terug  begin  verderprepost
[p. 225]

Hoofdstuk 10
De protestantse gemeenschap doorgelicht: een sociocultureel portret

[p. 226]



illustratie
Titelpagina van Den Bybel, gedrukt door Jan van Liesvelt te Antwerpen in 1542. (Antwerpen, Stedelijk Prentenkabinet)

[p. 227]

Na het Wonderjaar wijzigden de omstandigheden drastisch voor de calvinistische gemeenschap in Antwerpen. Het is daarbij de vraag in welke mate de evolutie van relatieve vrijheid naar harde repressie de rekrutering van de calvinistische beweging beïnvloedde. We zullen daarom de socioprofessionele situatie van de calvinisten uit 1567-1577 vergelijken met die van hun geloofsgenoten uit het Wonderjaar. Hierbij aansluitend verdient ook de geografische spreiding van de Antwerpse calvinisten over de stedelijke ruimte aandacht. De doopsgezinden leerden we in het vorige hoofdstuk kennen als een zelfbewuste groep die zich vrijwillig aan de rand van de gevestigde samenleving plaatste. Het is een voor de hand liggende vraag of deze afgescheiden gemeenschap ook een specifiek sociaal profiel vertoonde. Ten slotte zullen we aan de hand van enkele parameters peilen naar de culturele leefwereld van de vervolgde calvinisten en doopsgezinden.

De Calvinistische gemeenschap

Tijdens het Wonderjaar onderging de sociale compositie van de calvinistische gemeenschap grondige wijzigingen. Kooplieden van formaat en vertegenwoordigers van intellectuele beroepen traden op de voorgrond en namen de leiding van de beweging in handen. Toen de calvinisten in het voorjaar van 1567 de krachtmeting met het centrale regeringsgezag verloren en de repressie zich aankondigde, trokken de vooraanstaande figuren van het Antwerpse calvinisme, samen met vele geloofsgenoten, naar de ballingenoorden in het buitenland. De professionele structuur van diegenen die bleven en tot de ondergrondse gemeente behoorden, reconstrueerden we door het beroep na te gaan van de calvinisten die in de periode 1567-1577 vervolgd werden.1 Uit deze analyse blijkt dat zich in vergelijking

[p. 228]

Tabel 10.1: Vermogenspositie van de Antwerpse calvinisten, 1567-1577

  vermogenscategorie aantal personen %
I geen goederen 59 57,8
II 1-99 gl. 21 20,6
III 100-199 gl. 9 8,8
IV 200-999 gl. 11 10,8
V > 1.000 gl. 2 2,0
totaal   102  
Bron: Prosopografie.      

met het Wonderjaar belangrijke verschuivingen hebben voorgedaan. De commerciële sector en de intellectuele beroepen die tijdens het Wonderjaar domineerden met respectievelijk 54 en 26 percent, vallen nu scherp terug tot 22 en 5 percent. De ambachtelijke beroepen stijgen daarentegen van twaalf naar vijftig percent. Verder is de kunstnijverheid goed voor negen percent, en de acht vervolgde predikanten vertegenwoordigen acht percent, (zie verder, tabel 10.2). Het contrast met het Wonderjaar blijkt ook uit de vermogenspositie van de vervolgde calvinisten. 102 gereformeerden uit de periode 1567-1577 (52 percent) kunnen we in dit opzicht situeren (zie tabel 10.1). Ook hier geldt dat de confiscatieregisters een onvolledig beeld bieden van het globale bezit, maar dit neemt niet weg dat de meegedeelde bedragen een relevante orde van grootte aanduiden.2 De bezitlozen waren in de periode 1567-1577 duidelijk in de meerderheid. Ook wanneer we aannemen dat een aantal gearresteerde of verbannen calvinisten - of hun familieleden - erin slaagden hun goederen geheel of gedeeltelijk in veiligheid te brengen, dit verandert niets aan het fundamentele verschil met de vermogenspositie van hun vervolgde geloofsgenoten uit het Wonderjaar. Toen beschikte 66 percent over een vermogen van duizend gulden en meer (zie tabel 6.2). Nu overschrijden slechts twee personen deze grens, de koopman Guillaume Touwaert met 1.425 gulden en de advocaat Jeronimus Vrancx met 1.745 gulden. Van de dertien calvinisten met een vermogen van tweehonderd gulden en meer konden we er tien naar beroep identificeren. We tellen onder hen zes vertegenwoordigers uit de commerciële sector en verder een kleermaker, een goudsmid, een passementwerker en een advocaat.

De gegevens over de professionele situatie van de vervolgde Antwerpse calvinisten uit de periode 1567-1577 komen beter tot hun recht wanneer we ze in een ruimer comparatief verband plaatsen. In tabel 10.2 hebben we de gegevens samengebracht met betrekking tot de vervolgde calvinisten uit 1550-1566, uit het Wonderjaar en uit 1567-1577. Voor de jaren 1567-1577 hebben we hieraan nog een extra controlegroep toegevoegd, gevormd door 199 uit Antwerpen afkomstige calvinisten die in deze periode een onderko-

[p. 229]

Tabel 10.2: Professionele structuur van het Antwerpse calvinisme, 1550-1585. Relatieve verdeling over diverse beroepscategorieën

beroepscategorie Antw. Antw. Antw.
1550-1566 N=68 Wonderjaar N=103 1567-1577 N=99
ambachtelijke beroepen 48,5 11,6 50,2
kunstnijverheid 16,1 2,9 9,0
intellectuele beroepen 4,4 26,2 5,0
handel en transport 22,0 54,3 23,2
overheid/ administratie 1,4 0,9 -
kerkelijke ambten 7,3 - 8,0
militairen - 0,9 -
overige - 2,9 4,0
beroepscategorie Londen Antw. Antw.
1567-1577 N=202 1584-1585 N=2.088 1584-1585 globaal
ambachtelijke beroepen 41,5 49,2 47,8
kunstnijverheid 17,3 4,9 4,6
intellectuele beroepen 7,9 2,4 3,0
handel en transport 29,7 38,0 38,6
overheid/ administratie - 2,1 3,1
kerkelijke ambten - 0,5 0,3
militairen - 0,2 0,8
overige 3,4 1,2 1,2
Bron: Prosopografie; Marnef, Antwerpen in Reformatietijd, ii, bijlage 7; Van Roey, De sociale structuur, Id., ‘De correlatie’, 241-243.      

men hadden gevonden in een van de Londense vluchtelingenkerken.3 Onze keuze viel niet alleen op Londen vanwege het gunstige bronnenbestand. Even belangrijk was dat deze grootstad net als Antwerpen een gevarieerde beroepsstructuur bezat.4 Steden met een tamelijk eenzijdige tewerkstelling of die bewust vertegenwoordigers uit specifieke nijverheidstakken aantrokken, zouden vanuit professioneel oogpunt immers geen representatief beeld opleveren van de calvinistische vluchtelingen. Ten slotte hebben we in tabel 10.2 ook de professionele structuur van het Antwerpse calvinisme op het einde van de Calvinistische Republiek (1584-1585) in beeld gebracht5, evenals de globale beroepsstructuur die Antwerpen op dat moment vertoonde.

De gegevens die betrekking hebben op de jaren 1550-1566 en 1567-1577 en op de Londense vluchtelingenkerken, vertegenwoordigen een periode

[p. 230]

van religievervolging en ballingschap, de gegevens met betrekking tot het Wonderjaar en de Calvinistische Republiek daarentegen een periode van religievrijheid. Alvorens nader in te gaan op de professionele rekrutering van het Antwerpse calvinisme, kunnen we aan de hand van tabel 10.2 reeds wijzen op enkele merkwaardige vaststellingen. De beroepsstructuur blijkt in de jaren 1550-1566 en 1567-1577 ongeveer dezelfde samenstelling te vertonen, althans wanneer we de ruime categorieën waarin we de diverse beroepstakken onderbrachten, met elkaar vergelijken. De kunstnijverheid was in de eerste fase met zestien percent wel aanzienlijk sterker vertegenwoordigd. De groep van Antwerpse calvinisten in Londen bevestigt in professioneel opzicht de voornaamste trends uit de twee perioden van religievervolging. De categorie ‘kerkelijke ambten’ is in Londen niet vertegenwoordigd, terwijl zij in Antwerpen met acht percent een opvallend hoge score behaalde. Dit verschil wordt echter verklaard door het feit dat de repressie in de Nederlanden de calvinistische predikanten speciaal op het oog had. De meest opvallende vaststelling die we uit tabel 10.2 kunnen afleiden, is wel dat de professionele situatie van de Antwerpse calvinisten uit het Wonderjaar geen enkele overeenkomst vertoont met die van de jaren ervoor en erna. Deze gegevens bevestigen op overtuigende wijze wat we reeds eerder aangaven, met name dat de Raad van Beroerten zich bij de bestraffing van de schuldigen van het Wonderjaar vooral concentreerde op diegenen die een leidinggevende rol hadden gespeeld in de protestantse en de opstandige beweging. We mogen deze gegevens dan ook niet extrapoleren tot de globale calvinistische gemeenschap. Dat de calvinistische gemeenschap in een periode van religievrijheid een ander beeld vertoont wanneer men over een veel ruimer gegevensbestand beschikt, blijkt uit de cijfers met betrekking tot 1584-1585. Wel moeten we er rekening mee houden dat de 2.088 naar beroep geïdentificeerde calvinisten niet allen even sterk aangegrepen waren door de calvinistische boodschap. Onder hen bevonden zich lidmaten die tot de kern van de calvinistische gemeente behoorden en anderen, de zogenaamde liefhebbers, die zich veel losser opstelden tegenover het calvinistische kerkverband.6 Daartegenover staat dat diegenen die in een periode van religievervolging de gevaren van een ondergrondse kruiskerk trotseerden, ongetwijfeld over een sterke geloofsovertuiging beschikten. Dit laatste geldt eveneens voor de calvinisten die in de ballingschap tot een vluchtelingenkerk behoorden. Gérard Moreau benadrukte terecht dat bij de keuze voor het protestantisme een complex samenspel van factoren en motivaties kon spelen, maar voegde eraan toe dat het godsdienstige element overheerste zolang de nieuwe religie een aangelegenheid was van een vervolgde minderheid. Toen de repressie wegviel en het protestantisme zijn aanhang op korte tijd sterk zag aangroeien, verminderde het gewicht van de religieuze factor in het keuzeproces.7 In Antwerpen was dit het geval tijdens

[p. 231]

het Wonderjaar en de periode van de Calvinistische Republiek (1578-1585), toen het calvinisme in een sterk gewijzigde politieke context kon uitgroeien tot een massabeweging. Om die reden zullen we in de nu volgende analyse vooral de professionele situatie uit de jaren 1550-1566 en 1567-1577 in ons overzicht betrekken. Deze twee perioden vallen overigens samen met het chronologische zwaartepunt van ons onderzoek. Men mag niet uit het oog verliezen dat ons materiaal gebaseerd is op een prosopografie van vervolgde calvinisten en dat de vervolgende overheid een gericht en selectief repressiebeleid kon voeren. De gegevens over de Antwerpse calvinisten in Londen bieden echter een dankbare controlemogelijkheid. Ten slotte moet worden beklemtoond dat we de professionele rekrutering van het calvinisme slechts adequaat kunnen evalueren wanneer we ze vergelijken met de globale beroepsstructuur van de actieve bevolking in Antwerpen.

Uit tabel 10.2 blijkt dat de ambachtelijke beroepen te Antwerpen in de twee perioden van religievervolging ongeveer de helft van de naar beroep geïdentificeerde calvinisten aantrokken. In 1584-1585 was dit percentage - gebaseerd op een veel ruimere populatie - nagenoeg identiek met 49 percent. De gegevens met betrekking tot Londen wijken enigszins af van deze trend met een aandeel van 41,5 percent. Wanneer we deze cijfers toetsen aan de globale beroepsstructuur, waarin de ambachtelijke beroepen goed zijn voor 47,8 percent, dan merken we dat de ambachtelijke sector bij de calvinisten in Antwerpen licht oververtegenwoordigd is, terwijl er in Londen een ondervertegenwoordiging is. Nadere conclusies kunnen we echter pas trekken wanneer we de ruime ambachtelijke categorie opsplitsen per beroepstak. De relatieve verhoudingen hebben we weergegeven in tabel 10.3. Uit deze gegevens blijkt dat de branche landbouw en visserij in de periode 1550-1577 te Antwerpen en Londen niet vertegenwoordigd is. De voedingssector is duidelijk ondervertegenwoordigd, een vaststelling die ook voor andere plaatsen, zowel in de Nederlanden als in Frankrijk, gedaan werd.8 Nog opvallender is de sterke oververtegenwoordiging van de textielsector, die in 1584-1585 11,5 percent van de actieve bevolking tewerkstelde. Wel is het merkwaardig dat het aandeel van de textielnijverheid afneemt naarmate de tijd voortschrijdt. Deze onmiskenbaar dalende trend valt niet makkelijk te verklaren. De evolutie van het globale tewerkstellingsvolume in de textielnijverheid in de periode 1550-1585 zou in dit opzicht een indicatie kunnen bieden, maar we beschikken slechts voor 1584 over betrouwbare kwantitatieve gegevens. Vanaf het midden van de jaren zestig deed zich in de klassieke veredelingsindustrie een scherpe crisis voor, wat resulteerde in een daling van het aantal lakenbereiders. Daartegenover staat dat na 1566 de andere textielbranches, waaronder de zijdenijverheid, de passementweverij en de linnenindustrie, een krachtige stimulans kregen door de massale immigratie van Vlaamse en Waalse textielarbeiders, zodat aan die zijde het arbeidspotentieel aanzienlijk toenam.9

[p. 232]

Tabel 10.3: Calvinisten werkzaam in de ambachtelijke sector, 1550-1585

beroepscategorie Antw. 1550-66 Antw. 1567-77 Londen 1567-77 Antw. 1584-85 1584-85 globaal
landbouw en visserij - - - 0,2 1,2
bouwbedrijf 1,4 6,0 2,9 3,5 4,3
metaalbewerking 5,8 8,0 3,9 7,1 5,4
bewerking hout, been, riet 5,8 5,0 5,4 4,9 5,6
leerbewerking, touwslagerij 1,4 - 0,9 1,6 1,8
textiel 22,0 17,1 16,3 14,3 11,5
kleding 10,2 11,1 8,4 9,9 10,9
voedings- en genotsmiddelen - 3,0 2,9 6,9 6,0
glas en aardewerk 1,4 - 0,9 0,8 0,8
was-, olie-, zeepfabricage - - - 0,0 0,3
totaal 48,5 50,2 41,5 49,2 47,8
Bron: zie tabel 10.2.          

In tabel 10.4 hebben we de gegevens met betrekking tot de kunstnijverheid en de intellectuele beroepen samen ondergebracht. In de kunstnijverheid tekent zich een vrij uniforme trend af. De goud-, zilver- en diamantbewerking is steeds sterk oververtegenwoordigd. In Londen is het aandeel van deze nijverheidstak zelfs vijfmaal groter dan globaal in Antwerpen. Vooral de goudsmeden zijn voor deze hoge score verantwoordelijk.10 De in Antwerpen vervolgde calvinisten die bedrijvig waren in de sector van het gedrukte boek en de grafiek, waren in vergelijking met de globale beroepsstructuur sterk oververtegenwoordigd. Bij de kunstambachten, waartoe we naast de schilders en beeldhouwers ook de muzikanten en instrumentenmakers rekenden, was het beeld iets meer gedifferentieerd. In 1550-1566 te Antwerpen en in 1567-1577 te Londen waren deze beroepen sterk oververtegenwoordigd, maar in 1567-1577 lag hun aandeel in Antwerpen onder hun algemene gewicht. Wanneer we het aandeel van de artistiek gerichte beroepstakken nog eens globaliseren, merken we dat de calvinisten in deze branche opvallend oververtegenwoordigd zijn. Vooral onder de gevluchte calvinisten in Londen en onder de vervolgde calvinisten uit 1550-1566 komt dit uitgesproken tot uiting. Bij de intellectuele beroepen is de situatie complexer. De juridische beroepen hadden in Antwerpen relatief weinig beoefenaars onder de vervolgde calvinisten, maar de medische sector was telkens oververtegenwoordigd. Dit laatste was eveneens het geval voor de onderwijskrachten, die vooral in 1550-1566 te Antwerpen en in 1567-1577 te Londen een hoge score behaalden. Bovendien mogen we niet uit het oog verliezen dat in 1568 tegen heel wat schoolmeesters en -meesteressen een banvonnis uitgesproken werd omdat zij tijdens het Wonderjaar ketters on-

[p. 233]

Tabel 10.4: Calvinisten uit de kunstnijverheid en de intellectuele beroepen, 1550-1585

beroepscategorie Antw. 1550-66 Antw. 1567-77 Londen 1567-77 Antw. 1584-85 1584-85 globaal
goud, zilver en diamant 2,9 4,0 10,8 2,2 1,8
boek en grafiek 5,8 4,0 1,9 1,2 1,0
kunstambachten 7,3 1,0 4,4 1,5 1,7
juridische beroepen - 1,0 1,4 0,7 1,2
medische beroepen 1,4 3,0 2,9 1,0 1,0
onderwijs 2,9 1,0 3,4 0,7 0,8
totaal 20,5 14,0 25,2 7,3 7,5
Bron: zie tabel 10.2.          

derricht verstrekt hadden (zie hoofdstuk 7). De oververtegenwoordiging van de artistieke en intellectuele beroepen was het meest uitgesproken onder de Antwerpse calvinisten in Londen. De specifieke economische structuur van Londen én de globale immigratiemogelijkheden in Engeland hebben dit overwicht in de hand gewerkt. Londen was immers de enige grootstad in Engeland. In de kleinere steden waren er weinig mogelijkheden voor intellectuelen en kunstenaars, zodat vluchtelingen uit de artistieke en intellectuele sector die het Kanaal overstaken, bijna automatisch aangetrokken werden door de metropool aan de Theems.

Tabel 10.5 maakt duidelijk dat binnen de categorie handel en vervoer de kooplieden en handelaars volledig dominant waren. Toch mogen we niet uit het oog verliezen dat zij in Antwerpen tijdens de twee perioden van religievervolging ondervertegenwoordigd waren ten overstaan van de globale beroepsstructuur. In de Londense vluchtelingengemeenschap lag hun score echter hoger. Ook hier geldt dat Londen in Engeland het enige commerciële centrum met een internationale uitstraling was. Kooplieden uit Antwerpen onderhielden vanouds nauwe betrekkingen met Londen en beschikten bijgevolg in die stad over de nodige relaties. Een opvallende vaststelling noteren we bij de beroepen gericht op de behandeling en het vervoer van goederen11 en in de horeca- en de scheepvaartsector. Daar laten de calvinisten nagenoeg volledig verstek gaan. Nochtans was globaal genomen meer dan zeven percent van de Antwerpse beroepsbevolking actief bij het verwerken of transporteren van koopwaar. De bijna volledige afwezigheid van herbergiers - we tellen er slechts twee onder de vervolgde calvinisten van 1567-1577 - is eveneens merkwaardig. In enkele andere steden was deze beroepsgroep, die voortdurend met vreemde lieden in contact stond, goed vertegenwoordigd onder de protestanten.12 De schippers ten slotte, die we in de periode 1550-1577 helemaal niet aantreffen onder de Antwerp-

[p. 234]

Tabel 10.5: Calvinisten werkzaam in de sectoren handel en transport, 1550-1585

beroepscategorie Antw. 1550-66 Antw. 1567-77 Londen 1567-77 Antw. 1584-85 1584-85 globaal
handel 20,5 21,2 29,7 29,8 24,8
behandeling goederen, vervoer 1,4 - - 3,4 7,3
horecabedrijven - 2,0 - 3,5 3,8
scheepvaart - - - 1,3 2,7
totaal 22,0 23,2 29,7 38,0 38,6
Bron: zie tabel 10.2.          

se calvinisten, bleken ook tijdens de Calvinistische Republiek in geringe mate aangetrokken door de nieuwe leer. De categorie overheid/administratie, de kerkelijke ambten en de militairen moeten niet opgesplitst worden per beroepstak. Zowel in de globale beroepsstructuur als bij de Antwerpse calvinisten was hun aandeel overigens gering (zie tabel 10.2). Alleen de categorie kerkelijke ambten zorgde via de vervolgde calvinistische predikanten in 1550-1566 en 1567-1577 telkens voor een uitschieter met zeven à acht percent.

Uit het bovenstaande overzicht blijkt dat het calvinisme te Antwerpen in zowat alle beroepstakken aanhangers rekruteerde. De vaststelling dat de calvinisten disproportioneel vertegenwoordigd waren in een aantal specifieke sectoren, vraagt echter een nadere verklaring. Historici hebben er in dit verband op gewezen dat een hoge alfabetisatie- en scolarisatiegraad de ontvankelijkheid voor de protestantse leer bevorderde.13 Zeker voor Antwerpen verdient deze vraagstelling de nodige aandacht. In nauwe samenhang met de sterke economische groei had zich immers een uitgebreid scholennet ontwikkeld dat de ruime middengroepen in de stedelijke samenleving ten goede kwam. Helaas zijn voor Antwerpen geen precieze gegevens beschikbaar over het ontwikkelingspeil in de diverse beroepsgroepen, al kan in de aard van de uitgeoefende bedrijvigheid een belangrijke indicatie liggen. De Amerikaanse historica Natalie Zemon Davis stelde een classificatieschema op voor Lyon, waarbij zij ambachtelijke beroepen rangschikte volgens de alfabetisatiegraad, gaande van zeer hoog tot zeer laag.14 Dit gaf het volgende resultaat:

Zeer hoog: apothekers, chirurgijnen, boekdrukkers
Hoog: schilders, muzikanten, herbergiers, metaalsector (inclusief goudsmeden)
Medium (ca. 50 percent): bontwerkers, lederwerkers, textielen kledingsector
[p. 235]
Laag tot zeer laag: bouwnijverheid, voedselvoorziening, transport, tuiniers, ongeschoolde dagwerkers

Het spreekt vanzelf dat we de situatie van Lyon niet zonder meer mogen extrapoleren naar Antwerpen. Davis beperkte zich bovendien tot beroepen die in een ambachtelijk verband georganiseerd waren. We mogen echter aannemen dat de intellectuele beroepen per definitie een zeer hoge alfabetisatiegraad kenden en dat de ruime groep handelaars goed geschoold was. Wanneer we de gegevens uit de tabellen 10.3-10.5 vergelijken met het classificatieschema van Davis, merken we een aantal opvallende parallellismen op. Beroepen met een lage alfabetisatiegraad waren inderdaad verhoudingsgewijze ondervertegenwoordigd in het Antwerpse calvinisme. Dit geldt met name voor landbouwers en vissers, de voedingsbranche en de transportsector te land en te water, met inbegrip van diegenen die de goederen behandelden. Ook het bouwbedrijf kende relatief weinig calvinistische aanhangers, met een uitzondering voor de periode 1567-1577, toen deze sector oververtegenwoordigd was in Antwerpen maar niet in Londen. Omgekeerd zien we dat beroepen die in het bovenstaande schema hoog scoren, verhoudingsgewijze veel calvinisten in hun rangen telden. Dit is het geval voor de artistieke sector met een duidelijke oververtegenwoordiging voor de goud-, zilver- en diamantbewerking en de wereld van de boekdrukkers en graveurs. De kunstambachten bevestigen dit beeld, uitgezonderd evenwel voor de vervolgde calvinisten uit 1567-1577. Bij de intellectuele beroepen scoren de onderwijs- en de medische sector verhoudingsgewijze hoog, maar dit geldt niet voor de juridische beroepen.

Toch zijn er in Antwerpen enkele beroepstakken waarvan de plaats in het classificatieschema van Davis niet beantwoordt aan een evenredig aangetrokken zijn tot het calvinisme. Zo leverde de metaalnijverheid, die in Lyon een hoge alfabetisatiegraad kende, in Antwerpen relatief weinig calvinisten, behalve onder de vervolgden uit 1567-1577. Het beeld is hier echter vertekend, omdat Davis ook de edelsmeden onderbracht in de metaalsector. Ook de lage aangetrokkenheid van de horecasector correspondeert niet met het hoge ontwikkelingspeil van de herbergiers in Lyon. Bovendien klopt de samenhang tussen alfabetisatiegraad en ontvankelijkheid voor het protestantisme niet voor de twee beroepstakken die te Antwerpen - in absolute termen - het grootste aantal calvinisten aantrokken, namelijk de commerciële sector en de textielnijverheid. De handelaars, die bij de verrichting van hun transacties minstens de elementaire vaardigheden van lezen, schrijven en rekenen moesten beheersen, waren te Antwerpen in de twee perioden van religievervolging licht ondervertegenwoordigd. De textielnijverheid had daarentegen onder de Antwerpse calvinisten een sterke wervingskracht, met een aandeel dat het gewicht van deze sector in de globale beroepsstructuur ver

[p. 236]

overschreed. Nochtans bereikten de textielarbeiders in Lyon geen hoge maar een gemiddelde alfabetisatiegraad, waarbij het zelfs de vraag is of deze laatste in Antwerpen bereikt werd. Men mag echter niet uit het oog verliezen dat de verspreiding van de protestantse boodschap meer via het gesproken dan door het gedrukte woord gebeurde. In de ondergrondse gemeenten vervulden de geheime samenkomsten van kleine groepjes, de zogenaamde conventiculen, waarop een predikant of voorganger het Woord Gods verkondigde, een cruciale rol. Bovendien gaf de orale cultuur, in casu het hardop voorlezen, een multiplicerend effect aan het gedrukte boek.

De graad van alfabetisatie en het algemene ontwikkelingspeil brengen ongetwijfeld waardevolle elementen aan om de relatief zwakke of sterke aanwezigheid van specifieke beroepsgroepen te verklaren, maar het is duidelijk dat ook factoren buiten de culturele sfeer aandacht verdienen. Henri Pirenne wees in zijn bekende Histoire de Belgique reeds op de nauwe band tussen de opkomst van de moderne industrie en het handelskapitalisme enerzijds en de verbreiding van het calvinisme anderzijds. Johan Decavele vroeg in het verlengde van deze problematiek aandacht voor de industriële structuur van een bepaald gebied en het daarmee samenhangende intellectuele en sociale klimaat.15 In dat verband is het typerend dat het calvinisme zich sneller en krachtiger ontplooide in het hoogontwikkelde Zuiden - vooral dan in de kerngewesten Brabant en Vlaanderen en in een aantal Waalse steden - dan in het Noorden16, maar ook in de Zuidelijke Nederlanden manifesteerden zich merkwaardige verschillen. Zo heeft de nieuwe religie sterk wortel geschoten in het geïndustrialiseerde platteland van Zuidwest-Vlaanderen, maar ging het protestantisme volledig voorbij aan het homogeen agrarische Haspengouw. In het Land van Aalst, waar de landbouw overheerste, vond het protestantisme uitgerekend een massale aanhang in een klein gebied waar zich naast de landbouwexploitatie ook de tapijt- en linnennijverheid ontwikkeld had. Sterk geïndustrialiseerde gebieden, of het nu de saainijverheid rond Hondschoote, de linnenindustrie aan de Leie of de tapijtweverij in het Oudenaardse betrof, legden een relatief grote openheid aan de dag. Handelaars en ondernemers uit deze streken trokken voor de afzet van hun producten geregeld naar Antwerpen en legden daar contacten met protestantse kringen en de internationale zakenwereld.17 De permanente verkoophallen die in de loop van de zestiende eeuw in het Antwerpse stadsbeeld verschenen, zoals die van Nieuwkerke en het Tapissierspand, vormden een materieel uitvloeisel van deze contacten. Bovendien bevond zich in de industriegebieden een in loondienst werkende arbeidersmassa die bijzonder gevoelig was voor de economische conjunctuur. Vaak ging het daarbij om inwijkelingen die het vertrouwde kader van familie, buurtschap of geboortedorp hadden verlaten en - naar de woorden van Johan Decavele - terechtkwamen in een nieuwe wereld van ‘ontwortelde’

[p. 237]

aant.
proletariërs. De geografische mobiliteit én de economische kwetsbaarheid maakten deze werklieden, net als de geschoolde arbeiders en de ondernemers uit de middenklasse, makkelijker ontvankelijk voor nieuwe ideeën, zodat de calvinistische predikanten in hun milieu een erg vruchtbaar werkterrein vonden.18

Wanneer we dit verklaringsschema toepassen op het zestiende-eeuwse Antwerpen, is het zonder meer duidelijk dat het protestantisme er kon groeien in gunstige omstandigheden. Antwerpen was immers uitgegroeid tot een handelsmetropool met een internationale uitstraling. Daarenboven kende Antwerpen een belangrijke industriële sector, terwijl nijverheidsproducten uit andere gewesten aangevoerd werden. Lieden uit alle windstreken van de Nederlanden en Europa stroomden er samen. Antwerpen was bij uitstek een commercial town die zich toelegde op de handel over lange afstand. De economische activiteit en de structuur van dit stedentype bevorderden sterk de verspreiding van de reformatie, dit in tegenstelling tot trading towns, die gericht waren op de bevoorrading van de lokale en regionale markt.19 Als we dit toepassen op Antwerpen, zouden we een sterke aanwezigheid van het calvinisme verwachten in die beroepsgroepen die een sterke geografische mobiliteit aan de dag leggen, in het besef dat horizontale beweeglijkheid tegelijkertijd leidt tot nieuwe contacten en ervaringen in de culturele sfeer. Vanuit dit perspectief zouden in de eerste plaats de kooplieden en handelaars een grote ontvankelijkheid moeten tonen voor de nieuwe leer. Bovendien was deze groep, waarvan vele vertegenwoordigers tot de welvarende middenklasse behoorden, in staat om via een goed uitgebouwd onderwijs en het gedrukte boek een intellectueel emancipatieproces te realiseren.20 Het is dan ook verrassend vast te stellen dat de commerciële sector relatief ondervertegenwoordigd is onder de vervolgde calvinisten uit de jaren 1550-1566 en 1567-1577. Ons inziens moeten we deze op het eerste gezicht contradictorische bevinding toeschrijven aan de specifieke politieke omstandigheden die als een remmende factor optraden. Vele kooplieden wensten uit vrees voor de repressie hun maatschappelijke positie niet op het spel te zetten en keken voorlopig de kat uit de boom. Dat deze gens prudents wel over de brug kwamen zodra de situatie veiliger was, konden we reeds vaststellen tijdens het Wonderjaar, toen aanzienlijke kooplieden de leiding van de calvinistische beweging overnamen. Een soortgelijk gebeuren deed zich ook voor tijdens de Calvinistische Republiek. Ook toen waren de calvinistische handelaars verhoudingsgewijze oververtegenwoordigd (zie tabel 10.5) en vormden zij de meest hechte steun van de calvinistische Kerk.21 Eenzelfde ontwikkeling kunnen we waarnemen in de Franse steden. Ook daar creëerden de wisselende kansen van de religieoorlogen een psychologisch klimaat dat lieden van aanzien al dan niet toeliet om zich openlijk achter de banier van de gereformeerde religie te scharen.22 Terloops moet hier

[p. 238]

aant.
worden opgemerkt dat de stadsmagistraat in de mate van het mogelijke een repressiebeleid trachtte te voeren dat de koophandel niet al te zeer schaadde, wat niet wegnam dat in 1550-1566 en in 1567-1577 ongeveer één vijfde van alle naar beroep geïdentificeerde vervolgde calvinisten uit de commerciële sector afkomstig waren.

Voorlopig moeten we concluderen dat geen enkel monocausaal verklaringsschema bij machte is om een relatie tussen godsdienstkeuze en professioneel milieu te verklaren. Een veelzijdiger verklaringsmodel, dat overigens elementen uit de twee vorige schema's - alfabetisatiegraad en economische structuur - bevat, wordt ons aangereikt door Davis. Met het voorbeeld van Lyon voor ogen stelde zij dat bepaalde beroepstakken relatief oververtegenwoordigd waren in de protestantse beweging. In concreto ging het daarbij om beroepen of ambachten ‘in which skills were involved, and often in which there was some novelty - e.g. new technology (as in printing), new claims for prestige (as in painting and jewelry and goldsmith's work), and even recent arrival in Lyon (as in the manufacture and finishing of silk cloth)’.23 Het calvinisme vond met andere woorden vooral aanhang bij de meer prestigieuze ambachten, bij beroepen die naar de woorden van een tijdgenoot ‘a certain nobility of the spirit’ bevatten.24 Bij de eenvoudige gens mécaniques, die simpele handenarbeid verrichtten, en onder de meer traditionele ambachten had de nieuwe leer daarentegen een veel geringere weerklank. Wanneer we Davis' bevindingen toetsen aan de professionele samenstelling van het Antwerpse calvinisme in de periode 1550-1577, merken we dat haar verklaringsschema bijzonder adequaat is. Het calvinisme is in Antwerpen inderdaad ondervertegenwoordigd in een aantal traditionele sectoren die weinig specifieke vaardigheden veronderstelden. Dit was het geval voor de landbouw en de visserij, de metaalnijverheid, de bouwsector, de houtbewerking, de sector van de voedselvoorziening, de behandeling van goederen en het transport te land en te water. Bovendien kenmerken deze sectoren, het transportwezen uitgezonderd, zich niet door een sterke mobiliteit maar veeleer door een gebondenheid aan de plaatselijke omgeving. Daarentegen vinden we proportioneel veel calvinisten bij beroepsgroepen met specifieke vaardigheden, een openheid voor nieuwe technieken en een grote dosis creativiteit. Dit geldt manifest voor de artistieke sector: de goud-, zilver- en diamantbewerking, de boekdrukkerij en de kunstambachten. De intellectuele beroepen, die ipso facto gekenmerkt werden door een hoge alfabetisatiegraad en een sterke geestelijke mobiliteit, telden in Antwerpen, althans in de medische en de onderwijswereld, eveneens veel nieuwgezinden.

Verder vinden we bij Davis een verklaring voor de vaststelling dat het calvinisme bijzonder veel aanhangers rekruteerde in de textielnijverheid. Om dit te begrijpen moeten we de Antwerpse calvinisten die in de textielsector

[p. 239]

werkzaam waren, van naderbij bekijken. Dan stellen we vast dat zich onder de zeventien vervolgde textielarbeiders uit de periode 1567-1577 negen passementwerkers, een borduurwerker, een franjemaker en een tapissier bevonden. Dit waren allen vertegenwoordigers van de meer verfijnde takken van de textielnijverheid, die zich toelegden op de vervaardiging van luxueuze en zelfs artistiek getinte producten. Eenzelfde opmerking geldt voor de Antwerpse calvinisten die in Londen een toevlucht hadden gezocht. Onder de 33 textielarbeiders was de zijdenijverheid volledig dominant met veertien zijdewevers, vier zijdespinners, een zijdeverver en twee niet nader gespecificeerde zijdewerkers. Zowel de zijdenijverheid als de passementweverij waren nieuwe industrieën die in de zestiende eeuw in Antwerpen tot ontwikkeling kwamen. De passementweverij, in technisch opzicht nauw verwant aan de zijdeweverij, deed zelfs pas in de jaren veertig haar intrede. In beide branches speelden immigranten, voornamelijk afkomstig uit de Franstalige gewesten, een cruciale rol. Vooral na het Wonderjaar zochten vele geschoolde Waalse textielarbeiders een onderkomen in Antwerpen en in het nabijgelegen Borgerhout, niet alleen uit economische noodzaak maar ook omwille van de relatieve vrijheid die ze er als protestanten hoopten te vinden. Deze immigranten gaven in het laatste derde van de zestiende eeuw een nieuw elan aan de Antwerpse textielnijverheid en zorgden tevens voor een grotere productdifferentiatie.25

Van de zeventien vervolgde textielarbeiders uit de jaren 1567-1577 konden we er acht naar herkomst identificeren. Deze acht waren allen immigranten, afkomstig uit Middelburg in Zeeland, het westen van Vlaanderen, Stegers, Armentières, Mons, Sint-Omaars, Tourcoing en Hautes-Forges. Onder de uitgeweken zijdewerkers die in Londen verbleven, was het aandeel van de ‘echte’ Antwerpenaars daarentegen wel substantieel.26 Belangrijk was verder dat de nieuwe nijverheden minder sterk verankerd waren in het traditionele ambachtswezen. De satijnwevers vormden reeds een ‘geselschap ende gulde’ toen de stedelijke overheid hen in 1533 officieel erkende als een ambacht. Pas in 1580 maakte de magistraat het lidmaatschap van het satijnweversambacht verplicht voor alle soorten zijdewevers. De maatregel stuitte echter op weerstand bij de groeiende stroom immigranten.27 Een vergelijkbaar scenario ontmoeten we bij de passementwevers. In 1556 waren de producenten van passementen en zijden linten al zo talrijk, dat zij van de magistraat de toestemming verkregen om als groep aan te sluiten bij het meerseniersambacht, en in 1563 mochten zij zich als een zelfstandig ambacht organiseren. Op dat moment waren er ruim 150 meesters, maar daarnaast waren er talrijke onvrije meesters bedrijvig die weigerden zich bij de corporatie aan te sluiten. Tekenend is dat na de Calvinistische Republiek de dekens van de passementwerkers onder druk werden gezet om het altaar van hun ambacht opnieuw in te richten, wat pas in het begin van

[p. 240]

de zeventiende eeuw gebeurde, tot grote ontevredenheid van een aantal ‘ketterse’ passementwevers.28 Dat nieuwe nijverheden zoals de zijde- en de passementweverij minder ing ekapseld waren in het corporatieve kader, had rechtstreekse implicaties voor het religieuze leven. Het betekende immers dat beoefenaars van dergelijke beroepstakken veel losser stonden tegenover broederschappen, missen en andere plechtigheden die in het klassieke ambachtswezen een vaste plaats verworven hadden.29 Daarbij komt nog dat de vele immigranten die in de vermelde textielbranches werkzaam waren, ipso facto al zwakker geïntegreerd waren in de Antwerpse samenleving, hoewel we niet uit het oog mogen verliezen dat in het migrantenmilieu netwerken van onderlinge steun en contacten konden functioneren.30 Het ligt voor de hand dat de geïmmigreerde textielarbeiders in een klimaat van geestelijke en materiële deprivatie makkelijker openstonden voor calvinistische predikanten die het bevrijdende Woord Gods verkondigden. Bovendien zorgde de goed georganiseerde ondergrondse gemeente via haar diaconie voor materiële bijstand. Dat er op dit niveau een duidelijk verschil was tussen de klassieke en de nieuwere branches in de textielnijverheid, mag nog blijken uit het feit dat we bijzonder weinig lakenbereiders of droogscheerders aantreffen onder de Antwerpse calvinisten. In Antwerpen vinden we in 1567-1577 onder de vervolgden slechts drie lakenbereiders en in Londen zelfs niet één. Nochtans merkte Alfons Thijs op dat precies de vertegenwoordigers van deze oude textielbranche een sterk groeps- en klassenbewustzijn ontwikkeld hadden.31

Samenvattend kunnen we stellen dat de alfabetisatiegraad, de aard van de beroepsactiviteit en de specifieke vaardigheden of technieken die daarmee samenhingen, de geografische mobiliteit en de mate van integratie in het traditionele ambachtelijke kader factoren waren die de socioprofessionele rekrutering van het calvinisme beïnvloed hebben. Hierbij aansluitend kunnen we de vraag stellen of we ook in de topografische spreiding van de calvinisten een bepaald patroon vinden. Waren er met andere woorden concentratiepunten in specifieke wijken of kwartieren? De stedelijke ruimte was immers een afspiegeling van de bestaande sociaal-economische verhoudingen. Daarenboven vormden straten en buurtschappen kernen van sociabiliteit die de verspreiding van nieuwtjes en ideeën bevorderden (zie hoofdstuk 1 en 3). Zo kende James Farr een groot gewicht toe aan de ruimtelijke factor bij de verklaring van de religiekeuze.32 Om deze vraagstelling te toetsen aan de Antwerpse situatie hebben we de vervolgde calvinisten uit het Wonderjaar en uit de periode 1567-1577 op de plattegrond van Antwerpen intra muros gesitueerd (zie kaarten 10.1 en 10.2).33 We konden daarbij respectievelijk 88 en 106 personen lokaliseren. Jammer genoeg beschikken we voor de periode in kwestie niet over globale gegevens die toelaten de protestantse én de katholieke gemeenschap in kaart te brengen. Het materiaal dat

[p. 241]



illustratie
Kaart 10.1: Topografische spreiding van de calvinisten te Antwerpen tijdens het Wonderjaar Noot: ▲ = één calvinist.

[p. 242]

René Boumans verzamelde voor 1585, biedt vanuit comparatief oogpunt wel een interessante aanvulling. Bij de interpretatie van de kaarten 10.1 en 10.2 moet wel rekening worden gehouden met het feit dat ons bronnenmateriaal meestal geen informatie bevatte over de exacte ligging binnen de betrokken straten. Vooral bij lange straten die zich uitstrekten over verscheidene wijken, zoals de Meir, de Lange Nieuwstraat en de Kipdorpstraat, geeft dit problemen. In een aantal gevallen was er geen straataanduiding maar werd verwezen naar de nabijheid van een bekend publiek gebouw om iemands woonplaats te lokaliseren. De plattegrond van Scribani, het plan van Virgilius Bononiensis uit 1565 en het op grondig archiefonderzoek steunende werk van R. Vande Weghe stelden ons in staat de betrokken straten, pleinen en andere locaties precies te situeren.34 De methodologische beperkingen verhinderen echter niet dat we aan de hand van het beschikbare materiaal het algemene spreidingspatroon en eventuele specifieke concentraties kunnen achterhalen. We opteerden voor een splitsing van de gegevens uit het Wonderjaar en uit 1567-1577, omdat we op die manier de invloed van de veranderde tijdscontext op de topografische spreiding kunnen nagaan. Wel moet worden benadrukt dat ook hier de gegevens over het Wonderjaar betrekking hebben op de leidinggevende kringen van het Antwerpse calvinisme.

Op kaart 10.1 hebben we 88 vervolgde calvinisten uit het Wonderjaar (51 percent) gelokaliseerd. Wat het algemene spreidingspatroon betreft merken we een duidelijke concentratie op in het centrale deel van de stad. Dit deel kunnen we afbakenen met behulp van enkele belangrijke invalswegen die vertrekken aan de Kipdorppoort en naar de kern van de stad (Onze-Lieve-Vrouwekerk en Grote Markt) leiden. Langs de noordkant gaat het om de Kipdorpstraat. Op het einde van deze straat maken we via de Korte en de Lange Goddaard een wat ruimere beweging naar links en komen we via de Zwart Zusterstraat, de Veemarkt en de Spuistraat bij de kaaien. Langs de zuidzijde vertrekken we via de Jezusstraat die uitmondt in de brede Meir. Via de Lombardenvest, de Steenhouwersvest en de Sint-Jansvliet komen we aan de oever van de Schelde. De aldus afgebakende zone bevat de eerste en de tweede wijk, het grootste deel van de derde en de vierde, en een deel van de vijfde en de elfde wijk. In dit gebied situeert zich het economische en financiële zwaartepunt van de stad, met de uitgesproken rijke eerste en tweede wijk en de welvarende vierde en vijfde wijk (zie hoofdstuk 1). In dit centrale deel treffen we tijdens het Wonderjaar 51 van alle gelokaliseerde calvinisten aan (58 percent). De ruime zones ten noorden en ten zuiden van dit gebied zijn daarentegen veel zwakker vertegenwoordigd, zeker wanneer we enkele kernen (de bij de Kipdorpstraat aanleunende Keizerstraat en de Kammenstraat ter hoogte van de Coppengang en de IJzeren Waag) buiten beschouwing laten. De concentratie in het meer welvarende centrale deel

[p. 243]



illustratie
Kaart 10.2: Topografische spreiding van de calvinisten te Antwerpen, 1567-1577 Noot: ▲ = één calvinist.

[p. 244]

van de stad bevestigt op die manier het socioprofessionele beeld van de voornaamste calvinisten uit het Wonderjaar.

De spreiding van 104 vervolgde calvinisten uit de jaren 1567-1577 (52,5 percent) heeft een patroon dat vele overeenkomsten vertoont met het vorige (zie kaart 10.2). 52 personen of precies de helft woonden in het afgebakende kerngebied. Langs de westzijde van deze zone was er wel een sterkere aanwezigheid in de meer perifeer gelegen straatjes en vlieten die op de Schelde uitgaven. Buiten dit gebied vinden we enkele belangrijke concentraties in de Kattenstraat, de buurt van de Koepoortstraat en de Achterstraat, de zone Kammenstraat-IJzeren Waag, en de buurt van de Schipperskapel met de daarbij aanleunende Sint-Jansvliet en Haringvliet. Uit onze bevindingen omtrent de socioprofessionele rekrutering van het calvinisme kunnen we wel afleiden dat de vervolgde calvinisten uit 1567-1577 overwegend huurders en geen eigenaars waren. Wanneer we er bovendien van uitgaan dat er een logisch - zij het geen proportioneel - verband bestaat tussen de globale vermogenspositie en de huurwaarde van iemands huis, dan zullen zij in vergelijking met hun vervolgde geloofsgenoten uit het Wonderjaar eerder bescheiden huizen bewoond hebben. Wat de specifieke concentratiepunten van het Antwerpse calvinisme betreft, kunnen we tijdens het Wonderjaar de Doornikstraat, de Keizerstraat, de Melkmarkt en de buurt van de Nieuwe Beurs met de daarbij aansluitende Katelijnevest vermelden. De hoge score van de Nieuwe Beurs en omgeving laat zich makkelijk verklaren. Het in de jaren dertig opgetrokken nieuwe beursgebouw vormde immers de commerciële en financiële slagader van Antwerpen. Dagelijks stroomden vele honderden kooplieden en nieuwsgierigen er toe. In de Doornikstraat, die gelegen was in het commerciële hart van de stad, woonden voornamelijk gezeten burgers en gefortuneerde kooplieden, onder wie velen uit Doornik, de zogenaamde ‘Doornikiers’.35 Ook in de buurt van andere plaatsen of panden met een uitgesproken economische functie treffen we calvinisten aan, met name in de Prinsstraat bij het Engels huis, op de Ossenmarkt en bij het Tapissierspand. Opgemerkt moet worden dat ook deze drie plaatsen urbanistische creaties uit de zestiende eeuw waren.36 Bij de vervolgde calvinisten uit 1567-1577 treffen we concentraties aan in de Kattenstraat, de Kipdorpstraat, de Hoochstetterstraat, de Kammenstraat en de Oude Beurs. Deze laatste straat, genoemd naar het in 1485 opgerichte beursgebouw, was gelegen in het rijke centrum van de stad en werd bewoond door vele vermogende kooplieden.37 In het westen van de stad, langs de zijde van de Schelde, treffen we verscheidene calvinisten aan in de buurt van de Pieter Potstraat, het Zand en de Klaverstraat en bij de Schipperskapel, de Haringvliet en de Sint-Pietersvliet. Bij de interpretatie van onze gegevens moeten we er wel rekening mee houden dat de controle van de overheid - en wellicht ook de sociale controle - sterker uitgebouwd was in

[p. 245]



illustratie
Kaart 10.3: Topografische spreiding van de katholieken, lutheranen en calvinisten op het einde van de Calvinistische Republiek, 1585
Noot: De staven geven het relatieve aandeel weer dat elke wijk had in het aantal katholieken, lutheranen en calvinisten.


de kern van de stad dan in de meer perifeer gelegen wijken. Dit organisatorische aspect van de repressie kan het gewicht van het centrale stadsdeel in ons gegevensbestand enigermate versterkt hebben, maar fundamentele vertekeningen heeft het zeker niet veroorzaakt.

Wanneer we nu de geografische spreiding die we uittekenden voor het Wonderjaar en de periode 1567-1577, vergelijken met die van het einde van de Calvinistische Republiek, komen we tot sterk parallelle bevindingen. De zuiveringslijsten van de burgerwacht die enkele maanden na de val van Antwerpen per wijk, kwartier en straat werden opgesteld, lieten Boumans toe een kleine tienduizend katholieken, calvinisten en lutheranen te lokaliseren.38 Hieruit blijkt dat de calvinisten verhoudingsgewijze het sterkst vertegenwoordigd waren in de eerste, de tweede en de zesde wijk en verder, zij het op een wat lager niveau, in de derde, vijfde, negende en elfde wijk (zie kaart 10.3). Uit het door ons afgebakende centrale deel waar we in 1566-1577 de meeste calvinisten aantroffen, missen we alleen de vierde wijk, maar het belangrijke contingent lutheranen zorgde daar toch nog voor een ruime protestantse meerderheid. Wat het meest in het oog springt in 1585 is echter het sterke katholieke overwicht in de perifeer gelegen wijken in het noorden (twaalfde en dertiende wijk) en het zuiden (zevende en achtste wijk). De zevende, achtste en dertiende wijk vormden in die tijd de uitgesproken armste gebieden van Antwerpen. Ook het onderzoek van Jan Van Roey wees uit dat de calvinisten en de protestanten in het algemeen het

[p. 246]

sterkst vertegenwoordigd waren in de rijkste delen van de stad, terwijl het aandeel van de katholieken toenam naarmate men in minder welvarende buurten terechtkwam.39 Dit hoeft niet te verbazen omdat de protestanten precies in de welvarende middengroepen verhoudingsgewijze oververtegenwoordigd waren. Om de echte concentratiepunten van het calvinisme op het einde van de Calvinistische Republiek op het spoor te komen, zouden we de situatie straat voor straat in kaart moeten kunnen brengen, maar de door Boumans en Van Roey meegedeelde cijfers laten dit niet toe.

Voorlopig mogen we besluiten dat tijdens het Wonderjaar en de periode van de Calvinistische Republiek de topografische spreiding van de calvinisten een bevestiging vormt van hun professionele en vermogensstructuur, een vaststelling die ook geldt voor andere steden.40 Voor de vervolgde calvinisten uit de jaren 1567-1577 is de situatie complexer. Zij woonden weliswaar vooral in de meer welvarende centrale delen van de stad, maar qua vermogenspositie namen ze een bescheiden plaats in. We dienen dit verschil vooral toe te schrijven aan de gewijzigde tijdsomstandigheden. Rijke kooplieden-calvinisten waren gevlucht en verbleven in ballingschap, anderen wensten uit voorzichtigheid nog niet toe te treden tot de ondergrondse gemeente. Bovendien dwong de vervolging tot een sterke mobiliteit, zodat een normale plaatsgebonden vermogensopbouw niet makkelijk was.

De doopsgezinde gemeenschap

In het vorige hoofdstuk leerden we de doopsgezinden in Antwerpen kennen als een gemeenschap die zich ver verwijderd hield van de gevestigde kerkelijke en wereldlijke orde. We kunnen ons afvragen of deze zelfbewuste, afgescheiden groep ook in socioprofessioneel opzicht een specifieke plaats innam. Wat de professionele structuur betreft zullen we de positie van de vervolgde doopsgezinden uit de jaren 1567-1577 vergelijken met die van hun lotgenoten uit 1550-1566 en met de globale beroepsstructuur in Antwerpen aan het einde van de Calvinistische Republiek. Bovendien laat de Antwerpse situatie een vergelijking toe met de calvinistische gemeenschap, zodat we de doopsgezinden beter kunnen positioneren binnen de protestantse familie.

De grote krachtlijnen van de professionele rekrutering van het Antwerpse anabaptisme worden reeds zichtbaar wanneer we een indeling maken in een aantal ruime categorieën (zie tabel 10.6). Veruit het meest in het oog springend is de volledig dominante positie van de ambachtelijke beroepen, die zowel in 1550-1566 als in 1567-1577 iets meer dan driekwart van alle naar beroep geïdentificeerde vervolgde doopsgezinden groepeerden. Het logische gevolg is dat alle andere categorieën veel zwakker vertegenwoor-

[p. 247]

Tabel 10.6: Professionele structuur van vervolgde doopsgezinden te Antwerpen, 1550-1577.
Relatieve verdeling over diverse beroepscategorieën

beroepscategorie 1550-1556 N=102 1567-1577 N=110 1584-1585 global
ambachtelijke beroepen 76,4 78,1 47,8
kunstnijverheid 7,8 1,8 4,6
intellectuele beroepen 0,9 1,8 3,0
handel en transport 12,7 13,6 38,6
overheid/administratie 0,9 - 3,1
kerkelijke ambten - - 0,3
militairen - - 0,8
overige 0,9 4,5 1,2
Bron: Prosopografie; Van Roey, ‘De correlatie’, 241-243.      

digd zijn, ook ten opzichte van de globale beroepsstructuur, met een uitzondering voor de kunstnijverheid in 1550-1566. De sterke aanwezigheid van die laatste sector, in de vermelde jaren vertegenwoordigd met vijf edelsmeden en drie schilders, is merkwaardig, maar wellicht uitzonderlijk.41 In 1567-1577 tellen we nog slechts één schilder en één klavecimbelmaker en is de professionele structuur mede daardoor eenvormiger geworden: naast de ambachtelijke beroepen en de sector handel en transport zijn de andere categorieën zeer zwak of helemaal niet vertegenwoordigd.

Een meer gedetailleerde analyse van de dominante ambachtelijke sector is in elk geval noodzakelijk. In tabel 10.7 hebben we de gegevens samengebracht per beroepstak voor de jaren 1550-1566 en 1567-1577 en voor de algemene beroepsstructuur in 1584-1585. Een weinig verrassende vaststelling is dat in de twee perioden van religievervolging bijna alle beroepstakken oververtegenwoordigd zijn ten opzichte van de globale beroepsstructuur, met uitzondering van de sectoren landbouw en visserij en was-, olieen zeepfabricage, die onder de vervolgde doopsgezinden geen aanhangers tellen. De sector van de hout- en beenbewerking benadert in beide perioden vrij goed het globale beeld. Dit laatste geldt eveneens voor de voedingsbranche en de kledingsector in 1550-1566, maar in 1567-1577 zijn de op de voedselvoorziening gerichte beroepen uitgesproken ondervertegenwoordigd. Blijkbaar had deze in het geheel van de Antwerpse economie toch niet onbelangrijke sector een zwakke aantrekkingskracht niet alleen op de calvinisten, maar ook op de doopsgezinden, zeker wanneer we voor deze laatsten rekening houden met de oververtegenwoordiging van de meeste andere ambachtelijke beroepen. Bij de beroepstakken die verhoudingsgewijze sterk aanwezig zijn, stellen we wel een aantal markante verschuivingen vast

[p. 248]

Tabel 10.7: Doopsgezinden werkzaam in de ambachtelijke sector, 1550-1585

beroepscategorie 1550-1566 1567-1577 1584-1585 globaal
landbouw en visserij - - 1,2
bouwbedrijf 16,6 6,3 4,3
metaalbewerking 9,8 6,3 5,4
bewerking hout, been, riet 4,9 6,3 5,6
leerbewerking, touwslagerij 2,5 3,6 1,8
textiel 22,5 30,9 11,5
kleding 10,7 22,7 10,9
voedings- en genotsmiddelen 5,8 1,8 6,0
glas en aardewerk 2,9 - 0,8
was-, olie-, zeepfabricage - - 0,3
totaal 76,4 78,1 47,8
Bron: zie tabel 10.6.      

tussen de periode vóór en die na het Wonderjaar. Zo is het aandeel van de bouwsector teruggevallen van bijna zeventien op zes percent, een daling die nagenoeg volledig op rekening te schrijven is van de afwezigheid van de metselaars, die in 1550-1566 met elf eenheden sterk vertegenwoordigd waren. Daarentegen stijgt in 1567-1577 de textielnijverheid met acht percent, terwijl het aandeel van de kledingsector verdubbelt (van 10,7 naar 22,7 percent). In de kledingbranche valt de sterke positie van de kleermakers op, die na het Wonderjaar 15 van de 25 vertegenwoordigers voor hun rekening namen.42 De textielnijverheid is in 1567-1577 vertegenwoordigd met twee droogscheerders, zes niet nader gespecificeerde wevers, drie linnenwevers, zeven smalwevers, zes passementwevers, twee lintwerkers, twee spinsters, twee legwerkers en verder telkens één twijnder, wambuislakenwever, borduurwerker en bouratwerker. Hieruit blijkt dat naast de linnennijverheid, waartoe we eveneens de smalwevers en de twijnder moeten rekenen, ook de passementweverij op de voorgrond trad.

De specifieke professionele rekrutering van het anabaptisme laat zich niet makkelijk verklaren. De elementen die we aanbrachten om de professionele situatie van het calvinisme te verduidelijken, bieden voor de doopsgezinde beweging minder houvast. De graad van alfabetisatie kan moeilijk als verklaringsgrond dienen, aangezien deze niet op een echt hoog niveau lag in de beroepstakken die proportioneel oververtegenwoordigd zijn, in casu de bouwsector, de metaalnijverheid, de leerbewerking, de textielnijverheid en de kledingsector. Over het algemeen gaat het om ambachten die gericht zijn op specifieke maar toch vrij eenvoudige handenarbeid. Hooggespecialiseerde vaardigheden en nieuwe technieken waren daarbij niet ver-

[p. 249]

eist, tenzij in enkele takken van de textielnijverheid die meer verfijnde en luxueuze producten vervaardigden. We denken hierbij aan de zes passementwevers, de twee (zijde)lintwerkers en tapissiers, de borduur- en de bouratwerker.

De mobiliteit die eigen was aan bepaalde beroepen, kunnen we evenmin als verklaring inroepen.43 De beoefenaars van de vermelde ambachten waren over het algemeen bedrijvig in lokale ateliers of op plaatselijke werven en moesten beroepshalve geen verre verplaatsingen ondernemen. In dit verband is het eveneens typerend dat de commerciële sector driemaal ondervertegenwoordigd is ten opzichte van de globale beroepsstructuur (zie tabel 10.6). De factor van de mobiliteit biedt wel een gedeeltelijke verklaring voor de hoge score van de textielnijverheid. De zestien vertegenwoordigers uit deze sector die we naar herkomst konden situeren, waren allen immigranten. Kortrijk (vijfmaal), Brussel (tweemaal), Menen, Wervik, Dadizele, Nipkerke, Eecke, Doornik, Béthune, Armentières en Nijmegen (telkens eenmaal) kunnen we daarbij als plaats van herkomst vermelden. Vooral de streek van Zuidwest-Vlaanderen, Kortrijk voorop, leverde de doopsgezinde gemeenschap in Antwerpen een aantal smal-, linnen- en passementwevers. De linnenindustrie, die in Vlaanderen steeds opvallend veel doopsgezinden had aangetrokken44, maakte na het Wonderjaar in de Leiestreek een crisis door, zodat velen om economische redenen én uit vrees voor de hertog van Alva de vlucht namen naar Antwerpen.45 Tegen die achtergrond is het niet verrassend dat in 1567-1577 een derde van de doopsgezinde textielarbeiders in de linnennijverheid te situeren is. Bovendien treffen we onder de doopsgezinde kooplieden ook twee lijnwaadhandelaars en een vlaskoper aan. We mogen aannemen dat de ingeweken doopsgezinde textielarbeiders net als de calvinistische passementwerkers en zijdewevers minder sterk geïntegreerd waren in de traditionele Antwerpse samenleving, ook op kerkelijk vlak. Velen onder hen woonden trouwens niet binnen de Antwerpse stadsmuren, maar wel in de nabijgelegen dorpen Borgerhout en Dambrugge, waar ze makkelijker onttrokken bleven aan de corporatieve en gerechtelijke controle.46 De crisis in de linnennijverheid en de linnenhandel47 kan de in hun bestaan bedreigde smal- en linnenwevers extra ontvankelijk gemaakt hebben voor een besloten gemeenschap die haar behoeftige broeders geestelijke en materiële steun verleende. Toch moeten we er ons voor hoeden een automatisch en rechtlijnig verband te poneren tussen economische crisis en overgang tot het anabaptisme. Onder de in Antwerpen bedrijvige linnenwevers bevonden zich immers vele immigranten uit de Kempen die evenzeer te lijden hadden onder de neerwaartse conjunctuur48, maar toch vinden we hen niet terug in de doopsgezinde broederschap.

Of het anabaptisme in Antwerpen overwegend een beweging was van bezitlozen, kan blijken uit de reconstructie van de vermogensstructuur. In ta-

[p. 250]

Tabel 10.8: Vermogenspositie van de Antwerpse doopsgezinden, 1567-1577

vermogenscategorie aantal personen %
I geen goederen 89 69,5
II 1-99 gl. 19 14,8
III 100-199 gl. 13 10,2
IV 200-999 gl. 4 3,1
V ≥1.000 gl. 3 2,3
totaal   128  
Bron: Prosopografie.      

bel 10.8 brachten we de gegevens over het roerend en onroerend bezit samen voor 128 vervolgde doopsgezinden (56 percent) uit de periode 1567-1577. Uit deze gegevens blijkt duidelijk dat de vervolgde doopsgezinden voor het grootste deel bezitloze lieden waren. Ook de vijftien percent die een vermogen van minder dan honderd gulden nalieten, beschikten ongetwijfeld slechts over een bescheiden inboedel. Het is trouwens typerend dat slechts drie vervolgde doopsgezinden onroerende goederen achterlieten.49 Met de laatste twee categorieën, die doopsgezinden met een vermogen van meer dan tweehonderd gulden groeperen, bevinden we ons onder een beter gesitueerd publiek en het is geenszins verrassend dat de handelaars hier de toon aangeven. We treffen in deze vermogenscategorie drie kooplieden, twee oudkleerkopers en een chirurgijn aan. De chirurgijn Reinier Mahieu liet 1.392 gulden na, de oudkleerkoper Jan van Ee 1.764 gulden en de koopman Adriaan van Brueseghem spande absoluut de kroon met een vermogen van 12.760 gulden. Dat welgestelde en zelfs uitgesproken rijke handelaars toetraden tot de broederschap, bewijst dat er in de doopsgezinde beweging ruimte was voor sociale differentiatie. Dergelijke vaststellingen vormen een aansporing om geen overhaaste en ongenuanceerde conclusies te trekken wanneer het gaat over de socioprofessionele rekrutering van het anabaptisme, wat niet wegneemt dat de vervolgde doopsgezinden te Antwerpen in meerderheid eenvoudige en bezitloze ambachtslieden waren.50

Ten slotte verdient de topografische spreiding van de doopsgezinden over de stedelijke ruimte enige aandacht. In totaal konden we 71 vervolgde doopsgezinden uit de periode 1567-1577 (31 percent) situeren op de plattegrond van Antwerpen intra muros (zie kaart 10.4). Het algemene spreidingspatroon van de doopsgezinden vertoont een duidelijk verschil met dat van de vervolgde calvinisten. Slechts negentien (26 percent) van de gelokaliseerde doopsgezinden woonden in het centrale, welvarende stadsgedeelte.

[p. 251]



illustratie
Kaart 10.4: Topografische spreiding van de doopsgezinden te Antwerpen, 1567-1577 Noot: ▲ = één doopsgezinde.

[p. 252]

We vinden hen daarentegen vooral terug ten noorden en ten zuiden van die zone, in perifeer gelegen stadsdelen. Op de kaart kunnen we enkele belangrijke doopsgezinde kernen aanduiden: de Vrijdagmarkt met de aanpalende Heilige Geest- en Sleutelstraat, het Hopland en het Vuilstraatje, de buurt van de IJzeren Waag met de Kammenstraat ter hoogte van de Klokkengang, de Gasthuisbeemden en de Prinsstraat. De meeste van deze concentratiepunten waren gelegen in zones met een duidelijke commerciële of industriële functie. De Vrijdagmarkt was een vitaal werkterrein voor de onder de doopsgezinden goed vertegenwoordigde oudkleerkopers, terwijl zich in de Gasthuisbeemden, die uitgaven op het Tapissierspand, heel wat geïmmigreerde textielarbeiders ophielden. Verder signaleren we nog de IJzeren Waag en de Prinsstraat met het Engels huis. Het perifere karakter wordt nog versterkt wanneer we rekening houden met de doopsgezinden die een onderkomen gevonden hadden in de buitengemeenten, voornamelijk in Borgerhout (vijftien) en Dambrugge (acht).

Bovendien zochten de doopsgezinden voor hun predikaties en voor de toediening van het Avondmaal en de doop plaatsen op die net binnen de stadsmuren gelegen waren. We verwijzen hierbij naar de Nieuwstad, het Hopland, de Gasthuisbeemden en een plaats bij de Huidevetterstoren (tussen de Sint-Joris- en de Kipdorppoort). Langs de westzijde van de stad lagen de Sleutelstraat, de Oever en het Schelleken dicht bij de Scheldekaaien. Ook de Breestraat en de Schoytestraat waren qua ligging nog tamelijk perifeer. Alleen de vergaderingen op de Vrijdagmarkt en op de Wapper vonden plaats in meer centrale delen van de stad.51 Dat de doopsgezinden voor hun samenkomsten de rand van de stad opzochten, was ongetwijfeld mede ingegeven door veiligheidsoverwegingen. Samenvattend mogen we stellen dat de topografische situering van de doopsgezinde gemeenschap een bevestiging vormt van haar leerstellig-organisatorisch karakter en haar socioprofessioneel profiel: de broederschap, die overwegend ‘kleyne luyden’ in haar rangen telde, plaatste zich bewust in de marge van de stedelijke samenleving en dit kwam ook in ruimtelijk opzicht tot uiting.

Ter afronding krijgt de vergelijking tussen de rekrutering van de calvinistische en die van de doopsgezinde beweging nog even onze aandacht. Wat de vermogenspositie betreft is er in 1567-1577 een overeenkomst tussen vervolgde calvinisten en doopsgezinden. In beide gevallen waren de bezitlozen in de meerderheid. Vermogens van respectabele omvang kwamen slechts zelden voor. Voor de Antwerpse calvinisten uit het Wonderjaar lag dit echter helemaal anders. Op het niveau van de professionele structuur was er wel een aanzienlijk verschil tussen calvinisten en doopsgezinden, ook in de jaren van religievervolging. Het calvinisme sprak duidelijk een breder spectrum beroepen aan, terwijl het anabaptisme voor het overgrote deel in de ambachtelijke sector rekruteerde. Meer prestigieuze beroepstakken met

[p. 253]

een ‘nobility of the spirit’ ontbraken nagenoeg volledig in de doopsgezinde broederschap. Bij de calvinisten daarentegen waren beoefenaars van meer intellectueel en artistiek gerichte beroepen oververtegenwoordigd. In het milieu van de koophandel kende het calvinisme eveneens een merkelijk sterkere respons. Claus-Peter Clasen heeft beklemtoond dat vele lieden van aanzien afgeschrikt werden door de doopsgezinde leer omdat deze hun elke participatie in de gevestigde machtsstructuren ontzegde. Eenvoudige ambachtslieden hadden daarentegen weinig te verliezen.52 De vrees om de verworven maatschappelijke positie op het spel te zetten was voor sommigen overigens een voldoende reden om zich in een tijd van repressie ook tegenover de calvinistische beweging gereserveerd op te stellen.

Toch kon de diepgewortelde religieuze mentaliteit van vele zestiendeeeuwers de bestaande sociaal-economische verhoudingen en patronen overschrijden. a.f. Mellink, een specialist van het Nederlandse anabaptisme met een grote aandacht voor de invloed van de globale maatschappelijke context, begreep dit zeer goed toen hij in zijn inaugurale rede stelde dat wie ‘de radicale Reformatie wil benaderen zonder terug te grijpen naar de in de evangeliën of de brieven der apostelen verkondigde christelijke uitgangspunten, zonder de in de zestiende eeuw zozeer levende verwachtingen van het komende rijk Gods centraal te stellen, zich afwendt van de historiese werkelijkheid in al haar vormen’.53 Wanneer we een haast determinerend gewicht toekennen aan sociaal-economische factoren, doen we onvoldoende recht aan de kracht van de religieuze boodschap. Bovendien is het zeer de vraag in welke mate in de doopsgezinde gemeenschap de bestaande culturele patronen gangbaar waren. Op de geheime samenkomsten van kleine groepjes gelovigen nam de lezing uit de Heilige Schrift - ook bij de calvinisten - een centrale plaats in en de gearresteerde doopsgezinden getuigden in hun brieven van een grondige bijbelkennis. Dergelijke gegevens wijzen erop dat zich in de besloten doopsgezinde gemeente een sterke actieve en passieve leescultuur ontwikkeld had. Daarom rijst de vraag of de calvinisten en de doopsgezinden een eigen culturele identiteit ontwikkeld hadden.

Calvinisten en doopsgezinden, een eigen culturele identiteit?

De vraag of de calvinisten en de doopsgezinden in Antwerpen een eigen culturele identiteit vertoonden, valt moeilijk te beantwoorden. Een dergelijk complex gegeven laat zich immers moeilijk reconstrueren, des te meer daar beide gemeenschappen relatief weinig archivalische sporen nalieten. Bovendien ontbreken grondige voorstudies over de culturele leefwereld van de Antwerpse stadsbevolking in haar geheel, zodat we het zonder een ade-

[p. 254]

quaat referentiekader moeten stellen. Toch zullen we aan de hand van enkele parameters peilen naar de culturele achtergrond van de vervolgde calvinisten en doopsgezinden. In concreto gaat het daarbij om het boeken- en schilderijenbezit en om de voornaamgeving.

Het bezit van boeken geeft belangrijke indicaties over het algemene ontwikkelingspeil en het belangstellingsniveau van de eigenaars. Zo kan godsdienstige literatuur wijzen op een specifieke religieuze oriëntatie. Jammer genoeg besteden de inventarissen van de geconfisqueerde goederen van de vervolgde calvinisten en doopsgezinden slechts onvolledig aandacht aan de in beslag genomen boeken.54 Soms moeten we het stellen met vermeldingen als een ‘hoop oude boeken’ of ‘70 gedrukte boeken, alle formaten’, zonder dat de inhoud van de betrokken literatuur titelsgewijze wordt gespecificeerd. Bovendien gebeurde het dat de gerechtsdienaars gewoonweg geen melding maakten van de geconfisqueerde boeken. In het Antwerpsch Chronykje lezen we bijvoorbeeld dat bij de executie van de doopsgezinden Jan van de Walle, Lyntken Meevels en Marten Thomaessens ‘een heel deel kettersche boecken, die by hun waren gevonden doen sy gevangen werden’, aan de vlammen werden prijsgegeven.55 In de inventarissen of kwijtschriften vinden we evenwel geen enkel spoor van de vermelde ketterse drukwerken. In een aantal gevallen bevatten de aanklacht of het vonnis een aanwijzing voor het boekenbezit van de vervolgden56, maar dit gebeurde niet op systematische wijze. Verder is het evident dat gevluchte protestanten hun boeken geheel of gedeeltelijk konden meenemen.

Vanwege al deze beperkingen is het onmogelijk om een gedetailleerd onderzoek te ondernemen naar het boekenbezit van de vervolgde calvinisten en doopsgezinden. Aan gereformeerde zijde vonden we bij 29 calvinisten een spoor van gedrukte literatuur57, wat nauwelijks acht percent is op een totaal van 370 vervolgde geloofsgenoten. Het hoeft echter geen betoog dat dit percentage een sterke onderschatting van de werkelijkheid inhoudt. Onder de 29 vinden we handelaars, ambachtslieden en vertegenwoordigers van intellectuele beroepen.58 Twee juristen uit het gezelschap, Ambrosius de Sardes, die aan de universiteit van Padua de graad van doctor in de rechten had behaald, en de advocaat Jeronimus Vrancx, spanden de kroon met een boekenbezit dat respectievelijk 291 en 143 titels omvatte.59 In beide gevallen ging het om een geleerdenbibliotheek waarbij de talrijke juridische werken de nauwe band met studies en beroep verraden. Religieuze werken namen in beide bibliotheken een eerder marginale plaats in. Vrancx bezat een Latijnse bijbel en de Sardes onder meer een in het Grieks gesteld Nieuw Testament. Bij de andere calvinisten uit het gezelschap vinden we onder de schaars vermelde titels vooral bijbels, Nieuwe Testamenten en psalmboeken. Zo beschikte Cornelis Rosseau over een Liesveltbijbel en een Franse bijbel. Jacques Bocquet bezat een psalmboek van Pieter Datheen en de aan-

[p. 255]

aant.
klacht tegen de kuiper Peter Diedelmans maakte melding van hetzelfde psalmboek en een Nieuw Testament, gedrukt te Emden in 1563.60 Nieuwe Testamenten uit het Oost-Friese ballingenoord treffen we eveneens aan bij Maarten van Haarlem en bij de timmerman Hans de Moy. Deze laatste bezat ook ‘de Duytsche Psalm van David, overgeset duer Clément Marrot ende Théodore de Beza’.61 De vettewarier Matthys Moens beschikte over een Nederlandse bijbel, gedrukt te Emden in 1565, en over de Ses boecken Bullengeri, tegens de Wederdoopers, in dezelfde stad gedrukt in 1569.62 Dergelijke gegevens wijzen erop dat de specifieke gereformeerde basisliteratuur ook in het ambachtelijke milieu doorgedrongen was. Verder zien we er een bevestiging in van het grote belang dat het Oost-Friese Emden als drukkerscentrum had voor de kerken onder het kruis in de Nederlanden.63 De bevoorrechte plaats die de Heilige Schrift innam in de leef- en gevoelswereld van de vervolgde calvinisten, blijkt nog uit het relaas dat het martelaarsboek van Crespin brengt over Jean le Grain. Deze gearresteerde herbergier spoorde vanuit de Antwerpse gevangenis zijn vrouw en zwager aan om ijverig in de Schrift te lezen, en hij voegde er betekenisvol aan toe: ‘N'oubliez point de donner à chacun de mes enfans une bible, que ie leur laisse pour Testament.’64

Over het boekenbezit van de doopsgezinden zijn de gegevens zo mogelijk nog schaarser. Van twaalf vervolgden (vijf percent) weten we met zekerheid dat ze over (verboden) literatuur beschikten, maar ook in dit geval moeten we dit cijfer als een absoluut minimum interpreteren. Onder de twaalf vinden we drie handelaars, twee passementwerkers en een knecht. Titels en precieze aantallen van boeken worden zelden vermeld. Gewoonlijk moeten we het stellen met vermeldingen als ‘een paer boexens of verscheyden verboden boecken’.65 In de inboedel van de rijke koopman Adriaan van Brueseghem treffen we een boek van Erasmus en een Nederlands herbarium aan. In het huis van Laureys en Willem van der Camere vonden de gerechtsdienaars onder meer een Latijns Nieuw Testament.66 De beschikbare gegevens zijn te beperkt om er conclusies aan te verbinden. Uit de martelaarsliteratuur bleek nochtans dat de doopsgezinden een intense leescultuur ontwikkeld hadden waarbij de lectuur van de Heilige Schrift centraal stond.

Net als het boekenbezit vormt het schilderijenbezit een indicatie voor de culturele en religieuze leefwereld van de eigenaars in kwestie.67 Van de 370 calvinisten die in de periode 1567-1577 vervolgd werden, kunnen we in 48 gevallen (dertien percent) het schilderijenbezit reconstrueren. Het werkelijke aantal eigenaars van schilderijen moet echter veel hoger gelegen hebben. Van lang niet alle vervolgden bleef een omstandige inventaris van de geconfisqueerde goederen bewaard. Daarenboven was het mogelijk dat calvinisten schilderijen meenamen bij hun vlucht of ze tevoren in veiligheid

[p. 256]

brachten bij vrienden of familieleden. De vermelde 48 calvinisten waren in het bezit van 249 schilderijen, wat een gemiddelde van vijf per persoon betekent. Op het spreidingspatroon en het verband met het sociale milieu kunnen we op basis van een dergelijk beperkt staal moeilijk ingaan, maar uit het feit dat de calvinisten uit het Wonderjaar het grootste aandeel hadden in het totale aantal schilderijen, blijkt wel dat er een positieve relatie bestond tussen vermogen en schilderijenbezit.68 Van de 249 gesignaleerde schilderijen werden er in de boedelinventarissen 202 of 81 percent naar inhoud beschreven.

Voor de inhoudsanalyse van deze schilderijen maakten we een indeling in elf categorieën: Nieuw Testament, Oud Testament, andere religieuze voorstellingen, mythologie en klassieke oudheid, geschiedenis (zonder klassieke oudheid), allegorieën, landschappen, stillevens, genretaferelen, portretten en ‘andere’. In deze laatste categorie brachten we niet alleen die schilderwerken onder die niet in een van de vorige rubrieken pasten, maar ook enkele waarvan de inhoud onduidelijk bleef. De materiële vorm van de geïnventariseerde voorstellingen is in een beperkt aantal gevallen onduidelijk. Zo kan een Mariabeeld duiden op een geschilderde weergave van de Heilige Maagd of op een gebeeldhouwde versie, en verder is het mogelijk dat grafische wandvoorstellingen niet expliciet als dusdanig omschreven worden. We hebben dergelijke voorstellingen echter in ons onderzoek betrokken omdat het ons in de eerste plaats om een inhoudsanalyse te doen is. Om het schilderijenbezit van de Antwerpse calvinisten te interpreteren, maakten we een vergelijking met het schilderijenbezit van de globale bevolking. In 23 boedelbeschrijvingen uit de jaren 1567-1577 vonden we 277 schilderijen (12 per boedel) vermeld. 252 van deze schilderijen werden naar onderwerp beschreven.69 De resultaten werden samengevat in tabel 10.9. Bij de beoordeling van het schilderijenbezit van de vervolgde calvinisten moeten we er wel rekening mee houden dat zij schilderijen konden bezitten die zij geërfd hadden van katholieke ouders of familieleden. Dergelijke schilderijen bleven bewaard vanwege hun financiële of emotionele waarde, zonder dat zij noodzakelijkerwijze de smaak van de nieuwe eigenaars weerspiegelden.

Uit tabel 10.9 blijkt duidelijk dat schilderijen met een religieuze thematiek veruit het sterkst vertegenwoordigd waren, met 57 percent bij de calvinisten en 65 percent bij de globale populatie, waarvan we mogen aannemen dat het in deze steekproef om katholieken gaat. Dit is op zich reeds een belangrijke vaststelling, die nog meer reliëf krijgt wanneer we ze bijvoorbeeld vergelijken met de situatie in Delft, waar tijdens de eerste drie decennia van de zeventiende eeuw het aandeel van de religieuze schilderijen rond de 35 percent schommelde.70 Ook de portretten en de thema's uit de mythologie en de klassieke oudheid behaalden een behoorlijke score, zij het op een rui-

[p. 257]

Tabel 10.9: Schilderijenbezit van Antwerpse calvinisten en globale bevolking (1566-1577). Analyse volgens onderwerp

Categorie Calvinisten Antwerpen globaal
N % N %
Nieuw Testament 59 29,2 115 45,6
Oud Testament 38 18,8 31 12,3
Religieus (overige) 18 8,9 17 6,7
Mythologie en klassieke oudheid 20 9,9 23 9,1
Geschiedenis 3 1,5 3 1,2
Allegorieën 11 5,4 9 3,6
Landschappen 5 2,5 5 2,0
Stillevens - - 5 2,0
Genretaferelen 9 4,5 5 2,0
Portretten 26 12,9 26 10,3
Andere 13 6,4 13 5,2
Totaal 202   252  
Bron: Boedelinventarissen in ara, Rk. Acquiten, 2917, 2919, 2919 bis, 3620; saa, Pk., 1568; saa, Vierschaar, 258-259, 298; Stappaerts, Bijdrage tot de studie van schilderijen.        

me afstand van de religieus gerichte genres. De andere categorieën waren relatief zwak vertegenwoordigd. Het portretgenre, dat in de eerste helft van de zeventiende eeuw een sterke verspreiding kende in de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden71, was blijkens onze gegevens al stevig ingeburgerd in de tweede helft van de zestiende eeuw. De portretten die bij de vervolgde calvinisten aan de muur prijkten, stelden naast eigen familieleden niet nader gespecificeerde personen voor. Politiek geladen portretten kwamen slechts uitzonderlijk voor.72 Bij de makelaar Joris Dryvers vinden we een portret van de koning van Frankrijk, evenals bij Jeronimus Vrancx, die ook een tafereel van ‘Ferdinandus’ bezat.73 Met deze laatste is wellicht de Duitse keizer Ferdinand i (1556-1564) bedoeld. Keizer Karel v zien we afgebeeld op twee historische taferelen. Bij jonker Jan van der Noot hing ‘de victorie van Carolo Quinto’ en bij Cornelis Rosseau een voorstelling van de slag van Mühlberg.74 Bij de interpretatie van dergelijke taferelen moet men er uiteraard rekening mee houden dat de actualiteitswaarde van het afgebeelde inmiddels voorbijgestreefd was. Het was zelfs niet uitgesloten dat de eigenaars van de betrokken schilderijen inmiddels andere sympathieën koesterden. De voorstelling van een veldslag waarin keizer Karel een verpletterende nederlaag toebracht aan de verbonden Duitse protestanten, bevat immers een

[p. 258]

symboliek die voor een overtuigd calvinist moeilijk te smaken viel. Daarentegen vormden het ‘contrefeytsel van Martyn Luther’ en een ander van ‘Calvinus’ bij dezelfde Cornelis Rosseau wel degelijk een expressie van een protestantse identiteit.

De schilderijen met religieuze voorstellingen bevatten voor ons onderzoek echter de belangrijkste aanwijzingen. Zowel bij de calvinisten als bij de katholieken waren nieuwtestamentische voorstellingen het sterkst vertegenwoordigd, maar niettemin doen zich tussen beide groepen duidelijke verschillen voor. Bij de katholieken waren de nieuwtestamentische voorstellingen aanzienlijk sterker vertegenwoordigd, terwijl bij de calvinisten de oudtestamentische voorstellingen hoger scoren. Een nadere analyse van de nieuw- en oudtestamentische schilderijen reveleert nog meer verschillen. Bij de calvinisten is er wat de nieuwtestamentische voorstellingen betreft, een veel sterkere diversificatie. Bij de katholieken domineren de Mariavoorstellingen immers met 29 percent tegenover 15 percent bij de calvinisten. Bij deze laatsten vinden we veel minder voorstellingen van heiligen zoals Maria, Maria-Magdalena en Anna, maar wel taferelen - in de zin van gebeurtenissen - uit het leven van Jezus en de apostelen. In dat verband moet nog aangestipt worden dat we bij de katholieken veel passietaferelen vinden, terwijl die bij de calvinisten bijzonder zwak vertegenwoordigd zijn. Wat de oudtestamentische voorstellingen betreft, vinden we bij de calvinisten een relatief hogere score - en dit dient op zich benadrukt te worden75 - maar van een uitgesproken sterkere iconografische diversificatie was geen sprake. Het meest in het oog springend is wel dat bij de katholieken schilderijen ontbreken die verwijzen naar het exodusverhaal. Bij de calvinisten vinden we daarentegen zes voorstellingen van de Tien Geboden en een van Mozes en het hemelse manna. Ook het schilderij met de farao verwijst mogelijk naar de uittocht uit Egypte. De talrijke nieuw- en oudtestamentische schilderijen die we bij de Antwerpse calvinisten aantreffen, lijken er in ieder geval op te wijzen dat hun vertrouwdheid met de bijbel als het ware een picturale uitdrukking kreeg.

Over het schilderijenbezit van de Antwerpse doopsgezinden moeten we bij gebrek aan voldoende gegevens bondig zijn. Omdat er een positieve relatie bestond tussen globaal vermogen en interieurdecoratie, troffen we in de boedelinventarissen van de vervolgde doopsgezinden slechts zelden schilderijen aan. In totaal moeten we het stellen met dertien naar onderwerp geïdentificeerde werken. Zes daarvan hadden betrekking op nieuwtestamentische en vier op oudtestamentische voorstellingen. De overige religieuze schilderwerken, de allegorische voorstellingen en de portretten waren telkens met één specimen vertegenwoordigd. Op grond van deze schaarse gegevens kunnen we wel een overwicht van de religieuze iconografie vaststellen.

[p. 259]

aant.

Na het boeken- en schilderijenbezit wensen we ten slotte aandacht te besteden aan de naamgeving. De voornaam die ouders bij de geboorte aan hun kind geven, is doorgaans een exponent van de heersende cultuurpatronen. Verschuivingen of breuken in het religieuze of culturele klimaat reflecteren zich bijgevolg vaak in de naamgeving. Zo toonde Philip Benedict voor Rouen aan dat het proces van religieuze polarisatie en confessionalisering zich ook uitte in de naamgeving bij katholieken en calvinisten.76 De concrete richtlijnen over de voornaamgeving die Calvijn aan zijn volgelingen gegeven had77, vinden we in grote lijnen terug in artikel 24 van de synode van gereformeerde kerken die op 1 mei 1564 in Antwerpen plaatsvond: ‘Touchant les noms qui sont imposez aux enfans, les ministres rejetteront tous ceux qui resteront du viel paganisme et n'imposeront aux enfans des noms attribuez à Dieu en l'Escriture S[ain]te ni pareillement les noms d'offices, comme Baptiste, Ange, Apostre, et adverteront et admonesteront les peres et parains de prendre des noms approuvez en l'Escriture S[ain]te autant qu'il sera possible.’78 Een doopregister van de calvinistische Kerk in Antwerpen bleef jammer genoeg niet bewaard. Toch kunnen we via een omweg peilen naar de gewoonten die op dit vlak leefden bij de Antwerpse calvinisten. In het bronnenmateriaal met betrekking tot de vluchtelingenkerken in Londen vonden we de voornamen terug van 168 kinderen - 92 jongens en 76 meisjes - die allen telgen waren van uit Antwerpen gevluchte calvinisten. In de doopregisters van de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekerk deden we een steekproef voor een soortgelijke populatie, zodat we de vergelijking kunnen maken met de contemporaine katholieke voornaamgeving. De doopsgezinde gemeenschap blijft op dit punt volledig aan ons gezichtsveld onttrokken.

In tabel 10.10 hebben we de vijf meest voorkomende namen weergegeven voor jongens en meisjes bij calvinisten en katholieken. Op grond van deze gegevens kunnen we een aantal overeenkomsten en verschilpunten vaststellen.79 Bij de jongens bekleden de voornamen Jan, Jacob en Peter telkens respectievelijk de eerste, tweede en vierde plaats. Wel kwam de naam Jan bij de katholieken veel frequenter voor dan bij de calvinisten. Bij de meisjesnamen vinden we de Maria's en Anna's in ongeveer gelijke aantallen aan de top, terwijl de naam Suzanna in beide gevallen op de vierde plaats komt. Typerend voor de calvinisten is de hoge score van oudtestamentische namen als Abraham, Isaac en Sara, terwijl die bij de katholieken slechts uitzonderlijk voorkomen. De namen van figuren uit het Nieuwe Testament - Jan, Maria en Anna - doen het goed bij aanhangers van beide confessies. Aan katholieke zijde sloot men op dat vlak aan bij de grote populariteit die deze drie heiligen sedert de late Middeleeuwen genoten.80

Het verschil in naamgeving tussen calvinisten en katholieken komt vooral tot uiting wanneer we het geheel van de gebruikte voornamen over-

[p. 260]

Tabel 10.10: Meest populaire voornamen bij de Antwerpse calvinisten en katholieken

calvinisten katholieken
jongens meisjes jongens meisjes
1. Jan (13) 1. Maria (11) 1. Jan (23) 1. Anna (12)
2. Abraham (9) 1. Anna (11) 2. Jacob (7) 2. Maria (11)
2. Jacob (9) 3. Sara (10) 3. Anthonis (4) 3. Elisabeth (10)
4. Peter (7) 4. Catharina (7) 4. Peter (3) 4. Suzanna (6)
5. Isaac (5) 4. Suzanna (7) 4. Willem (3) 4. Clara (6)
    4. Geert (3)  
Bron: Voor de calvinisten: Kirk en Kirk eds., Returns, i-iv; Scouloudi ed., Returns. Voor de katholieken: saa, Parochieregisters, 6, fol. 155ro-157vo (januari-maart 1569).      

schouwen. Bij de calvinisten komen 40 en bij de katholieken 47 verschillende jongensnamen voor waarvan er respectievelijk 28 (70 percent) en 17 (36 percent) van bijbelse origine zijn. Voor de meisjes waren er 22 verschillende namen bij de calvinisten en 19 bij de katholieken waarvan er respectievelijk 14 (64 percent) en 7 (37 percent) aan de bijbel ontleend waren. De bijbelse naamgeving was met andere woorden veel sterker ontwikkeld bij de Antwerpse calvinisten. In hun midden droegen 80 percent van de jongens en 72 percent van de meisjes een bijbelse naam tegenover respectievelijk 56 en 63 percent bij hun katholieke leeftijdgenoten. Bij deze laatste berekeningswijze is het contrast minder groot, omdat het sterke aandeel van een beperkt maar erg verspreid aantal nieuwtestamentische namen - Jan of Johannes, Anna, Maria en Elisabeth - aan katholieke zijde een vertekend beeld geeft. Wellicht berustte de keuze voor dergelijke namen bij de meeste katholieken overigens niet op een doorleefde bijbelse inspiratie, maar ging het veeleer om het voortleven van een populaire traditie.81 Het contrast tussen beide confessies ligt vooral in de oudtestamentische namen. Naast de populaire namen Abraham, Isaac en Sara82 is er nog een heel gamma. Aan mannelijke zijde vermelden we Abel, David, Elias, Emanuel, Enoch, Gedeon, Israël, Jeremias, Salomon, Samuel en Tobias. Bij de meisjes vinden we namen als Abigaël, Debora, Ester, Judit, Rachel, Rebecca en Tamara. Bij de Antwerpse katholieken ontmoeten we dergelijke namen slechts uiterst zelden.83 Ook sommige namen ontleend aan het Nieuwe Testament duiden op de sterke bijbelkennis van de calvinisten. Een jongensnaam als Nathaniël en een meisjesnaam als Tabitha getuigen hiervan. We kunnen zelfs een stap verder zetten en ons afvragen of de talrijke oudtestamentische namen geen uitdrukking gaven aan bewuste bijbelse verwachtingspatronen. De Antwerpse calvinisten die te Antwerpen een ver-

[p. 261]

drukte minderheid vormden en in het buitenland, in casu te Londen, in ballingschap verbleven, hebben zich mogelijk geïdentificeerd met de oude Hebreeuwen die verlangden naar hun beloofde land.84 Een klein detail kan in dit opzicht soms revelerend zijn. De vrij zeldzame meisjesnaam Abigaël, die we driemaal aantreffen, was in de Republiek vooral in Zeeland in gebruik, in het bijzonder bij Franse Refugiéfamilies in het Land van Cadzand.85

Terugkerend naar ons uitgangspunt moeten we besluiten dat er sporen zijn die erop wijzen dat bij de Antwerpse calvinisten wel degelijk een eigen bewustzijn leefde. Het boeken- en schilderijenbezit en de voornaamgeving wijzen daarbij in eenzelfde richting. De bijbel vormde een belangrijk element in de religieuze en culturele leefwereld van de calvinisten. De schilderijen in hun huiskamers en de voornamen van hun kinderen vormden een concrete expressie van deze bijbelse gerichtheid. Hoewel verder onderzoek nog wenselijk is, was er op dat punt een duidelijk verschil met de katholieke geloofsgemeenschap. De specifieke religieuze leefwereld van de calvinisten zorgde met andere woorden voor een nauw daarmee verbonden culturele identiteit. Het ontwikkelde zelfbewustzijn werd ongetwijfeld bevorderd door het besef en de ervaring dat men behoorde tot een vervolgde minderheid die diende te strijden voor haar voortbestaan. Wellicht gaan deze bevindingen voor een groot deel ook op voor de doopsgezinde broederschap. Bij hen had zich een sterke Schriftcultuur ontwikkeld die aan de wereldmijdende doopsgezinden een eigen identiteit gaf. Jammer genoeg heeft die identiteit in de bronnen minder sporen nagelaten.

1Diegenen die vervolgd werden voor hun optreden tijdens het Wonderjaar sloten we daarbij uiteraard uit. Hun socioprofessionele gegevens verwerkten we in hoofdstuk 6. Van de 198 personen die voor hun activiteiten na het Wonderjaar vervolgd werden, konden we in 98 gevallen (49 percent) het beroep achterhalen. Het totale aantal beroepen bedraagt 99 omdat Adriaan van Breem kleermaker én knopenmaker was.

2Zie voor de berekening van de waarde van roerende en onroerende goederen hoofdstuk 6, noot 34.

3We namen alle naar beroep geïdentificeerde personen op die te Antwerpen geboren waren of uit Antwerpen gevlucht waren en in 1567-1577 tot de Nederlandse, Franse of Italiaanse vluchtelingenkerk van Londen behoorden. Van de 199 personen die we selecteerden, oefenden er drie twee beroepen uit zodat het totale aantal beroepen 202 is.
4Beier, ‘Engine of manufacture’.
5De gegevens met betrekking tot 2.088 calvinisten hebben we verkregen door de verspreide cijfers uit het onuitgegeven proefschrift van Van Roey, De sociale structuur, passim, per beroepstak samen te tellen.
6Cf. voor het onderscheid tussen lidmaten en liefhebbers Marnef, ‘Protestanten in “Noord” en “Zuid”’, 140-141.
7Moreau, ‘La corrélation entre le milieu social et professionel’, speciaal 287, 298-300.
8Vandamme, De socio-professionele, 331; Delmotte, ‘Het Calvinisme’, 167-177; Backhouse, ‘Peiling’, 396; Moreau, ‘La corrélation’, 297-299; Duke, ‘Building Heaven’, 71; Benedict, Rouen during the Wars of Religion, 80, 83-85; Davis, ‘Strikes and Salvation at Lyon’, 7; Id., ‘The Sacred and the Body Social’, 48; Davies, ‘Persecution’, 38-40; Diefendorf, Beneath the Cross, 110; Greengrass, The French Reformation, 59-60.
9Thijs, Van ‘werkwinkel’, 92, 164-165, 313-314.

10We tellen te Londen achttien goudsmeden en vier diamantsnijders.

11Van Roey, De sociale structuur, 122-123, rekende tot deze categorie al diegenen die koopwaar aan diverse behandelingen onderwierpen zoals pakkers en wegers, lieden die instonden voor het laden en lossen, kruiers, wagen- en karlieden. Het vervoer te water ressorteert onder de scheepvaart.
12Zie voor Brussel Marnef, ‘Het Protestantisme te Brussel’, 59-60, en voor Lyon Davis, ‘The Sacred’, 48.

13Zie bv. Chaunu, ‘Niveaux de culture et Réforme’, 234-235.
14Davis, ‘Printing and the People’, 210.
15Decavele, ‘Historiografie’, 20-27.
16Dit is een centraal gegeven in de inaugurale rede van Woltjer, Kleine oorzaken.
17Decavele, ‘Historiografie’, 26-27.
18Id., De dageraad, I, 560-569, 573, 586-587.
19We ontlenen dit schema aan Wuthnow, ‘Towns, Regimes and Religious Movements in the Reformation’.
20De levensloop van Herman Pottey, die we in hoofdstuk 6 schetsten, vormt een mooie illustratie van deze geografische en intellectuele mobiliteit.
21Zie ook Van Roey, ‘De correlatie’.
22Zie de voorbeelden van Parijs, Rouen, Lyon en Toulouse in respectievelijk Richet, ‘Aspects socio-culturels des conflits religieux’; Benedict, Rouen, 93-94; Gascon, Grand commerce, I, 474-477; Davies, ‘Persecution’, 34-35, 37.
23Davis, ‘Strikes and Salvation’, 7. Zie ook Id., ‘The Sacred’, 47-48.
24Citaat bij Benedict, Rouen, 80.
25Thijs, Van ‘werkwinkel’, 123-125, 135-136, 316-319.
26Van de 21 calvinisten uit deze branche konden we in zeventien gevallen de plaats van herkomst achterhalen. Negen waren effectief geboren te Antwerpen, vijf waren afkomstig uit Antwerpen - wat impliceert dat ze eventueel elders geboren waren - en verder telkens één uit Vlaanderen, Steenwerck, Ath, Armentières en Piëmont.
27Thijs, Van ‘werkwinkel’, 125, 193-194.
28Ibidem, 136, 194, 227.
29Cf. voor de functie van broederschappen in het ambachtelijke milieu in de periode van de contrareformatie Thijs, Van Geuzenstad, 91-96.
30Vergelijk met de interessante studie van Dolan, ‘The artisans of Aix-en-Provence’, 174-194.
31Thijs, Van ‘werkwinkel’, 405-407. Bovendien leende de bedrijfsstructuur van de lakenbereiders zich vrij makkelijk tot migratie, zodat men hierin geen verklaring vindt voor hun afwezigheid te Londen. Ibidem, 303.
32Gebaseerd op de casus Dijon tijdens de periode van de Franse religieoorlogen. Farr, ‘Popular Religious Solidarity’, speciaal 205, 211; Id., Hands of Honor, 231-232.
33We gebruikten de plattegrond uit 1610 van Carolus Scribani, Origines Antverpiensium, tegenover 85. Een reproductie in Voet, De Gouden Eeuw, 482. Dit plan geeft een getrouwe weergave van het zestiende-eeuwse stratennet. De bekende kaart van Virgilius Bononiensis uit 1565 bleek om praktische redenen veel minder bruikbaar.
34Een reproductie van het plan van Bononiensis in Voet e.a., De stad Antwerpen, los plan in bijlage met identificatiesysteem. Vande Weghe, Geschiedenis van de Antwerpse straatnamen.
35Van Roey, De val van Antwerpen, 61-62.
36Vande Weghe, Geschiedenis, 381-382; Soly, ‘De megalopolis Antwerpen’, 103-104, 111.
37Vande Weghe, Geschiedenis, 354-355; Van Roey, ‘De zeventiende eeuw’, 125.
38Boumans, ‘De getalsterkte’, 780-786. In concreto ging het om 4.852 katholieken, 1.572 lutheranen en 3.040 calvinisten (met inbegrip van een gering aantal doopsgezinden).
39Van Roey, ‘De correlatie’, 256-257.
40Zie voor Brugge Vandamme, De socio-professionele recrutering, 366-371. Zie voor Parijs, Rouen, Caen en Lyon Diefendorf, Beneath the Cross, 112-114; Benedict, Rouen, 81-88; Lamet, ‘French Protestants’, 41-42; Gascon, Grand commerce, I, 476-477. Zie ook Greengrass, French Protestantism, 55-56.

41Vergelijk met de gegevens voor het vroege anabaptisme in Amsterdam en voor Centraal-Europa in Waite, ‘The Anabaptist Movement in Amsterdam’, 251, en Clasen, Anabaptism. A Social History, 318-319.

42De sterke aanwezigheid van kleermakers in de doopsgezinde beweging geldt ook voor andere plaatsen. Zie de vorige noot.
43We doelen hierbij op geografische mobiliteit die besloten ligt in de aard van een beroep. Vele doopsgezinden waren onder invloed van de repressie immers gedwongen tot mobiliteit.
44Decavele, De dageraad, I, 568-570.
45Backhouse, ‘Peiling’, 398-399; Id., ‘Korte schets van de socio-ekonomische en religieuze situatie in Kortrijk’, 419, 429, 432. Zie ook Thijs, Van ‘werkwinkel’, 315-317.
46Van de zestien doopsgezinden uit de textielsector van wie we de herkomst konden achterhalen, verbleven er tien te Borgerhout of Dambrugge.
47Cf. Thijs, Van ‘werkwinkel’, 92, die opmerkt dat de linnenhandel tijdens het Wonderjaar een dieptepunt beleefde. In de jaren 1569-1573 stremde het handelsconflict met Engeland de linnenhandel.