terug  begin  verderprepost
[p. 125]

Hoofdstuk 6
Een kortstondig hoogtepunt: het Wonderjaar, 1566-1567

[p. 126]



illustratie
De hagenpreken buiten de Antwerpse stadswallen, juni 1566. Ets van Frans Hogenberg. (Antwerpen, Stedelijk Prentenkabinet)

[p. 127]

aant.

Het Wonderjaar, het jaar van het Smeekschrift, de massale hagenpredikaties en de Beeldenstorm, liet diepe sporen na in de politieke en religieuze constellatie van de Antwerpse metropool. Zowel op het algemeen-Nederlands als op het lokaal-Antwerps niveau werd aan de gebeurtenissen van het Wonderjaar ruime aandacht besteed.1 In dit hoofdstuk wensen we vooral stil te staan bij de ingrijpende wijzigingen die de evolutie van ondergronds georganiseerde gemeente tot openbaar erkende kerk voor de calvinisten meebracht.

De aanbieding van het Smeekschrift (5 april 1566), waarin de verbonden lage edelen de afschaffing van de inquisitie en de opschorting van de ketterplakkaten vroegen, vond onmiddellijk weerklank in Antwerpen. Er circuleerden verscheidene kopieën van het rekwest en de landvoogdes beweerde dat in de stad het bericht werd rondgestrooid dat voortaan ‘chacun pourroit vivre à sa mode et avecq toute liberté’.2 Dergelijke propaganda sloot aan bij de talrijke gedrukte en geschreven biljetten en spotschriften tegen de inquisitie die sedert december 1565 verspreid werden.3 Vanaf eind april 1566 keerden talrijke ballingen, aangetrokken door nieuwe perspectieven, naar Antwerpen terug.4 Het toegenomen zelfvertrouwen van de calvinisten bleek ook uit de hagenpredikaties die buiten de stadsmuren werden georganiseerd en een groeiend aantal toehoorders op de been brachten. Op 24 juni 1566 verzamelden zich bij een eerste predikatie 4.000 à 5.000 belangstellenden en in de maand juli liep dit aantal reeds op tot 20.000 à 25.000.5 De maatregelen die de landvoogdes uitvaardigde tegen de ballingen en tegen de hagenpredikaties, haalden niets uit. De politieke en religieuze spanningen plaatsten het Antwerpse stadsbestuur voor een bijzonder delicate zaak. De vreemde kooplieden dreigden immers vanwege de instabiliteit uit Antwerpen te vertrekken. Tegen de achtergrond van die impasse zagen de wethouders zich genoodzaakt een beroep te doen op de centra-

[p. 128]

aant.
le regeringsmacht. Zij vroegen de landvoogdes om een ‘hooft van meerder auctoriteyt’ te zenden die de orde zou herstellen. Willem van Oranje bleek voor de betrokken partijen de meest geschikte figuur, mede omdat zijn functie van burggraaf zijn optreden in Antwerpen vergemakkelijkte.6 Op de avond van 13 juli deed Oranje zijn intrede te Antwerpen en als superintendent stelde hij alles in het werk om de openbare orde te herstellen. In verband met de houding die moest worden aangenomen tegenover de predikaties werd een breed opgezet consultatieproces georganiseerd, waarbij de verschillende leden van de Brede Raad, de zes schuttersgilden, de drie rederijkerskamers, de broederschappen van het Heilig Sacrament en van Onze-Lieve-Vrouw-Lof, de aalmoezeniers en verscheidene kooplieden en ingezetenen geraadpleegd werden. Er bleek een consensus te bestaan over de noodzaak een vergadering van de Staten-Generaal samen te roepen, maar vele kooplieden en ambachtsdekens konden niet goedkeuren dat men de predikaties met geweld zou verhinderen.7 De hagenpreken bleven inderdaad duizenden toehoorders op de been brengen en Oranje zette zich duidelijk af tegen de driestheid van de calvinisten, die hij als ordeverstoorders en oproerlingen beschouwde. Zijn sympathie ging in deze fase veeleer uit naar de lutheranen, die volgens hem ‘fort gens de bien et paisibles et nullement enclins à séditions et désobéissance et fort contraires à ceste façon des Calvinistes’ waren.8

In augustus namen de spanningen nog toe en eisten de calvinistische leiders bovendien het recht op binnen de stadsmuren te mogen preken. In het midden van de maand circuleerde in Antwerpen reeds het nieuws van de beeldenvernieling die in Vlaanderen uitgebroken was. Toen op 18 augustus de traditionele Onze-Lieve-Vrouweommegang uitging, werd het grote Mariabeeld door een aantal omstaanders bespot. De volgende dag hekelden Herman Moded en andere calvinistische predikanten scherp het ronddragen van het Mariabeeld, ‘henne toehoorders animerende dat alzoo men de ydolen nyet alleenlyck en behoirde vuyt der herten te worpen, maer oock uyt den ooghen, ende alzoe bedectelyck tot beeldestorminge, brekinge ende fortseringe vande catholicque kercken’ aansporend.9 In een dergelijk explosief klimaat brak op 20 augustus te Antwerpen de Beeldenstorm uit.10 Eerst werden in de Onze-Lieve-Vrouwekerk de beelden aan stukken gesmeten, vervolgens kwamen de andere kerken, kloosters, kapellen en godshuizen aan de beurt. De volgende dag trokken de beeldenstormers ook naar de kerken en kloosters buiten de stadsmuren. Alles wijst erop dat de beeldenstorm in Antwerpen volgens een voorbereid plan en op een georganiseerde wijze verliep. Het eigenlijke vernielingswerk werd uitgevoerd door kleine groepjes van maximum enkele tientallen stormers, terwijl een aantal vooraanstaande calvinisten leiding gaf aan het gebeuren. De stormers waren duidelijk lieden van klein vermogen. Zij waren haast allen bezitloos; van

[p. 129]

velen is het beroep niet bekend.11 Onder de leiders bevonden zich daarentegen zeven mannen die tijdens het Wonderjaar een officieel ambt bekleedden binnen de calvinistische gemeente.12 Jean des Maistres en Pierre de Saint Vaast, twee kooplieden, hadden zelfs een aantal stormers gehuurd. Het is bijgevolg fout te beweren dat de kerkenraden geen aandeel hadden in de Beeldenstorm.13

Het iconoclasme van de Antwerpse calvinisten was ongetwijfeld ideologisch bepaald14, maar het vormde eveneens een soort acte de présence waarmee zij hun rechten binnen de stad kracht wensten bij te zetten.15 Op 22 augustus hield Herman Moded in de voor- en namiddag een korte preek in de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de volgende dag boden de calvinisten de magistraat een rekwest aan dat was opgesteld door leden van de Nederlandse en de Waalse kerkenraad, onder wie de predikanten Moded, Joris Wybo en Jean Taffin. Zij vroegen toestemming om samen te komen in enkele kerken - binnen de stadsmuren - waar zij hun religie konden uitoefenen.16 De schout en de stadsmagistraat hadden bij het uitbreken van de Beeldenstorm een eerder afwachtende houding aangenomen. Zij hadden het stadhuis laten afzetten door gewapende schutters, maar wensten niet met geweld op te treden tegen de beeldenstormers. Mogelijk vreesden de wethouders dat een gewelddadige interventie zou leiden tot een massale confrontatie tussen katholieken en calvinisten, zoals in Frankrijk wel meer gebeurd was, en hoopten zij op termijn de orde te herstellen.17 Pas na de terugkeer van Willem van Oranje op 26 augustus en nadat een akkoord gesloten was tussen Margareta van Parma en de verbonden edelen, raakte de religieuze toestand in Antwerpen gedeblokkeerd.18

Op 28 augustus vaardigde de magistraat twee ordonnanties uit die bepaalden dat de katholieke erediensten, die sedert de beeldenstormerij gestaakt waren, op geen enkele wijze belet mochten worden en dat beledigingen aan het adres van katholieken ten strengste verboden waren. Oranje begreep echter dat ook een overeenkomst nodig was met de aanhangers van de nieuwe religie en met dat doel vroeg hij dat de Nederlandstalige en Franstalige calvinisten gedeputeerden zouden aanduiden. In de schoot van de consistories werden Marcus Perez, Karel en Cornelis Bombergen en Herman van der Meeren aangeduid namens de Nederlandse gemeente en François Godin, Jean Carlier, Nicolas Sellin en Nicolaas du Vivier namens de Waalse gemeente.19 De met hen gevoerde onderhandelingen mondden uit in het akkoord van 2 september 1566, dat nog dezelfde dag uitgebreid werd tot de lutheranen, die zich vanaf juli eveneens in de openbaarheid hadden gemanifesteerd.20 Krachtens het akkoord werden aan zowel calvinisten als lutheranen intra muros drie lege erven toegewezen waarop zij op zon- en heiligdagen - en op een woensdag in een week zonder een heiligdag - hun predikaties mochten houden. Het contract werd gesloten ‘bij provisie’, tot-

[p. 130]

dat de koning met advies van de Staten-Generaal anders zou beschikken. Het 2-septemberakkoord vormde tijdens het Wonderjaar het wettelijke kader waarbinnen calvinisten en lutheranen zich in Antwerpen konden bewegen. Niettemin is het belangrijk in te zien dat Margareta van Parma de overeenkomst nooit erkende. De landvoogdes bleef zich steeds verzetten tegen predikaties binnen de stadsmuren. Bovendien liet Oranje niet alleen toe dat de protestanten preken hielden, maar ook dat zij het Avondmaal vierden en andere kerkelijke plechtigheden, zoals dopen en huwelijken, voltrokken.21 Het akkoord werd namens de magistraat ondertekend door een griffier, maar de wethouders legden alle verantwoordelijkheid voor het genegotieerde contract bij Oranje, zodat zij eventuele beschuldigingen van de centrale regering in diens schoenen konden schuiven.22 Voor de calvinisten en de lutheranen vormde het akkoord het begin van een uniek experiment. Voor de eerste maal in de Antwerpse geschiedenis werd hun religie door de stedelijke overheid erkend, zodat zij zich openbaar konden organiseren. In dit opzicht vertoont het 2-septemberakkoord veel gelijkenis met de religievrede die in 1578 onder impuls van Oranje in Antwerpen werd afgekondigd.23

Na de totstandkoming van het 2-septemberakkoord manifesteerden ook de doopsgezinden zich openlijker en nam hun aanhang duidelijk toe. Willem van Oranje en de magistraat waren echter van oordeel dat de plakkaten op hen van toepassing bleven. Hoewel de doopsgezinden op 23 september in een aan Oranje gericht rekwest hun gehoorzaamheid aan de overheid beklemtoonden, werden zij niet opgenomen in het religieakkoord. Niettemin genoten zij tijdens het Wonderjaar een grotere vrijheid dan voordien het geval was geweest. Vicaris-generaal Morillon schatte hun aantal op tweeduizend.24

Binnen de calvinistische gemeenschap werd een centrale plaats ingenomen door de achtkoppige commissie van gedeputeerden die eind augustus op verzoek van Willem van Oranje was aangesteld. Deze commissie behartigde de belangen van de calvinistische gemeenschap bij de plaatselijke, Nederlandse en buitenlandse gezagsdragers, zoals duidelijk blijkt uit de briefwisseling die zij voerde.25 De commissie van gedeputeerden mag niet verward worden met de kerkenraad van de Nederlandse en de Waalse calvinistische gemeente. Deze kerkenraden bleven verantwoordelijk voor het interne religieuze leven van hun respectieve gemeente en hielden zich bijvoorbeeld bezig met de uitoefening van de kerkelijke tucht en de beroeping van predikanten.26 De activiteiten van de commissie situeerden zich veeleer op het politieke vlak. In de strijd om vrijheid en erkenning die de gereformeerde kerken tijdens het Wonderjaar voerden, speelde de Antwerpse commissie een eersterangsrol. Zowel bij de totstandkoming van het drie-miljoen-guldenrekwest, waarmee calvinisten en lutheranen van de koning religievrijheid hoopten af te kopen, als bij de inzameling van de daartoe be-

[p. 131]

stemde gelden traden de gedeputeerden sterk op de voorgrond.27 Bij andere gelegenheden verzochten ze de gereformeerde kerken in de Nederlanden vertegenwoordigers naar Antwerpen te sturen voor een belangrijke vergadering die aldaar zou plaatsvinden.28 Het is trouwens opvallend dat de Antwerpse gedeputeerden zich meermaals tot buitenlandse vorsten of gezagsdragers wendden in naam van alle gereformeerde kerken in de Nederlanden.29 Terloops moet worden opgemerkt dat de centrale positie die Antwerpen innam tijdens het Wonderjaar, reeds eerder gebleken was bij het verloop van de Beeldenstorm. In steden als Doornik, Mechelen, Turnhout, 's-Hertogenbosch, Middelburg en Amsterdam werden beelden vernield nadat het nieuws over de beeldenstormerij in Antwerpen bekend was geraakt. De Beeldenstorm in Axel en Hulst was eerder beraamd in Antwerpen, en in Gent, Lier en Breda waren stormers uit de metropool actief. Dat de commerciële centrumfunctie van Antwerpen de verspreiding van het nieuws bevorderd heeft, lijdt geen twijfel. In Amsterdam toonden net aangekomen kooplieden op de beurs brokken van beelden en altaren die kort voordien in Antwerpen aan stukken waren gesmeten. Daarnaast hebben de contacten die de Antwerpse kerkleiders onderhielden met geloofsgenoten in andere plaatsen, ongetwijfeld een rol gespeeld.30

 

Wanneer we de maatschappelijke positie van de Antwerpse calvinisten die tijdens het Wonderjaar op de voorgrond traden, van naderbij bekijken, stellen we vast dat de socioprofessionele rekrutering van de calvinistische gemeenten zich opmerkelijk gewijzigd heeft. Van de 28 personen die tijdens het Wonderjaar een officieel ambt bekleedden binnen de calvinistische gemeenschap (als lid van de commissie der gedeputeerden, ouderling of diaken/aalmoezenier) konden we in 24 gevallen het beroep achterhalen. De commerciële sector is met vijftien eenheden (veertien kooplieden en één kramer) bijzonder sterk vertegenwoordigd. Verder komen nog drie schoolmeesters, twee juristen, twee edellieden en een diplomaat voor.31 De dominantie van de commercieel en intellectueel gerichte beroepen wordt ook bevestigd wanneer we de professionele situatie nagaan van de 172 Antwerpse calvinisten die na het Wonderjaar voor hun aandeel in de troebelen werden vervolgd.32 Van de 103 personen van wie we het beroep identificeerden, zijn er 56 (of 54 percent) in de koophandel te situeren, terwijl de juridische (9) en medische (3) beroepen en de onderwijssector (15) samen goed zijn voor 26 percent. De relatieve oververtegenwoordiging van de commerciële en intellectuele beroepstakken zorgt voor een ondervertegenwoordiging van alle andere sectoren. Wanneer we de professionele situatie van de calvinisten die in de periode 1550-1566 vervolgd werden, als vergelijkingspunt hanteren, valt de terugval van de sectoren textiel en kleding het sterkst op. De gegevens met betrekking tot Antwerpen krijgen nog meer reliëf wanneer we

[p. 132]

Tabel 6.1: Professionele situatie van calvinisten te Antwerpen, Gent en Brugge tijdens het Wonderjaar (in %)

Antwerpen N = 103 Gent N = 74 Brugge N = 85
ambachtelijke beroepen 11,6 24,3 40,0
kunstnijverheid 2,9 8,1 9,4
intellectuele beroepen 26,2 24,3 8,2
handel 54,3 31,0 32,9
overheid & administratie 0,9 1,3 5,8
militairen 0,9 - -
overige 2,9 10,8 3,5
Bron: Prosopografie; Delmotte, ‘Het Calvinisme’, 167-170; Vandamme, De socio-professionele recrutering, 331.      
Noot: De gegevens zijn gerangschikt volgens het classificatieschema van Jan Van Roey.      

ze vergelijken met de professionele situatie van de Gentse en Brugse calvinisten in het Wonderjaar.

In tabel 6.1 hebben we de verschillende beroepen samengebracht in zeven grote categorieën. De categorie ‘ambachtelijke beroepen’ omvat alle beroepen waarbij het accent ligt op handenarbeid, de categorie ‘kunstnijverheid’ groepeert de sectoren goud, zilver, diamant, boek en grafiek en de kunstambachten. De intellectuele beroepen hebben betrekking op de kerkelijke, juridische, medische en de onderwijssector. Het overwicht van de commerciële sector te Antwerpen, mede in de hand gewerkt door de specifieke economische structuur van de stad, komt door deze vergelijking nog beter tot uiting, maar dit neemt niet weg dat ook in Gent en in Brugge de handelaars relatief oververtegenwoordigd waren. De ambachtelijke beroepen en de kunstnijverheid zijn in Antwerpen aanzienlijk zwakker vertegenwoordigd. De lage score van de artistieke sector mogen we bijzonder merkwaardig noemen, daar kunstenaars zich in het algemeen sterk aangetrokken voelden door de hervormingsbeweging.33 De hoge score van de intellectuele beroepen te Gent moeten we vooral op rekening brengen van de advocaten en de procureurs bij de Raad van Vlaanderen die overgingen naar het calvinisme. Bij de interpretatie van onze cijfers moet men er echter rekening mee houden dat ons gegevensbestand gevormd werd door die calvinisten die achteraf voor hun optreden tijdens het Wonderjaar vervolgd werden. Omdat de calvinistische Kerk haar aanhang tijdens het Wonderjaar massaal zag toenemen, concentreerde de repressie zich in 1567 en de volgende jaren op de hoofdschuldigen aan de troebelen, zoals de consistorieleden en de leiders van het politieke verzet. Dat vooraanstaande en welgestelde lieden

[p. 133]

daarbij sterk vertegenwoordigd waren, spreekt vanzelf. Het selectieve karakter van de repressie zorgde met andere woorden voor een oververtegenwoordiging van de vooraanstaande, leidinggevende calvinisten in ons gegevensbestand. We mogen bijgevolg aannemen dat arbeiders uit de textielsector, gewone ambachtslieden en kleine handelaars nog steeds als voorheen lid waren van een der calvinistische gemeenten, maar het bronnenmateriaal laat niet toe om hun aandeel en hun socioprofessionele situatie kwantitatief uit te drukken.

Daar ons cijfermateriaal over de vermogenspositie van de vervolgde calvinisten ontleend werd aan hetzelfde gegevensbestand, krijgen we ook hier een beeld dat veeleer betrekking heeft op de leidinggevende kringen van de calvinistische gemeenschap tijdens het Wonderjaar. Jammer genoeg kunnen we slechts van 67 vervolgde calvinisten (39 percent) het roerend en/of onroerend bezit reconstrueren. In vele gevallen werden de bezittingen verkocht of in veiligheid gebracht, zodat ze achteraf aan confiscatie ontsnapten. Toen in het voorjaar van 1567 steeds duidelijker werd dat de krachtenverhoudingen zouden doorslaan in het voordeel van de landvoogdes, hadden calvinisten en opstandelingen immers de tijd om bezittingen te gelde te maken vooraleer te vertrekken uit Antwerpen. Dit verklaart ongetwijfeld waarom een aantal kooplieden en andere personen van aanzien geen of slechts weinig goederen nalieten. De bedragen die we via de confiscatieregisters bekomen, moeten we dan ook als absolute minima beschouwen. Dit neemt niet weg dat zij een interessante orde van grootte aangeven. In tabel 6.2 hebben we de Antwerpse calvinisten uit het Wonderjaar ondergebracht in vijf vermogenscategorieën. Het totale vermogen werd daarbij bekomen door de optelsom van roerend en onroerend bezit.34 Om de reële waarde van de vermelde bedragen in te schatten dient men zich te realiseren dat een metselaar-opperman en een metselaarsgezel in 1566 te Antwerpen een zomerdagloon verdienden van respectievelijk 8 en 15 stuivers. Duizend gulden vertegenwoordigde met andere woorden 2.500 zomerdaglonen van een opperman en 1.333 daglonen van een metselaarsgezel.35

Hoewel we de cijfers uit tabel 6.2 niet kunnen afwegen tegenover een gegevensbestand dat de gehele Antwerpse populatie omvat, toch kunnen we een aantal belangrijke vaststellingen formuleren. Ten eerste is er een frappant verschil met de vermogenspositie van de calvinisten die in de periode 1550-1566 vervolgd werden. Onder de elf bezittende calvinisten was er toen slechts één met een vermogen dat de honderd gulden overschreed; nu bezit een ruime meerderheid van de vervolgde calvinisten meer dan duizend gulden. Met de doopsgezinden uit de jaren 1550-1566 is het verschil nog groter.

[p. 134]

Tabel 6.2: Vermogenspositie van de Antwerpse calvinisten uit het Wonderjaar

vermogenscategorie aantal personen %
I 1-99 gl. 9 13,4
II 100-999 gl. 14 20,8
III 1.000-4.999 gl. 23 34,3
IV 5.000-9.999 gl. 12 17,9
V > 10.000 gl. 9 13,4
Bron: Prosopografie.      

Bij de interpretatie van de laagste vermogensklasse moeten we, net als bij de andere categorieën overigens, letten op de onvolkomenheid van de confiscatieregisters. Het valt immers moeilijk aan te nemen dat bijvoorbeeld de twee kooplieden uit deze klasse, Laureys Ackermans en Guillaume Colpin, samen slechts over een vermogen van 49 gulden beschikten. In de tweede vermogensklasse van 100 tot 999 gulden treffen we negen vertegenwoordigers uit de commerciële sector aan en verder een procureur, een droogscheerder, een bakker en een schrijnwerker. Wanneer we rekening houden met een onderschatting van het reële vermogen in de confiscatieregisters, kunnen we de personen uit deze categorie in de brede stedelijke middenklasse situeren. De derde vermogenscategorie, die goed is voor ongeveer een derde van ons gegevensbestand, wordt bevolkt door zeven kooplieden. De drie vrouwen uit het gezelschap, Anna Cocquiel en Anna en Geertrui van Kessel, behoren eveneens tot koopliedenfamilies. Met zeven representanten zijn de intellectuele beroepen goed vertegenwoordigd. Verder komen nog een lakenbereider en een speelman voor. De meerderheid van deze vermogenscategorie mag wellicht tot de beter gesitueerde middenklasse gerekend worden. Voor de laatste twee categorieën, die respectievelijk vermogens van boven de vijf- en boven de tienduizend gulden groeperen, valt de grens tussen de top van de stedelijke middenklasse en de hogere burgerij vaak moeilijk te trekken. Onder de twaalf personen uit de vierde vermogenscategorie vinden we - het tegendeel zou verbazen - negen vertegenwoordigers uit de commerciële sector en verder een speelman en een schaliedekker. Deze laatste moeten we ons veeleer voorstellen als een ondernemer van respectabele omvang.36 In de hoogste vermogensklasse vinden we de koopman-financier Fernando de Bernuy, de kooplieden Jean Carlier en Adriaan Mannacker, de uit een koopliedenfamilie stammende jurist Herman van der Meeren, François Godin, Jacob van Heuckelom, jonkvrouw Clara van Hersbeke en Anna en Magdalena de Cordes. Carlier, Godin en van der Meeren behoorden tot de commissie van calvinistische

[p. 135]

Tabel 6.3: Vermogenspositie van calvinisten te Antwerpen, Gent en Brugge tijdens het Wonderjaar. Relatieve verhoudingen.

vermogenscategorie Antwerpen N = 67 Gent N = 95 Brugge N = 29
I 1-99 gl. 13,4 8,4 20,6
II 100-999 gl. 20,8 34,7 27,5
III 1.000-4.999 gl. 34,3 43,1 34,4
IV 5.000-9.999 gl. 17,9 8,4 13,7
V > 10.000 gl. 13,4 5,2 3,4
Bron: Prosopografie; Delmotte, ‘Het calvinisme’, 167-170; Vandamme, De socio-professionele recrutering, 338-339.          

gedeputeerden, de Bernuy zetelde als ouderling in de kerkenraad van de Nederlandse gemeente. Deze laatste was veruit de rijkste uit het gezelschap, met een vermogen van 144.000 gulden, op verre afstand gevolgd door Clara van Hersbeke met 51.000 gulden. Daarmee behoorden zij in Antwerpen tot de hoogste vermogens, al evenaarden zij nog niet de fortuinen van de allerrijkste kooplieden.37 De andere personen uit de hoogste vermogensklasse lieten goederen na waarvan de kapitaalwaarde schommelde tussen tien- en zestienduizend gulden. Hoewel Marcus Perez en Cornelis en Karel van Bombergen in de derde vermogensklasse ondergebracht werden, behoorden zij in werkelijkheid tot de rijkste calvinisten. Perez beschikte na zijn vlucht uit de Nederlanden nog over ongeveer 100.000 gulden, waarvan hij het grootste deel investeerde in handelsondernemingen in Lyon, Frankfurt en Genève. Op 24 april 1568 stelden Marcus Perez, Daniël en Karel van Bombergen zich borg voor een lening van 600.000 gulden die aan Oranje was toegekend.38

Ook met betrekking tot de vermogenspositie is een vergelijking met de situatie van de calvinisten in Gent en Brugge interessant, zoals tabel 6.3 mogelijk maakt. Hieruit blijkt dat in de drie steden een meerderheid van de calvinisten zich in de hoogste drie vermogensklassen bevond en bijgevolg meer dan duizend gulden bezat. In Antwerpen zijn vooral de hoogste twee categorieën, met vijfduizend gulden en meer, aanzienlijk sterker vertegenwoordigd met samen 31 percent, tegenover 14 en 17 percent voor respectievelijk Gent en Brugge. Dit verschil heeft vooral te maken met de economische structuur van Antwerpen, waar de talrijke kooplieden voor een grote kapitaalaccumulatie zorgden. In de drie steden zijn de middengroepen in elk geval sterk vertegenwoordigd in de rangen van de calvinisten. Op basis van onze gegevens lijkt het zeer verleidelijk om de stelling van Ludo Vandamme met betrekking tot Brugge te onderschrijven, met name dat het relatieve

[p. 136]

aandeel van de bevolking in het calvinisme afnam naarmate men afdaalde op de sociale ladder.39

Verscheidene calvinisten die tijdens het Wonderjaar in Antwerpen op de voorgrond traden, waren via een netwerk van familiale en commerciële contacten met elkaar verbonden. Zo waren de juristen Peter van Aelst en Herman van der Meeren met elkaar verzwagerd via hun echtgenoten Anna en Geertrui van Kessel.40 Familiale banden waren er eveneens tussen de families de Bernuy, van Bombergen, de Cordes en van Zurck. Marcus Perez en Martin Lopez waren zwagers. Jean Carlier, die net als Herman van der Meeren, Cornelis en Karel van Bombergen en Marcus Perez in de commissie van calvinistische gedeputeerden zetelde, was gehuwd met een dochter uit de familie de Cordes. Met Fernando de Bernuy, Marcus Perez, Martin Lopez en Marcus de Palma traden rijke koopliedenfamilies van Spaans-joodse afkomst sterk op de voorgrond, maar het zou fout zijn daarom te gewagen van een sociologisch gedetermineerde verbinding tussen maranisme, kapitalisme en calvinisme.41 Slechts een kleine minderheid onder de Spaanse en Portugese koopliedenfamilies, ook onder de conversos, ging over tot het calvinisme. Bovendien kon de religieuze scheidingslijn dwars door eenzelfde familie lopen. Een broer en een halfbroer van Martin Lopez waren overtuigde katholieken die in verbinding stonden met de kardinaal van Granvelle.42 Dit neemt niet weg dat figuren als Fernando de Bernuy, Marcus Perez en Martin Lopez een bijzonder belangrijke rol hebben gespeeld in de calvinistische gemeente, onder meer door hun financiële steun en door hun contacten met geloofsgenoten in andere delen van Europa.43 Vooral bij de vele uit de Waalse gewesten afkomstige calvinisten kwamen wijdvertakte familiale en commerciële connecties voor. Van de 99 vervolgde calvinisten uit het Wonderjaar van wie we de plaats van herkomst konden achterhalen, was 64 percent afkomstig uit de Waalse gewesten, onder meer drieëntwintig uit Doornik, elf uit Rijsel en Kamerijk en tien uit Valenciennes. Vele kooplieden onderhielden beroepshalve nog geregeld contacten met hun streek van herkomst. Zo trok de uit Valenciennes afkomstige saaienkoopman Jean Wargin voor zijn handel geregeld naar zijn geboortestad. Daarnaast stond hij als lid van de Waalse kerkenraad van Antwerpen in permanente verbinding met de calvinistische gemeente van Valenciennes.44 Bovendien werden de onderlinge contacten van deze Waalse families in Antwerpen nog vergemakkelijkt doordat vele calvinisten geconcentreerd woonden in welbepaalde wijken en straten. Zo noemden de geheime agenten van Margareta van Parma de buurt van de Oude en de Nieuwe Beurs en de Doornikstraat als brandpunten van calvinisme.45 Dergelijke gegevens illustreren mooi hoe familiale, professionele en ruimtelijke patronen op elkaar inspelende niveaus van sociabiliteit vormden, die de verspreiding van het protestantse ideeëngoed bevorderden.

[p. 137]

aant.

De gewijzigde sociale rekrutering van het calvinisme stellen we ook in andere steden vast. Zo werden in Valenciennes en Middelburg tijdens het Wonderjaar de kerkenraden bemand door kooplieden en gezeten burgers, terwijl voordien vooral ‘gens de petite qualité’ de dienst uitmaakten.46 Deze verschuiving kunnen we zonder twijfel toeschrijven aan de sterk veranderde tijdsomstandigheden. De gevaren verbonden aan het lidmaatschap van een geheime en door de overheid verboden kruiskerk vielen weg tijdens het Wonderjaar, zodat lieden van aanzien nu zonder vrees over de brug konden komen. De terughoudendheid van de maatschappelijk beter gesitueerden vormt een constante in het calvinisme van de eerste generatie, dat een strijd om erkenning moest voeren. Op het einde van de jaren zeventig, toen in de grote Brabantse en Vlaamse steden de periode van de Calvinistische Republieken aanbrak, vatte de classis van Brabant de zaak kernachtig samen: ‘dat in dese eerste begintselen meest arme luyden totten kercken koemen ende de rijcke meest daerna als alle dinghen in goeden stant ende sekerheyt syn’.47 Het is zeker geen toeval dat de calvinistische gedeputeerden en kerkenraadsleden vóór het Wonderjaar geen officieel ambt uitoefenden, al laat het schaarse bronnenmateriaal niet toe het begin van hun engagement precies te dateren. Marcus Perez en Martin Lopez blijken luidens spionnenrapporten reeds in 1564 actief te zijn geweest in de calvinistische beweging, onder meer door het leggen van internationale contacten.48 Vele lieden van aanzien toonden bij de aanvang wel hun belangstelling voor de nieuwe leer, maar wensten veiligheidshalve nog niet te breken met de katholieke Kerk.49 In de spionagerapporten van de agenten van de landvoogdes werd het gedrag van veinzende katholieken meermaals aan de kaak gesteld. Sommigen lieten zich zelfs verkiezen tot kapelmeester van een broederschap, maar steunden heimelijk de calvinisten, terwijl grote handelaars simuleerden om hun commerciële belangen veilig te stellen.50 Calvijn heeft zijn minachting voor de zogenaamde nicodemieten nooit onder stoelen of banken gestoken. Alles wijst er echter op dat dergelijke nicodemieten op termijn een niet te onderschatten steun betekenden voor de calvinistische gemeenschap.51 De kooplieden en gezeten burgers die in 1566 openlijk overgingen tot het calvinisme, waren niet alleen van cruciaal belang wegens hun financiële steun bij de uitbouw van de gemeente. Zij verleenden aan het calvinisme door hun maatschappelijk aanzien ook een grote macht en prestige, wat uiterst belangrijk was op een ogenblik dat men het officiële bestaansrecht probeerde af te dwingen. Figuren als de koopman-financier Fernando de Bernuy en de edellieden Jacob Hertzen en Jan van der Noot, die tijdens het Wonderjaar allen een officieel mandaat bekleedden in de calvinistische gemeente, hadden ooit gezeteld in de stadsmagistraat en hadden relaties in de hoogste politieke kringen van de stad.

Vele kooplieden en vooraanstaande burgers voelden zich ongetwijfeld

[p. 138]

aant.
mede tot het calvinisme aangetrokken omdat zij daarin een middel zagen om zich van religieuze - en op termijn ook politieke - macht te verzekeren.52 De calvinistische kerkenraden boden de leken effectieve bestuursverantwoordelijkheid, wat in het sterk hiërarchische en klerikale katholieke kerkapparaat zo goed als niet het geval was. Bovendien was er het perspectief op een vaste vertegenwoordiging in de stadsmagistraat zodra de calvinistische beweging officieel geconsolideerd was. De commissie van calvinistische gedeputeerden fungeerde de facto al als een alternatief machtscircuit voor de gereformeerde gemeenschap. In Antwerpen waren de politieke aspiraties van de calvinistische leiders misschien nog extra aangescherpt, doordat de geringe vertegenwoordiging van de kooplieden in de stadsmagistraat niet in verhouding stond met hun aandeel in het stedelijk vermogen (zie hoofdstuk 2). Na de Beeldenstorm circuleerden er geruchten over de nakende ontbinding van de magistraat, die zou worden vervangen door calvinistische elementen. Op de Markt zou iemand verschenen zijn, zeggende: ‘die heeren hebben lange genoch heeren geweest, wij moeten voordane selve heere wesen’.53

Bij de keuze voor het calvinisme kunnen ook sociale aspiraties meegespeeld hebben. Herman Van der Wee heeft erop gewezen dat op korte termijn sociaal-economische factoren een cruciale rol gespeeld hebben bij de overgang van de hervormingsbeweging van een beperkte elitegroep naar een ruime massabeweging.54 In zijn verklaringsschema wordt een centrale plaats ingenomen door de stedelijke middenklassen, die in het kielzog van Antwerpens commerciële expansie geprofiteerd hadden van een voorspoedige conjunctuur, maar zich door de economische crisesfasen van de jaren vijftig en zestig bedreigd zagen in hun welvaart. In een dergelijk psychologisch klimaat namen de kooplieden en gegoede ambachtslieden een toevlucht tot het calvinisme, waarin zij een ideologie vonden die beantwoordde aan hun sociaal-economische aspiraties. Deze psychische reactie werd bovendien versterkt door het politieke gezagsvacuüm en de predikaties van de calvinistische predikanten vlak voor en tijdens het Wonderjaar, zodat een massale overgang naar de nieuwe leer plaatsvond. In welke mate deze constructie beantwoordt aan een concrete zestiende-eeuwse realiteit, is niet makkelijk te achterhalen. Dat de middengroepen zich tijdens het Wonderjaar sterk manifesteerden binnen de calvinistische gemeenschap, hebben we reeds aangetoond. Vanuit welke motivatie zij voor het calvinisme kozen, valt echter moeilijk te reconstrueren. Vonden zij in de gereformeerde religie een systeem dat aansloot bij hun professionele streven? Calvijn nam ongetwijfeld een realistische houding aan tegenover financiële transacties zoals het lenen tegen interest, maar zijn ideeën ter zake hielden geen fundamentele breuk in met de gangbare opvattingen en praktijken. De Geneefse kerkhervormer gaf helemaal geen carte blanche voor een ongebreidelde rentevoet,

[p. 139]

aant.
maar hanteerde daarentegen rechtvaardigheid en billijkheid als richtsnoer.55 Dat calvinistische kooplieden zich bewust waren van de ethische grendels die geplaatst waren op ‘de handel der Woucker’, blijkt uit de vragen die in dat verband in 1581 naar voren gebracht werden op de nationale synode van Middelburg. Het antwoord luidde dat men niet zozeer moest letten op wat de edicten van de overheid met betrekking tot de woeker toelieten, maar wel op wat de christelijke liefde vereist.56 Ook Van der Wee begreep dat men aan Calvijns leer inzake interest geen doorslaggevend gewicht kan toekennen. Volgens hem werd de ijverige middenklasse veeleer aangetrokken door ‘het verwerpen van de hiërarchische en solidaristische structuur der christelijke Middeleeuwen, het aanvaarden van een lekenmaatschappij met rationalistische inslag en het propageren van de levensregel la carrière ouverte au caractère’.57 De opvattingen van Calvijn impliceerden inderdaad een breuk met de middeleeuwse standenmaatschappij. Iedere gelovige was persoonlijk verantwoordelijk tegenover God zonder dat daarbij bemiddelingskanalen nodig waren. Voor een biddende orde was in een dergelijk concept geen plaats meer.58 Bovendien kon de kritiek die de calvinistische predikanten leverden op de rijke en geprivilegieerde clerus, bij de toehoorders verwachtingen wekken naar een rechtvaardiger geordende samenleving.59 Een dergelijk vooruitzicht wordt in elk geval verwoord in de predikatie van de luthersgezinde Heer Matthijs, die op 10 augustus 1566 verwees naar I Corinthiërs, 9: ‘hoe dat Sinte-Pauwels de Corinthyen aldaer was prysende van dat de Corinthyen alsulcken politye onder hen hadden van datse niemanden van henlieden gebreck en lieten lyden, dwelck oock noch beter geobserveert worde onder de Mennonisten ende Swinglianen ende tHuys der liefden, diewelcke huere armen beter waeren onderhoudende dan in het Pausdom, daer vele lieden gebreck waren lydende’.60

Dat in de zestiende eeuw vooral het calvinisme zou hebben bijgedragen tot de creatie van een moderne, rationalistisch ingestelde maatschappij, is minder zeker. Het is maar de vraag of Van der Wee hier in het spoor van Max Weber niet dacht aan een burgerlijke, rationele en kapitalistische ingesteldheid die meer affiniteiten vertoonde met het puritanisme uit de late zeventiende en de achttiende eeuw dan met de calvinistische ethiek uit de zestiende eeuw.61 Eenzelfde voorzichtigheid is overigens geboden in verband met Calvijns beschouwingen over arbeid en beroep. De predestinatieleer kan moeilijk als religieuze grondslag gefungeerd hebben voor een professionele ascese, aangezien die leer in het denken van Calvijn helemaal niet de nadruk genoot die zij pas in de zeventiende eeuw zou krijgen.62 Wel heeft Calvijn inderdaad een volwaardige plaats toegekend aan de op aarde uitgeoefende arbeid. Ook de koopman en de kapitalist hadden een legitieme plaats in een christelijke stad. Calvijn legde er echter sterk de nadruk op dat arbeid geen doel op zich mocht zijn, maar dat de resultaten ervan ten

[p. 140]

aant.
dienste van de gemeenschap gesteld moesten worden, bijvoorbeeld door de ondersteuning van de armen.63

Dat bij de overgang naar het protestantse geloof religieuze, sociaal-economische en politieke factoren kunnen hebben gespeeld, is evident. Zeker toen de politieke situatie zich sterk wijzigde en een forse groei van het protestantisme mogelijk maakte, konden de laatste twee factoren een aanzienlijke invloed uitoefenen op het keuzeproces. Zo merkten zowel Godevaert van Haecht als Philippe Dauxy op, dat de calvinisten tijdens het Wonderjaar heel wat behoeftigen aantrokken door de armenzorg die zij verstrekten.64 Toch mogen we het belang van de religieuze component niet onderschatten, vooral wanneer we rekening houden met de positie van de brede stedelijke middenklasse. Het leven van de uit 's-Hertogenbosch afkomstige Herman Pottey vormt een exemplarische illustratie van een vertegenwoordiger van de stedelijke middenklasse die zich economisch en intellectueel wist op te werken en tegelijkertijd een doorleefd religieus keuzeproces doormaakte.65 Als zoon van een lijnwaadhandelaar werd Herman Pottey door zijn ouders ‘seer vierich in de pausse religie’ opgevoed. Van zijn zesde tot zijn tiende liep hij in 's-Hertogenbosch school bij een onderwijzer die hem leerde lezen en schrijven en hem de beginselen van Latijn en Frans bijbracht. Nadien leerde hij gedurende vijf jaar het schoenmakersvak. In augustus 1558 werd hij naar een neef in Antwerpen, Ambrosius Pottey, gezonden om er zich te bekwamen in het koopmansvak. De volgende jaren brachten hem, gewoonlijk in dienst van Antwerpse kooplieden, afwisselend in Antwerpen, 's-Hertogenbosch, Doornik en Londen. In het voorjaar van 1559, toen hij gedurende vier maanden opnieuw in 's-Hertogenbosch werkte bij een schoenmaker, vernemen we voor het eerst iets over zijn geloofstwijfels: ‘In deesen tijt begost ick te twijfellen van de transsubstancie des naechtmaels ende quaem eensdeels tot kenisse van de rechtverdichmaeckinge des geloofs door een boecxken genaemt de some der schriftueren’, dat hem door een werkmakker ter hand was gesteld.66 De volgende jaren tekende zijn gereformeerde geloofsovertuiging zich steeds duidelijker af. In januari 1562 werd hij vennoot van de Antwerpse koopman Willem van der Voort. Pottey deed daarbij een kapitaalinbreng van duizend gulden, afkomstig van het geld dat zijn vader hem nagelaten had. Hij beschikte op dat moment bijgevolg reeds over een aanzienlijk vermogen. In Antwerpen bezocht hij geregeld de zijdefabrikant François du Laij, die hem ‘bij Godts providentie leerde bij worde ende dieverssche boecken de resolutie van dieversse ende bijcans alle de aerttycullen der Christelycker religen, hetwelck mij eenen grooten rycdoem nae der siellen was’. Van december 1562 tot mei 1563 verbleef hij voor zijn koophandel voor het eerst in Londen, waar hij vanaf eind 1563 nagenoeg permanent woonde als een van de vertegenwoordigers van het grote Antwerpse handelshuis der della Failles. Hij sloot

[p. 141]

aant.
er zich aan bij de Franstalige vluchtelingenkerk en deed in juni 1564 ‘openbaere professije van het geenne dat van te voeren mij van Godt int hertte geven was’. In mei 1567 werd Herman Pottey naar Antwerpen ontboden omdat Jan della Faille hem de dochter van zijn zus, Catharina de Waele, wilde uithuwelijken. De onderhandelingen tussen beide families liepen uiteindelijk spaak omdat Herman weigerde ‘in de papisterije’ te trouwen. Ondanks aantrekkelijke beloften van de rijke della Failles bleef hij trouw aan zijn calvinistisch geloof. Een aantal maanden later gaf de familie della Faille de toestemming tot een semi-clandestien huwelijk in een Londense parochiekerk. Herman Pottey bleef een lidmaat van de Franstalige gereformeerde kerk in Londen. Het levensverhaal van Pottey toont andermaal aan hoe een degelijk onderwijs en een sterke professionele mobiliteit als katalysatoren konden fungeren voor een kennismaking met het nieuwe religieuze klimaat. Uit de woorden van Herman Pottey blijkt duidelijk zijn oprecht en sterk godsverlangen. Zelfs de materiële perspectieven die wenkten bij een huwelijk met een dochter uit een van de befaamdste Antwerpse handelshuizen, konden zijn gereformeerde geloof niet aan het wankelen brengen. Het bewustzijn van de eigen religieuze leefwereld blijkt nog uit de namen die Herman Pottey en Catharina de Waele aan hun kinderen gaven, met name Tamara, Jan, Sara en Enoch.67

 

Krachtens het door Willem van Oranje genegotieerde akkoord van 2 september 1566 kregen ook de lutheranen officieel de toestemming hun religie binnen de stadsmuren uit te oefenen. Net als de calvinisten kregen zij drie plaatsen toegewezen voor hun ‘predikingen oft andere exercitien’.68 Voor de lutheranen, die vanuit hun leer gehoorzaamheid aan de overheid verschuldigd waren, was dit akkoord van bijzonder groot belang omdat het aan hun optreden en hun gemeenteorganisatie een legitiem karakter gaf. Enkele auteurs hebben de interne geschiedenis van de lutherse gemeente in Antwerpen min of meer uitvoerig beschreven, zodat we hierop niet hoeven terug te komen.69

De lutherse gemeenschap telde in haar rangen burgers en ingezetenen van Antwerpen, naast Duitsers en Oosterlingen. Met die laatsten werden voornamelijk lieden uit de Noord-Duitse Hanzesteden bedoeld, zoals Bremen, Hamburg, Lübeck en Rostock. Naar buiten toe stelden de Antwerpse lutheranen zich op als één gemeente. Aan de overheid gerichte rekwesten werden ingediend namens ‘de borgeren ende ingesetenen deser stadt van Antwerpen, wesende van der religien der Confessien van Augsburg’.70 De numerieke verhouding tussen Nederlandstaligen en Duitstaligen valt niet meer te achterhalen. Het sterke overwicht van de Duitse predikanten en theologen71 kan moeilijk als een doorslaggevend argument worden aangevoerd, aangezien de Duitse lutheranen nu eenmaal

[p. 142]

uit een veel omvangrijker potentieel konden rekruteren. Wanneer men er terecht van uitgaat dat de meerderheid van de kooplieden uit het Duitse Rijk luthersgezind was, komt men langs die zijde tot maximaal driehonderd aanhangers.72 Het totale aantal lutheranen dat tijdens het Wonderjaar in Antwerpen verbleef, valt niet meer te reconstrueren. Het veelgenoemde aantal van vierduizend berust op een niet te verifiëren schatting van j.w. Pont.73 Het aanzienlijke aantal Duitse predikanten en theologen dat in Antwerpen bedrijvig was, onder wie coryfeeën als Matthias Flacius, wijst wel op het grote belang dat de Duitse lutheranen hechtten aan de Antwerpse metropool. De leiding van de lutherse gemeente berustte bij een commissie van twaalf gedeputeerden: vier Nederlandstaligen en acht Duitstaligen.74 Deze commissie was tijdens de onderhandelingen die aan het 2-september-akkoord voorafgingen, aangesteld op verzoek van Willem van Oranje. Net als hun calvinistische collega's behartigden de lutherse gedeputeerden de ‘politieke’ en materiële belangen van hun geloofsgemeenschap. De predikanten en de theologische adviseurs bleven bevoegd voor de zuiver kerkelijke aangelegenheden.

Voor de reconstructie van de socioprofessionele situatie van de Nederlandstalige lutheranen bezitten we zo goed als geen representatieve gegevens. Omdat de lutheranen steeds gehoorzaam bleven aan de wettelijke overheid, werden er slechts weinig vervolgd. De Raad van Beroerten bestrafte alleen de leiders van de lutherse gemeente en de schoolmeesters die luthers getint onderwijs verschaft hadden. Tegen elf lutheranen werd zo een banvonnis uitgesproken.75 Onder hen bevonden zich zes kooplieden, drie schoolmeesters en één schoolmeesteres. Slechts twee lutheranen lieten een vermogen na van minder dan honderd gulden. Zeven anderen bevonden zich in de vermogenscategorieën van duizend gulden en meer.76 De vervolgde lutheranen waren bijgevolg duidelijk afkomstig uit welgestelde kringen. Men dient er echter rekening mee te houden dat de repressie zich concentreerde op de leidinggevende kringen van de lutherse gemeenschap. Mede hierdoor is ons gegevensbestand gebouwd op een erg smalle basis.

De Antwerpse lutheranen stonden tijdens het Wonderjaar in scherpe concurrentie met de calvinisten. In de maanden die aan het 2-september-akkoord voorafgingen, dreigden de lutheranen vele geloofsgenoten aan het calvinisme te verliezen, doordat velen aangetrokken werden door de calvinistische predikaties. Onder hen bevonden zich heel wat jongeren die door hun Duitse familie naar Antwerpen gezonden waren om er het koopmansvak te leren. Dit alles noopte de lutherse leiders tot het beroepen van predikanten nog voor het contract met de overheid was afgesloten.77 Bij de actie van het drie-miljoen-guldenrekwest vormden calvinisten en lutheranen als ‘ceulx qui font profession de levangile en Anvers’ wel één front om de religievrijheid van Filips ii af te kopen, maar dit kon de dieperliggende te-

[p. 143]

aant.
genstellingen niet wegwerken.78 Twee lutherse gedeputeerden gaven de gezamenlijke aanbieding van het rekwest toe tegenover Philippe Dauxy, maar beklemtoonden dat zij voor de rest met de calvinisten verschilden ‘comme le ciel de la terre’.79 De geschilpunten draaiden vooral rond de Avondmaalsleer en rond de houding die men moest aannemen tegenover de wettelijke overheid. De luthersgezinde kroniekschrijver Godevaert van Haecht vertolkte wellicht op correcte wijze de gemoedsgesteldheid van zijn geloofsgenoten toen hij schreef dat er tussen de twee confessies geen groot verschil was ‘dan meest in 't nutten van 't sacrament; en de mertinisten sijn der overheyt meer ghehoorsaem, want de calvinisten gebruycken gewelt, als 't niet na haeren sin en mach gescien’.80 De tegenstellingen werden nog aangewakkerd door de overkomst van Duitse predikanten en theologen die nagenoeg allemaal felle anticalvinisten waren en zich op de harde gnesio-lutherse lijn van Matthias Flacius stelden. Terloops moet worden opgemerkt dat Antwerpse lutheranen al in de jaren vijftig contacten onderhielden met strenge lutheranen uit het Duitse Rijk, zodat we in dit opzicht van een zekere continuïteit kunnen spreken (zie hoofdstuk 5).

Zoals gezegd vormde de Avondmaalsleer een ernstig geschilpunt tussen calvinisten en lutheranen. De Avondmaalsvieringen die de calvinisten op 3 november en met Kerstmis 1566 hielden, stuitten dan ook op kritiek bij katholieken en lutheranen. Vooral het feit dat de calvinisten het Avondmaal opvatten als een gedachtenismaal, gesymboliseerd in de woorden ‘neempt, eedt, drinct; ghedinct ende ghelooft’, vond in hun ogen geen genade.81 De calvinisten verweten de lutheranen daarentegen ‘vleescheters en bloetdrinckers’ te zijn,82 Belangrijk is wel de mededeling dat de calvinisten precies wegens hun Avondmaalspraktijk aanhangers verloren. Schepen Lancelot van Ursel stelde verheugd vast: ‘De cene bij de religie gehouden heeft deugd gedaan, in der voege dat velen van hen afgeweken zijn, zeggende hun te dunken te wezen rabauwerig; anderen zeggen dat het hun docht een boerenkermis te wezen.’ Volgens Dauxy hadden zich meer dan duizend personen afgekeerd van het calvinisme toen ze de bedriegerij hadden vastgesteld. Zij waren opnieuw katholiek geworden of hadden zich tot de lutheranen gewend.83 Dergelijke mededelingen wijzen erop dat vele gelovigen gehecht bleven aan rituele praktijken waaraan ze sedert vele jaren gewend waren en waarmee ze niet radicaal wensten te breken.84

Ook in de houding die de lutheranen aannamen tegenover de wettelijke overheid, verschilden zij van de calvinisten. Dit was reeds gebleken naar aanleiding van de gebeurtenissen rond de Beeldenstorm. Toen hadden de lutheranen geweigerd zich bij de calvinisten te voegen om zich samen meester te maken van het stadhuis, daarbij argumenterend: ‘vous, Calvinistes, vous auctorises icy par force et violence, et nous y sommes avec le consentiment du magistrat.’85 In de Confessio, het officiële belijdenisgeschrift van

[p. 144]

aant.
de Antwerpse gemeente, dat eind 1566 onder leiding van Matthias Flacius was opgesteld, was een afzonderlijk hoofdstuk over de overheid opgenomen, waarin de gelovigen tot strikte gehoorzaamheid werden aangespoord.86 Voor de armenzorg beschikten de lutheranen in tegenstelling tot de calvinisten niet over een eigen diaconie. Zij lieten de stadsaalmoezeniers tijdens hun erediensten collectes houden omdat zij niet wilden breken met de stedelijke ordonnanties ter zake.87 Toen de calvinisten midden maart 1567 na de nederlaag van het rebellenleger bij Oosterweel aanstalten maakten om zich meester te maken van de stad, kozen de lutheranen partij voor de stedelijke overheid en stelden zij zich samen met de katholieken op tegen de calvinisten.88 Dit ‘verraad’ aan de protestantse zaak zou de lutheranen in calvinistische kringen nog lang bijzonder kwalijk genomen worden. Tijdens de periode van de Calvinistische Republiek zorgden de herinneringen aan de gebeurtenissen van het Wonderjaar, samen met de confessionele tegenstellingen, opnieuw voor wantrouwen en concurrentie tussen calvinisten en lutheranen.89

Verscheidene gegevens wijzen erop dat er in de rooms-katholieke gemeenschap in de dagen en weken die volgden op de Beeldenstorm, een klimaat van angst heerste. De interieurs van kerken en kloosters lagen er dermate gehavend bij dat de eredienst onmogelijk was. Vele priesters waren de dag van de beeldenstormerij uit de stad gevlucht, anderen leefden ondergedoken in de stad. Pas op zondag 1 september 1566 werd weer een sermoen gehouden en een mis opgedragen in de Onze-Lieve-Vrouwekerk, en een week later werden ook in de andere kerken de diensten hervat. Ondertussen werden clerici op straat lastiggevallen en uitgescholden, waarbij vooral de minderbroeders het moesten ontgelden. Vicaris-generaal Morillon merkte terecht op: ‘Telle est maintenant la conversion que les catholiques se doibvent taire et les sectaires preschent.’ Een meerderheid dreigde te moeten buigen voor de doortastende en agressieve houding van een minderheid.90 Nochtans hadden op 1 september vijfduizend katholieken het ochtendsermoen in de Onze-Lieve-Vrouwekerk bijgewoond, en de mis zou nog meer volk getrokken hebben, onder wie de beide burgemeesters en vele wethouders.91 Op 1 november meldde een enthousiaste Daniël di Bomalès dat op allerheiligendag de parochiekerken en de kloosters van de bedelorden in Antwerpen volgelopen waren. In geen vier jaar waren nog zoveel gelovigen te communie geweest. Niettemin stelde hij vast dat de katholieken zich ondanks hun numerieke meerderheid timide opstelden.92 Vicaris Morillon liet zich twee weken later veel somberder uit toen hij signaleerde dat pastoor Sebastiaan Baers in de Onze-Lieve-Vrouwekerk voor vijftig à zestig personen gepreekt had, terwijl er dat vroeger wel 1.800 tot 2.000 waren.93 Vanaf november 1566 ontstond wel - naar de typering van Robert Van Roosbroeck - een ‘politiek katholicisme’. Een aantal overtuigde katholieken had

[p. 145]

het plan opgevat om met de steun van de centrale regering de macht van de calvinisten in de stad te breken. De in Antwerpen verblijvende Philippe Dauxy, bijgestaan door agenten als de Curiel en di Bomalès, vormde in dit verband een belangrijke tussenschakel met de landvoogdes. Onder de Antwerpse geestelijken speelden de deken van het kapittel, Roger de Tassis, plebaan Sebastiaan Baers en kanunnik François Doncker een actieve rol. Vermoedelijk waren ook enkele wethouders van het initiatief op de hoogte. Toen de plannen eind december uitlekten, werd het klimaat nog meer gespannen dan voorheen.94

Hoe de numerieke verhoudingen tussen de diverse confessies lagen tijdens het Wonderjaar, valt bij gebrek aan adequaat bronnenmateriaal niet meer te achterhalen. De protestanten konden hun aanhang aanzienlijk vergroten, maar de katholieken bleven ongetwijfeld in de meerderheid. De ruime omvang van de kerkelijke middengroepen en de massale toeloop bij de hagenpredikaties wijzen wel op de omvang van de verschuivingen die zich op religieus vlak konden voordoen. Het spreekt vanzelf dat de duizenden aanwezigen op de predikaties niet in een handomdraai omgevormd werden tot overtuigde calvinisten. Ook in periodes van religievrijheid bleef er een onderscheid bestaan tussen de - sterk verruimde - kern van lidmaten en de grote groep ‘liefhebbers’ die zich nog niet verregaand engageerde.95 De numerieke achteruitgang van de katholieke aanhang wordt bevestigd door de evolutie van het aantal katholieke doopsels. In de Onze-Lieve-Vrouwekerk werden tijdens het Wonderjaar 670 kinderen gedoopt tegenover gemiddeld 1.014 in de vijf vorige jaren, wat een vermindering met 34 percent impliceert. In de kleinere en meer perifeer gelegen Sint-Walburgiskerk waren er 358 doopsels of een vermindering met 22 percent.96 Een tijdgenoot schatte rond Kerstmis 1566 dat in Antwerpen zeven op de tien inwoners katholiek gebleven waren.97 Tijdens het oproer van midden maart 1567 brachten de calvinisten volgens Godevaert van Haecht tien- à twaalfduizend manschappen op de been, op een totaal van ca. 28.000 gewapenden.98 Op grond van al dit cijfermateriaal lijkt het ons niet onredelijk het aantal protestanten in Antwerpen op één derde van de bevolking te schatten. Binnen de reformatorische stromingen beschikten de calvinisten over de grootste aanhang, gevolgd door de lutheranen en de ongeveer tweeduizend doopsgezinden.

Toen het geuzenleger in de ochtend van 13 maart 1567 bij Oosterweel verpletterd werd, stroomden gewapende calvinisten samen op de Meir, die zij gedurende twee dagen bezet hielden. Om de stad zo adequaat mogelijk te beschermen tegen de regeringstroepen, die zich op korte afstand van de stadsmuren bevonden, wensten de calvinisten hun politieke en militaire macht in Antwerpen te vergroten. Krachtens de akkoorden van 13 en 14 maart die Oranje met de calvinistische leiders sloot, werd het 2-september-akkoord bekrachtigd, werd het calvinistische aandeel in de verdediging van

[p. 146]

de stad gewaarborgd en werd beloofd geen vreemd - koninklijk - garnizoen in te nemen zonder de toestemming van de Brede Raad. Toen de calvinisten zich daarmee nog niet tevreden stelden, wapenden de katholieken, de lutheranen, de Hanzeaten, de Duitsers en de zuiderse naties zich tegen de calvinistische troepenmacht op de Meir. Geconfronteerd met die overmacht trokken de ontgoochelde calvinisten zich op 15 maart terug.99 De nederlaag bij Oosterweel en de daaropvolgende krachtmeting intra muros hadden de calvinisten duidelijk gemaakt dat de machtsverhoudingen zich in het voordeel van de landvoogdes en de koningsgetrouwen gekeerd hadden. De inname van Valenciennes door regeringstroepen op 23 maart 1567 kon hen alleen maar sterken in die overtuiging. Reeds eind maart ontvluchtten verontruste calvinisten de stad. Op 9 april hielden lutheranen en calvinisten hun laatste predikaties. Twee dagen later verliet Willem van Oranje, samen met vele protestanten, Antwerpen.100

1Janssens, ‘De eerste jaren van Filips ii’, 194-201; Parker, The Dutch Revolt, 68-99; Scheerder, De Beeldenstorm; Van Roosbroeck, Het Wonderjaar te Antwerpen; Prims, Het Wonderjaar; Wells, Antwerp and the Government, 387-527, concentreert zich vooral op de veranderende relatie tussen stad, centrale overheid en Oranje.
2Zie schout Jan van Immerseel aan Margareta van Parma, 19 april 1566, in ara, Aud., 261, fol. 166.
3Prims, Het Wonderjaar, 38-72.
4Zie bv. de brief van de magistraat aan de gedeputeerden te Brussel, 15 mei 1566, in Prims ed., Het Wonderjaar, 10.
5Van Roosbroeck, Het Wonderjaar, 8-11, 16; Prims, Het Wonderjaar, 93, 99-109, 127; Wells, Antwerp and the Government, 407, 411.
6Wells, Antwerp and the Government, 414-438.
7Prims, Het Wonderjaar, 121-122; Génard ed., ‘Personen’, in aa, x, 121-124, 398-402, 414-424; Kroniek G. van Haecht, I, 70-71.
8Oranje aan zijn broer Lodewijk van Nassau, 16 juli 1566, geciteerd in Wells, Antwerp, 443-444.
9Citaat uit de ‘Verantwoording van de magistraat’, in Génard ed., ‘Personen’, in aa, x, 131.
10Een omstandig relaas in Van Roosbroeck, Het Wonderjaar, 27-40; Prims, Het Wonderjaar, 153-181; Génard ed., ‘Personen’, in aa, x, 130-139.
11Cf. Prosopografie.
12Cf. Prosopografie sub Jean Carlier, Lucas Hailly, Michiel de Huyn, Adam le Maire, Jean des Maistres, Aart Rosenberger en Pierre de Saint Vaast.
13Vergelijk Van Roosbroeck, Het Wonderjaar, 33, en Van Schelven, Willem van Oranje, 119.
14Cf. Eire, War Against the Idols, 279: ‘Iconoclasm was an inevitable outcome of Reformed ideology’, en Freedberg, Iconoclasts and their motives.
15Vergelijk Steen, A Chronicle of Conflict, 85-91; Clarck, An Urban Study, 324-325.
16De tekst van het rekwest in saa, Pk., 1563, los stuk.
17Prims, Het Wonderjaar, 167-168; Wells, Antwerp and the Government, 468-469.
18Oranje was op 19 augustus naar Brussel vertrokken. Zie voor het akkoord tussen Margareta en de verbonden edelen (25 augustus) Woltjer, ‘De Vredemakers’, 63-65.
19Zie voor bijzonderheden over deze personen Prosopografie.
20De tekst van het akkoord in Génard ed., ‘Personen’, in aa, xi, 48-51, 56-58.
21Zie ook Woltjer, ‘De Vrede-makers’, 65.
22Wells, Antwerp, 472-475; Prims, Het Wonderjaar, 411-423.
23Zie voor de religievrede die in 1578 te Antwerpen werd afgekondigd Marnef, ‘Brabants calvinisme’, 9-10.
24Prims, Het Wonderjaar, 214, 222, 224, 232, 236, 244; Balke, ‘De invloed van de Anabaptisten’, 47, 52-53; Vos, ‘De doopsgezinden’, 331.
25Zie de brieven van de commissie van calvinistische gedeputeerden aan: Hendrik van Brederode, 2 december 1566 (ara, Handschriftenverzameling, 182, fol. 149ro), Frederik iii, keurvorst van de Palts, 4 december 1566 (Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, 's-Gravenhage, Collectie a.a. Van Schelven, nr. 8), August, keurvorst van Saksen, 4 december 1566 en 10 februari 1567 (Staatsarchiv Dresden, Locat 9819, fol. 199, 203ro-209vo), Filips, landgraaf van Hessen, 4 december 1566 (Blok ed., Correspondentie van en betreffende Lodewijk van Nassau, 166-169), Thomas Gresham, 1 februari 1567 (Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, 's-Gravenhage, Collectie a.a. Van Schelven, nr. 7), William Cecil, 31 januari 1567 (Burgon, The life and times of Sir Thomas Gresham, ii, 189).
26Zie bv. de brief van Charles de Nielles ‘au nom du consistoire’, 19 september 1566, in Hessels ed., Ecclesiae Londino-Batavae, iii-1, nr. 101, en van Jean Taffin namens ‘les ministres et anciens de l'Eglise française’, 7 maart 1567, in Gilmont, ‘La mission de Jean Crespin’, 86-87.
27Van Schelven, ‘Het verzoekschrift der drie millioen goudguldens’; Van Roosbroeck, Het Wonderjaar, 153-169, 236-241; Ris Lambers, De kerkhervorming op de Veluwe, cccx-cccxi. In het betrokken rekwest verzochten de calvinisten en lutheranen de koning om religievrijheid in ruil voor drie miljoen gulden. Een exemplaar van het rekwest, gedateerd 17 oktober 1566, in bll, Cotton-Galba, c-iii, fol. 42ro, en gedateerd 27 oktober 1566 in ara, Handschriftenverzameling, 182, fol. 182vo-184ro.
28Het verzoek aan de kerkenraad van 's-Hertogenbosch, 4 december 1566, in ara, Handschriftenverzameling, 182, fol. 179ro.
29Zie bv. de brief aan August, keurvorst van Saksen, 4 december 1566, vermeld in noot 25, die de gedeputeerden ondertekenden als ‘Antwerpianae Ecclesiae iuxta Evangelium Christi reformatae deputati et procuratores nomine et rogatu omnium Ecclesiarum Belgicarum’.
30Scheerder, De Beeldenstorm, 42, 44, 48, 59, 62-65, 68, 71, 79-80; Van Nierop, Beeldenstorm en burgerlijk verzet in Amsterdam, 30; Pettegree, ‘The Exile Churches’, 87, 97.
31Gebaseerd op Prosopografie. Hieraan moet aalmoezenier Jacob Hertzen worden toegevoegd, die na het Wonderjaar niet vervolgd werd.
32Gebaseerd op Prosopografie.

33Naast Gent en Brugge geldt dit op nog frappantere wijze voor Brussel en Leuven. Cf. Decavele, ‘De opkomst’, 25-44; Marnef, ‘Het Protestantisme te Brussel, ca. 1567-1585’, 59-61; Van Uytven, ‘Invloeden van het sociale en professionele milieu’, 261-264.
34De kapitaalwaarde van het onroerend bezit (huizen, landerijen, renten) werd berekend door de jaarlijkse huur- of opbrengstwaarde te vermenigvuldigen met zestien (penning 16, = 6,25 %) voor goederen gelegen in de stad en met 22 (penning 22, = 4,54 %) voor goederen op het platteland. Deze verhoudingen werden eveneens gehanteerd bij de heffing van Alva's honderdste penning op het onroerend vermogen in 1569-1570. Cf. Grapperhaus, Alva en de tiende penning, 121. Voor de renten stelde zich geen probleem vermits de penningverhouding steeds vermeld werd.
35Scholliers, ‘De lagere klassen’, 165-166.

36De schaliedekker Nicolaas Everaerts was in 1567 betrokken bij de bouw van de nieuwe beurs in Londen. Cf. Kirk en Kirk, Returns, I, 338.

37De bekende kooplieden Jan Gamel (†1572) en Jan della Faille de Oude (†1582) lieten bij hun overlijden respectievelijk 245.000 en 408.000 gulden na. Soly, Urbanisme en kapitalisme, 429-430.
38Gilly, Spanien und der Basler Buchdruck bis 1600, 233, 412.
39Vandamme, De socio-professionele recrutering, 346.
40Zie voor deze en volgende voorbeelden de gegevens in Prosopografie.
41Een dergelijke constructie bij Prims, Het Wonderjaar, 379-390, en Hauben, ‘Marcus Pérez and Marrano Calvinism’, 121-132. Zie de gefundeerde kritiek van Gilly, Spanien und der Basler Buchdruck, 417-419.
42Goris, Étude sur les colonies, 549 e.v.; Pohl, Die Portugiesen, 339-342; Révah, ‘Pour l'histoire des marranes à Anvers’, speciaal 126-128; Vermaseren, ‘De Antwerpse koopman Martin Lopez’, 32, 36.
43Hauben, ‘Marcus Pérez’, 124-125; Van der Essen, ‘Episodes de l' histoire religieuse’, 349-355; Garrisson-Estèbe, Protestants du Midi, 40-41.
44saa, Cert., 22, fol. 151ro, en Prosopografie, nr. 1044.
45Zie de rapporten van Philip Dauxy en Geronimo de Curiel in Van der Essen, ‘Les progrès du luthéranisme’.
46Van Langeraad, Guido de Bray, xliii-xliv, en mondelinge mededeling van mevr. C. Rooze-Stouthamer, die een proefschrift over de Reformatie in Zeeland voorbereidt. Vergelijk voor Breda Beenakker, Breda in de eerste storm, 61-62.
47Brief van 25 april 1579 aan de Nederlandse vluchtelingenkerk te Londen, geciteerd in Marnef, Het Calvinistisch Bewind, 285.
48Hauben, ‘Marcus Pérez’, 123-125; Vermaseren, De Antwerpse koopman, 45; Truman en Kinder, ‘The Pursuit of Spanish Heretics’, 77.
49Jelsma, Adriaan van Haemstede, 38 e.v., en supra, hoofdstuk 5.
50Van der Essen, ‘Les progrès’, 217, over Michiel Anthoine, en Id., ‘Episode de l'histoire religieuse’, 357-358, 361, over Robert van Haeften, Peter Arnouts en Hernando de Sevilla.
51Eire, War against the Idols, 234-275; Oberman, Die Wirkung der Reformation, 32-46. Een herwaardering van de nicodemieten eveneens in Pettegree, ‘The stranger community in Marian London’, 400-401.
52Vergelijk Kuttner, Het hongerjaar, 283, en Clarck, An Urban Study, 194.
53Van Roosbroeck, Het Wonderjaar, 54. Het citaat komt uit een brief van Lancelot van Ursel aan pensionaris Jan Gillis, 28 augustus 1566.
54Van der Wee, ‘De economie als factor’, 55-70.
55Cf. Bouwsma, John Calvin. A Sixteenth-Century Portrait, 196-198, 202-203; Delumeau, Naissance et affirmation de la Réforme, 301-314; Lüthy, ‘Variations on a theme by Max Weber’, 385-390.
56Van 't Spijker ed., ‘De Acta van de Synode van Middelburg’, 119.
57Van der Wee, ‘De economie als factor’, 69.
58Lüthy, ‘Variations on a theme’, 381-383.
59Deyon en Lottin, ‘Les casseurs de l'été’, 144; Mack, ‘The Wonderyear. Reformed Preaching and Iconoclasm’, 194, 198, 205, 212.
60Génard ed., ‘Personen’, in aa, ix, 318. Zie over Heer Matthijs Prims, Geschiedenis van Sint-Jorisparochie, 139-149; Estié, Het vluchtige bestaan, 22-27.
61Van Stuijvenberg, ‘Problemen rondom “de” these van Weber’, 114; Hudson, ‘The Weber Thesis Reexamined’, 56-67; Van Dülmen, ‘Protestantismus und Kapitalismus’, 88-101. Zie voor een historiografisch overzicht van Webers invloed Benedict, ‘The Historiography of Continental Calvinism’.
62Besnard, Protestantisme et Capitalisme, 77-83; Van Stuijvenberg, ‘Problemen’, 111-116.
63Besnard, Protestantisme et Capitalisme, 289-290; Lüthy, ‘Variations on a theme’, 381-385; Bouwsma, John Calvin, 198-202.
64Kroniek G. van Haecht, I, 109; brief van Ph. Dauxy aan de landvoogdes, 26 december 1566, in Van Schelven ed., ‘Verklikkersrapporten over Antwerpen’, 291-292.
65De belangrijkste bron voor de kennis van het leven van Herman Pottey (o 's-Hertogenbosch 1543 -† Londen 1574) vormt zijn memorieboek, uitgegeven door Brulez, De firma della Faille, 559-567. De citaten komen uit deze uitgave. Het testament van Herman Pottey, 2 november 1574, in Public Record Office London, Prerogative Court of Canterbury Wills, 6 Pyckering, fol. 47.
66De anonieme Summa der godliker scrifturen, voor het eerst verschenen in 1523, was een van de eerste reformatorische geschriften in de Nederlanden en stond nog duidelijk onder de invloed van het gedachtegoed van Erasmus. Cf. Trapman, De Summa der godliker scrifturen (1523).
67Zie voor de naamgeving van de Antwerpse calvinisten uitvoeriger hoofdstuk 10.
68De tekst van het akkoord in Génard ed., ‘Personen’, in aa, xi, 56-58.
69Pont, Geschiedenis van het Lutheranisme, 60-138; Van Roosbroeck, Het Wonderjaar; Estié, Het vluchtige bestaan.
70Van Roosbroeck, Het Wonderjaar, 140-141.
71De meest volledige lijst (zestien namen, waarvan minstens tien Duitstalige) bij Braekman, ‘Het Lutheranisme in Antwerpen’, 26, 33-34. Zie ook Estié, Het vluchtige bestaan, 42-47.
72Zie hoofdstuk 1. Omstreeks het midden van de eeuw verbleven te Antwerpen ongeveer 150 Oosterlingen en 150 Hoogduitsers.
73Het getal van vierduizend bv. in Visser, De Lutheranen in Nederland, 23; Pont, Geschiedenis van het Lutheranisme, 77.
74Zie de brief van de twaalf gedeputeerden aan de stadsmagistraat van Keulen, 12 september 1566, in Stadtarchiv Köln, Reformation, 24, stuk 3, die door de twaalf eigenhandig ondertekend werd. Hieronder zijn duidelijk vier ‘Nederlandse’ en acht ‘Duitse’ namen. Uit andere bronnen kennen we nog Gerard Cocq en Josse van Hilten (Prosopografie, nr. 214, 495) als gedeputeerden. Cf. ook saa, Cert., 25, fol. 293vo.
75Zie Prosopografie.
76Namelijk één in de klasse 1.000-4.999 gl., drie in de klasse 5.000-9.999 gl. en drie in de klasse van 10.000 gl. en meer.
77Estié, Het vluchtige bestaan, 27-29; Génard ed., ‘Personen’, in aa, ix, 445, en x, 88.
78Het citaat in ara, Handschriftenverzameling, 182, fol. 182vo, en bll, Cotton-Galba, c-iii, fol. 42ro.
79Dauxy aan Margareta van Parma, 18 november 1566, in Van Schelven ed., ‘Verklikkersrapporten’, 242.
80Kroniek G. van Haecht, I, 97.
81Zie de uitvoerige beschrijving van het Avondmaal van 3 november en Kerstmis 1566 in Kroniek G. van Haecht, I, 121-122, en de brieven van Ph. Dauxy aan de landvoogdes, 18 november en 26 december 1566, in Van Schelven ed., ‘Verklikkersrapporten’, 241-243, 290-292.
82Kroniek G. van Haecht, I, 122.
83L. van Ursel aan pensionaris Jan Gillis, 16 november 1566, in Prims ed., Het Wonderjaar, 131; Dauxy aan Margareta van Parma, 18 november 1566, in Van Schelven ed., ‘Verklikkersrapporten’, 242-243.
84Zie voor het belang van rituele handelingen en praktijken Scribner, ‘Ritual and Reformation’, 122-144.
85Mededeling van de lutherse gedeputeerden G. van der Baenderyen en H. van den Broecke, geciteerd in de brief van Ph. Dauxy, 18 november 1566, in Van Schelven ed., ‘Verklikkersrapporten’, 242.
86Van Roosbroeck, Het Wonderjaar, 286. Zie voor de Confessio ministrorum Jesu Christi [Antwerpen, Gilles Coppens van Diest, 1567] Heijting, De catechismi en confessies, 161-166.
87Kroniek G. van Haecht, I, 109.
88Van Roosbroeck, Het Wonderjaar, 352-366; Kroniek G. van Haecht, I, 191 e.v.
89Pont, Geschiedenis van het Lutheranisme, 405-415. Ook in Brussel deden zich in de jaren 1581-1585 identieke tegenstellingen voor. Marnef, ‘Het Protestantisme te Brussel onder de “Calvinistische Republiek”’, 258-260.
90Van Roosbroeck, Het Wonderjaar, 49-53, 103-107, 189-191, 194-195, het citaat op 104.
91Lancelot van Ursel aan Jan Gillis, 1 september 1566, in Prims ed., Het Wonderjaar, 80.
92Cauchie ed., ‘Episodes de l' histoire religieuse’, 57.
93Van Roosbroeck, Het Wonderjaar, 190.
94Van Roosbroeck, Het Wonderjaar, 196-202, 267-276. Zie voor de rol van Doncker Marnef, ‘Een kanunnik in troebele tijden’.
95Marnef, ‘Protestanten in “Noord” en “Zuid”’, 139-146.
96saa, Parochieregisters, 6 en 69. Voor het Wonderjaar telden we de doopsels uit de maanden april 1566 tot en met maart 1567. Als vergelijking gebruikten we de periode april 1561-maart 1565. De terugval dient voor een deel ook verklaard te worden door de materiële ontwrichting van de katholieke Kerk.
97Van Roosbroeck, Het Wonderjaar, 272, n. 3.
98Andere bronnen vermelden dertien- à veertienduizend calvinisten. Een evaluatie van het beschikbare cijfermateriaal bij Andriessen, ‘Het geestelijke en godsdienstige klimaat’, 218.
99Een uitvoerige beschrijving van het gebeuren van midden maart in Van Roosbroeck, Het Wonderjaar, 352-365; Prims, Het Wonderjaar, 318-338.
100Van Roosbroeck, Het Wonderjaar, 366-392; Prims, Het Wonderjaar, 339-366.
prepostterug  begin  verder