
Standbeeld van Alva, opgericht in 1571 op het Spanjaardenkasteel in Antwerpen. Alva vertrappelt een tweekoppig monster, ketterij en rebellie voorstellend. Gravure van Filips Galle. (Antwerpen, Stedelijk Prentenkabinet)
Toen Margareta van Parma er in de loop van de maand maart 1567 in slaagde de opstandige beweging te onderdrukken, deden de Antwerpse wethouders hun best om hun stad op de meest gunstige voorwaarden onder de gehoorzaamheid van de koning te brengen. Met dat doel werd door de gedeputeerden van de stadsmagistraat intens gelobbyd te Brussel, maar de landvoogdes weigerde toegevingen te doen. Concrete en definitieve maatregelen werden echter uitgesteld tot Filips ii de nodige beslissingen zou nemen.1 In een dergelijk klimaat van onzekerheid nam de emigratie vrij massale vormen aan en ook onder de vreemde kooplieden leefde een sterke onrust. Op 11 april, de dag dat Willem van Oranje Antwerpen verliet, namen volgens Godevaert van Haecht bijna vierduizend mensen de vlucht. Dit aantal is wellicht overdreven, maar een telling van oktober 1568 vermeldt dat ‘inden voorgaenden jare van 67 deur 't vertreck van den Prince van Orangien meer dan drieduizend personen de stad verlaten hadden’.2
Op 12 april stemde de Brede Raad in met de voorstellen die de landvoogdes op 7 april had geformuleerd, wat neerkwam op een officiële en bijna algemene onderwerping aan het koninklijke gezag.3 Op 26 april werden op bevel van de landvoogdes zestien vendels Waalse soldaten naar de Scheldestad gebracht. De graaf van Mansfelt stond als kapitein aan het hoofd van deze troepenmacht. Van de acht burgervendels die tijdens het Wonderjaar door Oranje waren gevormd, werden er vier ontbonden terwijl de leiding van de vier resterende werd toevertrouwd aan Antoon van Stralen.4 Twee dagen na de aankomst van de regeringstroepen deed ook Margareta van Parma met haar hofhouding haar intrede. Tot 16 juli 1567 verbleef zij te Antwerpen, waar zij logeerde in de Sint-Michielsabdij, van oudsher het gasthof van vorsten en prinsen. Dat een koninklijk garnizoen
aant.
én de landvoogdes met haar entourage in Antwerpen verbleven, toont wel op heel concrete wijze aan hoe de centrale regeringsmacht haar greep versterkt had op de Antwerpse metropool, die in het verleden steeds naar een zo groot mogelijke vorm van autonomie had gestreefd. De landvoogdes voerde echter een beleid dat rekening hield met de privileges en de economische positie van de stad. Zij was voorstander van een strenge pacificatie-politiek die gepaard ging met een geest van verzoeningsgezindheid.5 Reeds op 12 april drukte de landvoogdes tegenover de koning haar grote bezorgdheid uit over de dreigende ontvolking van Antwerpen ten gevolge van de grootschalige emigratie. Een amnestiemaatregel drong zich daarom op.6 Nu ze zelf de rebellie onderdrukt had, achtte ze de zending van een strafexpeditie onder leiding van de hertog van Alva overbodig. Bovendien speelde bij haar de overweging mee dat Alva in zijn functie van kapitein-generaal de facto over een grote politieke macht zou beschikken, waardoor haar functie van gouverneur-generaal dreigde uitgehold te worden.7
Dat Margareta van Parma bij de uitvoering van haar beslissingen rekening hield met de mening van het stadsbestuur, blijkt duidelijk uit haar voornemen over te gaan tot een algemene ontwapening van de Scheldestad. De magistraat repliceerde in zijn vergaderingen van begin mei dat door een dergelijke maatregel ook de regeringsgetrouwe burgers gestraft werden. Bovendien dreigde onder de vreemde kooplieden een gevoel van onveiligheid te ontstaan. Na veel over en weer praten werd uiteindelijk op 21 juli 1567 door gouverneur Mansfelt en de stadsmagistraat verordend dat diegenen die in maart 1567 hadden deelgenomen aan het oproer op de Meir, hun wapens moesten inleveren. Daarenboven moest iedereen die na juli 1566 in de stad was gekomen en aan de troebelen had deelgenomen, binnen de drie dagen Antwerpen verlaten. Alles in acht genomen hadden de Antwerpse wethouders op die manier een voor hun stad niet al te nadelig compromis bereikt met de landvoogdes en de Raad van State. De ruimte die Margareta van Parma liet voor dialoog, werd door Guy Wells raak getypeerd: ‘Margaret's program of pacification and chastisement was apparently to take place within the old system of privileges and jurisdictions, with all the time-consuming disputes and adjudications which it entailed.’8
Dat de landvoogdes opteerde voor een relatief zachte aanpak blijkt tevens uit haar beslissing het dienstdoende magistraatscollege, dat in mei 1566 was aangesteld, te continueren. Naar verluidt wenste zij de komst van de koning af te wachten, vooraleer over te gaan tot een magistraatsvernieuwing.9 Nochtans was tijdens het Wonderjaar de rechtgelovigheid van Antoon van Stralen, Nicolaas Rockox en Jan Rubbens sterk ter discussie gekomen. In Les moyens pour remedier, een rapport van Géronimo de Curiel uit het najaar 1566, werden van Stralen en Rockox als lutheranen vermeld en Rubbens als calvinist.10 Diegenen die voorstander waren van een harde aanpak,
aant.
stoorden zich vooral aan het feit dat Antoon van Stralen bij de landvoogdes en bij graaf van Mansfelt over een grote invloed beschikte.11 Kardinaal Granvelle meldde op 8 juli 1567 aan de hertog van Alva dat Antoon van Stralen ‘a trouvé moyen de se mettre en crédit, et que tout ce qui se fait à Anvers se passe selon son désir et sa volonté’.12 Vicaris-generaal Morillon laakte scherp de republikeinse allures van de Antwerpse wethouders. Volgens hem had de koning nooit een betere kans gehad om de privileges van de stad af te schaffen en de bepalingen van de Blijde Inkomst naast zich neer te leggen. Morillon verwees zelfs naar de exemplarische bestraffing die Gent in 1540 te beurt was gevallen.13
Ondertussen verheugde Margareta van Parma zich over de aanstaande komst van de koning. Zij hoopte in dat verband op een snelle amnestiemaatregel. Zij zag in de vorstelijke macht duidelijk een bron van genade die de pacificatie van de Nederlanden ten goede zou komen.14 In afwachting dat de beslissingen van Filips ii de bakens van straf en genade zouden uitzetten, wenste Margareta van Parma voor Antwerpen reeds voorlopige maatregelen te nemen. Op verzoek van de landvoogdes had raadsheer Christophe d'Assonleville een gematigd ontwerpedict op papier gezet, dat nadien werd voorgelegd aan de Geheime Raad en de Raad van Brabant. Ook de Antwerpse stadsmagistraat werd om advies gevraagd. Deze laatste wees het ontwerp echter tweemaal af, waarop in de voltallige Raad van State verscheidene beraadslagingen volgden. Op 24 mei werd ten slotte een akkoord bereikt over de definitieve tekst.15 Vier dagen later, op 28 mei 1567, werd het provisionele edict in Antwerpen afgekondigd.16 De bezorgdheid van de landvoogdes om de leiders en de aanstokers van heterodoxie en rebellie te straffen, blijkt uit de strenge straffen die voorzien waren voor predikanten, personen die predikanten gelogeerd hadden, consistorieleden, ouders die hun kinderen ongedoopt lieten, beeldenstormers, ketterse schoolmeesters en drukkers en verkopers van ketterse geschriften. Werden zij bedacht met de doodstraf en confiscatie van hun goederen, dan dienden de rechters tegenover de eenvoudige lieden die zich tot ketterij of revolte hadden laten verleiden, een clementere houding aan te nemen, waarbij de strafmaat evenredig moest zijn met het begane delict. De preventieve controle van vroedvrouwen, onderwijzend personeel, boekdrukkers en -verkopers en vreemdelingen moest in de toekomst de doorsijpeling van protestantse ideeën bemoeilijken. Algemeen genomen hield het edict rekening met de commerciële belangen die in de stad op het spel stonden. Bovendien was het tot stand gekomen in nauw overleg met de centrale, provinciale en plaatselijke bestuurskaders.
Hoewel Filips ii meer dan eens had beklemtoond dat hij in de Nederlanden met de nodige clementie wou optreden, was hij niet te spreken over het in Antwerpen afgekondigde edict, dat buiten zijn weten tot stand was ge-
aant.
komen. In niet mis te verstane bewoordingen liet hij de landvoogdes weten dat hij niet kon begrijpen ‘qui' il y ayt eu conseilliers qui vous aient conseillé et mis en délibération si indécente et en si grande offense de l'honneur de Dieu et de l'auctorité de son esglise’. Hij beval dan ook de onmiddellijke opschorting van de ordonnantie in kwestie en verbood dat nog een particulier of algemeen edict zou worden uitgevaardigd vóór zijn aankomst in de Nederlanden. Ondertussen konden de oude ketterijplakkaten blijven fungeren als richtsnoer voor de bestraffing.17 Filips ii was in zijn negatieve houding ongetwijfeld beïnvloed door een aantal van zijn Spaanse raadsheren. Zo had fray Bernardo de Fresneda, biechtvader van de koning en bisschop van Cuenca, een vernietigende kritiek geschreven op het Antwerpse edict en ook in de Consejo de Estado had hij zijn invloed aangewend.18 In Nederlandse regeringskringen toonde Viglius, de voorzitter van de Raad van State, zich zeer ontstemd omdat de koning naar aanleiding van het provisionele edict de landvoogdes en de raadsheren van State zo openlijk gedesavoueerd had.19 Terwijl de regeringskringen in de Nederlanden in meerderheid voorstander waren van een gematigd beleid, trokken de pleitbezorgers van een hardere aanpak in Spanje aan het langste eind. Conform de wensen van de koning werd op 23 juli 1567 het edict van 24 mei in Antwerpen herroepen.20
Ondertussen bezat de Antwerpse Vierschaar nog steeds het recht om van ketterij of rebellie verdachte personen te bestraffen. In de tijdsspanne van het vertrek van Willem van Oranje tot de aankomst van de hertog van Alva in Brussel (11 april-22 augustus 1567) werden in Antwerpen tien personen veroordeeld. Onder hen bevonden zich zeven personen die deel hadden uitgemaakt van het opstandelingenleger in Oosterweel of Vianen, een beeldenstormer, een man die verboden boeken verkocht had en een vrouw die oproerige liederen had gezongen. Vijf van hen werden opgehangen, tegen vier werd een banvonnis uitgesproken en één persoon werd veroordeeld tot levenslange galeistraf. Alles wijst erop dat het telkens om eenvoudige, bezitloze lieden ging.21
Veel belangrijker was echter de bestraffing van de hoofdschuldigen van het Wonderjaar. Wellicht had Margareta van Parma gewacht tot een akkoord bereikt was over het provisionele edict om opdracht te geven tot een officieel onderzoek. Eind mei 1567 werden Nicolaas Oudart en Peter Asseliers, raadsheren in de Raad van Brabant, aangesteld om een onderzoek naar het gebeuren te Antwerpen in te stellen.22 Reeds eerder waren er commissarissen naar andere steden, zoals Doornik, Valenciennes en 's-Hertogenbosch, gezonden.23 Uit de uitvoerige instructie van Oudart en Asseliers blijkt de grote bezorgdheid van de landvoogdes om de hoofdverantwoordelijken voor de troebelen tijdens het Wonderjaar op te sporen.24 Hoewel beide raadsheren eind mei hun opdracht hadden ontvangen, bevonden zij zich
aant.
pas vanaf eind juni in Antwerpen. Op 23 juli 1567 konden zij de landvoogdes melden dat zij de vereiste informatie hadden ingewonnen.25
Nadat de resultaten van het onderzoek waren voorgelegd aan Margareta van Parma, werd het dossier onderzocht door de raadsheren van de Raad van Brabant, die aan het officie-fiscaal van de Raad de toestemming gaven om 130 personen te arresteren en hun goederen in beslag te nemen. De landvoogdes achtte het echter ‘pour aulchuns bons respectz’ raadzaam de strafuitvoering op te schorten.26 Deze beslissing wordt verklaard door de aankomst van de hertog van Alva in de Nederlanden, waardoor de politieke kaarten in de centrale regeringskringen grondig door elkaar geschud werden. De manier waarop het onderzoek naar de schuldigen van het Wonderjaar werd gevoerd, toont andermaal aan hoe Margareta van Parma rekening hield met de bestaande rechtstradities. De Raad van Brabant was in het verleden immers het geëigende rechtsorgaan geweest dat, al dan niet in samenwerking met de Geheime Raad, ingeschakeld werd wanneer zich troebelen of onregelmatigheden hadden voorgedaan in de stad. Zo was de Raad van Brabant in 1548-1549 betrokken bij het onderzoek naar de corruptie in de stedelijke fortificatiekas en in 1555 bij de bestraffing van het sociale oproer van juli 1554.27
Op 3 augustus 1567 had de hertog van Alva aan het hoofd van tienduizend Spaanse elitesoldaten in Thionville de grens van de Nederlanden overgestoken en op 18 augustus had hij het hertogdom Brabant bereikt. De magistraat van Antwerpen vond het nodig een deputatie naar de hertog te zenden om hem te ‘congratuleren’ met zijn aankomst en hem de stad en haar inwoners aan te bevelen.28 Vier dagen later, op 22 augustus, deed Alva met zijn troepenmacht zijn intrede in Brussel. Reeds op 14 augustus was graaf Alberico de Lodron met twaalf vendels Duitse infanteriesoldaten Antwerpen binnengetrokken. Nog dezelfde dag verlieten de Waalse soldaten, die sedert 26 april te Antwerpen in garnizoen lagen, de stad.29 Op 26 september 1567 werd graaf van Mansfelt ontslagen als gouverneur, waardoor de magistraat zijn belangrijkste steunpunt in de centrale regering verloor.30 Inmiddels was op 9 september Antoon van Stralen gearresteerd en naar het slot van Vilvoorde gevoerd. Ook de graven van Egmont en Hoorn werden diezelfde dag aangehouden. De katholieke auteur van het Antwerpsch Chronykje noteerde naar aanleiding van de arrestatie van Antoon van Stralen ‘dat alle de gemeynte seer verwondert was, want hij seer bemint was’.31 Voor de Antwerpse wethouders was de arrestatie van hun invloedrijke ambtgenoot ongetwijfeld een bijzonder concrete illustratie van de grondig gewijzigde politieke verhoudingen. Op 13 september aanvaardde de koning het ontslag van een teleurgestelde Margareta van Parma en op 30 december 1567 vertrok zij naar Italië, nadat zij eerst de hertog van Alva beëdigd had als gouverneur-generaal van de Nederlanden.32
In 1567 werd Alva als kapitein-generaal met een tijdelijke opdracht naar de Nederlanden gezonden. Hij moest de rebellie en ketterij onderdrukken zodat de koning snel naar de Nederlanden kon afreizen. De IJzeren Hertog hoopte die karwei in zes à negen maanden te klaren.33 Dadelijk na zijn aankomst zette hij de nodige stappen voor de oprichting van een uitzonderingsrechtbank die de schuldigen van de troebelen tijdens het Wonderjaar moest bestraffen. Op 20 september 1567 legden de raadsheren en andere personeelsleden van de Raad van Beroerten de eed af. De nieuwe Raad werd voorgezeten door Alva en telde verder twee ondervoorzitters, zeven raadsheren, een procureur, twee advocaten en een aantal administratieve ambtenaren. Alleen de twee Spaanse raadsheren in de Raad, Juan de Vargas en Luis del Rio, hadden stemrecht, en de definitieve beslissingsmacht berustte bij Alva zelf. De concentratie van de macht in handen van de Spaanse leden van de Raad had ongetwijfeld te maken met Alva's grondige wantrouwen tegenover de inheemse instellingen en bestuurslieden. Op het centrale niveau moesten de Raad van State en de Geheime Raad aan invloed inboeten ten nadele van een handvol Spaanse bureaucraten die in het kielzog van Alva waren meegekomen.34 De gewijzigde verhoudingen binnen het centrale bestuur blijken ook uit de correspondentie die de Antwerpse gedeputeerden vanuit Brussel voerden met de stadsmagistraat. De gedeputeerden benaderden geregeld de raadsheren van de Raad van State en de Raad van Beroerten om de stedelijke belangen te verdedigen, maar de contacten met de landvoogd verliepen stroever en afstandelijker dan voorheen. Hun invloed op het besluitvormingsproces was duidelijk verminderd.35
Bij de organisatie van de repressie kon de hertog van Alva terugvallen op de plaatselijke commissarissen die nog door Margareta van Parma waren aangesteld. Hun opdracht bleef grosso modo dezelfde. De commissarissen moesten voortaan wel aan een sneller tempo werken. Op 22 september 1567 gaf Alva aan Nicolaas Oudart en Peter Asseliers de opdracht om hun onderzoek in Antwerpen af te ronden. Daarbij moesten zij nauwkeurig letten op de houding die de stadsbestuurders hadden aangenomen tijdens de troebelen. Drie dagen later verordenden beide commissarissen de stadsmagistraat om binnen de zes dagen een justificatie van zijn handelwijze over te maken.36 Deze termijn bleek voor de Antwerpse wethouders niet haalbaar. Ondanks de aansporingen van Alva hadden zij bijzonder veel tijd nodig voor de redactie van hun justificatie. Pas op 8 januari 1568 werd de tekst officieel goedgekeurd en bekrachtigd in het magistraatscollege.37 Drie dagen later lichtten de Antwerpse gedeputeerden de uitvoerige justificatie toe aan de landvoogd.38
Alva nam Margareta van Parma's plannen voor de bouw van een citadel of dwangburcht over en bracht ze in een verbazend kort tijdsbestek tot een goed einde. De nieuwe citadel werd extra muros opgetrokken maar wel geïntegreerd in de zuidelijke stadsomwalling. Om de werken zo snel mogelijk te laten verlopen werden talrijke arbeiders van buiten Antwerpen aangetrokken.39 Volgens een anoniem bericht waren zowel ‘de goeden als de slechten’ fel tegen de Spanjaarden gekant. Want iedereen ontving hetzelfde loon en het was te betreuren ‘que une si petite trouppe peult contraindre ung si grand nombre’.40 Het gemor van de Antwerpse burgers had ook te maken met de kostprijs van het ‘Spanjaardenkasteel’ die liefst 801.900 gulden bedroeg. Het prestigieuze stadhuis van Antwerpen, dat in 1561-1565 werd opgetrokken, kostte vijfmaal minder. Op 27 november 1567 keurde de Brede Raad een belasting van 400.000 gulden goed, waarbij hoofdzakelijk de bezittende klasse werd aangesproken. De burgerij betaalde daarmee een bijzonder hoge prijs voor de troebelen van het Wonderjaar.41
Belangrijk voor de toekomst van de stad was de vraag welke houding de hertog van Alva zou aannemen tegenover het Antwerpse bestuursapparaat, dat in het verleden steeds gestreefd had naar een zo groot mogelijke vorm van autonomie. Margareta van Parma was in 1567 immers niet overgegaan tot een magistraatsvernieuwing, zodat de wethouders die tijdens het Wonderjaar de dienst hadden uitgemaakt, nog steeds op het kussen zaten. Ondertussen liet de Spaanse augustijner monnik Lorenzo de Villavicencio niet na om de koning in uitvoerige rapporten te wijzen op de noodzaak van een zuivering van de stedelijke bestuurskaders. Hij had daarbij niet alleen de stadsmagistraat op het oog, maar ook de lagere stadsambten, de schuttersgilden en de ambachten.42 Ook kanunnik François Doncker stuurde berichten van een gelijke teneur naar Spanje.43 Alva drukte de Antwerpse wethouders naar aanleiding van de magistraatsvernieuwing van 1568 op het hart alleen zeer bekwame kandidaten voor te stellen: ‘et qui soyent aussi zeleux et affectionnez au service de dieu, du Roy [...] et mesmes bons catholicques nullement infectez ny suspectez daucunes erreurs et heresyes contre nostre ancienne vraye foy catholicque’.44 Onder de op 30 mei 1568 geïnstalleerde schepenen kwamen zes debutanten voor.45 Dat Antoon van Stralen, Nicolaas Rockox en Jan Rubbens niet herkozen werden, wekt weinig verwondering, en verder werden geen ingrijpende wijzigingen doorgevoerd in de samenstelling van de stadsmagistraat. Onder diegenen die advies verleend hadden bij de magistraatsvernieuwing, was vooral kanunnik François Doncker succesvol. Zestien van de negentien door hem aanbevolen kandidaten werden benoemd.46 Dit wijst erop dat Doncker, die zich sedert het Wonderjaar had opgeworpen als een vaandeldrager van de katholieke weerbaarheid, bij de landvoogd en zijn entourage over een niet geringe invloed beschikte. Een belangrijke vernieuwing lag tevens in het feit dat de
schepenen van de subalterne banken, de wijkmeesters en de dekens van de ambachten in juni 1568 eveneens door de landvoogd werden aangesteld, terwijl voordien een systeem van interne keuze en coöptatie gold.47
Na 1568 volgden er onder de landvoogdij van Alva en Requesens nog drie magistraatsvernieuwingen, i.c. in 1569, 1571 en 1575.48 Dit impliceert dat het magistraatscollege van 1569 met een jaar verlengd werd en dat van 1571 zelfs met drie jaar. Dat binnen het bestek van acht jaar de magistraat viermaal gecontinueerd werd, was een nieuwigheid, want vóór het Wonderjaar kwam een continuatio slechts voor in 1502 en 1512. Een verklaring voor de geregelde continuaties werd door de centrale overheid niet expliciet gegeven. In ieder geval hadden zij tot gevolg dat de dienende magistraatsleden langer op het kussen bleven zitten. De functies van burgemeester en schepen werden in de periode 1568-1575 uitgeoefend door 39 personen. In elk van de vier aangestelde magistraatscolleges waren er gemiddeld 4,5 debutanten, wat in vergelijking met de jaren voordien wijst op een aanzienlijk sterker vernieuwingsproces.49 Daar staat tegenover dat de benoemde wethouders door de continuaties langer in dienst bleven. Van een grootschalig zuiveringsproces was geenszins sprake, aangezien slechts drie van de negentien burgemeesters en schepenen die tijdens het Wonderjaar dienden, van het politieke toneel verdwenen. Antoon van Stralen werd op 24 september 1568 in het slot van Vilvoorde onthoofd en Jan Rubbens werd in 1570 door de Raad van Beroerten verbannen. Ook Jan van Halen zetelde na 1567 niet meer in de magistraat, maar er zijn geen aanwijzigingen dat dit om politieke redenen gebeurde. Ook in sociaal opzicht deden zich weinig wijzigingen voor. Onder de 39 personen die in 1568-1575 aangesteld werden, bevonden zich negen ridders, tien jonkers, dertien universitair gevormden, drie kooplieden en vier niet nader gedefinieerden. De oude schepengeslachten bleven nadrukkelijk aanwezig en legden net als voorheen beslag op de meeste topfuncties in de magistraat. Wel wijst alles erop dat de aangestelde magistraatsleden voortaan strenger gecontroleerd werden door de centrale overheid en dat de landvoogd en zijn Spaanse raadgevers het keuzeproces van de wethouders volledig domineerden. Ten slotte moet worden opgemerkt dat in het milieu van de hogere stadsfunctionarissen - de pensionarissen, secretarissen en griffiers - een grote continuïteit bewaard bleef. Alleen pensionaris Jacob van Wesenbeke, die sedert 1546 in stadsdienst was, verdween ten gevolge van zijn optreden tijdens het Wonderjaar van het toneel. In zijn ballingschap werd hij een nauwe medewerker van Willem van Oranje.50
Na 1567 gebeurden er geen grote zuiveringen in de stadsmagistraat, maar de hertog van Alva zorgde wel voor een aantal institutionele ingrepen die de macht van de plaatselijke wethouders ernstig aantastten. Ten eerste werd een gouverneur benoemd die niet alleen als militair hoofd fungeerde, maar
aant.
ook een verregaande rechterlijke en bestuurlijke macht bezat. In maart 1571 schoof Alva Frederik Perrenot, heer van Champagney, naar voren voor deze functie. Deze jongere broer van Granvelle was volgens Alva een zeer deugdzaam man die in Antwerpen uitstekende diensten kon bewijzen, vooral op het terrein van de justitie en de religie.51 Zijn benoemingsbrief vermeldde expliciet dat hij ook was aangesteld ‘pour tant mieulx maintenir et conserver en ceste nostre ville danvers la vraye religion catholicque, et en expulser les sectaires et hereticques à la plus grande asseurance des bon et terreur des mauvais’.52 Perrenot was een overtuigd katholiek met een sterke pastorale bekommernis, maar tegelijk anti-Spaansgezind. Zo was hij een tegenstander van de Raad van Beroerten en van Alva's tiende en twintigste penning en bepleitte hij het vertrek van de Spaanse troepen. In feite behoorde hij tot de middengroep die via een politiek van gematigdheid het vertrouwen tussen de vorst en de Nederlandse onderdanen hoopte te herstellen. Hoewel Perrenot geen Brabander was en volgens de bepalingen van de Blijde Inkomst geen officiële functie kon uitoefenen in het hertogdom, blijkt hij in Antwerpen toch een zeker vertrouwen genoten te hebben.53
De aanstelling van een gouverneur was slechts een onderdeel van een meer algemene institutionele hervorming, die in 1571 te Antwerpen leidde tot de oprichting van een nieuwe Rekenkamer en een Raad van Justitie. Met de oprichting van een nieuwe stedelijke Rekenkamer wou Alva reageren tegen een situatie die sedert meer dan tien jaar gegroeid was. Na het vertrek van landvoogdes Maria van Hongarije (1556) had de centrale regering haar greep verloren op de stadsfinanciën, die bijna autonoom beheerd werden door de stedelijke oligarchie. De weinig rooskleurige financiële toestand leidde bovendien tot corrupte praktijken onder tresoriers en rentmeesters, die er niet voor terugschrokken zich ten koste van de stadskas persoonlijk te verrijken. In 1563 institutionaliseerde de oprichting van een stedelijke Rekenkamer, die onder leiding stond van de buitenburgemeester, het autonome financiële beleid van de stad.54 De door Alva opgerichte stedelijke Rekenkamer bestond uit twee superintendenten, vier rekenmeesters en een aantal administratieve functionarissen. Peter Butkens, die het onderzoek naar de stedelijke financiën had geleid, werd aangesteld tot superintendent, samen met de buitenburgemeester, Hendrik van Berchem. De rekenmeesters waren overwegend juridisch geschoolde lieden die gerekruteerd werden uit het milieu van de Antwerpse wethouders. De nieuwe gouverneur, Frederik Perrenot, kreeg de hoogste leiding over de Rekenkamer in handen. Een uitvoerig reglement omschreef de werking van de Rekenkamer. Een precieze functieafbakening moest niet alleen een rationele werking waarborgen, maar ook fraude voorkomen.55
Alva wou ook het rechterlijke apparaat aan een reorganisatie onderwerpen, wat resulteerde in het reglement van 16 juli 1571. Omdat de ervaring
had aangetoond dat de burgemeesters en schepenen het groot aantal processen niet alleen konden verwerken, werd een Raad van Justitie opgericht die bevoegd was voor alle criminele zaken en voor alle civiele zaken die de tweehonderd gulden overschreden. De Raad werd voorgezeten door de gouverneur en bestond verder uit twee raadsheren uit de Raad van Brabant, de dienstdoende buitenburgemeester en een schepen die jaarlijks door de gouverneur zou worden gekozen. De centrale plaats die de gouverneur innam in het bestuurlijk raderwerk van de stad, blijkt ook uit het feit dat hij toegang had tot het magistraatscollege, dat hij te allen tijde kon convoceren. De schout of markgraaf en de amman behielden hun oude bevoegdheid, maar de facto waren zij wel ondergeschikt aan de gouverneur.56 De nieuwe Raad van Justitie betekende een grondige herschikking van het Antwerpse rechtswezen. In het verleden was het immers een fundamenteel beginsel geweest dat poorters van Antwerpen alleen voor de eigen schepenen gedaagd konden worden. Bovendien verloor de magistraat door deze ingreep het vermogen om een zelfstandig beleid inzake rechtspraak uit te stippelen. In een rekwest aan Alva betoogden de Antwerpse wethouders dan ook dat ze voortaan nog minder macht zouden hebben dan de schepenen van het kleinste dorp, maar de landvoogd hield voet bij stuk.57
Een krachtdadig verzet tegen Alva's institutionele hervormingen kwam er pas tijdens de landvoogdij van Luis de Requesens (1573-1576). In het voorjaar van 1574 zetten de Antwerpse wethouders zich in om het herstel van de oude bestuurstoestand te bekomen. Dit streven viel samen met de acties van de Staten van Brabant om het herstel van de oude privileges te bewerkstelligen.58 De Staten van Brabant weigerden hun aandeel in de bede te betalen als de oude rechtstoestand niet hersteld werd, en de Brede Raad maakte zijn goedkeuring van de gedwongen lening van 400.000 gulden afhankelijk van de afschaffing van de Raad van Justitie en de Antwerpse Rekenkamer.59 Het streven van de Antwerpse stadsbestuurders werd pas na een jaar van intense lobbying met succes bekroond. Bij de magistraatsvernieuwing van 16 januari 1575 werden de wethouders in hun oude bevoegdheden hersteld en werden de Raad van Justitie en de Antwerpse Rekenkamer afgeschaft. De gouverneur mocht zich voortaan niet meer inlaten met de rechtspraak; zijn macht werd beperkt tot die van militair hoofd.60
Terloops moet wel worden gewezen op het moderne karakter van de door Alva in het leven geroepen instellingen. Alva wenste met de Raad van Justitie tot een efficiëntere rechtspraak te komen. Thierry Masure noemde de Rekenkamer ‘het modernste financiële bestuursapparaat dat de stad Antwerpen in de zestiende eeuw heeft gekend, niet gehinderd door particuliere en persoonlijke belangen en ingericht volgens rationele normen’.61 De bestuurshervormingen botsten echter op de op autonomie beluste en
particularistisch ingestelde Antwerpse stadsbestuurders. De maatregelen van Alva pasten inderdaad in een bewust doorgevoerde centralisatiepolitiek. In dat verband is het bijzonder significant dat in de Raad van Justitie en de Rekenkamer een belangrijke plaats werd ingenomen door respectievelijk Nicolaas Oudart en Peter Butkens, twee figuren die nauw betrokken waren bij het onderzoek dat na het Wonderjaar tegen de stad was ingesteld. De gouverneur, Frederik Perrenot, die beide instellingen superviseerde, werd uiteraard beschouwd als waakhond van het centrale gezag.
De grotere greep van de centrale regering op de stedelijke bestuurskaders bleef niet zonder gevolgen voor de organisatie van de repressie. Formeel gezien bleven de Antwerpse stadsbestuurders bevoegd voor de bestrijding van het protestantisme. De schout en de onderschout waren belast met de opsporing en de arrestatie van lieden die de ketterijplakkaten overtraden. De schout formuleerde vervolgens de aanklacht, terwijl de in de Vierschaar verzamelde schepenen zorgden voor de afwikkeling van het proces en het vonnis uitspraken. De schout zorgde ten slotte voor de voltrekking van het vonnis.62 De ketterijplakkaten uit 1550 bleven fungeren als wettelijk kader voor de rechtspraak van de schepenen. Toen de verdedigers van de doopsgezinde Peryne de Corte in 1573 aan de schout vroegen op welke plakkaten hij zich steunde ‘mits de menichfuldicheyt vande placcaeten opt feyt van heresie gemaeckt, verwees hij naar de placcaten byde Keyserlycke Majesteyt gegeven inde Ryckstadt van Ausborch de data den 25 Septembris xvcl’, die op 20 augustus 1557 door Filips ii geconfirmeerd waren.63 Hoewel de plakkaten van Karel v vooral openlijke en feitelijk vaststelbare uitingen van ketterij op het oog hadden, is het niet duidelijk in welke mate de Antwerpse wethouders ook het aanhangen van het protestantse geloof op zich hebben bestraft. Luis de Requesens klaagde er in 1574 over dat in Antwerpen zeer velen voor ketters werden gehouden, maar dat men hen niet kon straffen omdat ze de plakkaten niet publiekelijk overtraden.64 Bij het onderzoek tegen de gevangengenomen protestanten deed de Vierschaar - en later de Raad van Justitie - geregeld een beroep op clerici. Voor zover we dit uit de bronnen kunnen afleiden gebeurde dat vooral om de gevangenen door middel van overreding terug te brengen tot de katholieke Kerk. Lukte het, dan konden berouwvolle lieden vermindering van strafmaat - bijvoorbeeld onthoofding in plaats van de brandstapel - of gratie bekomen. De verlening van gratie aan ketters was in de jaren 1568-1576 een zaak van de Raad van Beroerten, die na advies van plaatselijke religieuzen een beslissing nam.65 In de martelaarsboeken van t.j. van Braght en A. van Haemstede vinden we geregeld verwijzingen naar vinnige discussies die gevangengenomen doopsgezinden en calvinisten voerden met katholieke clerici, onder wie jezuïeten en minderbroeders. Vooral kanunnik Silvester Pardo werd door een aantal
aant.
gevangenen getypeerd als een hardnekkig ‘kettermeester’.66 Vanaf midden 1570 werden ook gezanten van de bisschop ingeschakeld. De precieze rol die het in dat jaar opgerichte officialiteit vervulde bij de bestraffing van ketterij, kunnen we bij gebrek aan bronnen niet meer achterhalen.67
Naast de Antwerpse rechtsinstanties functioneerde de Raad van Beroerten, die in september 1567 was opgericht met het oog op de bestraffing van de schuldigen van het Wonderjaar. Op 29 maart 1568 verbood Alva de stadsmagistraat om zich in te laten met processen tegen diegenen ‘qui sont chargez et coulpables des troubles, rebellions et desordres passez’.68 De leden van de in Brussel gevestigde Raad van Beroerten gingen bij hun deliberaties uit van de rapporten die ingediend waren door de plaatselijke onderzoekscommissarissen, voor Antwerpen Nicolaas Oudart en Peter Asseliers. Omdat vele protestanten en opstandelingen de tijd hadden gehad om het land te verlaten, werden de schuldigen in de meeste gevallen bij verstek veroordeeld. De Raad stelde lijsten met dagvaardingen op waarmee de verdachten ter verantwoording werden geroepen. Deze lijsten werden naar de plaats van herkomst van de verdachten gezonden, waar de lokale overheden de betrokken personen driemaal na elkaar - met een interval van telkens een week - openbaar proclameerden. Gaven de gedagvaarden hieraan geen gehoor, dan besloot de Raad van Beroerten tot eeuwige verbanning en confiscatie van goederen.69
Hoewel de Raad van Beroerten zijn activiteiten concentreerde op de hoofdschuldigen van het Wonderjaar en de permanente rechtsinstanties bevoegd bleven voor ‘gewone’ gevallen van ketterij en rebellie, waakte de door Alva ingestelde uitzonderingsrechtbank met een kritisch oog over het vervolgingsbeleid van de lokale schepenbanken. Vooral tijdens de landvoogdij van Alva werden de Antwerpse wethouders geconfronteerd met de superviserende rol van de Raad van Beroerten. De gevallen waarin de landvoogd of de Raad informeerden naar de stand van zaken van bepaalde processen, verzochten om bepaalde processtukken naar Brussel te sturen of aanspoorden tot het voltrekken van vonnissen, waren dan ook legio.70 Met de in juli 1571 opgerichte Raad van Justitie verloren de Antwerpse schepenen het exclusieve recht om in hun stad gearresteerde ketters te berechten, en bijgevolg ook de mogelijkheid om een autonoom beleid te voeren. Met de buitenburgemeester en een schepen waren de Antwerpenaars zelfs in de minderheid in de Raad van Justitie, aangezien de twee raadsheren uit de Raad van Brabant, Nicolaas Oudart en Cornelis Boonen, en gouverneur Frederik Perrenot, die aan het hoofd stond van de Raad, geen Antwerpenaars waren. Bovendien waren de schout en zijn gerechtsdienaars ondergeschikt aan het gezag van de gouverneur. Er zijn zelfs aanwijzingen dat Frederik Perrenot er niet voor terugdeinsde om de twee Antwerpenaars in de Raad buitenspel te zetten. In oktober 1571 besloot hij twee zaken af te
aant.
handelen met de hulp van de raadsheren Oudart en Boonen, ‘sans emploier nul du collège, ny des officiers [...] commil me semble estre necessaire, pour eviter tout scrupule, et mieulx garder le secret’.71 Hiermee waren de wethouders mijlenver verwijderd van de situatie in de eerste helft van de jaren zestig. In januari 1575 werd de Raad van Justitie evenwel afgeschaft en in juni 1576 volgde de officiële afschaffing van de Raad van Beroerten, die tijdens de landvoogdij van Luis de Requesens nog maar weinig activiteiten had ontplooid.72
Nauw verbonden met de bestraffing van ketterse of opstandige lieden waren de confiscatie en het beheer van hun goederen. Omdat vanaf begin 1568 binnen een kort tijdsbestek verscheidene honderden personen door de Raad van Beroerten werden veroordeeld voor hun aandeel in de troebelen, diende de Raad een netwerk van gewestelijke ontvangers in het leven te roepen, belast met het beheer van de geconfisqueerde goederen.73 Op 3 februari 1568 werd Guillaume le Saige benoemd tot ontvanger voor Antwerpen en Lier en voor de kwartieren die onder beide steden ressorteerden.74 Le Saige liet de in beslag genomen roerende goederen inventariseren door een gezworen oudkleerkoper, die zo nodig ook zorgde voor de openbare verkoop van de betrokken bezittingen.75 Omslachtiger was het beheer van de onroerende goederen. De ontvanger verhuurde de geconfisqueerde huizen en gronden en zorgde voor de inning of uitbetaling van de talrijke renten.
In welke mate de landvoogden en hun entourage - en op indirecte wijze de stedelijke overheden - bij de uitvoering van hun vervolgingsbeleid invloed ondergingen van de adviezen die Spaanse inquisiteurs vanuit Spanje formuleerden, is moeilijk te achterhalen. In ieder geval werd Diego de Espinosa, inquisiteur-generaal en voorzitter van de Raad van Castilië, door Cristóbal de Castellanos vanuit Brussel en Antwerpen op de hoogte gehouden van de religieuze en politieke ontwikkelingen.76 Gaspar de Quiroga, bisschop van Cuenca en inquisiteur-generaal, was alleszins voorstander van een harde aanpak.77
Tabel 7.1 toont de concrete resultaten van de repressie in de periode 1567-1577, terwijl grafiek 7.1 het aandeel van de diverse rechtsinstanties visueel voorstelt. Alvorens over te gaan tot een nadere analyse geven we eerst enkele cijfers. In de periode van april 1567 tot het voorjaar van 1577 werden in Antwerpen 808 protestanten en opstandelingen vervolgd. Onder hen bevonden zich 370 calvinisten, 228 doopsgezinden, 17 lutheranen, 128 rebellen (onder wie 17 van beeldenstormerij beschuldigde personen) en 65 anderen. In deze laatste groep brachten we personen onder die ketters onderwijs hadden verstrekt, verboden boeken hadden gedrukt of verspreid of op een andere manier de ketterijplakkaten hadden overtreden.78 Hun precieze protestantse gezindte konden we echter niet achterhalen, zodat we ze
| jaar | calvi- nisten |
doops- gezinden |
luthe- ranen |
|||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| ex. | ban | and. | tot. | ex. | ban | and. | tot. | ex. | ban | and. | tot. | |||||||||
| 1567 | 2 | 1 | 3 | 4 | 9 | 13 | ||||||||||||||
| 1568 | 5 | 164 | 14 | 183 | 3 | 8 | 1 | 12 | 10 | 10 | ||||||||||
| 1569 | 5 | 35 | 1 | 41 | 20 | 25 | 1 | 46 | 2 | 1 | 3 | |||||||||
| 1570 | 2 | 16 | 9 | 27 | 6 | 30 | 2 | 38 | 1 | 3 | 4 | |||||||||
| 1571 | 7 | 75 | 82 | 10 | 22 | 32 | ||||||||||||||
| 1572 | 1 | 9 | 1 | 11 | ||||||||||||||||
| 1573 | 2 | 2 | 38 | 1 | 39 | |||||||||||||||
| 1574 | 2 | 2 | 4 | 23 | 23 | |||||||||||||||
| 1575 | 3 | 4 | 7 | 8 | 1 | 9 | ||||||||||||||
| 1576 | 10 | 10 | 2 | 5 | 7 | |||||||||||||||
| 1577 | 6 | 3 | 9 | |||||||||||||||||
| tot. | 22 | 316 | 32 | 370 | 97 | 122 | 9 | 228 | 13 | 4 | 17 |
| jaar | rebellena | anderen | totaal | |||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| ex. | ban | and. | tot. | ex. | ban | and. | tot. | |||||||||||||||
| 1567 | 12 | 6 | 3 | 21 | 2 | 2 | 4 | 41 | ||||||||||||||
| 1568 | 5 | 2 | 4 | 11 | 23 | 3 | 26 | 242 | ||||||||||||||
| 1569 | 5 | 6 | 3 | 14 | 7 | 5 | 12 | 116 | ||||||||||||||
| 1570 | 1 | 1 | 4 | 6 | 1 | 8 | 9 | 84 | ||||||||||||||
| 1571 | 2 | 2 | 2 | 2 | 118 | |||||||||||||||||
| 1572 | 4 | 4 | 1 | 1 | 2 | 17 | ||||||||||||||||
| 1573 | 2 | 5 | 7 | 48 | ||||||||||||||||||
| 1574 | 5 | 2 | 2 | 9 | 2 | 2 | 38 | |||||||||||||||
| 1575 | 10 | 24 | 19 | 53 | 3 | 4 | 7 | 76 | ||||||||||||||
| 1576 | 1 | 1 | 1 | 1 | 19 | |||||||||||||||||
| 1577 | 9 | |||||||||||||||||||||
| tot. | 40 | 43 | 45 | 128 | 40 | 25 | 65 | 808 | ||||||||||||||
| Bron: Prosopografie. | ||||||||||||||||||||||
| Noot: De resultaten van de vervolging (executie, verbanning of ander resultaat) werden eveneens weergegeven. |

Grafiek 7.1: Vervolging van protestanten en rebellen, 1567-1577. Aandeel van diverse rechtsinstanties Bron: Prosopografie.
niet konden rangschikken bij de calvinisten, doopsgezinden of lutheranen. Onder deze 65 waren er onder meer negentien schoolmeesters of schoolmeesteressen en negen boekdrukkers of boekverkopers. Zes personen hadden verboden geschriften verkocht of verspreid zonder dat ze professionele boekverkopers waren, en twee personen werden veroordeeld wegens het bezit van ketterse lectuur. Verder treffen we zeven lieden aan die zonder toediening van de laatste sacramenten waren gestorven79 en tien gevallen van niet nader gedefinieerde ‘ketterij’.
Bekijken we de verdeling over de vervolgende rechtsinstanties (zie ook grafiek 7.1), dan merken we dat 265 gevallen behandeld werden door de Antwerpse Vierschaar, 158 door de Raad van Justitie, 296 door de Raad van Beroerten en 89 door andere instanties. Bij de verdeling over de diverse groepen gingen we uit van de instantie die het eindvonnis formuleerde. Wel werden zeven personen tot de Raad van Beroerten gerekend die door de schout in Antwerpen terechtgesteld werden nadat zij reeds eerder door de Raad verbannen waren. Een banvonnis van de Raad van Beroerten dat de doodstraf bij verstek en confiscatie van goederen impliceerde, liet de schout toe om zonder formele tussenkomst van de Vierschaar over te gaan tot executie. Tot de 89 gevallen die door andere rechtsinstanties werden afgehandeld, rekenden we dertien personen die in Antwerpen gearresteerd werden maar door de schout naar Brussel werden overgebracht, tien personen die waren overleden zonder toediening van de laatste sacramenten, en een aantal gevallen waarvan we niet met zekerheid konden uitmaken of de rechtspraak in handen was van de Antwerpse of de centrale overheid. Dit geldt
aant.
in de eerste plaats voor de vervolging van de 53 rebellen die betrokken waren bij de poging om Antwerpen eind 1574 in handen van Willem van Oranje te spelen. Landvoogd Luis de Requesens blijkt zich persoonlijk met hun berechting te hebben ingelaten, terwijl de Raad van Beroerten advies verleende en ook de gouverneur van Antwerpen nauw bij de zaak betrokken was. Gaan we de verdeling volgens de toegepaste strafmaat na, dan blijkt dat 159 personen terechtgesteld en 534 verbannen werden. In 115 gevallen eindigde de rechtspleging op een ander resultaat. Hierbij tellen we personen die veroordeeld werden tot openbare boetedoening of tot een galeistraf, en lieden van wie de goederen in beslag genomen werden maar tegen wie geen banvonnis werd uitgesproken. Tot deze categorie rekenen we ook diegenen die overleden in de stedelijke gevangenis vooraleer het eindvonnis werd uitgesproken, personen die tijdens het proces gratie kregen of vrijgesproken werden, en gevangenen die door de schout naar Brussel werden gebracht voor verdere rechtspleging.
In chronologisch opzicht kende de repressie vooral pieken in 1568, 1569 en 1571 met respectievelijk 242, 116 en 118 vervolgde personen. In 1567 werden na het Wonderjaar 41 personen vervolgd. Zij verschenen allen voor de Antwerpse Vierschaar. Dit veranderde drastisch in 1568, toen de Raad van Beroerten het leeuwendeel van de rechtspleging voor zijn rekening nam met 198 vervolgde personen op een totaal van 242. Vooral de talrijke banvonnissen die de Raad uitsprak tegen de schuldigen van het Wonderjaar, zorgden voor een absolute piek in de repressie. In 1569, 1570 en 1571 liep het aandeel van de Raad van Beroerten gevoelig terug met respectievelijk 52, 20 en 26 gevallen. In totaal vonniste de Raad in de periode 1568-1571 296 personen: 236 calvinisten, 14 lutheranen, 13 rebellen en 33 anderen, onder wie 18 onderwijskrachten. Het bijzonder sterke aandeel (80 percent) van de calvinisten hoeft niet te verbazen wanneer men weet dat zij in grote mate verantwoordelijk waren voor de troebelen tijdens het Wonderjaar. Vooral in 1568 en 1569 gaf de werking van de Raad van Beroerten aanleiding tot een internationale geruchtenstroom. In de briefwisseling van protestantse vorsten en kerkleiders vormden de onderdrukking door Alva en het meedogenloze optreden van de inquisitie geregeld terugkerende thema's. Een Italiaans avviso meldde: ‘L'inquisitione procede molto rigorosamente, nè s' ha rispetto ad alcuno.’80
De vonnissen van de Raad van Beroerten kan men typeren als rechtspraak bij verstek, aangezien het merendeel van de vervolgden tijdig het land had verlaten, maar de Antwerpse gezagsdragers zorgden daarentegen voor de bestraffing van diegenen die zich ná het Wonderjaar schuldig maakten aan feiten van ketterij. Zowel de calvinisten als de doopsgezinden hadden zich immers in ondergrondse gemeenten georganiseerd. De Antwerpse Vierschaar vervolgde in de periode 1568-1571 25 calvinisten en 124 doops-
aant.
gezinden, terwijl de Raad van Justitie van juli 1571 tot en met december 1574 73 calvinisten en 64 doopsgezinden berechtte. Treffend is dat, net zoals vóór het Wonderjaar, verhoudingsgewijze aanzienlijk meer doopsgezinden dan calvinisten terechtgesteld werden. In de jaren 1568-1574 werden 77 doopsgezinden ter dood gebracht tegenover 22 calvinisten. De calvinisten werden vooral getroffen door banvonnissen.81 De onderdrukking van het anabaptisme bleef een zo goed als exclusief Antwerpse aangelegenheid. Het jaar 1572 bracht een relatieve rust in de repressie met slechts zeventien vervolgingen en één terechtstelling, maar het daaropvolgende jaar kregen wel 38 doopsgezinden de doodstraf. Allen waren zij in januari 1573 door de schout gevangengenomen bij een verrassingsactie tegen een geheime predikatie (zie hoofdstuk 9). Het jaar 1575 stond vooral in het teken van de vervolging van de rebellen die in december 1574 deelgenomen hadden aan een poging om Antwerpen in handen te spelen van Willem van Oranje en zijn aanhangers. In totaal werden in 1575 53 opstandelingen vervolgd, van wie er tien geëxecuteerd en 24 verbannen werden.
De politieke ontwikkelingen die zich in 1576 en 1577 in de Nederlanden voordeden, hadden verregaande consequenties voor het vervolgingsbeleid van de stedelijke overheid in Antwerpen. Onderhandelingen tussen vertegenwoordigers van het opstandige Holland en Zeeland en afgevaardigden van de koningsgetrouwe gewesten liepen uit op de Pacificatie van Gent, die op 8 november 1576 plechtig ondertekend werd. Artikel vijf van de Pacificatie bepaalde dat ‘alle placcaeten, hiervoertijts gemaect ende gepubliceert op stuck van heresie [...] ende executie van dien gesuspendeert wordden, totdat by de Generaele Staeten anders daerop geordineert zy, wel verstaende datter egheen scandael en gebuere’.82 De Pacificatie belette niet dat in Antwerpen op 4 en 18 januari 1577 telkens drie doopsgezinden door de Vierschaar ter dood werden veroordeeld.83 Het waren de laatsten van een lange reeks. Op 1 oktober 1577 vernemen we nog iets over een gevangengenomen doopsgezinde. Op die dag verzocht Lucie Pruynis aan de magistraat om haar vrijlating op basis van artikel vijf van de Pacificatie van Gent.84
Tijdens het Wonderjaar heerste er in de katholieke gemeenschap te Antwerpen een klimaat van angst en terughoudendheid. Bovendien had de Beeldenstorm zware materiële schade toegebracht aan kerken en kloosters. Dat er na de nederlaag van de rebellen en de vlucht van vele protestanten een katholieke herstelbeweging zou volgen, lag voor de hand, maar het was even voorspelbaar dat het heropbouwwerk in moeilijke omstandigheden
aant.
zou verlopen. Vicaris-generaal Morillon merkte een maand na het vertrek van Oranje op dat de Onze-Lieve-Vrouwekerk er gehavend bij lag. Alle altaren en schilderijen waren vernield. De kloosters waren er nog erger aan toe. De ambachten begonnen met de herinrichting van hun altaren en gevluchte priesters en monniken keerden terug naar de stad.85 Op 19 mei 1567 herwijdde Maximiliaan van Bergen, aartsbisschop van Kamerijk, de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de daaropvolgende dagen zette de hulpbisschop, Maarten de Cuyper, zijn werk verder in de andere kerken.86 In juni 1567 werd de Antwerpse seculiere clerus op verzoek van Margareta van Parma door vertegenwoordigers van de aartsbisschop van Kamerijk gevisiteerd, waarbij de bepalingen van het Concilie van Trente werden opgelegd. De kanunniken van de Onze-Lieve-Vrouwekerk weigerden twee gezanten van de aartsbisschop te ontvangen, omdat zij naar hun zeggen sinds de nieuwe bisdommenindeling niet meer onder de jurisdictie van Kamerijk vielen. Zij moesten echter zwichten voor de zware druk van de landvoogdes.87 Op 27 juni 1567 werd het kapittel gevisiteerd door de aartsbisschop van Kamerijk, die zich daarbij liet assisteren door François Richardot, bisschop van Atrecht, en Laurentius Metsius, deken van het Brusselse Sint-Goedelekapittel.88
De hertog van Alva heeft tijdens zijn regeringsperiode in de Nederlanden zijn best gedaan om het religieuze leven naar Tridentijns model vorm te geven. Veel verwachtte hij in dat opzicht van een goedgevormde clerus.89 Hij besefte ten volle dat hij in Antwerpen voor een bijzonder moeilijke taak geplaatst was. In een brief aan de koning typeerde hij de stad als ‘una Babilonia, confusión y receptáculo de todas sectas indiferentemente’ en als ‘la villa más frecuentada de gente perniciosa’.90 De in Madrid verblijvende Philippe Dauxy beweerde in een aan Alva opgedragen Oración muy Cristiana dat in Antwerpen de huizen van plezier meer in trek waren dan de kerken. Het Woord Gods werd er slechts matig beluisterd en dan nog meer uit noodzaak dan uit devotie. Voor het herstel van Kerk en justitie en voor de vernietiging van de ketterij rekende hij ten zeerste op de Spaanse landvoogd.91 Predikanten lieten ondertussen niet na in Antwerpen van leer te trekken tegen de ketterse denkbeelden. Zo stelde een minderbroeder in een beeldrijke taal ‘dat er vier quaey stoelen op der eerden syn, te weten: den stoel van quaey justicie, quaey opinie en den stoel van Lutherys en Calvinis, daer alle ketterye uytgesproten is, welcke navolgers men behoort te verbranden en uyt te roeyen’.92 Op 15 juli 1568 herwijdde Maarten de Cuyper het Onze-Lieve-Vrouwekerkhof. De vijf grote houten kruisen die bij die gelegenheid aangebracht werden, moesten aan de buitenwereld de triomf van de rooms-katholieke Kerk duidelijk maken.93
Bij Alva's aankomst in de Nederlanden moesten zes van de achttien in 1559 opgerichte bisdommen het nog steeds zonder bisschop stellen, waar-
onder ook Antwerpen.94 Deze stad bleef voorlopig ressorteren onder het gezag van een vicaris-generaal van het aartsbisdom Kamerijk.95 Volgens Alva was er echter geen enkele stad in de Lage Landen die een bisschop zozeer nodig had als Antwerpen.96 Hoewel Filips ii Maarten Rithovius, bisschop van Ieper, Laurentius Metsius en Gislenus de Vroede, pastoor van de Kapellekerk in Brussel, als kandidaten naar voren had geschoven, kon Alva de koning ervan overtuigen dat Franciscus Sonnius, bisschop van 's-Hertogenbosch, de meest geschikte figuur was om het bisdom Antwerpen te besturen. Sonnius aanvaardde de moeilijke taak en op 13 maart 1570 werd zijn benoeming door de paus bekrachtigd. Een goede maand later, op 23 april, deelde Alva aan de magistraat en het kapittel Sonnius' benoeming mee.97 Op 1 mei deed Sonnius zijn intrede in Antwerpen. Aan de stadsmuren werd hij verwelkomd door de wethouders, de clerus, de hertog van Alva en vele edelen. Vervolgens werd hij plechtig geïnstalleerd in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal.98 Met Sonnius kreeg Antwerpen een ervaren bisschop die kon terugblikken op een lange staat van dienst. Geboren in 1506 promoveerde hij in 1539 aan de Leuvense Alma Mater tot doctor in de godgeleerdheid. In 1545-1547 en 1551-1552 woonde hij de eerste en tweede sessie van het Concilie van Trente bij. Ondertussen was hij door Karel v aangesteld tot inquisiteur voor verscheidene noordelijke gewesten en had hij blijk gegeven van zijn pastorale bekommernis door de publicatie van catechetische werken met een apologetische ondertoon. In de jaren vijftig had Sonnius een sleutelrol vervuld bij de voorbereiding van de nieuwe bisdommenindeling en het was dan ook geen verrassing dat hij in 1561 tot bisschop van 's-Hertogenbosch werd benoemd.99
Sonnius heeft zich tijdens zijn zesjarig episcopaat te Antwerpen ingezet om de bepalingen van Trente in de praktijk om te zetten. In 1570 speelde hij een belangrijke rol op het eerste concilie van de Mechelse kerkprovincie, dat van 11 juni tot 15 juli in Mechelen plaatsvond. Begin 1571, van 4 tot 6 februari, zat hij in de kathedraal van Antwerpen de eerste synode van zijn diocees voor. De decreten van het Concilie van Trente en de besluiten van het Mechelse provinciale concilie werden daarbij opgelegd aan het bisdom Antwerpen. Sonnius vaardigde bovendien elf decreten uit waaruit zijn grote bekommernis bleek om een degelijk opgeleide en pastoraal actieve clerus en om een goed geloofsonderricht.100 Tot de oprichting van een seminarie werd evenwel niet besloten, hoewel Alva daarop had aangedrongen.101 Sonnius overleed op 29 juni 1576, een goede maand na de organisatie van een tweede diocesane synode. Zijn zesjarig episcopaat was in een politiek zeer onstabiele tijd verlopen en was te kortstondig geweest om een diepgaande invloed na te laten. Ook de geregelde competentiegeschillen met het Onze-Lieve-Vrouwekapittel hadden geen positieve uitwerking op het religieuze leven.102 Na de dood van Sonnius zou het bisdom sede vacante be-
aant.
stuurd worden door een vicariaat, bestaande uit de deken, Roger de Tassis, en vijf kanunniken van het kapittel.103
In de tweede helft van de zestiende eeuw heeft de door Ignatius van Loyola opgerichte jezuïetenorde een belangrijk aandeel gehad in de katholieke reformatie.104 Dat de jezuïeten in een handelsmetropool als Antwerpen een vruchtbaar werkterrein vonden, lag in de lijn van de verwachtingen. Hun eerste optreden in Antwerpen was nauw verbonden met de behoeften van de Spaanse natie. In 1562 bezocht de generaal van de jezuïetenorde, pater Diego Laínez, Antwerpen, waar hij tot grote voldoening van de Spanjaarden preekte. Omdat zijn ambt van generaal een permanent verblijf in Antwerpen onmogelijk maakte, stuurde hij de jonge pater Jacobus Páez, die gedurende drie jaar als predikant van de Spaanse natie fungeerde. In het midden van de jaren zestig verzorgden de Bruggeling Robert Claysson en de Mechelaar Franciscus Costerus respectievelijk predikaties in het Frans en het Nederlands. Omstreeks 1570 waren er al minstens twaalf jezuïeten actief in Antwerpen.105 Toch slaagden zij er vooralsnog niet in een college op te richten, mede omdat de hertog van Alva hun niet genegen was. Alva aarzelde niet om de jezuïeten ‘muy duros enemigos’ te noemen.106
De opvolger van Alva, Luis de Requesens, koesterde daarentegen een uitgesproken sympathie voor de jezuïetenorde.107 Volgens Requesens was het zeer belangrijk dat de jezuïeten in Antwerpen beschikten over een college met predikanten en biechtvaders van alle naties. In dat college moesten zij jongeren die opteerden voor een kerkelijke loopbaan, onderwijzen in de artes, de grammatica en de theologie, maar daarnaast moesten ze de letteren, de deugd en de religie bijbrengen aan vele lekenkinderen van wie de ouders de kosten van het onderricht moesten dragen. Verder moest de financiële afhankelijkheid van de Spaanse natie ongedaan gemaakt worden en moesten de in Antwerpen bedrijvige jezuïeten kunnen beschikken over een eigen huis.108 Midden 1574 kochten de paters het ruime Huis van Aken in de Korte Nieuwstraat. Nog hetzelfde jaar werd in de tuin van het aangekochte complex begonnen met de bouw van een kerk. Bovendien openden de jezuïeten op 22 maart 1575 op het terrein van het Huis van Aken een college. Het leerlingenaantal groeide in enkele maanden aan tot driehonderd.109 Uit de weinige namen van studenten uit de beginjaren die ons bekend zijn, blijkt dat het college kinderen uit zeer uiteenlopende milieus rekruteerde, maar proportioneel gezien toch vooral telgen uit de burgerlijke en commerciële elite in zijn rangen telde.110
Brachten de jezuïeten Latijns, klassiek-humanistisch georiënteerd onderwijs, dan mocht ook de basiseducatie van de brede massa niet uit het oog verloren worden. Het eerste provinciale concilie van Mechelen (1570) had daarom ruim aandacht besteed aan de zondagsscholen die in alle parochies moesten worden opgericht.111 In 1575 kreeg het project van de zondags-
aant.
scholen onder impuls van Luis de Requesens concreet gestalte in Antwerpen. De landvoogd was van oordeel dat arme kinderen die uit werken gingen, op zon- en feestdagen school moesten lopen om onderricht te worden ‘en la crainte de dieu et bonnes meurs, que apprendre à lire et escripre’.112
Op 13 augustus 1575 schreef Requesens aan zijn broer, don Juan de Zúñiga, dat hij eraan gedacht had in Antwerpen zondagsscholen op te richten in zes kloosters, met name in de abdijen van Sint-Michiels en Sint-Bernards, en in de kloosters van de minderbroeders, de dominicanen, de karmelieten en de beggaarden. In elk klooster moesten twee religieuzen aangesteld worden voor het onderricht in kwestie, waarbij gebruik moest worden gemaakt van een door de bisschop goedgekeurde catechismus in de volkstaal. Wanneer de religieuze orden enthousiast zouden meewerken, verwachtte Requesens bijzonder veel resultaten van zijn plan. Het zondagsonderwijs moest niet alleen via stedelijke verordeningen verplicht gemaakt worden. Een extra drukkingsmiddel lag in een selectieve armenzorg. De landvoogd suggereerde daarom dat de stedelijke aalmoezeniers in de toekomst alleen maar gezinnen zouden bedelen die hun kinderen naar de zondagsscholen stuurden. Bovendien dacht hij eraan om in vijf of zes vrouwenkloosters op zon- en feestdagen onderwijs te laten verstrekken aan arme meisjes. Toen Requesens in aanwezigheid van de bisschop en de stadsgouverneur twaalf vertegenwoordigers van de vermelde zes mannenkloosters bij zich riep, maakten ze echter grote moeilijkheden over de zondagsscholen. De paters van de bedelorden riepen hun reeds drukke bezigheden in en allen beweerden ze geen geschikte ruimte te hebben, hoewel Requesens opmerkte dat ze het onderwijs in hun kerken konden organiseren wanneer er geen goddelijke diensten waren, zoals ook in Milaan gebeurde. De landvoogd vroeg daarom aan zijn broer, die ambassadeur was bij de Heilige Stoel, om bij de paus tussenbeide te komen opdat deze de betrokken kloosters op straf van excommunicatie zou voorschrijven de geplande zondagsscholen met de nodige zorg te organiseren.113
Uiteindelijk werd het project van de zondagsscholen op zaterdag 22 oktober 1575 via een stedelijke verordening aan de Antwerpse bevolking bekendgemaakt. De volgende dag zouden om één uur 's middags vijf zondagsscholen voor jongens, zowel arme als rijke, geopend worden ‘om geleert ende geinstrueert te worden in tgene alle kersten menschen schuldich syn te weten’. De scholen waren ondergebracht in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, de Sint-Michielsabdij, de Burcht- en de Sint-Andrieskerk en bij de jezuïeten. Ouders mochten hun zonen naar de dichtstbij gelegen school sturen, waar ze kosteloos onderwezen zouden worden.114 Hieruit blijkt dat de plannen van Luis de Requesens maar zeer gedeeltelijk gerealiseerd werden. Van de zes religieuze orden die hij wenste in te schakelen, worden alleen de norbertijnen van de Sint-Michielsabdij vermeld. Naast de jezuïeten
waren het vooral de parochiekerken die met de organisatie van het zondagsonderwijs belast werden. Van verplichtende maatregelen vinden we in de stedelijke ordonnantie evenmin een spoor. Of de zondagsscholen tijdens de eerste maanden van hun bestaan veel succes hebben gehad, is ons niet bekend. De politieke en religieuze machtsverschuivingen die zich vanaf het einde van de jaren zeventig in Antwerpen voordeden, zouden hun werking al spoedig onmogelijk maken. Ook voor de oprichting van een seminarie bleken de tijden ongunstig. Hoewel het Concilie van Trente bepaald had dat elk bisdom moest beschikken over een seminarie voor de opleiding van toekomstige priesters, werd pas in 1605 te Antwerpen een bisschoppelijk seminarie opgericht.115
Tot de maatregelen om het katholieke geloof te versterken behoorde eveneens het streven van de centrale overheid om via de afkondiging van een Algemeen Pardon afvallige gelovigen terug in de schoot van de katholieke Kerk te brengen. Reeds vóór de uitbarsting van de Beeldenstorm was aan de uitvaardiging van een koninklijke genademaatregel gedacht, maar de troebelen van het Wonderjaar en de inval van Oranje in 1568 hadden een dergelijk plan verdaagd. Granvelle was van oordeel dat een gewelddadig optreden op termijn velen van de koning zou vervreemden. Daarenboven meende hij dat vele in de grond goede lieden tot de Opstand misleid waren. Daarom was het in 1569 de hoogste tijd voor een verzoenend gebaar van de koning, een opvatting die in de Nederlandse regeringskringen heel wat weerklank vond. De koninklijke genademaatregel kon evenwel slechts effectief zijn wanneer hij werd aangevuld door een pauselijk Pardon, waarbij de koning daden van rebellie tegen het koninklijk gezag zou vergeven en het pauselijk Pardon betrekking zou hebben op ongehoorzaamheid of afvalligheid tegenover de rooms-katholieke Kerk. Mede dankzij de inspanningen die Granvelle en Juan de Zúñiga zich in Rome getroostten, kon begin september een pauselijke breve met de tekst van het Pardon naar de Nederlanden gestuurd worden.116
Pas op 16 juli 1570 werd het Pardon met de nodige luister in Antwerpen afgekondigd.117 Gedurende drie dagen werden vreugdevuren ontstoken, maar volgens François de Roger, Frans ambassadeur te Brussel, die op dat moment in Antwerpen verbleef, gebeurde het niet echt met instemming van het volk, ‘qui se monstra bien froid en rejouissance et allégresse en cest endroict’. De dure feestelijkheden waren volgens deze waarnemer vooral opgelegd door de stedelijke overheid.118 Een stedelijke ordonnantie van 23 juli spoorde inderdaad eenieder aan om de nodige vreugde te tonen naar aanleiding van het Pardon. Voor de verenigingen die in het feestgedruis de kroon spanden, waren zes prijzen voorzien, terwijl de wijkcomités met drie prijzen als lokvogel tot uitbundigheid werden aangezet.119 De Franse ambassadeur wist verder nog mee te delen dat de talrijke restricties bij het ko-
ninklijk Pardon met opzet pas na de feestelijkheden bekendgemaakt werden, zodat de uitgaven voor de viering zelfs in kringen van het Antwerpse stadsbestuur achteraf betreurd werden.120 Godevaert van Haecht - in deze aangelegenheid uiteraard geen onpartijdig getuige - bestempelde de ganse onderneming als een machinatie van de Spaanse inquisitie en sprak tevens over simonie, omdat men voor het biljet waarin het verkregen Pardon werd geattesteerd, vier stuivers moest neertellen.121
Toch kende het pauselijk Pardon in de Mechelse kerkprovincie enig succes. In het bisdom Antwerpen reconcilieerden zich 17.852 personen, onder wie alleen al 14.128 in de stad Antwerpen.122 In het aartsbisdom Mechelen en het bisdom 's-Hertogenbosch werden respectievelijk 10.906 en ca. 6.000 reconciliati geteld.123 Voor de organisatie van het reconciliatieproces was een netwerk van apostolische delegati en subdelegati in het leven geroepen die in de diverse steden en plaatsen van de betrokken bisdommen actief waren.124 Over de aard van de Antwerpse reconciliati zijn we niet ingelicht, maar de situatie in Antwerpen zal zeker niet veel verschild hebben van die in de bisdommen Mechelen en 's-Hertogenbosch. Zowel vicaris-generaal Morillon als bisschop Laurentius Metsius waren het erover eens dat erg weinig gereconcilieerden echt aangetast waren door ketterij. De meesten hadden, gedreven door nieuwsgierigheid of belust op avontuur, zich laten verleiden om een- of tweemaal een verboden predikatie bij te wonen of een protestantse kerk binnen te gaan. Omdat ze achteraf berouw gekregen hadden, wilden ze nu hun verzoening met de katholieke Kerk schriftelijk bevestigd zien, ook om latere moeilijkheden te vermijden. De hardnekkige ketters hadden echter reeds vroeger het land verlaten.125 Zoals we al eerder opmerkten moeten we de cijfers over de Antwerpse reconciliati vooral zien in het licht van de nog ruime kerkelijke middengroepen. Deze nog onbeslisten konden onder invloed van de zich wijzigende politieke omstandigheden overhellen naar de katholieke of de protestantse religie, zonder dat ze zich daarbij duurzaam engageerden (zie hoofdstuk 4). De indrukwekkende machtsontplooiing van de hertog van Alva en het uitblijven van noemenswaardige successen aan de zijde van het politieke verzet vormden ongetwijfeld voor vele lieden met protestantse sympathieën een aansporing om zich te verzoenen met de dominerende katholieke Kerk. Naast de duizenden volwassen reconciliati waren er in Antwerpen nog protestantse ouders die hun kinderen katholiek lieten dopen. Na de afkondiging van het Pardon registreerde de pastoor van de Onze-Lieve-Vrouweparochie in zijn doopregister zeventien reconciliati in september en dertig in oktober 1570, waarmee zij in die laatste maand zelfs achttien percent van alle dopelingen uitmaakten.126
Na het vertrek van Alva uit de Nederlanden werd de idee van een algemene amnestie weer opgenomen door de nieuwe landvoogd, Luis de Requesens. Al tijdens zijn ambtstermijn als gouverneur in Milaan had Requesens vooropgesteld dat een Pardon een geschikt middel kon zijn om
vrede te brengen in de Nederlanden. Hij was daarbij ongetwijfeld beïnvloed door de opvattingen van kardinaal Granvelle, die zich in 1573 duidelijk distantieerde van Alva's harde politieke lijn en pleitte voor de definitieve afschaffing van de tiende en twintigste penning, de opheffing van de Raad van Beroerten en de afkondiging van een Algemeen Pardon. Ook de koning was, ondanks de negatieve adviezen van Alva, overtuigd van de noodzaak van een nieuwe genademaatregel en nog eind 1573 werd een ontwerptekst naar de Nederlanden gestuurd.127 Ondertussen zette Requesens' broer, Juan de Zúñiga, in Rome de nodige stappen om een pauselijk Pardon te verkrijgen.128 Toen in het voorjaar van 1574 het ogenblik gunstig leek om een Pardon af te kondigen, gooide de muiterij van de Spaanse troepen roet in het eten.129 Uiteindelijk werd het Algemeen Pardon op 6 juni 1574 plechtig geproclameerd op de Brusselse Grote Markt. In tegenstelling met de amnestie van 1570 waren ditmaal geen specifieke categorieën uitgesloten. Wel was een lijst opgesteld van ca. driehonderd personen die niet in aanmerking kwamen voor de koninklijke genade, onder wie twintig Antwerpenaars. Ballingen die terugkeerden en zich onder de gehoorzaamheid aan de koning wensten te stellen, konden de landvoogd eveneens om restitutie van hun geconfisqueerde goederen verzoeken. Diegenen die afgeweken waren van het oude geloof, moesten zich eerst verzoenen met de katholieke Kerk en hun bisschop gratie vragen.130 Hoewel in koningsgezinde kringen veel verwacht werd van het Pardon, liep de maatregel uit op een mislukking. In augustus 1574 waren nog maar honderd gereconcilieerden geteld.131 In Antwerpen verzochten slechts vier teruggekeerde ballingen om van het Pardon te mogen genieten.132
Tot slot moet de vraag worden gesteld naar de resultaten van de inspanningen die de wereldlijke en geestelijke overheden zich getroostten om het godsdienstige leven te stimuleren. Bij gebrek aan seriële bronnen, zoals visitatieverslagen die zouden toelaten enkele indicatoren van de religieuze conjunctuur in kaart te brengen, moeten we ons behelpen met een aantal losse gegevens. Ook na het Wonderjaar vangen we nog echo's op over het gebrek aan weerbaarheid en vitaliteit van de katholieke gemeenschap. In de briefwisseling van de jezuïeten vormde de timiditeit van de katholieken tegenover de stoutmoedigheid van de protestanten een geregeld terugkerend gegeven. Volgens dezelfde jezuïeten trof men in de leidinggevende kringen vele onverschilligen aan die veeleer nominale dan reële katholieken waren, terwijl de intellectuelen, die doordrongen waren van de ideeën van Cassander, vooral van tolerantie droomden.133 Bovendien vernemen we van verschillende zijden dat het anti-Spaanse sentiment dat bij velen leefde, een negatieve weerslag had op het katholieke geloofsleven. Uit een uitvoerig rapport dat pater Franciscus Costerus in 1573 naar Rome zond, blijkt dat de onderdrukking van het volk een groot gevaar inhield voor het land én de
religie. Hoewel Costerus de hertog van Alva niet bij naam bekritiseerde, stelde hij dat de onderdrukking en de slechte behandeling die de onderdanen vanwege de regering te beurt vielen, een klimaat van vervreemding en wantrouwen tegenover de koning in het leven hadden geroepen. Velen dreigden zich daardoor uit wanhoop in de armen van de ketters te werpen.134 Soortgelijke geluiden vangen we op in de briefwisseling van Granvelle en Frederik Perrenot, de gouverneur van Antwerpen. Volgens Perrenot veroorzaakten de uitspattingen van de soldaten in Spaanse dienst, de fiscale politiek van Alva en de harde aanpak van de landvoogd in het algemeen een gevoel van malaise onder de katholieken. De gevoelens van haat die er heersten, waren niet gericht tegen de koning, maar ‘contra este govierno y tiranias’, waarmee hij Alva en zijn Spaanse raadsheren bedoelde.135 Kardinaal Granvelle, die Perrenots opvattingen grotendeels deelde, merkte op dat de ongedisciplineerde Spaanse soldaten veel schade aanrichtten door de burgers uit te maken voor ketters en verraders.136 Het vervreemdingseffect dat het optreden van Alva bij vele katholieken veroorzaakte, was geen geïsoleerd Antwerps verschijnsel. Antoine Havet, bisschop van Namen, verklaarde in 1577 dat de hertog van Alva tijdens zijn landvoogdij in de Nederlanden meer schade had berokkend aan het rooms-katholieke geloof dan Luther en Calvijn in meer dan twintig jaar hadden kunnen doen.137
Het was met deze weinig florissante situatie dat de pastoraal erg bekommerde Luis de Requesens in Antwerpen geconfronteerd werd. Bisschop Sonnius, een aantal andere religieuzen en enkele weldenkende leken hadden tegenover de nieuwe landvoogd getuigd dat de stad nauwelijks een derde katholieken telde, en dan waren nog alleen de Nederlanders in rekening gebracht want onder de vele buitenlanders was vermoedelijk niet één op de tien katholiek.138 Requesens beschouwde de lankmoedigheid tegenover de vreemde naties als een van de voornaamste oorzaken van de opmars van de ketterij in de hele Nederlanden. De Antwerpse stadsbestuurders vroegen aan de vreemde kooplieden immers geen verantwoording, zolang ze maar geen openbare handelingen van hun geloof organiseerden en geen schandaal verwekten.139 Sonnius verklaarde dat er in Antwerpen zeer veel lieden waren die leefden en stierven zonder de sacramenten te ontvangen, en dat vele anderen te communie gingen zonder eerst te biechten. Bijzonder verontrustend was bovendien dat men in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal normaal 22.000 communicantes telde, maar dat dit aantal de laatste twee jaar was teruggevallen tot nauwelijks negenduizend. Volgens Requesens waren er in de Nederlanden geen pastoors die hun parochianen echt van nabij kenden. Zij waren reeds tevreden wanneer ze de sacramenten hadden toegediend aan diegenen die daarom verzocht hadden. Het aantal communicantes kenden ze op grond van het aantal hosties dat geconsumeerd was, en niet op basis van een persoonsbetrokken zielzorg.140
Om iets te doen aan het groot aantal ketters in de stad had de landvoogd eerst het schriftelijke advies ingewonnen van de bisschop, het kapittel, de gouverneur en de magistraat en van diegenen die de afgelopen jaren in de Raad van Justitie gezeteld hadden. Die adviezen werden vervolgens overgemaakt aan Viglius, de Geheime Raad en de Raad van Brabant, die op hun beurt hun commentaren formuleerden, waarna alles nog eens besproken werd in de Raad van State. Dit brede consultatieproces resulteerde in een aantal ordonnanties waarvan Requesens veel verwachtte.141 De grote zorg die de landvoogd besteedde aan het zondagsonderwijs, en zijn streven om vreemde predikanten naar Antwerpen te halen die zich moesten toeleggen op de zielzorg van de buitenlandse kooplieden, kaderden in deze politiek. Om de band tussen zielenherders en gelovigen te verstevigen dacht Requesens aan de oprichting van nieuwe parochies. In zijn ogen was het totaal ongepast dat een dichtbevolkte stad als Antwerpen maar vijf parochies telde. Het was hem daarbij niet ontgaan dat de parochiestructuur sedert de jaren twintig van de zestiende eeuw niet meer aangepast was aan de spectaculaire demografische groei. Hij kwam daarom met het bijzonder drastische voorstel op de proppen om zeven of acht nieuwe parochies te creëren, een plan waarvoor hij bij de plaatselijke clerus bijzonder weinig medewerking kreeg.142 De Antwerpse clerus voelde zich ongetwijfeld aangetast in zijn rechten én inkomsten, zoals nog gebleken was uit het protest van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel toen Sonnius de kerk van de citadel verhief tot parochiekerk. Toen moest het kapittel toegeven143, maar tot een uitbreiding van het aantal parochies intra muros kwam het niet. Een ander plan van Requesens dat gericht was op een betere controle van het kerkvolk, bestond erin de pastoors en andere biechtvaders lijsten van hun biechtelingen te laten aanleggen. Enkele leden van de magistraat die de landvoogd welgezind waren, hadden hem daarop geantwoord dat ze een dergelijke maatregel wel noodzakelijk vonden, maar dat de nieuwigheid groot schandaal zou verwekken en geïnterpreteerd zou worden als een introductie van de Spaanse inquisitie. De bisschop van Antwerpen had bovendien toegegeven dat het aanleggen van dergelijke lijsten reeds verordend was op het eerste provinciale concilie van Mechelen, maar dat in Antwerpen noch in Mechelen, Brussel, Leuven of andere plaatsen begonnen was met de uitvoering ervan.144
De pastorale bekommernis die Luis de Requesens aan de dag legde en de vele concrete initiatieven die hij in dat verband nam, mogen alleszins merkwaardig genoemd worden. Het is zeer waarschijnlijk dat hij daarbij beïnvloed werd door de contrareformatorische actie van Carlo Borromeo, met wie hij tijdens zijn ambtstermijn als gouverneur van Milaan (1571-1573) had kunnen kennismaken.145 Als aartsbisschop van Milaan (1565-1584) was Borromeo een invloedrijk voortrekker in de realisatie van het Triden-
tijnse hervormingsprogramma, waarbij hij zich in de eerste plaats liet leiden door een pastoraalgerichte zielzorg. Bij zijn plannen voor de oprichting van de zondagsscholen verwees Requesens overigens expliciet naar het voorbeeld van Milaan. Bij de praktische doorvoering van zijn projecten stuitte de Spaanse landvoogd echter op een log en eigengereid kerkelijk apparaat. Het machtige Onze-Lieve-Vrouwekapittel gaf meermaals de indruk vooral bezorgd te zijn over de vrijwaring van de eigen rechten en privileges, en de seculiere en reguliere clerus toonde slechts geringe pastorale belangstelling. Alleen over de jezuïeten liet hij zich zonder meer positief uit.146 De stedelijke overheid bleef gekant tegen maatregelen die een al te negatief effect zouden hebben op de koophandel. Requesens overleed vroegtijdig op 5 maart 1576 en enkele maanden later volgde de eerste Antwerpse bisschop, Franciscus Sonnius, hem in de dood. Bovendien stonden de woelige politieke ontwikkelingen een rustig katholiek opbouwwerk in de weg. Er zijn tevens aanwijzingen dat er in Antwerpen ruime kerkelijke middengroepen bleven bestaan. De reconciliatie van een veertienduizend mensen na de afkondiging van het Pardon van 1570 en de scherpe terugval van het aantal communicantes in het midden van de jaren zeventig tonen aan dat er binnen het kerkelijke landschap nog ruimte was voor omvangrijke verschuivingen.