terug  begin  verderprepost
[p. 179]

Hoofdstuk 8
De calvinistische gemeenschap in de verdrukking

[p. 180]



illustratie
Willem van Oranje verlaat Antwerpen, samen met vele calvinisten, 11 april 1567. Gravure van Frans Hogenberg. (Antwerpen, Stedelijk Prentenkabinet)

[p. 181]

De Calvinistische kerk onder het kruis

aant.

De onderdrukking van de opstandige beweging in het voorjaar van 1567 maakte tevens een einde aan de openbare uitoefening van de gereformeerde religie. Op woensdag 9 april 1567 spraken de calvinistische predikanten in Antwerpen hun aanhangers voor de laatste maal toe. Ysbrand Balck troostte daarbij zijn toehoorders door te verwijzen naar de parabel van het mosterdzaadje: eens het Woord Gods verkondigd en de gelovige gemeente verzameld, kon niets de verdere groei in de weg staan.1 Op 11 april verlieten vele calvinisten, samen met Willem van Oranje, de Scheldestad, niet zonder dat het nodige gedaan was voor de achterblijvende broeders.2 Uit brieven van de steeds goed ingelichte Maximiliaan Morillon blijkt inderdaad dat de calvinisten hun activiteiten in alle beslotenheid verder zetten. Zo maakte hij op 9 mei melding van ‘des ministres qui alloient desguisez par la ville’ en twee weken later gewaagde hij van zes à zeven predikanten die in Antwerpen en omgeving bedrijvig waren. Morillon had op een avond zelf kunnen vaststellen hoe lieden die terugkeerden van de velden rond de stad, uit volle borst psalmen zongen.3 Een van de predikanten die achtergebleven waren in de Scheldestad, Johannes Helmichius, treedt enigszins uit het schemerdonker dankzij enkele bewaard gebleven brieven die hij vanuit Antwerpen schreef aan zijn collega Lieven Callewaert, die in april 1567 Antwerpen verlaten had en zich in mei in Wezel bevond. De in Utrecht geboren Helmichius was van 1563 tot 1566 professor aan de academie van Lausanne en was tijdens het Wonderjaar naar zijn geboorteland teruggekeerd. Eind maart of begin april 1567 was hij vanuit Gent naar Antwerpen gevlucht, waar hij tot midden augustus 1567 verbleef als predikant van de Nederlandstalige gemeente. In die periode bleef hij in contact met geloofsgenoten uit Genève en Lausanne en ontving hij brieven van Pieter Datheen

[p. 182]

aant.
en Gaspar van der Heyden, die beiden een nieuwe werkkring hadden gevonden in de Nederlandse vluchtelingenkerk van Frankenthal.4

Wellicht eind mei 1567 was een collega van Helmichius, Augustus genaamd, samen met nog een aantal andere geloofsgenoten naar Engeland vertrokken.5 Lieven Callewaert, die zich op dat moment in Wezel ophield, kreeg van de kerkenraad van de Nederlandse gemeente in Antwerpen de toelating om zich daar te begeven ‘où le Seigneur le conduirait pour faire mieux son proufit aux estudes et choses concernantes sa vocation’, maar als de broeders oordeelden dat hij in Antwerpen van nut kon zijn, moest hij onverwijld terugkeren. De attestatie die hij meekreeg, was ondertekend door Johannes Helmichius, Geronimus Claes en Gabriël du Poncheau, als ‘serviteurs de l'Eglise flamenge de Jesus Christ en Anvers’. Claes en du Poncheau, die in 1561 in de Londense vluchtelingenkerk verbleven, waren wellicht ouderlingen.6 Dit gegeven wijst erop dat in die moeilijke dagen nog een kerkenraad actief was die zich bleef kwijten van courante taken, zoals het afleveren van attestaties. Midden augustus zag Johannes Helmichius zich echter genoodzaakt Antwerpen te verlaten. Via Zierikzee bereikte hij het Engelse Norwich, waar hij tot zijn vroegtijdige dood in september 1568 predikant was van de Franstalige vluchtelingenkerk. Alvorens Antwerpen te verlaten had hij eerst een broeder uit Emden laten overkomen en nog een andere van elders ontboden. Zo bleef, zelfs al zou in de toekomst een van beiden vertrekken, de prediking van het Woord Gods gewaarborgd.7 Zowel uit de brieven van Morillon als uit die van Helmichius komen een aantal karaktertrekken naar voor die het ondergrondse calvinisme van de daaropvolgende jaren bleven typeren. Naast de geheime activiteiten die binnen de stadsmuren ontvouwd werden, zagen de calvinisten zich genoodzaakt om predikaties te organiseren in de velden en bossen rond de stad. De predikanten die de gemeente ten dienste stonden, legden noodgedwongen een sterke mobiliteit aan de dag. In dat verband waren er vruchtbare contacten met de vluchtelingenkerken in Engeland, het Rijnland en Emden.

Dat de politiek van de hertog van Alva een verscherping van de repressie inhield, mochten de in Antwerpen verblijvende calvinisten in het voorjaar van 1568 duidelijk ervaren. Begin maart gaf Alva aan gerechtsofficieren over de gehele Nederlanden het bevel om tijdens een grootscheepse actie over te gaan tot de aanhouding van de schuldigen van het Wonderjaar die nog in het land verbleven. In de nacht van 2 op 3 maart werd te Antwerpen binnengevallen in een dertigtal huizen, en precies een week later werden sommige burgers gearresteerd ‘die eenich bewint in den dienst der nieuwer religien gehadt hebben’, terwijl ook in de omliggende dorpen arrestaties werden verricht.8 Tot die laatste categorie behoorden de zeventien gevangenen die te Borgerhout in een verboden vergadering waren aangetroffen en op 21 maart naar Antwerpen werden overgebracht. Onder de zeventien

[p. 183]

aant.
bevonden zich een aantal calvinisten die reeds eerder in Doornik waren gedagvaard en andere Walen.9 Het ten oosten van Antwerpen gelegen Borgerhout oefende wel een speciale aantrekkingskracht uit op de Antwerpse calvinisten. Godevaert van Haecht noteerde in zijn kroniek dat er ‘so vuel verdreven Waelen uyt Henegou en Artoys quamen woonen om der vryheyt der concientien’. Omdat zij niet ter kerke gingen werd een onderzoek ingesteld, zodat wel vierhonderd gezinnen Borgerhout en andere dorpen in de omtrek verlieten.10

De onderdrukte calvinisten toonden zich bij de organisatie van hun ondergrondse activiteiten vrij vindingrijk. Zo verwekten in april 1568 ‘onbehoorlicke vergaderingen, vermaningen oft predicatien’ die gehouden waren op twee schepen, heel wat opschudding. Verscheidene calvinisten waren in de vroege morgen van 20 april in kleine groepjes van telkens vier à vijf personen ter hoogte van Oosterweel aan boord gegaan van de schepen in kwestie, die vervolgens hun weg op de Schelde verder zetten. Omstreeks drie uur 's middags waren dezelfde lieden in Oosterweel aan de nieuwe sluis ontscheept, vanwaar ze naar de stad trokken. Een getuige verklaarde dat het voor het grootste deel om Walen ging.11 Zo mogelijk nog meer weerklank vonden de predikaties die de calvinisten op 8 mei 1569 organiseerden in de bossen tussen Wijnegem en Oelegem en tussen Deurne en Wilrijk, waarbij wel twee- à driehonderd toehoorders aanwezig waren. Een van hen, de bejaarde advocaat Jeronimus Vrancx, werd enkele dagen later in Antwerpen gearresteerd. Onder scherpe tortuur gaf hij de namen van verscheidene geloofsgenoten prijs. Volgens de auteur van het Antwerpsch Chronykje ging het gerucht dat Vrancx tijdens de predikaties aan de verzamelde menigte de brieven van de apostel Paulus uitgelegd had ‘om het volck byeen te houden tot dat den principalen predicant quamp’.12 Een bezorgde hertog van Alva spoorde de gerechtsofficieren uit de dorpen rond Antwerpen aan tot extra waakzaamheid teneinde dergelijke vergaderingen in de toekomst te verhinderen.13

Hoewel de Antwerpse calvinisten zich door de toegenomen vervolging geregeld genoodzaakt zagen om activiteiten te organiseren buiten de stad, bleven zij intra muros toch over een goed uitgebouwde ondergrondse structuur beschikken. Uit de ondervraging van de in augustus 1571 terechtgestelde predikant Jan Cornelissen kunnen we afleiden dat de stad onderverdeeld was in vier kwartieren met elk vier ouderlingen, diakens en weetdoeners.14 Een dergelijke verdeling in kwartieren of wijken was niet ongewoon en kwam ook in de vluchtelingenkerken voor.15 Op die manier werd de band tussen de gemeenteleiding en de lidmaten verstevigd en werd de organisatie van geheime activiteiten zoals predikaties, dopen of het Avondmaal in praktisch opzicht vergemakkelijkt. Een centrale - maar vanwege het ondergrondse karakter moeilijk te belichten - rol kwam toe aan de predi-

[p. 184]

kanten van de gemeenten onder het kruis. In totaal konden we twintig predikanten die in de periode 1567-1577 te Antwerpen bedrijvig waren, bij naam identificeren.16 Tien onder hen waren verbonden aan de Nederlandstalige gemeente, met name Augustus (1567), Adriaan de Bleickere (oktober 1571-ca. mei 1573), Joris Coomans (1568), Jan Cornelissen (1568-1571), Johannes Helmichius (1567), Franciscus Pauli (1575), Paulus (of Frederik) Puthuys (1571), Jan van de Spieghele (1575-1577), Valerius Pauli Tophusanus (1570, 1575) en Johannes Woudanus (1571-1573). Langs Franstalige zijde kunnen we acht namen vermelden: Louis Cappel (1569), Pierre Carbon (ca. 1570), Louis Doutreleau (1574), Jean Haren (Hareus) (ca. 1569), Jacques Monceau (ca. 1572-1573), een predikant genaamd Monsieur (1571), Niclaas Pluquet (ca. 1572) en Jean de la Vigne (1570, 1571, 1573, 1575). Van Jan, een oude man met een witte baard, en de in Sint-Omaars geboren mr. Noël, die respectievelijk in 1570 en in 1572 verbannen werden, weten we niet of zij tot de Nederlandstalige of de Franstalige Kerk behoorden. Net als vóór het Wonderjaar leidden de moeilijke tijdsomstandigheden ook nu tot een sterke mobiliteit onder de predikantengroep. Uit het beschikbare materiaal blijkt dat slechts zes predikanten meer dan één jaar in de Scheldestad bedrijvig waren. Adriaan de Bleickere, Jan van de Spieghele, Valerius Pauli Tophusanus en Johannes Woudanus verbleven er ongeveer twee jaar. Jan Cornelissen, die tijdens het Wonderjaar predikant was geweest te Brussel en Tielt en in 1567 naar Engeland was gevlucht, hield zich bij zijn arrestatie reeds drie jaar op in Antwerpen. Jean de la Vigne was een vaste kracht in de Franse Kerk in Antwerpen, ten minste sedert 1570. Mogelijk maakte hij er tot 1577 nagenoeg onafgebroken de dienst uit. Tijdens de Calvinistische Republiek was hij permanent verbonden aan de Franse Kerk en na de val van Antwerpen vond hij tot aan zijn dood in 1622 een nieuwe werkkring in Amsterdam. Een aantal in Antwerpen bedrijvige predikanten werd door de repressie getroffen. Pierre Carbon, Joris Coomans en Jan Cornelissen werden in de Scheldestad terechtgesteld, terwijl Jacques Monceau en Niclaas Pluquet respectievelijk in Armentières en Brussel de dood vonden. Bovendien werden Jan, een oude man met een witte baard, de predikant genaamd Monsieur, mr. Noël en Paulus Puthuys uit Antwerpen verbannen.

De opgejaagde predikanten vonden geregeld een toevluchtsoord in de vluchtelingenkerken. De predikant Augustus verliet in 1567 Antwerpen voor Engeland, waar Jan Cornelissen reeds verbleven had vóór zijn aankomst in de Scheldestad. Johannes Helmichius nam in september 1567 de wijk naar Norwich, waar hij predikant werd van de Franstalige gemeente. In diezelfde stad had Jan van de Spieghele in 1571 het ambt van ouderling bekleed. Vier jaar later, vóór zijn overkomst naar Antwerpen, was hij predikant in Yarmouth. Johannes Woudanus verliet Antwerpen in februari 1573

[p. 185]

en werd ouderling in Londen. Valerius Pauli Tophusanus treffen we in 1568 te Emden aan. In 1575 trok hij vanuit Antwerpen naar Rotterdam. Adriaan de Bleickere week in 1573 uit naar Frankenthal, waar hij de Nederlandse vluchtelingengemeenschap ten dienste stond. Aan Franstalige zijde tekent zich een vrij gediversifieerd circulatiepatroon af. De edelman Louis Cappel preekte in verschillende Franse steden. Louis Doutreleau verkondigde vóór zijn verblijf in Antwerpen het woord Gods in Wezel en Vlissingen en trad in 1574 in dienst van de Franse Kerk te Middelburg. Jean Haren treffen we na zijn Antwerpse periode achtereenvolgens aan in de vluchtelingengemeenschappen van Aken en Straatsburg17, terwijl Jacques Monceau in oktober 1572 met een attestatie van de Geneefse Compagnie des pasteurs afreisde naar Antwerpen. Pierre Carbon had vóór 1566 reeds gepreekt in Henegouwen en Niclaas Pluquet was vóór zijn optreden in Antwerpen predikant geweest in het Rijselse.

Over het opleidingsniveau van de in Antwerpen bedrijvige predikanten zijn we slechts voor een minderheid ingelicht. Van de dienaars van de Nederlandstalige Kerk was Johannes Helmichius wellicht de meest geleerde. Hij had de graad van magister artium behaald, vermoedelijk aan de universiteit van Leuven, en had aan de academie van Lausanne in 1563-1566 Hebreeuws gedoceerd. Adriaan de Bleickere liet zich in 1571 immatriculeren aan de gereformeerde universiteit van Heidelberg. Aan Franstalige zijde hadden Louis Cappel, Jacques Monceau en Jean de la Vigne aan de befaamde academie van Genève gestudeerd, wat nogmaals het belang van dit opleidingsinstituut voor het Antwerpse calvinisme onderstreept. Louis Cappel had bovendien rechten gestudeerd aan de universiteit van Bordeaux. Later bracht hij het nog tot professor in de theologie aan de nieuw opgerichte universiteit van Leiden (1575). Alles wijst erop dat een meerderheid van de in 1567-1577 te Antwerpen actieve predikanten echter geen academische opleiding genoten had, wat uiteraard niet wil zeggen dat zij in theologische aangelegenheden onbeslagen waren. Joris Coomans was een eenvoudige schoenlapper, maar Godevaert van Haecht tekende over hem op dat hij ‘seer geleert in der scrift’ was.18 Valerius Pauli Tophusanus proponeerde in 1568 te Emden en we mogen aannemen dat nog anderen zich door hun deelname aan dergelijke in de vluchtelingenkerken georganiseerde oefeningen hebben voorbereid op of bekwaamd in het predikambt.19 Opvallend is tevens dat drie predikanten de functie van ouderling hadden uitgeoefend vooraleer ze in Antwerpen het Woord Gods verkondigden, met name Jan Cornelissen in Brussel, Jan van de Spieghele in Norwich en Pierre Carbon in de Franstalige gemeente van Antwerpen. Het waren ongetwijfeld de moeilijke tijdsomstandigheden die de afstand tussen het ambt van ouderling en dat van predikant verkleinden. Zo had een op 26 april 1563 te Antwerpen gehouden synode reeds bepaald dat ouderlingen en diakens in

[p. 186]

aant.
afwezigheid van de predikant ‘pourront faire priere, ou lecture de la parole de Dieu, respondre briefvement aux questions proposées’.20 Een provinciale synode uit 1576 nam rond dezelfde kwestie een standpunt in dat nog verder ging. Op de vraag van de Kerk van 's-Hertogenbosch ‘si un Ancien peut au besoing administrer en l'Eglise tant la parole que les sacremens’, werd geantwoord ‘qu'ouy, quand il n'y auroit que redire à lui, et qu'il seroit legitimement authorisé’.21

Ten slotte moeten we nogmaals benadrukken dat een aantal predikanten aan ons gezichtsveld onttrokken bleef. Door de gedwongen mobiliteit hielden sommigen zich slechts voor korte duur te Antwerpen op en bovendien werden de activiteiten in de ondergrondse gemeenten zo onopvallend mogelijk ontplooid. Johannes Helmichius maakte in zijn brieven reeds gewag van vertrekkende en aankomende predikanten van wie de namen ons onbekend bleven. Karel van Bombergen, die tijdens het Wonderjaar een sleutelpositie bekleedde in de calvinistische gemeente te Antwerpen, meldde in september 1573 dat de Kerk in de Scheldestad dagelijks groeide. Predikanten hielden er in privé-woonhuizen geheime predikaties, blijkbaar met een zodanig succes dat zij gedwongen waren elk afzonderlijk tot zesmaal toe per dag te preken. Ondertussen waren vanuit de vluchtelingenkerk van Frankenthal enkele predikanten naar Antwerpen gezonden en werden er nog eens twee à drie gevraagd.22 Daarnaast maakten de vervolgende overheden soms gewag van de mogelijke aanwezigheid van ketterse predikanten. Zo ging eind 1568 het gerucht dat Willem van Oranje predikanten naar de Nederlanden gezonden had om het volk tot opstandigheid aan te sporen. Herman Moded en Pieter Datheen, twee calvinistische coryfeeën, zouden zich met dat doel in Antwerpen opgehouden hebben. Een door Juan de Vargas en Luis del Rio ingesteld onderzoek leidde echter niet tot concrete resultaten.23

In de ondergrondse organisatie van de Nederlandstalige en de Franstalige gemeente speelden ouderlingen, diakens en weetdoeners een belangrijke rol. In totaal konden we voor de periode 1567-1577 42 dergelijke ambtsdragers identificeren.24 Van hen werden er in september 1571 22 verbannen, nadat de gevangengenomen predikant Jan Cornelissen hun namen onder tortuur bekend had.25 Het grote aantal ambtsdragers werd ongetwijfeld in de hand gewerkt door het feit dat de repressie noopte tot een gedecentraliseerde gemeentestructuur, waarbij men samenkwam in kleine ondergrondse kernen. Van dertig ouderlingen, diakens en weetdoeners konden we het beroep achterhalen. De sectoren handel en textiel waren het sterkst vertegenwoordigd met respectievelijk tien en zes eenheden. Ook de sector van de metaalbewerking behaalde met vijf personen een goede score. Het is in dit verband interessant om even de vergelijking te maken met de calvinistische ambtsdragers uit de periode vóór het Wonderjaar, toen we even-

[p. 187]

Tabel 8.1: Calvinistische ambtsdragers, 1550-1577. Procentuele verdeling over diverse beroepscategorieën

beroepscategorie 1550-1566 (N = 35) 1567-1577 (N = 30) 1550-1577 (N = 65)
bouwbedrijf - 10,0 4,6
metaalbewerking 2,8 16,6 9,2
bewerking hout, been, riet 5,7 - 3,0
textiel 34,2 20,0 27,6
kleding 11,4 6,6 9,2
handel 25,7 33,3 29,2
behandeling goederen, transport 2,8 - 1,5
kerkelijke ambten 2,8 - 1,5
medische beroepen 2,8 - 1,5
goud, zilver, diamant 5,7 6,6 6,1
boek en grafiek - 3,3 1,5
kunstambachten 5,7 - 3,0
overige - 3,3 1,5
Bron: Marnef, Antwerpen in Reformatietijd, ii, bijlage 2.      

eens met een ondergrondse gemeentestructuur te maken hadden (zie tabel 8.1). Een markant verschilpunt vormt zeker de relatief sterke aanwezigheid in de jaren 1567-1577 van de sectoren bouwbedrijf en metaalbewerking, die vóór het Wonderjaar nagenoeg helemaal afwezig waren. We moeten er wel rekening mee houden dat zich binnen een kleine statistische populatie vlug grote relatieve verschuivingen kunnen voordoen. De dominante positie van de sectoren textiel en handel - samen goed voor bijna 53 percent - vormt daarentegen een constante. Vooral het contrast met de professionele structuur van de calvinistische kerkleiders tijdens het Wonderjaar, toen de commerciële en intellectuele beroepen de toon aangaven, springt in het oog. Valt de laatste categorie in de periode 1567-1577 volledig weg, dan is het tevens typerend dat men tijdens het Wonderjaar overwegend te maken had met grote kooplieden van internationale envergure, terwijl nadien vooral kleine handelaars op de voorgrond traden.

Een aantal ouderlingen, diakens en weetdoeners troffen we voor of na hun ambtsperiode te Antwerpen aan in een vluchtelingenkerk. Geronimus Claes, Gabriël du Poncheau en Jacques Gast bevonden zich in 1561 in de vluchtelingengemeenschap in Londen, de eerste twee als lidmaat van de Nederlandse en de laatste als lidmaat van de Franse Kerk. Anthony Waerlins, die in september 1571 uit Antwerpen verbannen was, hield zich in december van hetzelfde jaar al op in de Nederlandse Kerk in Londen, net als de diaken Assuerus van Regenmortel in 1575. Pierre Tibergien bevond zich

[p. 188]

aant.
in 1555-1560 in de Franse vluchtelingenkerk in Frankfurt en trad er in 1558 als ouderling op. Aart Gheems maakte in 1572 deel uit van de Nederlandse Kerk in dezelfde stad. Joachim de passementwerker, die in 1571 te Antwerpen fungeerde als weetdoener, was op dat moment tevens bedrijvig als bode op Emden, waardoor hij ongetwijfeld een nuttig verbindingsagent was met de gelovige broeders die in deze Oost-Friese stad een toevluchtsoord hadden gevonden. De ouderling Anthony van den Bulcke treffen we er in 1576 aan. Hoewel uit deze schaarse gegevens vooral Londen en verder Frankfurt en Emden als verbindingspunten naar voor komen, zullen we toch de gehele populatie van de vervolgde calvinisten in ons onderzoek moeten betrekken om de richting en het gewicht van de Antwerpse emigratie in de periode 1567-1577 in kaart te brengen. Ten slotte kunnen we nog aanstippen dat vanaf midden 1572 ook de opstandige steden in Holland en Zeeland als uitwijkmogelijkheid in aanmerking kwamen. Zo treffen we de diakens Aart Henricx en Anthony Waerlins respectievelijk aan in Middelburg (1576, als ouderling) en in Rotterdam (1574). Ook hun ambtgenoot Christoffel Gremers was gevlucht naar de noordelijke gewesten.

Over het interne gemeenteleven van de Nederlandstalige en de Franstalige Kerk zijn we schaars ingelicht. Dat beide kerken onder het kruis zwaar beproefd werden door de vervolgingen, spreekt vanzelf. Berichten als ‘dat de vervolginghe over den Christenen niet ophoudet maer daeghelicx is wassende ende hettelicke ghevanghen [zijn], ende derlicken ghepinicht ende ghegheesselt zijn gheweest die vander Consistorie waren Tantwerpen ende elders’26, zijn daar slechts één illustratie van. Daarenboven worstelden de ondergrondse kerken geregeld met financiële problemen. Zo meldde de kerkenraad van de Nederlandse Kerk in Antwerpen op 11 oktober 1571 dat de gemeente in grote benauwdheid en gebrek was, zodat men tijdens de aanstaande winter zonder middelen dreigde te vallen om de armen te onderhouden. De rijke geloofsbroeders in Londen werden dan ook tot solidariteit aangespoord.27 Toen Willem van Oranje in 1572 de Kerk van Antwerpen wees op de plicht hem met geld te assisteren, vond de kerkenraad het geraden de prins bij te staan ‘met lyf ende siele, met goede ende ghelde’ en met alles wat men had, maar de financiële middelen waren helaas zo gering dat men geen belangrijke som bij elkaar kon brengen.28

Een ander probleem waarmee de calvinistische Kerk veelvuldig geconfronteerd werd, was het nicodemisme. Hoewel de Nederlandse en Franstalige gemeenten van Antwerpen geen kerkenraadsacta nalieten, blijkt uit de bewaard gebleven teksten van synodale vergaderingen en uit de kerkenraadsacta van vluchtelingenkerken voldoende dat velen terugschrokken voor de gevaren die verbonden waren aan het leven in een ondergrondse kruiskerk. Vandaar de frequente klachten over personen die, ondanks hun gereformeerde sympathieën, hun kinderen lieten dopen ‘in den Paus-

[p. 189]

aant.
dom’29 of huwden ‘in den papisterie’.30 Zelfs binnen eenzelfde gezin konden in dergelijke gevallen conflicten ontstaan. Zo weigerde ‘ein roekelos papisch vader’ zijn toestemming te geven voor het huwelijk van zijn dochter met ‘ein from godsalich gesel um syner religion willen’, terwijl de moeder er wel toe gezind was.31 Een specifieke vorm van nicodemisme had betrekking op lieden die, om lijf of goederen te behouden, gebruik hadden gemaakt van het Algemeen Pardon van 1574 en daarna weer opgenomen wensten te worden in de calvinistische gemeente.32 De kerkenraad moest bij de toepassing van de kerkelijke discipline echter de nodige redelijkheid in acht nemen tegenover zwakkere geloofsgenoten. Op de vraag van de broeders van Antwerpen of een man die zijn kind driemaal door een katholiek priester had laten dopen, uit de gemeente gebannen mocht worden, gaf de kerkenraad van Emden zonder aarzelen een ontkennend antwoord. De betrokkene moest eerst ernstig vermaand en tot inkeer gebracht worden en men moest voor hem bidden opdat hij ‘in den Heren gestercket mach werden’.33 Steeds moest worden gelet op de omstandigheden waarin iemand gezondigd had. De kerkleiders die in 1571 aanwezig waren op de algemene synode van Emden, formuleerden in dat verband een principieel antwoord op het verzoek van de kerken van Antwerpen en Gent: ‘dat die consistorien besien ende met rijpen rade oordelen sal, of iemandt in den kercken onder 't cruis niet alleen van den nachtmaele af te houden, maer oock ut der ghemeynte te sluyten sij, nae die swarheit des misdaets, grooticheit der erghernisse, item nae dat die persoon dickwils in sonden ghevallen is, ende die gheleghentheit der plaetsen ende andere circumstantien of omstandicheden.’ De kerkenraad moest met andere woorden verzoenend optreden en diende ruimte te laten voor berouwvolle elementen.34 De kerkelijke discipline had dan ook een sterk pastoraal karakter. Zij was er in de eerste plaats op gericht tot een gemeenschap van gelovigen te komen die zich in volledige zuiverheid konden verzamelen rond het Avondmaal.35 Voor diegenen die weigerden, ook na herhaalde aanmaningen, zich te schikken naar de kerkelijke tucht, was er echter geen plaats in de calvinistische gemeente. In die zin bleven de ondergrondse kruiskerken vrij exclusieve gemeenschappen. Bovendien werd die situatie nog aangescherpt doordat de vervolging aanspoorde tot extra voorzichtigheid. Dit alles kwam eveneens tot uiting in het conflict dat in 1575 de Nederlandse Kerk van Antwerpen verdeelde en leidde tot een echte scheuring. Twee jonge ambtsdragers, de ouderling Albrecht Verspeck en de diaken Hans de Ries, wierpen zich op als predikanten en verzamelden een eigen aanhang. Hun conflict met de kerkenraad draaide schematisch gesteld rond drie grote discussiepunten: de christelijke vrijheid, de kerkelijke discipline en de houding tegenover de doopsgezinden. Verspeck en de Ries werden uit hun ambt ontzet en sloten zich aan bij de Waterlandse doopsgezinden.36

[p. 190]

Vóór het Wonderjaar fungeerde Antwerpen als een bruggenhoofd vanwaar het prille gereformeerde gedachtegoed werd uitgedragen naar de omliggende steden en gewesten. De calvinistische gemeenten van Antwerpen groeiden toen uit tot een soort voogdijkerk voor een groot deel van Vlaanderen, Brabant, Holland en Zeeland. Voor de periode 1567-1577 is het belang van de Antwerpse kerken onder het kruis voor de achtergebleven geloofsgenoten in de Nederlanden veel moeilijker in te schatten. De harde repressie die onder de landvoogdij van Alva werd doorgevoerd, had op de meeste plaatsen het georganiseerde gemeenteleven vernietigd.37 Antwerpen bleef in ieder geval een contactpunt voor de gevluchte calvinisten in Engeland, Oost-Friesland en de Palts. De commerciële kanalen die naar de Antwerpse handelsmetropool leidden, werden daarbij dankbaar aangewend. Een concrete illustratie van deze situatie vinden we in een zeventigtal brieven die uit het Westkwartier en de Waalse gewesten afkomstige calvinisten schreven naar hun geloofsgenoten in Engelse vluchtelingencentra.38 Via Antwerpse kooplieden en personen die handel dreven op Antwerpen of als bode fungeerden tussen Engeland en de metropool, bleven de vluchtelingen in contact met familieleden en vrienden die hetzij in Antwerpen of elders in de Nederlanden woonden. Sommigen maakten voor hun commerciële transacties zelf de oversteek naar Antwerpen en profiteerden van die gelegenheid om nieuws uit te wisselen en geloofsgenoten op te zoeken.

Bij het opbouwen van het gereformeerde leven, zowel in de ondergrondse kruiskerken als in de ballingschap, speelde een aantal kerkelijke vergaderingen die in de vluchtelingencentra georganiseerd werden, een belangrijke rol. Traditioneel wordt daarbij een voorname plaats toegekend aan het Convent van Wezel (3 november 1568) en de generale synode van Emden (4-12 oktober 1571).39 In Wezel formuleerden calvinistische kerkleiders uit de Nederlanden aanbevelingen met betrekking tot de kerkelijke ambten, de toediening van de sacramenten, de kerkelijke discipline en andere aangelegenheden die een grotere eenheid en een betere organisatie in de kruiskerken en de vluchtelingenkerken beoogden. Een eigenlijke synode die bindende besluiten zou nemen, kon echter pas samenkomen ‘wanneer de Heer voor de prediking van het Evangelie in de Nederlanden een deur geopend zal hebben’.40 Onder de 63 ondertekenaars van de artikelen van het Convent van Wezel vinden we de namen van een aantal personen die tijdens het Wonderjaar in de calvinistische Kerk van Antwerpen op de voorgrond getreden waren. Herman Moded, Joris Wybo en Johannes Cubus hadden in die periode in de Scheldestad gepreekt en Herman van der Meeren behoorde tot de invloedrijke commissie van calvinistische gedeputeerden. Cornelis Rethius onderhield nauwe contacten met predikanten en kerkenraad en ook Cornelis Spierinck en Josse Faes treffen we tijdens het Won-

[p. 191]

derjaar aan in Antwerpen. Cornelis Francken ten slotte was een Antwerpenaar die zich vanaf ca. 1569 in de Nederlandse vluchtelingenkerk van Londen ophield. Jammer genoeg lieten de ondertekenaars na te preciseren of zij als vertegenwoordigers van een bepaalde kerk hun goedkeuring hechtten aan de Wezelse besluiten. Het zogenaamde Convent van Wezel blijft overigens op meer dan één punt voor onduidelijkheid zorgen. Verscheidene auteurs wezen erop dat de samenkomst te Wezel in geen enkele contemporaine bron vermeld wordt en ook de latere kerkelijke vergaderingen verwijzen er niet naar.41 j.p. van Dooren heeft op basis van een aantal elementen zelfs geargumenteerd dat de betrokken artikelen niet in 1568 te Wezel werden opgesteld, maar wel op een echte synode die vermoedelijk op 1 januari 1567 te Antwerpen plaatsvond. Hoewel deze hypothese verleidelijk lijkt, kunnen we geen nieuwe gegevens aanvoeren die Van Doorens zienswijze nog meer kracht bijzetten.42 Recentelijk argumenteerde Owe Boersma uitvoerig dat het Convent in de zomer van 1571 plaatsvond, als een soort spoedvergadering ter voorbereiding van de algemene synode van Emden.43

Hoe het ook zij, de hoop die de ondertekenaars van de ‘Wezelse’ artikelen uitspraken, met name dat de calvinistische Kerk in de Nederlanden zich weldra in vrijheid zou kunnen organiseren, werd geen werkelijkheid. Concrete maatregelen en aanbevelingen moesten er ondertussen voor zorgen dat het religieuze leven van de verspreide geloofsgenoten in goede banen werd geleid. Zo stelden Filips van Marnix en Gaspar van der Heyden op 21 maart 1570 in een uitvoerig rondschrijven aan de kruis- en vluchtelingenkerken een aantal gemeenschappelijke regelingen voor met betrekking tot de opleiding van predikanten, de correspondentie tussen de verschillende gemeenten en de ondersteuning van rondtrekkende geloofsgenoten. Bij de onderlinge correspondentie moest men elkaar bevragen over de toepassing van de kerkelijke tucht, de eenheid van leer en ceremoniën, de kerkelijke ambtsdragers en andere punten die duidelijk aan de artikelen van Wezel herinneren. In afwachting van een algemene synode moesten dergelijke schriftelijke contacten de banden nauwer aanhalen.44 De in het vooruitzicht gestelde synodale vergadering kwam er pas in oktober 1571 in het Oost-Friese Emden. Bij de voorbereiding van die synode speelde een aantal vooraanstaande calvinisten uit de Palts andermaal een belangrijke rol. In de Palts waarborgden het hof van keurvorst Frederik iii en de universiteit van Heidelberg goede contacten met Genève en de calvinistische kerken in Frankrijk.45 Van groot belang was eveneens de provinciale synode die te Bedburg in het hertogdom Gulik op 3 en 4 juli 1571 samenkwam. Op deze provinciale kerkvergadering waren niet alleen kerkleiders van inheemse kerken en van vluchtelingenkerken uit het gebied aan de Neder-Rijn aanwezig, maar verschenen ook vertegenwoordigers uit meer afgelegen ge-

[p. 192]

aant.
meenten en zelfs van de kruiskerken in Brabant. Zo weten we dat een predikant uit Brussel en een ouderling van de Kerk van Antwerpen aanwezig waren.46 Dit gegeven is belangrijk omdat het aantoont dat de kerken onder het kruis, met name die van Antwerpen en Brussel, van nabij betrokken waren bij het werk dat in de ballingschap gebeurde. Filips van Marnix deed in Bedburg een aantal voorstellen, deels uit naam van Willem van Oranje en deels uit eigen naam, die rechtstreeks verband hielden met de aanstaande generale synode.47

Op 4 oktober 1571 kon Gaspar van der Heyden, op dat moment predikant in Frankenthal, als voorzitter de synode van Emden openen. Namens de Nederlandse Kerk van Antwerpen waren de predikant Johannes Woudanus en de ouderling Gabriël aanwezig. De Antwerpenaar Herman van der Meeren vertegenwoordigde als ouderling de Nederlandse gemeente van Wezel.48 De synode bracht een overwinning voor de ‘precieze’ gereformeerden, de voorstanders van een welomlijnd calvinisme met betrekking tot zowel de kerkorde en de geloofsbelijdenis als de relatie tot het wereldlijke gezag. De verbondenheid met en de invloed van de zusterkerken in Frankrijk kwamen daarbij duidelijk tot uiting, hoewel we niet uit het oog mogen verliezen dat die beïnvloeding reeds speelde op de synodes van de Zuid-Nederlandse kerken onder het kruis die sedert de vroege jaren zestig in Antwerpen plaatsvonden. Naar Frans voorbeeld opteerden de in Emden vergaderde kerkleiders voor een presbyteriaans-synodale ordening. Kerkenraden, classicale en synodale vergaderingen moesten geregeld samenkomen. Het streven naar eenheid in de leer kwam tot uiting in de ondubbelzinnige keuze voor de Nederlandse geloofsbelijdenis, de in 1561 door Guy de Brès opgestelde Confession de foy. De beslissing de geloofsbelijdenis van de calvinistische kerken in Frankrijk te ondertekenen, onderstreepte de band met de Franse geloofsgenoten. Over politieke zaken, en in het bijzonder over de mogelijke steun aan Willem van Oranje, wordt in de acta van Emden met geen woord gerept.49

De nauwkeurige kerkelijke structuur die in Emden op papier werd gezet, had niet alleen betrekking op de vluchtelingenkerken, maar ook op de gemeenten onder het kruis in de Nederlanden. Zo bepaalde artikel elf: ‘Beide die ghemeynten t'Andtwerpen, die ghemeynten Shertoghen Bosch, van Breda, van Bruissel ende andere, die in Brabandt sijn mochten, sullen oock eene classe maecken.’ Hieruit kunnen we afleiden dat er op dat moment, naast de Nederlandstalige en de Franstalige gemeente in Antwerpen, calvinistische kerken waren in 's-Hertogenbosch, Breda en Brussel. Daarnaast werd een classis geconcipieerd voor de kruiskerken in oostelijk en westelijk Vlaanderen en voor de Waalse gemeenten in Doornik, Atrecht, Rijsel, Valenciennes, Armentières en eventuele andere plaatsen. De classicale vergaderingen moesten in principe om de drie of zes maanden samenkomen.

[p. 193]

De verstrooide kerken in Duitsland, Oost-Friesland en Engeland en de kruiskerken moesten elk afzonderlijk jaarlijkse synodes organiseren, terwijl om de twee jaar ‘eene alghemeyne synodale versamelinghe aller Nederlandtschen kercken’ zou plaatsvinden.50

Het spreekt vanzelf dat de in Emden vergaderde kerkleiders een ideale blauwdruk ontwierpen waarvan de praktische uitvoering - zeker in de Nederlanden - in grote mate afhankelijk was van de evolutie van de politieke toestand. Niettemin slaagden de Nederlandse gemeenten onder het kruis er bij tijd en wijle in samenkomsten te organiseren. Op 8 september 1570, nog vóór de synode van Emden, kwamen in Antwerpen vier kerken samen: naast de organiserende Kerk van Antwerpen, die aangeduid werd met de verbloemde schuilnaam la Vigne, waren ook de broeders van la Rose, la Palme en l'Olive aanwezig. Als we ervan uitgaan dat in 1576 nog dezelfde namen gebezigd werden, dan kunnen we la Rose identificeren als de Kerk van Rijsel en la Palme als die van Doornik. Voor l'Olive komen twee kerken in aanmerking die een aantal calvinistische kernen in het zuiden van Vlaanderen en in de Waalse gewesten groepeerden.51 Ruim twee jaar later, op 27 december 1572, vergaderde in Antwerpen de classis van Brabant. Hoewel de namen van de deelnemende kerken niet vermeld worden, vinden we wel een aanduiding in de oproep voor de eerstkomende synode, waarvoor de Franstalige kerken van Antwerpen, Gent en Brussel en de Nederlandstalige van Antwerpen, Breda en 's-Hertogenbosch afgevaardigden moesten aanduiden.52 Die synodale bijeenkomst liet jammer genoeg geen archivalische sporen na. Pas een goede drie jaar later, op 2 februari 1576, zien we in Antwerpen een synode samenkomen van kerken onder het kruis uit Brabant, Vlaanderen, Henegouwen en Artesië, waaronder voor Brabant la Vigne van Antwerpen, l'Arbre au bois van 's-Hertogenbosch en le Soleil van Brussel.53 We mogen echter aannemen dat er vóór 1576 nog meer classicale en synodale vergaderingen plaatsvonden, maar door de moeilijke tijdsomstandigheden die noopten tot grote omzichtigheid, bleven de artikelen van deze kerkelijke vergaderingen niet bewaard. Dat we uit de weinige bewaarde en in het Frans opgestelde acta niet mogen afleiden dat de synodes en classes exclusief Franstalige aangelegenheden waren, blijkt voldoende uit de lijsten van aanwezige kerken. Pas vanaf 1577 kwamen de Waalse kerken tot een afzonderlijke organisatie met eigen synodale vergaderingen.54

Met betrekking tot de Antwerpse situatie is het wel merkwaardig dat alleen de naam van la Vigne in de bewaard gebleven teksten van de synodale en classicale vergaderingen wordt vermeld. Dit doet het vermoeden rijzen dat men met die schuilnaam de Franstalige én de Nederlandstalige gemeente aanduidde. Het valt immers moeilijk aan te nemen dat de Nederlandstalige Kerk van Antwerpen niet aanwezig zou zijn geweest op de sy-

[p. 194]

nodes die vóór en na het Wonderjaar - in de eigen stad - werden georganiseerd. Dat net als in de jaren zestig zowat alle synodale samenkomsten van de jaren zeventig in Antwerpen plaatsvonden, bevestigt dat de Kerk van Antwerpen haar centrale positie binnen het netwerk van ondergrondse kruiskerken bleef behouden. De economische functie van de handelsmetropool en het feit dat in een drukke grootstad makkelijker clandestiene activiteiten konden worden georganiseerd, hebben deze centraliteit ongetwijfeld bevorderd. Binnen de classis van Brabant was de dominante positie van de calvinistische Kerk van Antwerpen een bijna voor de hand liggend gegeven. De gemeenten van Brussel, Breda en 's-Hertogenbosch waren in belangrijke mate aangewezen op de steun van hun grote zusterkerk.55 Verder bleken er nauwe contacten te bestaan met de calvinistische kernen in de Waalse gewesten. Toen de baljuw van Armentières in het voorjaar van 1573 een calvinistische predikant arresteerde, kwamen bij de ondervraging van de betrokkene relaties met geloofsgenoten in Antwerpen aan het licht. De niet bij naam genoemde dienaar des Woords was ongetwijfeld Jacques Monceau, die enkele maanden te Antwerpen gepreekt had en vervolgens werd uitgezonden om de broeders in de dorpen rond Rijsel te bezoeken. Na zes weken vruchtbaar werk verricht te hebben, werd hij in Armentières gevat.56 Een gearresteerd koopman uit Douai bleek contacten te onderhouden met de kerkenraad van Antwerpen en met calvinisten uit Doornik en Rijsel.57 Dat de calvinistische Kerk van Antwerpen een sterke aantrekkingskracht uitoefende op de gebieden beneden de taalgrens, blijkt verder nog uit de plaats van herkomst van de calvinisten die in de periode 1567-1577 in de Scheldestad vervolgd werden. Van de 73 personen (37 percent) die we naar geografische origine konden situeren, waren er 43 (59 percent) afkomstig uit de Waalse gewesten. Doornik was daarbij met 21 eenheden veruit het sterkst vertegenwoordigd. Het hertogdom Brabant en het graafschap Vlaanderen volgden op ruime afstand met respectievelijk dertien en zes vervolgden. Van de dertien Brabanders waren er slechts twee afkomstig uit Antwerpen. Verder treffen we nog vier vervolgde calvinisten aan uit de Noord-Nederlandse gewesten en telkens één uit Engeland en Frankrijk.

Dat de calvinistische Kerk van Antwerpen een centrale positie bleef bekleden, blijkt eveneens uit haar betrokkenheid bij de politieke verzetsbeweging, al moeten we het in dat verband doorgaans stellen met vage verwijzingen. In de herberg van Jean le Grain, een spilfiguur in de Franstalige gemeente, werden in 1568 mogelijk soldaten geronseld voor het leger van Willem van Oranje.58 In het najaar van 1568 ging het gerucht dat Oranje de predikanten Herman Moded en Pieter Datheen naar Antwerpen gezonden had om het volk aan te zetten tot opstandigheid.59 We kunnen dit bericht moeilijk controleren, maar het is toch opvallend dat rond dezelfde tijd de magistraat een premie van 25 gulden uitschreef voor eenieder die inlichtin-

[p. 195]

aant.
gen kon verschaffen over diegenen die bij de Meirbrug ‘onder het volk uytgegeven hebben sekere gedrukte billetjens oft briefkens tenderende om het gemeyn volk tot oproer ende misverstand te brengen’.60 Eveneens in het najaar van 1568 was in de schoot van de calvinistische Kerk een ondergronds netwerk van kopiisten werkzaam dat verboden ‘billetten’ of ‘libellen’ verspreidde, en Hans van Vossenhole exploiteerde een clandestiene drukkerij.61 Bijzonder intrigerend zijn sommige gegevens over de rol die de calvinistische kerkenraad van Antwerpen speelde toen in 1572 enkele Zeeuwse steden voor Willem van Oranje veroverd werden. Op 4 mei 1572 zonden medestanders van de prins vanuit Veere Pieter Reygersbergh naar de kerkenraad van Antwerpen om inlichtingen in te winnen over Willem van Oranje en de plannen van de vijand.62 Rond diezelfde tijd deed Charles de Beaulieu, een in Antwerpen woonachtige agent van Oranje, ‘groote naersticheyt met die vande consistorie van Antwerpen, om die van Vlessingen te versien van soldaten ende wapenen van oorloghe’.63 Dergelijke losse gegevens wijzen erop dat de kerkenraad van Antwerpen op dat moment een gewichtige plaats innam, niet alleen in religieus maar ook in politiek opzicht.

Antwerps Calvinisme in ballingschap: de vluchtelingenkerken

Begin juli 1570 besloot de Nederlandstalige Kerk van Maidstone uit solidariteit met de vervolgde geloofsgenoten in Antwerpen en elders een vastendag te organiseren. Ze vroeg de kerkenraad van de zusterkerk in Londen hetzelfde te doen.64 Dit is slechts één illustratie van de geestelijke en materiële steun die de vluchtelingengemeenschappen verleenden aan de kerken onder het kruis in het moederland. Anderzijds betekende de immigratie van talrijke Antwerpse calvinisten een aanzienlijke versterking voor diezelfde vluchtelingenkerken.

Om verscheidene redenen was het onzekere lot van de Antwerpse gemeenten onder het kruis nauw verbonden met dat van de vluchtelingenkerken. Ten eerste vonden de door de repressie opgejaagde calvinisten in vele gevallen een veilig onderkomen in de vluchtelingengemeenschappen in Engeland en het Duitse Rijk. Daar ontmoetten ze niet zelden familieleden, vrienden of streekgenoten en konden ze terugvallen op een netwerk van sociale voorzieningen.65 Bovendien deden de calvinistische gemeenten van Antwerpen bij crisismomenten een beroep op de vrijgevigheid van de in ballingschap verblijvende broeders. Het onderhoud van predikanten en de ondersteuning van behoeftige gemeenteleden betekenden voor de ondergrondse kerken immers een zware last, te meer daar na het Wonderjaar de uitwijking van heel wat welgestelde calvinisten de financiële draagkracht

[p. 196]

van de gemeenten aanzienlijk verminderd had. Zo verzocht de kerkenraad van de Nederlandse gemeente in Antwerpen op 5 januari 1573 de zusterkerk van Londen om steun, omdat het onmogelijk was geworden de talrijke armen te onderhouden en de schulden af te betalen. De Kerk van Londen werd daarenboven gevraagd om eveneens een collecte aan te bevelen bij de Nederlandse geloofsgenoten in Norwich, Sandwich en andere plaatsen. Een goede twee maanden later kon de Londense kerkenraad 180 gulden en 30 pond sterling naar Antwerpen sturen.66 Nog hetzelfde jaar ontvingen de Nederlandse kerken van Frankfurt en Keulen een soortgelijk verzoek. De Keulse broeders besloten het Antwerpse verzoek eveneens voor te leggen aan de inheemse gereformeerde gemeenschap in Keulen en aan de gemeente van Duisburg.67 Ook in 1575 en 1576 werden in de vluchtelingengemeenschappen collectes gehouden ten behoeve van de Antwerpse Kerk.68 De manier waarop de financiële steun aan de Kerk van Antwerpen werd georganiseerd, toont tevens de centrale functie van enkele vluchtelingenkerken aan. Zo maakte de Kerk van Londen de behoeften van Antwerpen kenbaar aan de andere vluchtelingengemeenschappen, terwijl de Keulse Kerk hetzelfde deed in haar regio. Bij de distributie van de gecollecteerde gelden, die gewoonlijk via de geëigende commerciële kanalen naar de Antwerpse metropool werden gestuurd, komt dan weer de centrale positie van Antwerpen binnen Brabant naar voor. De gemeenteleiders van de Antwerpse Kerk zorgden ervoor dat de behoeftige broeders van 's-Hertogenbosch hun deel kregen van het ingezamelde geld.

De vluchtelingenkerken waren voor de kerken onder het kruis verder van groot belang als opleidings- en uitzendplaatsen van predikanten. Van de tien geïdentificeerde dienaars des Woords die verbonden waren aan de Nederlandstalige Kerk van Antwerpen, hadden er zeven voor of na hun verblijf in een vluchtelingengemeenschap verbleven. Voor het Nederlandstalige calvinisme van de eerste generatie mag het belang van de vluchtelingenkerken als trainingscentra voor toekomstige predikanten niet onderschat worden. In welke mate de kerken van Londen, Sandwich, Emden, Frankenthal en andere in staat waren te voldoen aan de geregelde verzoeken van Antwerpen om ‘eenen trouwen, gheleerden ende ervaren Dienaer des Godlicken Worts’ te sturen, valt in vele gevallen niet meer uit te maken.69 Ten slotte richtten de Antwerpse kerkleiders zich geregeld voor advies tot de vluchtelingenkerken wanneer zich bij de uitbouw van de ondergrondse gemeente problemen voordeden. De voorgelegde vragen konden gaan over de houding die men diende aan te nemen tegenover individuele broeders70, of konden worden geformuleerd wanneer verdeeldheid binnen de gemeente dreigde. Dit laatste kwam op pijnlijke wijze tot uiting bij de scheuring die zich in 1575 in de Nederlandse Kerk voordeed. De kerkenraden van zowel de Nederlandstalige als de Franstalige gemeente wendden zich toen tot hun geloofsgenoten in Londen.71

[p. 197]

De wellicht enkele duizenden calvinisten die vanaf het einde van het Wonderjaar Antwerpen verlieten, zijn slechts zeer gedeeltelijk te lokaliseren in de verschillende vluchtelingencentra. De bronnensituatie is niet altijd even gunstig als voor Londen. Voor die stad bieden de tellingen van de vreemdelingen in 1568 en 1571, waarbij meestal de gezinssamenstelling, het beroep, de plaats van herkomst en de kerk waartoe men behoorde, geregistreerd werden, een onverhoopt rijke bron.72 Voor andere plaatsen dienen we ons te behelpen met occasioneel bewaarde lidmatenlijsten, doop- en huwelijksregisters, kerkenraadsacta en diaconierekeningen. Een vrij representatief beeld van de emigratie van Antwerpse calvinisten verkrijgen we wanneer we de gegevens voor de 370 calvinisten die in de periode 1567-1577 vervolgd werden, in kaart brengen. Van 106 onder hen (29 percent) konden we met zekerheid hun vestigingsplaats(en) achterhalen. In totaal kwamen we tot 140 plaatsvermeldingen, die we in tabel 8.2 gegroepeerd hebben.73

Op grond van deze gegevens kunnen we reeds een aantal voorlopige vaststellingen formuleren. In totaal wordt Engeland 44 maal (31 percent van alle gevallen) vermeld als toevluchtsoord, het Duitse Rijk 68 maal (49 percent). In Engeland vormde Londen met dertig eenheden veruit de grootste aantrekkingspool voor uitgeweken Antwerpse calvinisten. In het Duitse Rijk treden vooral het gebied van de Beneden-Rijn (35 vermeldingen) en de Palts (22 vermeldingen) op de voorgrond. Dat Emden slechts negenmaal vermeld wordt als vluchtoord voor uitgeweken Antwerpse calvinisten, kan verbazing wekken, aangezien de Kerk van Antwerpen vóór het Wonderjaar bijzonder nauwe relaties onderhield met de broeders uit de Oost-Friese stad. Dit is een kwantitatieve bevestiging van de vaststelling van Andrew Pettegree dat de omvang van het Antwerpse contingent in Emden vanaf 1568 duidelijk terugliep.74 De emigratie naar de Zwitserse steden mag in numeriek opzicht (7 vermeldingen) beperkt genoemd worden. Het belang van Bazel en Genève reikte dankzij hun hogescholen echter aanzienlijk verder dan het aantal vervolgde Antwerpenaars dat er een toevlucht vond, laat vermoeden, een vaststelling die eveneens geldt voor de universiteitsstad Heidelberg. Vanaf 1572 kwamen ook de opstandige delen van de provincies Holland en Zeeland als toevluchtsoorden in aanmerking (20 vermeldingen).75

Het leven in ballingschap, verwijderd van hun familieleden en hun vertrouwde omgeving, zal voor vele vluchtelingen ongetwijfeld pijnlijk geweest zijn. Toch gingen de contacten tussen vluchtoord en vaderstad niet volledig verloren. Uit de reeds vermelde brievenverzameling van een gearresteerd schipper blijkt hoe geloofsgenoten in Engeland en in de Nederlanden via allerlei netwerken nieuws uitwisselden en bij gelegenheid de oversteek naar het vasteland maakten om verwanten te bezoeken of zakelij-

[p. 198]

Tabel 8.2: Vestigingsplaatsen van vervolgde Antwerpse calvinisten, 1567-1577

Engeland:        
  zonder specifieke plaats 6 Sandwich 1
  Londen 30 Southampton 2
  Norwich 3 Dover 2
         
Duitse Rijk        
  zonder specifieke plaats 2 Palts  
  Oost-Friesland   zonder specifieke plaats 1
  Emden 9 Heidelberg 3
  Beneden-Rijn   Frankenthal 4
  Wezel 13 Neustadt 1
  Goch 4 Schönau 1
  Gennep 1 Frankfurt 12
  Keulen 13    
  Duisburg 2    
  Land van Kleef 2    
         
Zwitserland        
  Bazel 5    
  Genève 2    
Holland-Zeeland        
  zonder specifieke plaats 13 Dordrecht 2
  Middelburg 4 Rotterdam 1
Zweden        
  zonder specifieke plaats 1    
Bron: Prosopografie.        

ke transacties te verrichten.76 Materiële bekommernissen hielden meer dan eens de contacten met de plaats van herkomst in stand. De Antwerpenaar Jan Pels, die eind 1571 wegens de religie naar Londen was gevlucht, leefde verder van zijn renten in de Nederlanden. Andere vluchtelingen maakten krachtens hun laatste wilsbeschikking geld en goederen over aan familieleden die in Antwerpen achtergebleven waren.77 Religieuze scheidingslijnen die dwars door eenzelfde familie liepen, konden dan weer de breuk met het thuisland verscherpen. Marcus Perez, die met zijn vrouw Ursula Lopez naar Bazel gevlucht was, had er het gezelschap van zijn kinderen Ludovicus, Martinus, Marcus, Isabella, Barbara, Ursula, Basilea, Anna en Jan, maar Marco, Antonio, Fernando en Louisa bleven in Antwerpen, waar zij onder de voogdij stonden van hun katholieke grootmoeder Louisa de Sigura en

[p. 199]

hun oom Louis Perez. Louisa, die tijdens het Wonderjaar gedoopt was in de calvinistische Kerk, werd reeds in mei 1567 herdoopt door de plebaan van de Onze-Lieve-Vrouwekerk.78 Dergelijke gevallen waren eerder uitzondering dan regel. Jacob Barlaeus, zoon van de Antwerpse griffier Lambert Barlaeus, sprak eind 1567 zijn vader moed in vanuit Emden. Met de hulp van God zouden ze de moeilijke tijden wel te boven komen. Wat later bracht hij enthousiast verslag uit over zijn vorderingen in de studie van het Hebreeuws, waarin hij door de geleerde Gentenaar Jacob Commelin onderwezen werd.79 Dat de ballingen goed ingelicht bleven over de toestand in de Nederlanden, bewijzen de brieven die Marcus Perez, Karel van Bombergen en Mattheus de Lannoy schreven vanuit Bazel, Neustadt en Heidelberg.80

In de ballingschap bleven de uitgeweken families uit Antwerpen nauw met elkaar verbonden en werden nieuwe contacten gelegd. In Frankenthal en Heidelberg waren vooraanstaande Antwerpse calvinisten samen met bekende predikanten uit de Nederlanden aanwezig bij doop- en huwelijksplechtigheden.81 Ook de huwelijksprotocollen van Emden en het doopboek van de Nederlandse kerk in Keulen illustreren de verwevenheid van de Antwerpse families en de relaties met gevluchte geloofsgenoten uit de Nederlanden.82 Vooral via geëmigreerde kooplieden en textielondernemers werd een netwerk van internationale contacten opgezet dat geloofsgenoten uit verafgelegen gemeenschappen met elkaar verbond. Vanuit Keulen bijvoorbeeld stonden leden van de families Resteau, Merman, le Bruyn, des Maistres, de Béhault en Godin in betrekking met verwanten en handelsvennoten verspreid over verschillende commerciële centra in Europa.83 Het gaat daarbij om koopliedenfamilies van Waalse oorsprong die sedert het midden van de zestiende eeuw permanente vertegenwoordigers hadden in Antwerpen, waar zij tijdens het Wonderjaar op de voorgrond traden in de calvinistische beweging.84 De vermogende kooplieden toonden overigens hun solidariteit met behoeftige geloofsgenoten. De Antwerpse koopman Baptista Oyens, in 1568 lid van de Italiaanse Kerk in Londen, stuurde in 1574 via Hamburg een som van 33 gulden naar de arme broeders in Emden. Hetzelfde jaar keerde de lakenhandelaar Jaspar Celosse vanuit Antwerpen terug naar Emden met een gift van vijftig gulden ten behoeve van de diaconie.85 Ook de Antwerpse grootkoopman Gillis Hooftman droeg vanuit de Scheldestad zijn steentje bij tot de ondersteuning van de Emdense armen.86 Dergelijke transacties werden vanzelfsprekend vergemakkelijkt door de commerciële contacten die een aantal vooraanstaande calvinisten vanuit Emden onderhield met Antwerpen.87

Het is opvallend hoe ook na 1585 de Antwerpse calvinisten met elkaar verbonden bleven in de emigrantenoorden. In de vluchtelingengemeenschappen van Keulen, Hamburg, Stade en Neu-Hanau merken we opnieuw

[p. 200]

de professionele en familiale verwevenheid, nu vaak van calvinisten uit de tweede en derde generatie.88 In vele gevallen ging het daarbij om families die al tijdens het Wonderjaar met elkaar in contact stonden en in de Scheldestad op de voorgrond traden. Als professor W. Brulez in een bekende bijdrage stelt dat de uitwijking van vele Antwerpse kooplieden een verlies was voor de Scheldestad maar een groot pluspunt betekende voor de commerciële ontwikkeling van Europa89, dan geldt dit mutatis mutandis ook voor de exodus van talrijke Antwerpse calvinisten. In verscheidene Engelse en Duitse steden hebben zij bijgedragen tot de uitbouw van calvinistische gemeenten, waarbij zij niet zelden verantwoordelijke functies bekleedden. Onrechtstreeks hebben zij op die manier ook het Duitse calvinisme gestimuleerd. Niet alleen door hun wijdvertakte verspreiding en relaties, maar ook door de contacten met geloofsgenoten uit andere landen en taalgebieden hebben de Antwerpse calvinisten in ballingschap bijgedragen tot de vorming van een internationaal calvinisme.90 De figuur van Marcus Perez is hiervan een mooie illustratie. Deze koopman-financier stond te Bazel in contact met kooplieden van internationale envergure91 en met geloofsvluchtelingen en humanisten uit de toenmalige Europese wereld.92 Perez wist te Bazel, net als de uit Antwerpen gevluchte zijdehandelaar Peter 't Serwouters, in de politieke, sociale en intellectuele elite van de stad te integreren.93

De universiteiten en academies van gereformeerde signatuur hebben eveneens een belangrijke bijdrage geleverd tot de internationalisering van de calvinistische beweging. In Heidelberg en Genève troffen studenten uit Antwerpen en de Nederlanden elkaar en legden zij contacten, ook met buitenlandse studiegenoten en professoren, die later bijzonder vruchtbaar konden zijn. In Heidelberg immatriculeerden trouwens lieden die op dat moment al tot de elite van het Nederlandse calvinisme behoorden. Denken we maar aan Mattheus de Lannoy, Peter van Aelst, Cornelis en Karel van Bombergen en Thomas van Thielt.94 Bovendien werden de mobiliteit en de contacten nog bevorderd doordat heel wat studenten meer dan één hogeschool bezochten. Jacob Barlaeus, die vóór het Wonderjaar aan de katholieke universiteiten van Leuven en Douai had verbleven, kreeg in 1568 privé-onderricht van Jacob Commelin in Emden, studeerde het daaropvolgende jaar in Bremen aan het Gymnasium Illustre, dat onder leiding stond van de Vlaamse emigrant Johannes Molanus, en voltooide in 1571 zijn peregrinatio calvinistica met zijn inschrijving aan de universiteit van Heidelberg.95 In het laatste kwart van de zestiende eeuw vinden we de Antwerpse studenten die aan de Geneefse academie studeerden, in de meeste gevallen ook terug in de inschrijvingsregisters van de universiteiten van Heidelberg en Leiden, terwijl sommigen ook de hogeschool van Herborn en de universiteit van Bazel frequenteerden.96

[p. 201]

Zowel de gemeenten onder het kruis te Antwerpen als de ballingen in de vluchtelingenkerken hebben een belangrijke bijdrage geleverd tot de ontwikkeling van het Antwerpse calvinisme. De ondergronds gedreven calvinistische Kerk had niet langer de omvang en de mogelijkheden die haar tijdens het Wonderjaar te beurt waren gevallen. Toch was het voor de toekomst uiterst belangrijk dat de continuïteit in het georganiseerde gereformeerde leven bewaard bleef. De Nederlandse en Franstalige kerken bleven beschikken over een gemeentestructuur met ouderlingen, diakens en weetdoeners, en nagenoeg permanent waren er predikanten aanwezig in de Scheldestad. De kerkelijke discipline, een van de kernstukken van het gereformeerde gemeenteleven, bleef gewaarborgd. Ten minste vanaf 1570 bekleedde Antwerpen weer de centrale plaats in het synodale netwerk van de ondergrondse kruiskerken in de Nederlanden. De numerieke aanhang die de calvinistische Kerk in de jaren 1567-1577 te Antwerpen kende, valt bij gebrek aan gegevens niet te achterhalen, maar het ging veeleer om een aantal honderden dan om enkele duizenden. Het is immers duidelijk dat alleen de harde kern van lidmaten bereid was de gevaren te trotseren die verbonden waren aan een ondergrondse kruiskerk. Alles wijst erop dat in deze periode meer Antwerpse calvinisten in de vluchtelingenoorden verbleven dan in de Scheldestad. Onder de emigranten treffen we de vooraanstaande families aan die tijdens het Wonderjaar leiding hadden gegeven aan de calvinistische beweging. Het contact met en de steun van deze geloofsgenoten in de ballingschap waren voor de ondergrondse gemeente in Antwerpen van essentieel belang.

Tijdens de periode van de Calvinistische Republiek (1578-1585) kende het calvinisme, mede dankzij de sterk gewijzigde politieke omstandigheden, een sterke expansie. Op enkele jaren tijd ontwikkelde zich een calvinistische Kerk met internationale uitstraling. Die snelle expansie was mede mogelijk doordat het calvinisme te Antwerpen kon terugvallen op structuren en op een organisatie die ook in de periode van repressie overeind waren gebleven. Tevens werd geprofiteerd van de ervaring die teruggekeerde calvinisten in de ballingschap hadden opgedaan. Het was allerminst toevallig dat Peter van Aelst, Mattheus de Lannoy en Cornelis Rethius, allen calvinisten van eerste rang met internationale contacten, werden teruggeroepen naar hun vaderstad om daar de ambten van burgemeester of schepen te bekleden.97

1Een Predicatie. Van dat cleyn Mostaert saeyken, [...], Antwerpen, Niclaas Mollijns, 1579.
2Crespin, Histoire des martyrs, iii, 590.
3Morillon aan Granvelle, 9, 24 en 30 mei 1567, in Corr. Granvelle, ii, 430, 472, 476.
4Meylan, ‘L'Église d'Anvers sous la terreur’, 73-85. De brieven in kwestie worden bewaard in bpug, Archives Tronchin, 1.
5Helmichius aan Callewaert, 3 juni 1567, in Meylan, ‘L'Église d' Anvers’, 79.
6Attestatie van 3 juni 1567, in Ibidem, 80-81.
7Helmichius aan Callewaert, Zierikzee, 2 september 1567, in Ibidem, 81-83.
8Kroniek G. van Haecht, ii, 14-15, en Antwerpsch Chronykje, 158, dat gewag maakt van 24 effectief gearresteerde burgers. Verheyden, Le Conseil des Troubles, 104-105.
9Antwerpsch Chronykje, 159. Van de zeventien calvinisten konden we er tien identificeren, onder wie acht afkomstig uit Doornik en één uit Valenciennes.
10Kroniek G. van Haecht, ii, 92-93.
11Antwerpsch Chronykje, 161. De brief van de magistraat aan Alva, 30 april 1568, samen met verscheidene getuigenverklaringen in ara, Aud., 267, fol. 63ro-67ro.
12Antwerpsch Chronykje, 191-192; Kroniek G. van Haecht, ii, 88-89; Papebrochius, Annales Antverpienses, iii, 156-157; kbb, Ms. 1824-32, fol. 42vo; saa, Pk., 108, fol. 59-60; een anonieme brief van 11 mei 1569 in ara, Raad van Beroerten, 16, fol. 5. Zie voor J. Vrancx Prosopografie, nr. 1029.
13Antwerpsch Chronykje, 192, en de brieven van de Antwerpse gedeputeerden aan de magistraat, 20 en 22 mei 1569, in Génard ed., ‘Personen’, in aa, xii, 380-381, en saa, Pk., 2396.
14Van Haemstede, Historie, fol. 467vo.
15De Nederlandse gemeente van Keulen was in de jaren zeventig onderverdeeld in negen kwartieren, die van Goch bij de inrichting in 1570 in twee, waaraan er na enkele jaren nog eens twee werden toegevoegd. De Nederlandse Kerk van Wezel telde in 1574 vier kwartieren. Ennen, Geschichte der Stadt Köln, V, 326; Bösken, ‘Die Niederländische Flüchtlingsgemeinde zu Goch’, 198; Simons, Niederrheinisches Synodal- und Gemeindeleben ‘unter dem Kreuz’, 18-19; Van Booma en Van der Gouw eds., Communio et mater fidelium, 158.
16Gebaseerd op de prosopografie van predikanten in Marnef, Antwerpen in Reformatietijd, appendix I.
17Zie de brief van Haren aan Théodore de Bèze, Straatsburg, 30 oktober 1576, in Bibliothèque Nationale, Collection Dupuy, 104, fol. 62ro-64ro.
18Kroniek G. van Haecht, ii, 35.
19Ten Boom, De reformatie in Rotterdam 1530-1585, 167. Zie ook Goeters ed., Die Beschlüsse, 1, art. 1.
20Kist ed., ‘De synoden’, 128, art. 14. Vergelijk Mack Crew, Calvinist Preaching, 2, 59-60, 162-167, die een onderscheid maakt tussen ‘ministers’ en ‘lay preachers’.
21Livre synodal, I, 29, art. 17 van de particuliere vragen van de provinciale synode te Antwerpen, 2 februari 1576.
22Brief van 17 september 1573 vanuit Neustadt, gericht aan Theodor Zwinger, in Universitätsbibliothek Basel, Frey-Grynaeum, ii-8, nr. 197.
23Alva aan Juan de Vargas en Luis del Rio, 25 november 1568, en J. de Vargas aan Alva, 1 december 1568, in ara, Aud., 269, fol. 135, 156ro-157ro.
24Gebaseerd op de prosopografie in Marnef, Antwerpen in Reformatietijd, ii, appendix ii. Onder de 42 tellen we 23 ouderlingen, elf diakens en acht weetdoeners.
25Van Haemstede, Historie, fol. 467. De lijst met verbannen ambtsdragers, 26 september 1571, in Génard ed., ‘Ordonnantien’, in aa, ii, 469-470.

26Kerkenraad Nederlandse gemeente Maidstone aan kerkenraad Nederlandse gemeente Londen, 5 juli 1570, gebaseerd op berichten van gevluchte calvinisten, in Hessels ed., Ecclesiae, iii-1, 105.
27Brief aan de Nederlandse Kerk van Londen, in Ibidem, 148-149. Een brief van gelijke teneur van Adriaan de Bleickere aan predikant Jan de Coninck te Londen, 13 oktober 1571, in Ibidem, 149-150.
28Kerkenraad Nederlandse gemeente aan Nederlandse Kerk Londen [1572], in Hessels ed., Ecclesiae, ii, p. 400-401.
29Zie de kerkenraadsacta Emden sub 29 september en 27 december 1569 (kpe, I, 370); kerkenraadsacta Dordrecht sub 31 maart 1577 (Jensma ed., Uw Rijk kome, 75) over een echtpaar dat zijn kinderen te Antwerpen katholiek heeft laten dopen; acta classis van Brabant, 27 december 1572, art. 1, over dopen ‘in de papisterie’ (Livre synodal, I, 25).
30Zie de kerkenraadsacta van de Nederlandse Kerk te Frankfurt, 17 augustus 1572, in Meinert en Dahmer eds., Das Protokolbuch der Niederländischen Reformierten Gemeinde, 110. Zie voor huwelijksproblemen ook de vragen voorgelegd door de Franse Kerk van Antwerpen op de algemene synode van Emden in 1571 (art. 18 en 19), in Goeters ed., Die Akten der Synode der Niederländischen Kirchen zu Emden, 66-68.
31Kerkenraadsacta Emden sub 20 februari 1570, in kpe, I, 375.
32Zie de problemen rond Philips van Roy (Prosopografie, nr. 841) die in 1574 te Antwerpen van het Pardon had genoten. Dit zorgde tot 1577 voor problemen in de calvinistische Kerk van Dordrecht. Jensma ed., Uw Rijk kome, 27, 30-31, 43-44, 47-48, 87. Cf. ook de acta van de synode van 2 februari 1576, art. 10 van de particuliere vragen, in Livre synodal, I, 28.
33kpe, I, 363-364, 29 september 1569.
34Goeters ed., Die Akten Emden, 64, art. 15. Zie voor concrete voorbeelden ook de antwoorden op de particuliere vragen voorgelegd door de Franse Kerk van Antwerpen op de synode van Emden en op de synode van 2 februari 1576. Ibidem, 68, art. 20, en Livre synodal, I, 30, art. 26.
35Zie voor een recente status quaestionis over de kerkelijke discipline Schilling, ‘Die Kirchenzucht im frühneuzeitlichen Europa’, 11-40.
36Zie voor dit conflict Marnef, ‘De gereformeerde wortels’. H. de Ries (†1638) en A. Verspeck (†1612) stonden gedurende vele jaren aan het hoofd van de Waterlandse congregatie, respectievelijk te Alkmaar en Amsterdam.
37Pettegree, Emden and the Dutch Revolt, 174-176; Decavele, ‘Het herstel van het Calvinisme in Vlaanderen’, 10-11.
38Verheyden ed., ‘Une correspondance inédite’, 95-257. De 79 brieven die door Verheyden werden uitgegeven, waren in het bezit van een in 1571 gearresteerd schipper. Zie ook Pettegree, Foreign Protestant Communities, 223.
39Over deze twee kerkvergaderingen bestaat een uitgebreide literatuur. Een goed overzicht in Spiertz en Janssen, Gids voor de studie van Reformatie, 268-273.
40De ‘besluiten’ van het Convent van Wezel in Goeters ed., Die Beschlüsse.
41Zie bv. Fruin, ‘De voorbereiding in de ballingschap’, 258; Goeters, ‘Der Weseler Konvent niederländischer Flüchtlinge’, 92; Hollweg, ‘Die Nachwirkungen der Weseler Konventsbeschlüsse’, 140.
42Van Dooren, ‘Der Weseler Konvent 1568’, 41-55. De argumenten pro Wezel (1568) in Booma en van der Gouw eds., Communio et mater fidelium, 16-17, 161, zijn niet overtuigend.
43Boersma, Vluchtig voorbeeld, 197-206.
44Het te Heidelberg opgestelde schrijven in Gerlo en De Smet eds., Marnixi epistulae, I, 114-137.
45Zie voor het belang van Heidelberg, waar Filips van Marnix tot eind 1570 of begin 1571 aan het hof van de keurvorst verbleef en Pieter Datheen vanaf eind 1569 als hofpredikant fungeerde, Nauta, ‘De synode van Emden (1571)’, 76-94.
46Frost, ‘Die Synode zu Bedburg am 3. und 4. Juli 1571’, 33-82, speciaal 59-64; Van Roosbroeck, Emigranten. Nederlandse vluchtelingen in Duitsland, 66-75; Janssen en Van Toorenenbergen eds., Acten van Classicale en Synodale Vergaderingen der verstrooide gemeenten in het land van Cleef, 3-7.
47Zie vorige noot en Woltjer, ‘De politieke betekenis’, 46.
48De acta van de synode in Goeters ed., Die Akten der Synode, 14-88, de lijst van deelnemers aldaar p. 88.
49Zie vooral Woltjer, ‘De politieke betekenis’, Van 't Spijker, ‘Stromingen onder de reformatorisch gezinden’, en Nauta, ‘De synode van Emden’.
50Goeters ed., Die Akten, 18, 20.
51Livre synodal, I, 13-14, 25-26.
52Ibidem, 25.
53Ibidem, 25-31.
54Knetsch, ‘De nationale synode te Dordrecht 1578’, 53-67.
55Zie de Nederlandse Kerk van Antwerpen aan de Kerk van Emden, 26 april 1573, en aan de Nederlandse Kerk van Londen, in Janssen en Van Toorenenbergen eds., Brieven uit onderscheidene, 11, en Hessels ed., Ecclesiae, iii-1, 223.
56Raad van Beroerten aan Alva, 3 maart 1573, in ara, Aud., 1696/2, los stuk; Crespin, Histoire des martyrs, 638.
57Brief van de Raad van Beroerten aan Alva, 3 maart 1573, vermeld in vorige noot.
58Crespin, Histoire des martyrs, 599.
59Alva aan Juan de Vargas en Luis del Rio, 25 november 1568, in ara, Aud., 269, fol. 135ro.
60Proclamatie van 13 oktober en 10 november 1568, in Génard ed., ‘Index der gebodboeken’, in aa, I, 292-293.
61Zie voor deze gegevens Marnef, ‘Repressie en censuur’, 223.
62Van Iperen, Tweehonderdjarig jubel-feest der Nederlandsche vryheid, 182. Reygersbergh speelde in Veere een belangrijke politieke rol. Cf. ook Woltjer, ‘De Vrede-makers’, 74.
63Verklaring afgelegd op 26 januari 1581 voor de schepenen van Delft door Henry Fievet, in saa, Collectie ‘Autographes’, 18, fol. 75vo.

64Brief van 5 juli 1570, in Hessels ed., Ecclesiae, iii-1, 105.
65Zie voor Londen Pettegree, Foreign Protestant Communities, 198-214, en voor Emden Van Toorenenbergen ed., Stukken betreffende de diaconie, passim, en Pettegree, Emden and the Dutch Revolt, 155-156, 169-170.
66Hessels ed., Ecclesiae, iii-1, 188-189; Jelsma en Boersma eds., Acta van het consistorie, 316, 326-327.
67Meinert en Dahmer eds., Das Protokollbuch Frankfurt am Main, 122-123; Janssen en Van Toorenenbergen eds., Handelingen Keulen, 58; Simons ed., Kölnische Konsistorial-Beschlüsse, 62.
68Voor 1575 te Londen, Norwich en Sandwich (collecte eveneens gehouden voor 's-Hertogenbosch): Jelsma en Boersma eds., Acta, 459, 462 (kerkenraadsacta, 14 april en 1 mei 1575); Hessels ed., Ecclesiae, iii-1, 301-302, 310-311. Voor 1576 te Emden en te Keulen: kpe, ii, 603, 631, 643 (kerkenraadsacta 19 maart, 6 augustus en 29 oktober 1576); Nederlandse Kerk van Antwerpen aan Kerk van Emden, 9 mei en 12 juli 1576, in aerke, 320A, nr. 24, en Meiners, Oostvrieschlandts, ii, 142-143; Simons ed., Kölnische Konsistorial-Beschlüsse, 108-109, 125 (kerkenraadsacta, 12 en 26 februari en 25 november 1576).
69Verzoeken, steeds uitgaand van de Nederlandse Kerk van Antwerpen, aan Londen: Hessels ed., Ecclesiae, iii-1, 222-223, 16 mei 1575; Jelsma en Boersma eds., Acta, 462, kerkenraad 1 en 2 mei 1575, met besluit het verzoek eveneens over te maken aan Sandwich en Maidstone. Aan Sandwich: Hessels ed., Ecclesiae, iii-1, 303-304, 16 mei 1575. Aan Emden: Janssen en Van Toorenenbergen eds., Brieven, 10-12, 26 april 1573; Meiners, Oostvrieschlandts, ii, 43, 12 juli 1576; kpe, ii, 631, 6 augustus 1576. Aan Frankenthal: Universitätsbibliothek Basel, Frey-Gryneaum, ii-8, nr. 197, vermelding in brief van Karel van Bombergen aan Theodor Zwinger, 17 september 1573.
70Voorbeelden uit de kerkenraadsprotocollen van Emden in kpe, I, 338, 389, 434, sub 7 februari 1569 (over een huwelijksprobleem), sub 17 juli 1570 (over een echtscheiding) en sub 25 februari 1572 (vier vragen door Antwerpen voorgelegd, inhoud niet gespecificeerd).
71Marnef, ‘De gereformeerde wortels’.
72Zie voor Engeland het nuttige overzicht van Denis, ‘Bibliographie de l'histoire démographique’.
73Gebaseerd op de prosopografische gegevens in Prosopografie. Omdat een aantal calvinisten in meer dan één vluchtelingenoord verbleef, ligt het aantal plaatsvermeldingen hoger dan 106.
74Pettegree, ‘The Exile Churches’, 204-205, 209.
75Een uitvoerig overzicht van de Antwerpse aanwezigheid in de diverse vluchtelingencentra in Marnef, Antwerpen in Reformatietijd, I, 307-320.

76Verheyden ed., ‘Une correspondance inédite’, passim.
77Kirk en Kirk eds., Returns, ii, 33, en Pettegree, Foreign Protestant, 230-231, 233.
78saa, Weeskamer, 12, en saa, Parochieregisters, 6, fol. 96ro. Cf. ook Prims, ‘Het dochtertje van Ursula Lopez’.
79Brieven vanuit Emden, 29 november 1567 en 31 januari 1568, in Gemeentebibliotheek Rotterdam, Remonstrants gereformeerde gemeente Rotterdam, Ms. 2155 en 2156. De brieven werden veiligheidshalve ondertekend met de initialen j.b. en gericht aan l.b., maar vergelijking met de brieven van Jacob Barlaeus in Museum Plantin-Moretus Antwerpen, Ms. M 62, maakte de identificatie makkelijk. Zie voor Jacob Barlaeus († 1603) nnbw, ii, 71, en voor de Gentenaar Jacob Commelin, student te Heidelberg en Genève (1566), in oktober 1567 te Frankfurt en vanaf eind 1567 of begin 1568 te Emden, Decavele, De dageraad, I, 330, aan te vullen met bpug, Archives Tronchin, 1, fol. 68, 84 ro.
80Vooral M. Perez aan Hubert Languet, 31 mei 1570 en 4 februari 1572, in Staatsarchiv Zürich, E ii 368, fol. 618ro-619ro, 638; K. van Bombergen aan Theodore Zwinger, 17 september 1573, in Universitätsbibliothek Basel, Frey-Gryneaum, ii-8, nr. 197; M. de Lannoy aan Th. de Bèze, 4 april 1573, in bpug, Archives Tronchin, 5, fol. 168ro-169vo.
81Von den Velden ed., Das Kirchenbuch der französischen-reformierten Gemeinde zu Heidelberg und Frankenthal, 1-4, 30-34; Id. ed., Registres de l' Eglise Réformée Néerlandaise de Frankenthal, I, 3, 8.
82Stadtarchiv Emden, Eheprotokolle, x-xii, xv, en Stadtarchiv Köln, Kirchenbücher, 224.
83Thimme, ‘Der Handel Kölns am Ende des 16. Jahrhunderts’, 453-454, 460-462.
84Zie de namenlijsten in Van der Essen, ‘Les progrès’, 209-226, en de hier vermelde familienamen in Prosopografie.
85Van Toorenenbergen ed., Stukken, 41; Kirk en Kirk eds., Returns, I, 388, en iii, 405.
86Van Toorenenbergen ed., Stukken, 33, vermelding in 1573.
87Hagedorn, Ostfrieslands Handel und Schiffahrt im 16. Jahrhundert, 125-126, 207, 213-214, met verwijzing naar de families du Gardin, de Visscher en Celosse. Cf. ook saa, Cert., 14, fol. 208ro (1559) en saa, Cert., 25, fol. 166ro (1566).
88Stadtarchiv Köln, Kirchenbücher, 221 (doop- en trouwboek Waalse gemeente vanaf 1600) en Archiv Evangelische Gemeinde Köln, Lidmatenregister Nederlandse Kerk; Sillem, ‘Zur Geschichte der Niederländer in Hamburg’, 541-542, 571; Beneke, ‘Zur Geschichte der nichtlutherischen Christen in Hamburg’, 338-339, 342-343; Sillem, ‘Die wallonische Gemeinde in Stade’, 14-16, 26-28; Bott, Gründung und Anfänge der Neustadt Hanau, 2 dln., passim.
89Brulez, ‘De diaspora der Antwerpse kooplui’.
90Vergelijk Grell, ‘Merchants and ministers’, 254-273.
91Zie bv. Perez aan Hubert Languet, 28 april 1570, in Staatsarchiv Zürich, E ii 368, fol. 609, waaruit blijkt dat hij berichten ontving uit Venetië, Lyon en Spanje. Zie voor contacten met kooplieden uit Frankfurt en Nürnberg, zijn staat van goed uit 1579, in saa, Weeskamer, 12.
92Vele voorbeelden in Gilly, Spanien und der Basler Buchdruck, 233-235, 409-415, 424-425, en Forster, Christoffel van Sichem in Basel, 21-23, met dank aan dr. Carlos Gilly die me op dit laatste boek attent maakte. Namen van geleerden en boekdrukkers ook in saa, Weeskamer, 12.
93Gilly, Spanien, 410-411, en Forster, Christoffel van Sichem, 16-17.
94De Vries, Genève pépinière du calvinisme hollandais, I, 47-49; De Wal, ‘Nederlanders te Heidelberg’, 49-67. M. de Lannoy en P. van Aelst werden na hun immatriculatie te Heidelberg resp. hoogleraar in de ethiek en in de rechten. Zie voor de goede relaties van M. de Lannoy en T. van Thielt met Théodore de Bèze Aubert e.a. eds., Correspondance de Théodore de Bèze, xiii en xiv, passim, en bpug, Archives Tronchin, 5, fol. 168ro-169vo.
95Zie de brieven vermeld in noot 79 en De Boer en Ritter, ‘Briefe zur ostfriesischen Reformationsgeschichte’, 212; De Wal, ‘Nederlanders’, 63; Museum Plantin-Moretus Antwerpen, Ms. M 62; saa, Pk., 657, fol. 15ro.
96S. Stelling-Michaud, Le livre du recteur de l'Académie de Genève, vol. ii-vi, passim. De calvinistische hogeschool van Herborn in het graafschap Nassau-Dillenburg was opgericht in 1584.
97Dit alles zullen we nader uitwerken in een boek over de Calvinistische Republiek te Antwerpen. Zie voorlopig Marnef, ‘The Changing Face of Calvinism in Antwerp’, 156-158.
prepostterug  begin  verder