèles d'Anvers’.64 Op de synode die in april 1563 in Antwerpen plaatsvond, werd bepaald dat gereformeerde ambtsdragers de Confession voortaan dienden te onderschrijven, en op de Antwerpse synode van 1566 werd zij na enkele wijzigingen verheven tot de geloofsbelijdenis van alle calvinistische kerken in de Nederlanden.

Tot slot staan we nog even stil bij de socioprofessionele en de geografische rekrutering van het gereformeerd protestantisme in Antwerpen. Van 68 vervolgde calvinisten (79 percent) konden we de beroepssituatie achterhalen.65 In tabel 5.1 hebben we de gegevens samengevat in een aantal grote beroepscategorieën en de vergelijking gemaakt met de globale professionele situatie te Antwerpen in 1584-1585. Hieruit blijkt dat de ambachtelijke sector met 48,5 percent de globale beroepssituatie dicht benadert. Binnen de ruime ambachtelijke sector is de textielnijverheid met 22 percent sterk vertegenwoordigd. Vooral de nieuwe en meer verfijnde branches zoals de tapisserie, de zijdenijverheid en de passementwerkerij scoren met negen eenheden zeer behoorlijk. Anderzijds vallen de sterke ondervertegenwoordiging van het bouwbedrijf en de volledige afwezigheid van de voedingsbranche op. De sector handel en transport komt met 22 percent op de tweede plaats, maar in vergelijking met de globale situatie is hij behoorlijk ondervertegenwoordigd. De intellectuele en artistieke beroepen scoren daarentegen hoog. Vooral de kunstnijverheid is met 16 percent proportioneel sterk vertegenwoordigd. Hierbij tellen we drie schilders, twee luitsnaarmakers, twee diamantslijpers, drie drukkers en een boekbinder.

Over de vermogenspositie van de Antwerpse calvinisten zijn we schaars

[p. 107]

Tabel 5.1: Professionele structuur van in Antwerpen vervolgde calvinisten, 1550-1566

aantal personen % % in 1584-1585
ambachtelijke beroepen 33 48,5 47,8
kunstnijverheid 11 16,1 4,6
intellectuele beroepen 3 4,4 3,0
handel en transport 15 22,0 38,6
overheid en administratie 1 1,4 3,1
kerkelijke ambten 5 7,3 0,3
totaal 68    
Bron: Prosopografie.      

ingelicht. De confiscaties die de vervolgden troffen, leverden ons slechts in 21 gevallen gegevens op. Tien calvinisten bleken bezitloos, terwijl elf een vermogen bezaten dat varieerde van 19 tot 199 gulden. Sommigen hadden hun goederen ongetwijfeld in veiligheid gebracht voor ze vervolgd werden of hadden bezittingen buiten Antwerpen, zoals Boudewijn Dommisent, Louis Thierry en Joos van Westhuysen. In elk geval doet zich een contrast voor met de vervolgde doopsgezinden, die voor het overgrote deel bezitloos waren.66 Van 53 vervolgde calvinisten konden we de plaats van herkomst achterhalen. Er waren voornamelijk drie rekruteringsvelden: het graafschap Vlaanderen met zestien eenheden, het hertogdom Brabant met veertien, van wie de helft uit Antwerpen zelf, en de Waalse gewesten ten zuiden van het graafschap Vlaanderen met elf eenheden.67 Deze vaststelling bevestigt de nauwe relaties die de gereformeerde gemeenschap van Antwerpen onderhield met die gebieden. Daarentegen rekruteerde het Antwerpse calvinisme slechts weinig buiten de drie vermelde zones. We troffen vier gereformeerden aan uit Holland, één uit Zeeland en zeven uit het buitenland.68

De doopsgezinde broederschap

De gereformeerde kerkleiders moesten bij de verspreiding van hun geloof rekening houden met de geduchte concurrentie van de doopsgezinden, die in de Nederlanden konden terugblikken op een langere traditie en in organisatorisch opzicht aanvankelijk voorlagen op de calvinisten. De calvinisten van de eerste generatie zagen zich bijgevolg genoodzaakt in het strijdperk te treden tegen deze doopsgezinden ten einde de suprematie binnen de reformatorische beweging te bewerkstelligen.69 Mogelijk kwam deze confrontatie nergens zo scherp tot uiting als in Antwerpen, waar beide religieuze stro-

[p. 108]

aant.
mingen sterk vertegenwoordigd waren. Eind 1555 vroeg Gaspar van der Heyden aan de kerkenraad van Emden ‘de Copie van de argumenten aangaende de tegenwerpingen der Wederdopers, waaromme men de kinderen niet en solde dopen in de Christelyke gemeynte’ naar Antwerpen op te sturen, niet omdat hij twijfels had omtrent die aangelegenheid, maar omdat hij hulp begeerde ‘tegen onze wederpartyen’.70 Ook de diaken en predikant Antoon Verdickt was ‘dickwils handelende tegen de Wederdoopers’.71 Niet alleen in de Nederlandstalige maar ook in de Franstalige gemeente moest men zich verweren tegen de doopsgezinden. Blijkbaar was de afkeer voor de anabaptisten bij sommigen zo sterk, dat zij tegen betaling doopsgezinden verraadden aan de schout, zoals Jean Gosset omstreeks 1557 deed.72 Predikant Paul Chevalier disputeerde begin 1564 in Antwerpen met doperse voorgangers.73 Veelbetekenend zijn tevens de woorden die Guy de Brès in 1565 richtte aan de kerkenraad van de Waalse gemeente in Antwerpen: ‘J'ay esté fort contristé de ce qu'on m'a dict que les anabaptistes gastent plusieurs de noz gens, je vous prie mes très chiers frères de surveiller dilligemment sur ce mal.’74

Na de mislukte pogingen van de revolutionaire wederdopers om in Münster het Rijk Gods gewapenderhand te realiseren (1534-1535), vertoonde de doperse beweging in de Nederlanden een sterke terugval, die mede in de hand werd gewerkt door de bijzonder harde repressie door de centrale en plaatselijke overheden.75 Omstreeks het midden van de zestiende eeuw kende het anabaptisme in Antwerpen echter een opbloei. Ditmaal ging het om het vreedzame doperdom dat sterk schatplichtig was aan de Friese ex-pastoor Menno Simons. De hoeksteen van Menno's leer werd gevormd door het streven naar een zuivere gemeente of broederschap ‘zonder vlek of rimpel’. De toegang tot de broederschap werd verkregen door de volwassenendoop, voor tegenstanders en buitenstaanders het meest in het oog springende kenmerk van de doopsgezinden. Daar de doop slechts kon worden toegediend na een bewust proces van innerlijke bekering en boetvaardigheid, was het vanzelfsprekend een aangelegenheid voor volwassen gelovigen. De doop was als het ware een teken van een geestelijke wedergeboorte. De exclusieve groep van gedoopte gelovigen moest een pakket van ethische evangelische voorschriften navolgen en zich daarom zo ver mogelijk houden van de zondige, geperverteerde wereld. Ten overstaan van het wereldlijke gezag impliceerde dit de verwerping van de eedaflegging en de weigering wapens te dragen en overheidsfuncties te bekleden.76 Als ‘stillen in den lande’ gingen de volgelingen van Menno Simons niettemin nog steeds gebukt onder de hardnekkige vervolging door de overheid, die in hen erfgenamen van de revolutionaire wederdopers bleef zien. Voor de huidige historici vormt de schriftelijke neerslag van deze repressie in de vorm van vonnissen, andere officiële bescheiden en de martelaarsliteratuur vaak de enige bron om de activiteiten van de stille doopsgezinden te reconstrueren.

[p. 109]

Zo weten we uit een verklaring afgelegd voor de Amsterdamse schout dat de Amsterdamse boekverkoper Jan Claesz in 1544 zeshonderd boeken van Menno Simons in Antwerpen had laten drukken. Hiervan had hij er tweehonderd in Holland verspreid, terwijl de resterende vierhonderd naar de verblijfplaats van Menno in Oost-Friesland gezonden werden.77 Dit bevestigt andermaal de rol van Antwerpen als belangrijk typografisch centrum, maar het feit dat alle exemplaren van de betrokken Menno-druk noordwaarts werden gezonden, wijst erop dat het anabaptisme op dat moment nog geen grote schare aanhangers had in de Scheldestad. Pas vanaf 1547 ontwaren we er doopsgezinde activiteiten van enige betekenis. In dat jaar en in 1548 hadden in privé-huizen en in bossen buiten de stadsmuren vergaderingen plaats waarop Gillis van Aken vermaningen hield en de doop toediende. De beschikbare gegevens tonen aan dat er op dat moment nauwe contacten bestonden met Holland, voornamelijk met Amsterdam, vanwaar er in noordoostwaartse richting verbindingslijnen liepen die reikten tot het Oost-Friese Emden en zelfs tot Danzig.78 Bij de verspreiding van de doopsgezinde ideeën was een belangrijke taak weggelegd voor een beperkt aantal vooraanstaande doopsgezinden die door Menno Simons tot oudsten waren aangesteld en vanuit het Noorden werden uitgezonden naar diverse plaatsen in de Nederlanden. Deze oudsten, die ook wel bisschoppen werden genoemd, hadden het recht de doop toe te dienen en het Avondmaal te bedienen.79 Zo'n oudste was de reeds vermelde Gillis van Aken, die een centrale rol speelde bij de eerste uitbouw van de Antwerpse broederschap. Hij stond echter niet alleen de Antwerpse gemeente ten dienste, maar bezocht ook de broeders in onder meer Aken, Amsterdam en Vlaanderen. Ook Lenaert Bouwens, eveneens een bekend oudste, legde een sterke mobiliteit aan de dag. Hoewel hij voornamelijk bedrijvig was in de noordelijke gewesten, zakte hij in de jaren 1554-1565 geregeld af naar het Zuiden. In die periode doopte hij in Antwerpen 292 personen.80 Naast Bouwens en van Aken waren vóór het Wonderjaar nog minstens vier andere oudsten in Antwerpen werkzaam, namelijk Joachim Vermeeren, Joost Verbeke, Hans Busschaert en Hendrik van Arnhem.81 Mogelijk hadden zij een meer permanente band met de Antwerpse gemeente en hebben zij vanuit Antwerpen de broeders in omliggende steden en gewesten ter zijde gestaan. Dit geldt in de eerste plaats voor Joost Verbeke, die bij zijn arrestatie in 1561 reeds elf jaar in Antwerpen woonde.82

Stonden de oudsten bovenaan in de hiërarchie van de doopsgezinde ambtsdragers, dan beschikten de plaatselijke gemeenten nog over leraars, ook wel dienaars of vermaners genoemd. Dergelijke leraars mochten predikaties of vermaningen houden en huwelijken sluiten, maar het was hun verboden te dopen of het Avondmaal te bedienen. De diakens moesten zich ontfermen over de behoeftige broeders. Deze functie-afbakening blijkt dui-

[p. 110]

delijk uit de verhoren van Herman van den Greyn en Jan van de Walle. Van den Greyn was in 1564 door de Antwerpse gemeente tot dienaar van de armen gekozen, maar had bij gebrek aan leraars ook vermaningen gehouden. Van de Walle werd omstreeks 1566 door zijn geloofsgenoten tot diaken gekozen en in 1569 door de gemeente tot leraar aangesteld.83 In de praktijk was de afstand tussen het ambt van diaken en dat van leraar met andere woorden niet zo groot.84 Joos Verbeke was diaken of ‘voirstander’ geweest vooraleer hij aangesteld werd tot oudste.85 Ten slotte waren binnen de Antwerpse broederschap ook weetdoeners actief. Hun taak kwam overeen met die van hun calvinistische collega's. Naast de reeds vermelde zes oudsten leverden de bescheiden van de Antwerpse Vierschaar ons de namen op van dertien doopsgezinde ambtsdragers die in de periode 1550-1566 vervolgd werden. De precieze aard van de uitgeoefende functie wordt daarin slechts bij uitzondering gespecificeerd. Uit andere bronnen is ons nog de figuur bekend van de Zeeuwse vermaner Govert Jaspersz, die van 1560 tot 1567 in Antwerpen woonde en van daar uit ook geregeld zijn geloofsgenoten in Mechelen, Vilvoorde en Brussel bezocht.86

Het anabaptisme kende geen opleidingsinstituten voor zijn oudsten en leraars die het Woord Gods moesten uitdragen. De idee van zulke instituten botste immers met het doopsgezinde principe van het universele priesterschap, waardoor elke gelovige een godgeleerde werd. De ambtsdragers moesten door persoonlijke studie een solide kennis van de bijbel, en vooral van het Nieuwe Testament, verwerven. Verder werd van hen in moreel en ethisch opzicht een onberispelijke levensstijl verwacht.87 Opvallend is tevens dat we onder de doopsgezinde ambtsdragers die in de periode 1550-1566 in Antwerpen vervolgd werden, op één mogelijke uitzondering na geen gewezen priesters of monniken aantreffen, wat sterk contrasteert met de situatie die we bij de Antwerpse gereformeerden vaststelden.88

Over de omvang van de Antwerpse broederschap tasten we volledig in het duister. Predikaties waaraan honderden toehoorders deelnamen, waren er aan doopsgezinde zijde in elk geval niet. Alles lijkt erop te wijzen dat de doopsgezinden veiligheidshalve eerder opteerden voor geheime samenkomsten waarop maximaal enkele tientallen geloofsgenoten elkaar troffen. Inquisiteur Titelmans meende in 1561 te weten dat de doopsgezinden in Antwerpen voor de viering van hun Avondmaal wel 25 tot 30 verschillende samenkomsten dienden te organiseren.89 Ook het relatief hoge aantal ambtsdragers (twaalf) dat in februari 1566 verbannen werd, wijst op een respectabele omvang van de gemeente.90 Het belang van de Antwerpse broederschap blijkt onmiskenbaar uit het feit dat zij reeds vanaf de vroege jaren vijftig als een steunpunt en bruggenhoofd fungeerde voor de doopsgezinde kernen in Brabant en Vlaanderen. In het hertogdom Brabant zorgde de reeds vermelde Govert Jaspersz vanaf ca. 1560 in zuidwaartse rich-

[p. 111]

ting voor de verbindingslijnen met de doopsgezinde broeders in Mechelen, Vilvoorde en Brussel. Dat de doopsgezinde gemeenschap in de hoofdstad sterk aangewezen was op Antwerpen, wordt eveneens geïllustreerd door de Brusselse doopsgezinden die er een schuiloord vonden of er predikaties gingen bijwonen.91 Redelijkerwijze mogen we aannemen dat ook de doopsgezinde kern in 's-Hertogenbosch nauwe relaties met de Antwerpse broederschap onderhield, maar het schaarse bronnenmateriaal laat ons hierover in het ongewisse.92 Voor het graafschap Vlaanderen is de situatie duidelijker, vooral dankzij het werk van Johan Decavele, die stelt dat Antwerpen omstreeks 1550 het bruggenhoofd werd waarlangs de doperse beweging opnieuw ingang vond in Vlaanderen. Oudsten als Gillis van Aken, Hans Busschaert, Joachim Vermeeren en wellicht ook Joost Verbeke trokken periodiek vanuit Antwerpen naar Vlaanderen. Nog belangrijker was dat Vlaamse doopsgezinden die in de Antwerpse gemeente verbleven hadden en er de doop ontvangen hadden, nadien terugkeerden naar hun vroegere woonplaatsen om er de doopsgezinde leer te verspreiden. Voor steden en plaatsen als Gent, Brugge, Wervik en het Westkwartier kon het belang van dergelijke leerverkondigers vastgesteld worden. Bovendien vond er vanuit die plaatsen een georganiseerde emigratie plaats naar Antwerpen.93 Terloops dient ook opgemerkt te worden dat de kleine doopsgezinde kern in Doornik nauwe contacten onderhield met Gent en Antwerpen.94

De aantrekkingskracht van het Antwerpse anabaptisme blijkt duidelijk uit zijn geografische rekruteringsveld. Van de 196 doopsgezinden die in 1550-1566 in Antwerpen werden vervolgd, konden we in 118 gevallen (60 percent) de plaats van herkomst achterhalen.95 Slechts van tien vervolgden wordt expliciet vermeld dat zij in Antwerpen geboren waren of er reeds geruime tijd woonden. Verder komen, gegroepeerd per gewest, voor: 16 uit het hertogdom Brabant of 26 wanneer we de tien Antwerpenaars meetellen, 49 uit het graafschap Vlaanderen, vijf uit de Waalse gewesten, dertien uit de Noord-Nederlandse gewesten (Holland 6, Zeeland 2, Utrecht 1, Gelre 2 en Overijssel 2), twaalf uit het prinsbisdom Luik, drie uit het graafschap Horne, tien uit het Duitse Rijk en één uit Spanje. Op basis van deze gegevens blijkt dat de doopsgezinde beweging te Antwerpen in hoofdzaak een aangelegenheid was van immigranten. Wel moeten we er rekening mee houden dat de Antwerpse herkomst niet in alle gevallen vermeld werd en dat de Antwerpse justitie haar eigen burgers meer ontzag dan de inwijkelingen. Bovendien was de immigratie in het zestiende-eeuwse Antwerpen een algemeen verspreid fenomeen dat de demografische expansie mogelijk maakte.

Uit de herkomst van de ingeweken doopsgezinden blijkt tevens dat het anabaptisme een veel wijder rekruteringsveld had dan het calvinisme, dat in Antwerpen vooral inwijkelingen uit Vlaanderen en de Waalse gewesten aan-

[p. 112]

aant.
trok. Het graafschap Vlaanderen leverde Antwerpen veruit het grootste contingent doopsgezinden. Kernpunten werden daarbij gevormd door de Gentse broederschap en de Zuid-Vlaamse Leiestreek met respectievelijk veertien en achttien eenheden. Ook uit de Noord-Nederlandse provincies, Holland voorop, trok Antwerpen doopsgezinden aan. De rekrutering in oostelijke richting is zo mogelijk nog opvallender, met twaalf vertegenwoordigers uit het prinsbisdom Luik en tien uit het Duitse Rijk. Deze laatsten waren nagenoeg allen afkomstig uit de aan de Nederlanden grenzende gebieden zoals het Land van Kleef en Gulik en het Keulse, waar zich in de jaren vijftig en zestig een opbloei van de doopsgezinde beweging manifesteerde.96 Daarentegen waren slechts weinig in Antwerpen vervolgde doopsgezinden afkomstig uit de Franstalige gewesten. We tellen slechts vijf doopsgezinden van beneden de Nederlandse taalgrens: twee uit Douai, twee uit Doornik en één uit Jumet. Daaraan moeten we nog minstens drie Walen toevoegen die zich pas na een verblijf te Gent in Antwerpen vestigden. Hoewel de Franstaligen binnen het Antwerpse anabaptisme een duidelijke minderheid vormden, heeft de doopsgezinde beweging wel degelijk de taalbarrière doorbroken.97 Dit bleek reeds uit het optreden van de Franstalige calvinisten in Antwerpen, die zich moesten verweren tegen de doperse concurrentie. Ook de drukpers biedt in dit opzicht een indicatie. In 1567 verscheen bij de Antwerpse drukker Gilles Coppens van Diest een Traicté de quelques poincts de la sincere religion Chrestienne van de doopsgezinde leider Dirk Philips, waarin de voornaamste leerstellingen van het anabaptisme werden samengevat.98 Zonder een potentieel koperspubliek was de publicatie van zo'n Franstalig traktaat zinloos geweest. Vermelden we ten slotte nog dat zich in 1557 in het Friese Harlingen een uit Antwerpen geëmigreerde groep doopsgezinden gevestigd had, onder wie een aantal Franstaligen, zoals Jacques d'Auchy, die in 1559 terechtgesteld werd.99

Vervolgd en opgejaagd door de overheid legden de doopsgezinden een bijzonder sterke mobiliteit aan de dag. Verscheidene doopsgezinden hadden bij hun aankomst in Antwerpen reeds heel wat omzwervingen achter de rug, en anderen trokken na een verblijf in de metropool naar betere oorden. Ook in Emden en Londen hielden zich gevluchte doopsgezinden op.100 Door dit alles werden de plaatselijke gemeenten voortdurend vernieuwd door van elders afkomstige broeders. Dat men bij de circulatie van doopsgezinde ideeën en personen gebruik kon maken van commerciële en professionele netwerken, blijkt nog uit de verklaring die de gevangengenomen Pierre Heuzeck omstreeks 1563 aflegde in Nieuwkerke: ‘Secht hoe dat Cools Boye, cardemakere, hem hout te Londen, dicwils over commende te Doornicke om gaerene, wiens broedere ghenaempt Jan Boye, erdoopere, wonachtich es in Vrieslant, facteur aldaer vande gheene makende de smallekens, die dicwils 200 smallekens tAntwerpen overbryngen.’101 Daarnaast

[p. 113]

Tabel 5.2: Professionele structuur van te Antwerpen vervolgde doopsgezinden, 1550-1566

beroepscategorie aantal personen % % in 1584-1585
ambachtelijke beroepen 78 76,4 47,8
kunstnijverheid 8 7,8 4,6
intellectuele beroepen 1 0,9 3,0
handel en transport 13 12,7 38,6
overheid en administratie 1 0,9 3,1
overige 1 0,9 1,9
totaal 102    
Bron: Prosopografie.      

hoopten vele doopsgezinden ongetwijfeld dat de anonimiteit van een grootstad, waarin dagelijks een groot aantal handelaars en andere lieden kwamen en gingen, hun de nodige bescherming zou bieden.

Wat de professionele situatie van de 196 vervolgde doopsgezinden betreft, konden we in 102 gevallen (52 percent) het beroep achterhalen (cf. tabel 5.2). De ambachtelijke sector blijkt met 76 percent volledig dominant. Daarentegen ontbreken beroepen die een intellectuele opleiding veronderstellen. Dit laatste is typerend voor het anabaptisme, niet alleen in de Nederlanden maar ook daarbuiten.102 Precies de helft van de Antwerpse doopsgezinden kunnen we onderbrengen in drie beroepscategorieën, namelijk de sectoren kleding (10,7 percent), textiel (22,5 percent) en bouw (16,6 percent). Daarmee zijn de arbeiders uit de textiel- en meer nog de bouwsector duidelijk oververtegenwoordigd ten opzichte van de globale beroepsstructuur van de stad. Tevens dient te worden opgemerkt dat het sterke aandeel van het bouwbedrijf fel contrasteert met de situatie bij het calvinisme, waar we zo goed als geen metselaars, timmerlieden of andere bouwvakkers aantreffen. Binnen de brede textielsector treffen we zowel vertegenwoordigers aan uit de traditionele wolnijverheid als uit de linnen-, tapijt- en zijdenijverheid. In de beroepscategorie van de kleding treden de kleermakers met acht vertegenwoordigers sterk op de voorgrond. Met elf percent is de commerciële sector sterk ondervertegenwoordigd. Drie doopsgezinden uit deze branche worden aangeduid als ‘koopman’, zonder verdere precisering. Verder komen nog een garenkoopman, een koopmanpeltier (handelaar in bont en pels), een kramer, twee oudkleerkopers, twee leerverkopers en een vettewarier (verkoper van olie en kaarsen) voor. Ook hier zien we een contrast met het calvinisme, waar de commerciële sector veel sterker vertegenwoordigd is. Toch tonen deze gegevens aan dat de doopsgezinde beweging wel degelijk doordrong in de commerciële sector. De aanwezigheid van vijf edelsmeden en drie schilders wijst erop dat het

[p. 114]

Tabel 5.3: Vermogenspositie van te Antwerpen vervolgde doopsgezinden, 1550-1566

aantal personen %
geen goederen 92 72,4
1 - 19 gl. 20 15,7
20 - 49 gl. 6 4,7
50 - 99 gl. 6 4,7
100 - 199 gl. 1 0,7
≥ 200 gl. 2 1,5
totaal 127  
Bron: Prosopografie.    

anabaptisme in deze fase ook bij meer gespecialiseerde en artistiek georiënteerde ambachten aanhangers vond.

Via de geconfisqueerde goederen zijn we voor 127 gevallen (65 percent) ingelicht over de vermogenspositie van de vervolgde doopsgezinden. Tabel 5.3 toont aan dat de overgrote meerderheid van de vervolgde doopsgezinden, namelijk 72 percent, bezitlozen waren. Van 35 doopsgezinden werden roerende goederen geconfisqueerd, maar in de meeste gevallen bedroeg de waarde ervan niet meer dan twintig gulden. Slechts drie vervolgden beschikten over een roerend vermogen dat de honderd gulden overschreed, namelijk de leerverkoper Hendrik Dachos, de koopman-peltier Pieter Janssen en Maeyken de Corte. In geen enkel geval werden onroerende goederen geconfisqueerd. Het zeer geringe vermogen van de meeste doopsgezinden werd mede in de hand gewerkt door de gedwongen mobiliteit, waardoor zich geen permanente en plaatsgebonden vermogensopbouw kon ontwikkelen. Toch mogen we hieruit geen eenzijdige conclusies trekken en ons het anabaptisme voorstellen als het exclusieve terrein van de armen. Ten minste negen in Antwerpen vervolgde doopsgezinden bezaten een roerend vermogen dat het jaarloon van een ongeschoold arbeider overschreed.103 De leerverkoper Hendrik Dachos, de koopman-peltier Pieter Janssen en de kooplieden in textielwaren François Spierinck, Isaac Stollaert (tevens boekencolporteur) en Lenaart Pluvier waren zeker geen onvermogende figuren. De zijdehandelaar Lenaart Pluvier liet wel geen goederen na, maar hij behoorde tot een welgestelde familie en alles wijst erop dat hij net vóór zijn arrestatie zijn bezittingen in veiligheid had gebracht. De socioprofessionele gegevens tonen bijgevolg aan dat de doopsgezinde gemeente in Antwerpen voor het grootste gedeelte uit bezitlozen bestond, maar bevestigen dat er eveneens ruimte was voor sociaal beter gesitueerden.

Onder de 196 vervolgde doopsgezinden waren er 139 mannen en 57 vrouwen. Mannen waren met andere woorden met 71 percent sterk in de

[p. 115]

aant.
meerderheid, een situatie die ook elders werd vastgesteld.104 Het mannelijk overwicht werd voor een deel in de hand gewerkt door het karakter van de repressie. De leiders van de gemeente, zoals oudsten, leraars, diakens en weetdoeners, werden immers speciaal geviseerd. Niettemin blijkt het anabaptisme een grotere aantrekkingskracht uitgeoefend te hebben op de vrouwen dan het calvinisme. Onder de 86 calvinisten die in de jaren 1550-1566 vervolgd werden, waren er amper acht vrouwen (9 percent). Verscheidene doopsgezinden waren via familiale relaties aan elkaar verbonden. Minstens 63 personen, of 32 percent van alle vervolgden, hadden nog één of meer familieleden die door de repressie getroffen werden. Hieronder bevonden zich 23 echtparen, negen broers of zussen en verder nog enkele niet nader bepaalde familierelaties. Velen onder hen werden in elkaars aanwezigheid gearresteerd, wanneer de schout bijvoorbeeld een geheime vergadering of een woonhuis overviel. Familiale en vriendschappelijke banden waren erg belangrijke kanalen voor de verspreiding van het doopsgezinde geloof, en het clandestiene gemeenteleven veronderstelde van de onmiddellijke omgeving een strenge discipline en solidariteit.

Over de religieuze opvattingen van de vervolgde doopsgezinden vernemen we erg weinig. De vonnissen van de Antwerpse Vierschaar zijn erg beknopt en verwijzen in de meeste gevallen slechts naar de verwerping van de kinderdoop. De getuigenis van enkele doopsgezinden leert ons hoe de volwassenendoop werd ervaren als het resultaat van een inwendig bekeringsproces. Een oudste of bisschop had Martha van Trogney vermaand ‘dat zij soude moeten hergeboren wordden eer zij den gheest goids soude mogen ontfaen ende datter anders gheenen wech en was om teeuwiger salicheyt te mogen geraken, haer voirts onderwijsende dat zij in groote affgoderye leefde ende tot dyen dage altijts den duyvel geaenbeit hadde’.105 Verschillende gegevens wijzen erop dat de kleinschalige vergaderingen waarop een leraar een vermaning of predikatie hield, een centrale schakel vormden in het doopsgezinde gemeenteleven. Hendrik de Raymakere verhaalt hoe hij tweemaal een dergelijke vergadering bijwoonde in een bos buiten Antwerpen. De eerste maal waren er twintig à vijfentwintig personen verzameld, de tweede maal zestien. Deze samenkomsten duurden respectievelijk meer dan één en bijna twee uur. Iemand las daarbij voor uit het Nieuwe Testament en toonde vervolgens aan dat men niet naar de kerk hoefde te gaan en dat de doop vernieuwd moest worden.106 Uit de martelaarsliteratuur blijken vooral de grondige Schriftkennis en de bereidheid van de vervolgden om in navolging van Christus het aardse leven omwille van het geloof te verzaken.107 Deze lijdzaamheid was een van de fundamentele karaktertrekken van het anabaptisme. In de martelaarsboeken werd de martelaarsdood als een teken van het ware geloof voorgehouden aan de gelovige broeders, die hierin troost en sterkte moesten vinden.108 Dat de martelaarsliteratuur in-

[p. 116]

speelde op een praktische noodzaak, blijkt wel uit het feit dat in de periode 1550-1566 29 doopsgezinden - of vijftien percent van alle vervolgden - berouw vertoonden en hun geloof afzwoeren.109

Sporen van scheuringen binnen de doopsgezinde gemeente in Antwerpen treffen we niet aan in het beschikbare bronnenmateriaal. Vooral het streven naar de heiligheid van de broederschap, de gemeente ‘zonder vlek of rimpel’, en de vraag hoe ver de oudsten en leraars daarbij mochten gaan in het hanteren van de ban, zorgden in de geschiedenis van het Nederlandse anabaptisme voor spanningen en afsplitsingen.110 Zo ontstond ca. 1557 de afsplitsing der Waterlanders - genoemd naar een plaats in noordelijk Holland - als een reactie tegen een te strakke banpraktijk.111 De Antwerpse leraar Herman van den Greyn, die in 1560 een traktaat in druk liet verschijnen waarin hij de houding van Menno Simons en Dirk Philips aangaande de ban weerlegde, wordt traditioneel voorgesteld als een van de vooraanstaande leiders van de Waterlanders112, maar er zijn geen indicaties dat er toen reeds een afgescheiden Waterlandse gemeente bestond in Antwerpen.

De Lutheranen: een apart verhaal

Het lutheranisme stond te Antwerpen in de jaren vijftig en zestig volledig in de schaduw van het calvinisme en het anabaptisme. Nochtans hadden de ideeën van Maarten Luther zich in de internationale handelsmetropool vlug verspreid en bestegen op 1 juli 1523 twee Antwerpse augustijner monniken, Hendrik Voes en Jan van Essen, als eerste martelaren in Brussel de brandstapel. Het Antwerpse klooster van de augustijnen onderging een duidelijke invloed van de ordebroeder uit Wittenberg en de talrijke Luther-drukken die in Antwerpen het licht zagen, bevestigen de belangstelling die zijn denkbeelden er genoten. Hoewel na de ontmanteling van het augustijnerklooster een leidinggevend en samenbindend instituut ontbrak en centrifugale krachten de bovenhand namen, bestond omstreeks 1525 in Antwerpen een lutherse gemeenschap die nauwe contacten onderhield met Wittenberg. We gebruiken daarbij bewust de term ‘gemeenschap’, want ondanks de aanzetten tot gemeentevorming blijkt er geen echt georganiseerde gemeente met een geïnstitutionaliseerd karakter bestaan te hebben. In privé-woonhuizen hadden geregeld samenkomsten van kleine groepjes gelovigen plaats, waarop de Schrift werd gelezen en werd voorgelezen uit Luthers prekenverzameling, de Postille.113 Over de vraag hoe ver men kon gaan bij de organisatie van het liturgische en sacramentele leven, rezen echter meer dan eens vragen. Zo richtte een Antwerps lutheraan, Leonard Munssoor, zich in 1531 in naam van enkele broeders tot Luther met de vraag of het geoor-

[p. 117]

aant.
loofd was op geheime vergaderingen (‘secreta conventicula’) het Avondmaal te vieren.114 Hoewel het antwoord van Luther niet bewaard bleef, weten we op grond van latere documenten dat hij in negatieve zin reageerde. Nog omstreeks 1544 liet Maarten Luther de Antwerpse broeders weten dat geheime predikaties geenszins toegelaten waren. Een huiskerk waar predikanten in het geheim zouden preken, dopen en andere sacramenten toedienen, moest als des duivels vermeden worden. Dergelijke heimelijke predikaties waren volgens de hervormer uit Wittenberg ‘seditieus’ en moesten worden geassocieerd met ‘rotten ende secten’. Wel was het de huisvaders toegestaan een gewone ‘huijskercke oft huijspredicatie’ te houden waarbij ze zich konden bedienen van de bijbel, de Postille en de kleine en grote catechismus. Diegenen die zich daarmee niet konden verzoenen, moesten uitwijken naar plaatsen waar zij hun geloof wel openlijk konden belijden.115

Deze strakke houding van Luther hield nauw verband met zijn opvattingen over gehoorzaamheid tegenover de wereldlijke overheid. Een openbaar kerkelijk ambt kon slechts uitgeoefend worden door diegenen die daartoe door de wettelijke overheid waren geadmitteerd.116 Om die reden konden de ‘papisten’, de rooms-katholieke geestelijken met andere woorden, geldig dopen en sacramenten toedienen, zolang ze daarbij maar de ‘substantialia’ eerbiedigden.117 Volgens het Bedencken weken na de vermaning van Luther ‘veel vrome christenen’ uit naar Bremen, Hamburg, Lübeck en andere plaatsen. We mogen dan ook aannemen dat omstreeks het midden van de zestiende eeuw de nog in Antwerpen woonachtige lutheranen voor dopen, huwelijken en begrafenissen gebruik maakten van de diensten van de katholieke Kerk en hun geloof verder beleden in de besloten huiskring. Het hoeft nauwelijks te worden onderstreept dat de lutherse gemeenschap op die manier in een periode van religievervolging en toenemende confessionalisering veel slechter uitgerust was dan de goedgeorganiseerde gereformeerden en doopsgezinden.

Een glimp van het lutherse leven in Antwerpen vangen we op in de briefwisseling die enkele vooraanstaande Antwerpse lutheranen in de jaren vijftig voerden met de Duitse predikant en theoloog Joachim Westphal.118 Guilielmus Nicolai was uit Brussel afkomstig en Alexander Bruchsalius was een Antwerps goudsmid die na 1553 Antwerpen verliet, in 1555 in Hamburg en nadien in Bremen verbleef. Uit hun brieven blijkt vooral een constante bezorgdheid over de opmars van de ‘secta sacramentariorum’, waarmee zij de gereformeerden bedoelden. In de strijd tegen Calvijn en zijn aanhangers riepen zij bekende lutherse theologen als Johannes Aepinus, Joachim Westphal en Matthias Flacius te hulp. Hun geschriften moesten een dam opwerpen tegen de groeiende gereformeerde invloed.119 Bij Westphal waren beide Antwerpse lutheranen met hun verzoek aan het goede adres. In de tweede Avondmaalsstrijd, die in 1551 uitbrak en draaide

[p. 118]

rond de reële aanwezigheid van Christus in de Eucharistie, trad hij immers op de voorgrond als een fel tegenstander van Calvijn. Binnen het lutherse protestantisme toonde Westphal zich een aanhanger van de gnesio-lutheranen, een groep theologen die de erfenis van Maarten Luther zo getrouw mogelijk wilden bewaren en onder meer in Matthias Flacius een radicaal aanvoerder vonden. Zij stonden tegenover de meer ‘liberale’ philippisten, volgelingen van Philip Melanchton, die door hun tegenstanders smalend crypto-calvinisten werden genoemd. De universiteit van Jena en een aantal noordelijke Hanzesteden als Hamburg en Lübeck waren belangrijke steunpunten van de gnesio-lutherse richting.120 Uit de briefwisseling van Bruchsalius en Nicolai blijkt bijgevolg dat minstens een deel van de in Antwerpen gebleven lutheranen aanleunde bij de orthodoxe gnesio-lutheranen, wat niet verwonderlijk is aangezien de strijd met de Antwerpse gereformeerden noopte tot een duidelijke confessionele profilering. Geregeld werden geschriften en boeken van lutherse strijdtheologen naar Antwerpen gezonden. Hierin speelde de vanuit Lübeck opererende boekencolporteur Lieven de Paepe een belangrijke rol, en ook de schilder Cornelis Bökel en de beeldhouwer Christiaen van Velthoven, beiden uit Antwerpen en werkzaam in Hamburg, fungeerden als tussenschakels bij de toezending van lutherse literatuur.121 De Antwerpse lutheranen droegen verder bij in het onderhoud van studenten die aan Duitse universiteiten studeerden. Johannes Ysdonck, een gewezen monnik uit Antwerpen, studeerde in 1559 theologie te Jena en kreeg vanuit Antwerpen geld toegestuurd door Alexander Bruchsalius en andere ‘maecaenates’. Ysdonck was een overtuigd Flaciaan en studeerde niet toevallig aan de streng lutherse universiteit van Jena. In 1560 ging hij vanuit Bremen naar Wezel, waar hij nog in 1563-1564 kinderen van uitgeweken Antwerpenaars onderwees.122 In die laatste stad verbleef sinds 1562 nog een ander bekend lutheraan uit Antwerpen: Filips van Wesenbeke, de broer van stadspensionaris Jacob van Wesenbeke.123 Wezel was voor de Antwerpse lutheranen ook belangrijk als drukkerscentrum. De uit Antwerpen afkomstige Hans de Braeker drukte er van 1558 tot 1565 verscheidene werken van streng lutherse signatuur.124

Over de omvang en de socioprofessionele samenstelling van de lutherse gemeenschap tasten we volledig in het duister. Doordat de in Antwerpen gebleven lutheranen zich uiterlijk conformeerden aan de katholieke Kerk, ontweken zij de repressie waarvan de schriftelijke neerslag ons aan gereformeerde en doopsgezinde zijde kostbare informatie opleverde. Onder de personen die in de periode 1550-1567 in Antwerpen wegens ketterij vervolgd werden, treffen we slechts twee lutheranen aan: Jan metter Eeren en Olivier de Bock.

[p. 119]

Stedelijke overheid versus Protestantisme: de repressie

De levenskansen van de protestanten hingen in grote mate af van de houding die de overheden aannamen bij de bestraffing van de ketterij. De Antwerpse stedelijke overheid heeft van bij de aanvang gepoogd een voorzichtig beleid te voeren dat erop gericht was de commerciële belangen van de metropool veilig te stellen. De stadsmagistraat was er zich terdege van bewust dat een dergelijk beleid slechts gewaarborgd was wanneer hij het monopolie van de repressie behield. Die zienswijze botste echter meermaals met de politiek van de centrale regering, die een krachtdadiger aanpak voorstond.125

De positie die de Antwerpse stadsbestuurders innamen, kwam duidelijk tot uiting naar aanleiding van het eeuwige edict - beter bekend als het ‘bloedplakkaat’ - dat Karel v op 29 april 1550 uitvaardigde voor zijn Nederlandse gewesten. Dit plakkaat vatte alle vroegere verordeningen samen en voegde er nog een aantal strengere bepalingen aan toe. Voor de centrale regering bleef dit plakkaat het richtsnoer voor de repressiepolitiek inzake ketterij, ook tijdens de regeringsperiode van Filips ii.126 In Antwerpen veroorzaakte het nieuws over dit plakkaat onmiddellijk grote consternatie. Vooral de bepalingen dat de plaatselijke overheden geloofsinquisiteurs moesten toelaten en dat iedere immigrant een certificaat van rechtgelovigheid, opgesteld door de pastoor van zijn plaats van herkomst, moest voorleggen, werden ervaren als een reële bedreiging. Het eeuwige edict werd in Antwerpen en in de andere Brabantse steden niet gepubliceerd en na een lange campagne van lobbying, waarbij men vooral de landvoogdes Maria van Hongarije bewerkte, werd het edict vervangen door een nieuw plakkaat van 25 september, dat in Antwerpen op 5 november 1550 afgekondigd werd. De plicht een attestatie van rechtgelovigheid voor te leggen gold niet meer voor vreemde handelaars en in de plaats van ‘inquisiteurs’ werd nu gesproken over ‘geestelijke rechters’.127 Het plakkaat van 25 september 1550 werd voortaan tweemaal per jaar in Antwerpen gepubliceerd, op 24 juni en op kerstavond. In de praktijk behield de stadsmagistraat echter de controle over de kettervervolging.128 De Antwerpse wethouders toonden zich steeds bijzonder alert wanneer geruchten opdoken over de invoering van de inquisitie en lieten niets onverlet om een vermindering van hun rechtsmacht af te wenden.129 Dit blijkt treffend uit het jurisdictiegeschil dat de magistraat in 1559-1562 uitvocht met de inquisiteur Pieter Titelmans en uit het verzet tegen de in Antwerpen geplande bisschopszetel, die geassocieerd werd met de introductie van de inquisitie.130 Een nieuwe golf van verzet tegen een mogelijke invoering van de ‘Spaanse inquisitie’ ontstond eind 1565, toen de Raad van Brabant naar aanleiding van de brieven uit het bos van Segovia de Brabantse steden aanspoorde tot een harde aanpak van de ketterij.131

[p. 120]

Tabel 5.4: Vervolging van doopsgezinden, calvinisten en andere ketters te Antwerpen, 1550-1566

executies verbanning anderea
C D C D C D totaal
1550   2     1   3
1551 1 8     1 2(2)b 12
1552   6     3   9
1553   5         5
1554              
1555   7         7
1556   3     5(5)   8
1557   13     1(1)   14
1558 2 22 36 2   1 63
1559 5 17 4   16(2) 9(1) 51
1560   17 2   2 4(2) 25
1561 2 6     4(3) 6(3) 18
1562   11 3 2 6(2) 5(5) 27
1563 2       1(1) 5(5) 8
1564 1   3   2(1) 1(1) 7
1565 1       2(2)   3
1566       38   7(7) 45
s.d.         1   1
totaal 14 117 48 42 45 40 306(302)c
Bron: Prosopografie.              
Noot: C = calvinisten of andere ketters; D = doopsgezinden.              

Conform aan deze koninklijke brieven moesten de ketterijplakkaten stipt onderhouden worden en aan geestelijke rechters moest hiertoe de nodige bijstand verleend worden. De Antwerpse stadsbestuurders lieten dadelijk een grondig onderzoek instellen naar de privileges en de in het verleden gevolgde rechtspraktijk. Antwerpen, de andere hoofdsteden van het hertogdom en de Raad van Brabant kwamen tot de conclusie dat inquisiteurs sedert 1529 in Brabant geen jurisdictie hadden uitgeoefend over wereldlijke personen.132 Uiteindelijk bleef alles bij het oude.

[p. 121]



illustratie
Grafiek 5.1: Vervolging van protestanten te Antwerpen, 1550-1566. Evolutie volgens toegepaste straf
Bron: Zie tabel 5.4.


Tabel 5.4 geeft een overzicht van de resultaten van het door de Antwerpse stadsmagistraat gevoerde vervolgingsbeleid, terwijl grafiek 5.1 het chronologische verloop van de rechtspleging weergeeft. Uit deze gegevens blijkt ten eerste dat vooral de doopsgezinden door de vervolgingen werden getroffen: onder de 302 vervolgden vinden we 196 doopsgezinden (65 percent) tegenover 106 calvinisten en andere ‘ketters’, van wie we er 86 (81 percent) met zekerheid als calvinist konden identificeren. De tegen de calvinisten gerichte repressie kwam pas goed op gang vanaf 1558. Vóór dat jaar werd slechts één gereformeerd protestant terechtgesteld, namelijk de predikant Jan van Ostende. Verder liepen alle gevallen van niet-doperse ketterij vóór 1558 uit op een vrijspraak of een gratieverlening. Opvallend is tevens dat het proces van de vijf ketters die in 1550-1552 werden vrijgesproken, geregeld werd uitgesteld, onder meer wegens ziekte van de dienstdoende schepenen. Dit laten aanslepen van de rechtsprocedure wijst op de geringe bereidheid van de wethouders om kordaat op te treden tegen dergelijke ketters. Hoewel de geloofsvervolging in 1558 een piek kende en daarbij veel calvinisten getroffen werden, is het toch opvallend dat bij deze laatsten steeds meer banvonnissen dan executies voorkwamen, terwijl dit bij de doopsgezinden net omgekeerd was. Na 1562 vertoonde de repressie een duidelijke terugval. Er werd zelfs geen enkel doodvonnis meer uitgesproken tegen doopsgezinden, hoewel er nog verscheidenen werden gearresteerd. In 1566 vertoonde de vervolgingsstatistiek een sterke stijging, maar die moet nagenoeg volledig op rekening worden geschreven van de 38 doopsgezinden die in dat jaar werden verbannen. Er dient tevens op gewezen te worden dat voor berouwvolle ketters de mogelijkheid tot gratieverlening be-

[p. 122]

stond. Hoewel reeds vóór 1556 sporadisch genade werd verleend aan ketters, kwamen gratieverleningen vooral voor nadat keizer Karel aan de verschillende Nederlandse gewesten had laten weten dat het de vervolgende rechtsinstanties toegestaan was smeekschriften van berouwvolle protestanten over te maken aan de centrale regering.133 In de periode 1556-1566 werd aan 39 in Antwerpen gevangengenomen ketters (22 doopsgezinden en 17 gereformeerden of andere ketters) gratie verleend. Dit wil zeggen dat dertien percent van alle vervolgingen op een gratieverlening uitliep, een percentage dat oploopt tot achttien wanneer men alleen de gevangengenomen personen in rekening brengt en de verbannenen buiten beschouwing laat.134 De gratie werd verleend door de landvoogd in samenspraak met de Geheime Raad, nadat voorafgaandelijk het advies was ingewonnen van de Antwerpse magistraat, de Raad van Brabant en een geestelijk inquisiteur.135

Hoe moeten we de repressie van het Antwerpse stadsbestuur evalueren? Ondanks het voorzichtige beleid van de stadsmagistraat mag de balans van de repressie toch zwaar worden genoemd. In de periode 1550-1566 werden in Antwerpen 131 personen wegens ketterij terechtgesteld, een aantal dat door geen enkele andere stad in de Nederlanden geëvenaard werd.136 Antwerpen was weliswaar de stad met veruit het grootste inwoneraantal in de Nederlanden, maar dat neemt niet weg dat de impact van elke terechtstelling reëel was. Het is wel typerend dat 89 percent van alle doodvonnissen betrekking had op doopsgezinden, een situatie die we ook in Gent en elders in de Nederlanden vaststellen. De volgelingen van Menno Simons waren in deze periode wel het odium van revolutionaire gewelddadigheid kwijtgeraakt, maar hun afkeer van de zondige wereld en van de onchristelijke overheid plaatste hen in de marginaliteit. Hun weigering wapens te dragen en de eed af te leggen kon door de machthebbers bovendien worden geïnterpreteerd als een uiting van burgerlijke ongehoorzaamheid. Hierdoor kon de overheid deze voor het grootste deel ‘kleine luyden’ makkelijk vervolgen zonder daarbij de weefsels van de stedelijke samenleving te ontredderen. Tegenover de meer respectabele calvinisten legde de stadsmagistraat daarentegen een grotere omzichtigheid aan de dag. Het relatief geringe aantal doodvonnissen, het rekken van de processen en het eveneens geringe aantal confiscaties getuigen hiervan. Zeker in een handelsstad als Antwerpen moest het wapen van de confiscatie met omzichtigheid gehanteerd worden.137 De centrale regering klaagde geregeld over het lakse optreden van de wethouders en ook de schout kon niet steeds rekenen op voldoende medewerking van het stadsbestuur.138 Vooral de wijkmeesters en de ambachten toonden zich in de Brede Raad bijzonder terughoudend bij verzoeken tot ontpoortering van ketterse burgers.139

De repressie tegen de calvinisten kwam vooral op gang na het openbare

[p. 123]

aant.
optreden van Adriaan van Haemstede eind 1558, dat op de Antwerpse wethouders en de centrale overheid een diepe indruk had gemaakt. De centrale regering twijfelde er niet aan dat de volgelingen van ‘la detestable secte du prescheur van Haemstede sont si pernicieulx et seditieulx que les anabaptistes’ en zond daarom twee commissarissen van de Raad van Brabant naar Antwerpen om de nodige informatie te verzamelen.140 In een uitvoerig vertoog aan de commissarissen beklemtoonden de deken en de kanunniken van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel de stoutmoedigheid van de ketters in Antwerpen.141 De stadsmagistraat zag zich in die omstandigheden genoodzaakt kordater op te treden. Reeds op 20 december 1558 werden 36 calvinisten ingedaagd en in januari-februari 1559 bestegen vier calvinisten de brandstapel.142 Vanaf de jaren zestig nam de vervolgingsijver van de Antwerpse stadsbestuurders tegenover de niet-doopsgezinde ketters echter duidelijk af, zoals blijkt uit de lang aanslepende zaak van de Genuese makelaar Agostino Boazio. Op 24 januari 1564 besliste de Vierschaar uiteindelijk tot een vrijspraak, hoewel de schout de overtreding van de plakkaten voldoende bewezen achtte en de landvoogdes en de koning aangedrongen hadden op een strenge bestraffing.143 Het besluit van de stadsmagistraat was ongetwijfeld mee ingegeven door de bezorgdheid om beroering in het internationale koopliedenmilieu te vermijden. Ook de schout toonde zich niet steeds even ijverig. Toen op een avond in oktober 1563 in de Keizerstraat een vergadering van wel vierhonderd gereformeerde bijbellezers werd gesignaleerd en de landvoogdes aandrong op een nader onderzoek, antwoordde Jan van Immerseel dat hij het bericht niet kon bevestigen, ‘comme aussy la rue estant tant habitée de gens de bien et qualité, et en laquelle le bourgemestre mesme est demourant, nest lieu propice pour si publicquement y tenir assemblées’.144 Alles wijst er echter op dat de maatschappelijke positie van de betrokken calvinisten de schout voor een doortastend optreden deed terugdeinzen.

De stadsmagistraat trachtte tevens de weerklank van de terechtstellingen te beperken. Met dat doel werden vanaf 1558 de meeste executies in het geheim op het Steen voltrokken. De mannen werden daarbij onthoofd of evenals de vrouwen in een ton verdronken. Begin 1560 meldden de wethouders dat de gevangengenomen doopsgezinden niet anders begeerden dan openbaar terechtgesteld te worden, omdat zij ‘alsoe int openbaer stervende glorierende ende nyet anders sueckende dan deur hunne perseverancie andere die de selve justicie aensien thunwaerts te trecken’, zoals men reeds meermaals had kunnen vaststellen.145 Bij het proces tegen Hans Pleynshorn, een Duits doopsgezinde uit Nürnberg, trachtte men zo voorzichtig en zo geheim mogelijk te werk te gaan om de vreemde naties niet te ‘commoveren en den coopman nyet te diverteren’.146 Toch waren het vooral de in aantal geringere terechtstellingen van gereformeerden die de diep-

[p. 124]

ste indruk nalieten. In 1558 en 1559 ontstond onder de omstaanders grote beroering toen vijf calvinisten op de brandstapel werden gebracht.147

De Antwerpse gezagsdragers werden naarmate de jaren vorderden inderdaad geconfronteerd met een groeiend zelfbewustzijn van de gereformeerden. In het voorjaar van 1561 maakten de Antwerpse gereformeerden aan de stadsmagistraat een supplicatie over die wellicht de tekst van de door Guy de Brès opgestelde Confession de foy bevatte.148 Op de synode van gereformeerde kerken die in 1562 te Antwerpen plaatsvond, werd onder stuwing van doortastende predikanten als Herman Moded, Peter Hazaert en Joris Wybo - allen verbonden aan de gemeente van Antwerpen - besloten dat het geoorloofd was geloofsgenoten met geweld uit de gevangenis te bevrijden. Deze stellingname kaderde in het ruimere vraagstuk van de houding die men diende aan te nemen tegenover de wettelijke overheden.149 Toen op 4 oktober 1564 de predikant Christoffel Fabritius op de brandstapel werd gebracht, ontstond groot tumult en moesten de schout en de gerechtsdienaars zich onder een regen van stenen uit de voeten maken. Uit een achteraf ingesteld onderzoek bleek dat een aantal gereformeerden die in 1559 te Antwerpen uit de gevangenis waren ontsnapt, vanuit Holland een plan hadden uitgewerkt om Fabritius uit het Steen te bevrijden, maar net te laat waren gekomen.150 Fabritius was niet toevallig de laatste calvinist die vóór het Wonderjaar in Antwerpen werd terechtgesteld. Alles wijst erop dat in 1565-1566 het calvinisme een zodanig grote aanhang had verworven, dat de magistraat onmogelijk kon ingrijpen zonder het politieke en sociale weefsel van de stad in gevaar te brengen.

1Zie voor het proces van confessionalisering Schilling, ‘Nationale Identität und Konfession’, en Id., ‘Confessional Europe’.

2Zo bv. Uyttenhooven, Geschiedenis der Hervormde Kerke, I, 93, 96; Van Lennep, Gaspar van der Heyden (1530-1586), 12. Zie voor J. van Ostende Prosopografie, nr. 759.
3Génard ed., ‘Personen’, in aa, viii, 414. Zie ook Rahlenbeck ed., Mémoires de Jacques de Wesembeke, 68.
4Pettegree, Foreign Protestant Communities, 69-71.
5Decavele, ‘Reformatie en begin katholieke restauratie’, 168.
6Bruchsalius aan Joachim Westphal, 10 augustus 1552, in Sillem ed., Briefsammlung des Hamburgischen Superintendenten Joachim Westphal, I, 127-128.
7Zie voor Gaspar van der Heyden (1530-1586) en zijn bedrijvigheid in de Antwerpse gemeente onder het kruis Jelsma, Adriaan van Haemstede, 22-28.
8Meiners, Oostvrieschlandts kerkelyke Geschiedenisse, I, 365-366.
9Kerkenraad van de Nederlandse gemeente te Antwerpen aan de kerkenraad te Emden, 17 februari 1558, in Janssen en Van Toorenenbergen eds., Brieven uit onderscheidene Kerkelijke Archieven, 77.
10Een uitvoerig overzicht van het conflict met A. van Haemstede in Jelsma, Adriaan van Haemstede, 28-77. Begin 1559 vluchtte van Haemstede uit vrees voor de toegenomen vervolging uit Antwerpen.
11Zie de brief van 17 december 1555 in Meiners, Oostvrieschlandts.
12Zie voor Pierre Brully, die op 19 februari 1545 in Doornik de vuurdood stierf, Moreau, Histoire du Protestantisme à Tournai, 91-110.
13Denis, Les églises d'étrangers en Pays Rhénans, 165-178; Stempel, ‘Die Reformation in der Stadt Wesel’, 30-31; Willems-Closset, ‘Le protestantisme à Lille’, 202-203; Denis ed., ‘La correspondance d' Hubert de Bapasme’.
14Willems-Closset, ‘Le protestantisme à Lille’, 209, 212-213; Denis, Les églises d'étrangers, 181-189; Kinder, ‘A hitherto unknown group’.
15Het citaat uit Denis, Les églises d' étrangers, 189, n. 2.
16Kingdon e.a. eds., Registres de la Compagnie des Pasteurs de Genève, ii, 74. Erail diende wellicht tot einde 1559 de Antwerpse gemeente.
17Denis, Les églises d' étrangers, speciaal 608-609.
18Zie de uitvoerige brief van François Perussel aan Pierre du Val, Antwerpen, 29 september 1554, in Van Schelven, De Nederduitsche vluchtelingenkerken, 422-430, en de brief van de Franse Kerk van Antwerpen aan de Franse Kerk van Emden, 16 juli 1556, in Baum, Cunitz en Reuss eds., Ioannis Calvini opera, xvi, 285-287.
19Zie de brief van de Franse Kerk van Antwerpen aan die van Emden, 13 februari 1556, in Gemeentearchief Amsterdam, Archief Waalse gemeente, 150, en van de Franse Kerk van Emden aan die van Antwerpen, s.d. [1556], in Baum e.a. eds., Ioannis Calvini opera, xvi, 243-245.
20Brief aan de Franse Kerk te Emden, 4 augustus 1558, in Gemeentearchief Amsterdam, Archief Waalse gemeente, 150. P. du Val was predikant te Emden van 1554 tot 1558.
21Brief van Calvijn aan de Franse Kerk van Antwerpen, 21 december 1556, in Baum e.a. eds., Ioannis Calvini opera, xvi, 336-339.
22Cf. Pettegree, Foreign Protestant Communities, 118-119, en voor de drie ouderlingen Prosopografie, nrs. 720, 952, 1069.
23Vele voorbeelden in Robinson ed., Original letters relative to the English Reformation, 3 dln.
24Vergelijk met de interessante beschouwingen van Pettegree, ‘The London Exile Community’, speciaal 248-251.
25Brief van 21 december 1556, vermeld in noot 21.
26Zie voor Calvijn en het nicodemisme Eire, War against the Idols, 234-275.
27Vergelijk Diefendorf, Beneath the Cross, 117, 121-123, en Martin, Venice's Hidden Enemies, 126-137.
28Eire, War against the Idols, 240-243, 273; Pettegree, Emden and the Dutch Revolt, 66, 229-230, en Appendix, nrs. 1, 2, 23, 63.
29Gebaseerd op bijlage I in Marnef, Antwerpen in Reformatietijd, ii, 76-87.
30Vergelijk Mack Crew, Calvinist Preaching and Iconoclasm in the Netherlands, 41-43, en Scribner, ‘Preachers and People in the German Towns’, 123-143.
31Mack Crew, Calvinist Preaching, 86-87, 104-105, benadrukt terecht dat de in Genève gevormde predikanten een intellectuele elite vormden binnen de gereformeerde clerus.
32Arnaud Banc, Evrard Erail en Franciscus Junius waren Fransen, Stephanus Mermier was afkomstig uit de Franche-Comté.
33Kerkenraad van de Nederlandse gemeente te Antwerpen aan de Kerk van Emden, 7 april 1559, in aerke, 320 A, nr. 13; kpe, I, 108, 111.
34Wendel, Calvin. The Origins and Development of his Religious Thought, 303-305; McGrath, A Life of John Calvin, 79-80, 111-114.
35Kist ed., ‘De synoden der Nederlandsche hervormde kerken’, 128, art. 14.
36Gebaseerd op bijlage ii in Marnef, Antwerpen in Reformatietijd, ii, 88-98.
37Zie de brief van de kerkenraad van de Nederlandse gemeente, 17 februari 1558, in Janssen en Van Toorenenbergen eds., Brieven, 77.
38Zie voor deze omstandigheden Goeters, ‘Dokumenten van Adriaan van Haemstede’, 12, 60-61.
39Rapport van Jan Gillis, 13 december 1558, in saa, Pk., 478, stuk 140.
40Ongedateerd vertoog [eind december 1558], bestemd voor de centrale regering, in raa, Fonds stad Antwerpen, 84, fol. 1.
41Zie de briefwisseling in ara, Aud., 235, fol. 12ro-14vo, en saa, Pk., 2403, en het vertoog vermeld in vorige noot.
42Brief vanuit Antwerpen aan zijn broer Jan Utenhove, in Hessels ed., Ecclesiae Londino Batavae Archivum, ii, 162-164. Zie voor Karel Utenhove (†1580), telg uit een vooraanstaande protestantse familie in Gent, J. Decavele, De dageraad, reg. i.v.
43Jelsma, Adriaan van Haemstede, 51.
44Decavele, ‘De opkomst van het Protestantisme te Brussel’, 25-44, en Van Haemstede, Historie der Martelaren, fol. 310vo-311ro.
45Brief van 11 juni 1560, in aerke, 320A, nr. 76.
46Beenakker, Breda in de eerste storm van de Opstand, 31, 44-45.
47Decavele, De dageraad, I, 342-343. Zie voor de bewogen carrière van beide Bruggelingen Prosopografie, nrs. 952, 1056.
48Decavele, De dageraad, I, 368-369.
49Ibidem, 369, en Id., ‘De reformatorische beweging te Axel en Hulst’, 5-6.
50Ibidem, 4-5. Casuele was een- inmiddels verdwenen - dorp in het Land van Saaftinge.
51Decavele, De dageraad, I, 370.
52Ibidem, 388-433; Vandamme, ‘Revolt in the Westkwartier’, 29-72.
53Decavele, De dageraad, I, 398-399, en Id., ‘Jan Hendrickx en het Calvinisme in Vlaanderen’, 17-32.
54Decavele, De dageraad, I, 391-392; Margareta van Parma aan Jan van Immerseel, 31 juli 1564, in ara, Aud., 261, fol. 105.
55Coornaert, Les Français et le commerce international à Anvers, I, 152-198.
56Moreau, Histoire du Protestantisme, 126-127, 134, 140-141, 190.
57Clarck, An Urban Study during the Revolt of the Netherlands, 231-255; Halkin en Moreau eds., ‘Le procès de Paul Chevalier’, 28, 44, 50-54.
58Zie Marnef, Antwerpen in Reformatietijd, ii, bijlage ii, sub G. de Brès, M. du Buisson, P. Chevalier, M. Guy, C. de Lesenne, J. de Lo, C. de Nielles, J. le Sur en A. Wille.
59Moreau ed., ‘Un colporteur calviniste’, 3-10, Deyon en Lottin, Les casseurs de l' été 1566, 20.
60Zie bv. Margareta van Parma aan de schout van Antwerpen, 8 november 1561 en 18 juni 1563, in ara, Aud., 235, fol. 30ro, en 261, fol. 59ro, en het ongedateerde rapport van een kerkelijke autoriteit uit Antwerpen [vóór 1556], in Prims ed., ‘Dokumenten’, 301-303.
61Het citaat komt uit Decavele, De dageraad, I, 585.
62Moreau, ‘Les synodes des églises wallonnes’, 1-11. In 1566 kwam tijdens het Wonderjaar een synode samen te Gent.
63Knetsch, ‘Church Ordinances’, 187-205.
64Het Antwerpse aandeel wordt sterk benadrukt door Moreau, Histoire du protestantisme, 156. Zie eveneens Bakhuizen van den Brink ed., De Nederlandse belijdenisgeschriften, 8-10, 15-18.
65Gebaseerd op Prosopografie, passim. In hoofdstuk 10 komen we nader terug op de professionele rekrutering van het calvinisme en maken we eveneens vergelijkingen met de latere situatie.

66Gebaseerd op Prosopografie. Zie voor de doopsgezinden verder in dit hoofdstuk.
67Onder wie vier uit Henegouwen, vier uit Artesië, twee uit Rijsel en één uit Doornik.
68Namelijk drie uit Frankrijk, drie uit het Duitse Rijk en één uit Piëmont.

69Fundamenteel in dit opzicht, ook voor de Nederlanden, is Pettegree, ‘The Struggle for an Orthodox Church’, 45-59.
70Brief van 17 december 1555 in Meiners, Oostvrieschlandts kerkelyke Geschiedenisse, I, 368-369.
71Van Haemstede, Historie der Martelaren, fol. 320.
72Johnston ed., Actes du consistoire, I, 19, 53.
73Halkin en Moreau eds., ‘Le procès’, 54; Moreau, Histoire, 353.
74Brief van 10 juli 1565 in ara, Handschriftenverzameling, 182, fol. 155ro-156vo.
75Zie voor het vroege anabaptisme te Antwerpen Mellink, ‘Antwerpen als anabaptistencentrum’, en Balke, ‘De invloed van de Anabaptisten te Antwerpen’.
76Cf. voor Menno Simons (ca. 1496-1561) en zijn leer Bornhäuser, Leben und Lehre Menno Simons', Keeney, The development of Dutch Anabaptist thought, en Stayer, Anabaptists and the Sword, speciaal 309-328.
77Mellink ed., Documenta Anabaptistica Neerlandica, ii, 46-48.
78Ibidem, 77-88, 98-99, en Mellink, Amsterdam en de wederdopers, 95-101; Ten Doornkaat Koolman, Dirk Philips, 53.
79Zie voor de diverse ambten bij de doopsgezinden Keeney, The development, 52-54.
80Zie