terug  begin  verder

Het alomtegenwoordige misverstand

Hermans zelf heeft in een interview met Jessurun d'Oliveira gesteld dat praktisch alle mensen die met Osewoudt te maken hebben slechts met één lens kunnen kijken. ‘Het centrale idee in het boek is dat van het misverstand’, verklaarde hij (13-14). Dit is de keerzijde van het idee dat de werkelijkheid niet te doorgronden is. Zo'n idee is door een schrijver alleen goed te illustreren door de lezer op zijn minst iets te laten weten van wat er wèl gebeurd is.

Want stel dat een lezer van niets weet en met vele, haaks op elkaar staande meningen geconfronteerd wordt. Dan kan hij concluderen dat veel van deze meningen fout moeten zijn, maar hij zal blijven denken, zoals hij gewoon is, dat er wel een de juiste zal zijn, al kan hij niet uitmaken welke. Zo had Hermans niet kunnen illustreren dat de historische werkelijkheid door latere onderzoekers niet te achterhalen is, tenzij hij al deze meningen als stom had voorgesteld. Dan zou hij echter niet overtuigd hebben, want in feite zijn lang niet alle meningen van historici, rechercheurs, psychiaters en journalisten stom. Hermans moest vakmensen op beroepsmatige wijze naar de waarheid laten zoeken en dan laten zien dat ze er niet achter kunnen komen. Dat zegt iets en dat heeft hij gedaan. Daarvoor was nodig dat hij aan de lezer de historische werkelijkheid, die van Osewoudt, kenbaar maakte, zodat de lezer kan concluderen dat alle meningen daarover misverstanden zijn.

Daardoor kan de geïnteresseerde lezer - een groot bijkomend voordeel -inzien waaruit het misverstand van de meningen bestaat en kan hij dus begrijpen hoe het tot stand komt. Pas doordat hij iets weet van wat er gebeurd is kan hij door vergelijking hiermee zien waarop de diverse misverstanden berusten. Hermans heeft er voor gezorgd dat zijn lezer ruim de gelegenheid hiervoor krijgt. Dat liet ik al zien aan de hand van de beschuldigingen van Selderhorst, maar er zijn nog meer misverstanden.

Journalist en psychiater

Het dagbladartikel ‘Held of verrader?’ is een persiflage genoemd (Janssen 1983, 38), maar het is dat niet méér dan de weergave van de opvattingen van

[p. 28]

de anderen. Met z'n mengsel van feiten en voor waar gehouden speculaties is het een gecompliceerd voorbeeld van een misverstand. De schrijver ervan meent dat Dorbeck wèl bestaan heeft, maar dat hij door Osewoudt verraden is (309). De lezer kan weten dat dit laatste onwaar is en daardoor op zijn hoede zijn voor wat er verder nog in het stuk staat.

De reden voor deze onjuiste verdenking is echter zonder grote moeite te reconstrueren. Wij lezers kunnen weten dat Ebernuss, die aan het eind van de oorlog wou deserteren, om Osewoudt voor zich te winnen uit eigen beweging diens Joodse vriendin Marianne goed behandeld heeft. Vervolgens heeft de Duitser om te kunnen onderduiken Osewoudt het adres geleverd van het huis waar zich Dorbeck en anderen, zoals de student Moorlag, bevonden, en is er met hem naar toe gegaan. (In het volgende artikel behandel ik hoe dit zich precies toedroeg. Het is erg gecompliceerd en dubbelzinnig.) Moorlag is later ergens dood aangetroffen en Dorbeck is onvindbaar.

De journalist gaat er nu van uit dat Dorbeck ook dood is en dat Osewoudt Ebernuss naar het huis gebracht heeft - wat slechts half klopt - en zo Dorbeck en Moorlag verraden heeft. Waarom? Om te verkrijgen dat de Duitsers zijn vriendin zouden sparen. Dit is ook weer een voor de hand liggende omkering van wat zich afgespeeld heeft. Ebernuss heeft uit zichzelf Marianne goed behandeld om Osewoudt later te kunnen gebruiken. Deze verdenking, die als onbetwijfelbaar naar voren wordt gebracht, komt overeen met wat Osewoudt zonder het te beseffen eerder gedaan heeft, namelijk de Duitsers die hem na zijn ziekenhuisverblijf ongemerkt volgden op het onderduikadres van verzetsman Labare attenderen. De buitenwereld neemt ten onrechte aan dat dit verraad was, maar gegeven dat men dit gelooft, zou het heel goed kunnen dat hij zich een tweede keer aan zoiets schuldig heeft gemaakt. De beschuldiging is logisch genoeg en toch onjuist.

 

De psychiater Lichtenau is een ander treffend voorbeeld van het misverstand (316-321). Deze man meent dat Dorbeck een personificatie van bepaalde strevingen van Osewoudt's eigen ziel is. Dit is zo, maar hij meent ook dat Dorbeck ‘niets anders’ geweest is dan dat (318, cursivering van mij) en dus een produkt van Osewoudt's fantasie. Dat diens moeder geestesziek was versterkt voor hem deze veronderstelling. Bovendien kan Lichtenau zo Osewoudt redden door hem ontoerekeningsvatbaar te verklaren.

De psychiater ziet over het hoofd dat het kan voorkomen dat iemand een werkelijk persoon ontmoet die een personificatie is van zijn eigen strevingen. Smulders zegt dat de lezer, wanneer de auteur de psychiater laat ver-

[p. 29]

klaren dat Osewoudt ontoerekeningsvatbaar is, volslagen onmachtig is om over deze uitspraak een definitief oordeel te vellen (LM 114).

Nu is ‘ontoerekeningsvatbaar’ een rekbaar begrip, waarvan de toepassing van iemands door de cultuur (mede)bepaalde mensbeschouwing afhangt (dit begrip is pas in de moderne tijd gevormd) en daardoor kan niemand definitief over een ander zeggen dat hij het al of niet is, behalve als het om evident zwak- of krankzinnigen gaat. De lezer kan echter wel heel goed weten dat de psychiater een onjuist idee heeft over Osewoudt, hem op grond daarvan zo beoordeelt en dus ongelijk heeft. De psychiater wordt impliciet ontmaskerd. Hij gaat geheel af op de mening van de inspecteur en neemt Osewoudt niet eens in observatie. Hij velt een oordeel over iets waar hij te weinig vanaf weet vanuit pseudo leunstoel-zekerheden die zijn beroep hem verschaft. Als je zoiets niet onderkent mis je waar het om gaat.

De mythen van oom, inspecteur en anderen

Een belangrijke strekking van het boek is dus dat buitenstaanders - een journalist, een psychiater en als prototype de inspecteur - in Osewoudt zien wat het best in hun kraam te pas komt. Een ander voorbeeld is pater Beer, over wie Hermans het gehad heeft (Jessurun d'Oliveira 14-15) die meent dat Osewoudt beter op de genade Gods kan vertrouwen dan op Dorbeck. Maar Osewoudt wil geen genade, hij wil recht.

Nog een voorbeeld hiervan is de ouderwetse, zogenaamde idealist oom Bart, die er vanuit zijn idee-fixen op los kletst. Hiertoe behoort bijvoorbeeld dat Osewoudt een ‘dégeneré’ is, een nu verlaten begrip uit de psychiatrie van ver vóór 1940. Osewoudt's lichamelijke afwijking (geen baardgroei, vrouwenstem) maakt dit etiket enigszins begrijpelijk, maar toch is het een vooroordeel (98-99). Deze oom onderscheidt zich door in het geheel geen acht te slaan op de werkelijkheid om hem heen, terwijl de anderen - even afgezien van de priester - dat wel proberen, maar er niet in slagen er een betrouwbaar beeld van op te bouwen. Wat de priester betreft, die heeft zijn bovenzinnelijke werkelijkheid, waarover niets te verifiëren valt.

Als Dorbeck niet bestaan zou hebben gaat deze strekking dat men ziet wat men wil zien - die verbonden is met het grondidee, dat de historische werkelijkheid niet te doorgronden is - helemaal verloren. Deze verbondenheid tussen strekking en grondidee bestaat hieruit dat men, als de werkelijkheid niet te doorgronden is, slechts twee dingen kan doen: of een verkeerd, mythisch beeld ervan opbouwen of afzien van de pretentie haar te kennen. De personages kiezen het eerste.

[p. 30]

Als Selderhorst voor de lezer onweerlegbare dossiers had, zoals Smulders ons probeert wijs te maken, hoewel de inspecteur zelf te kennen geeft dat ze geen bewijskracht hebben, zou het thema van het misverstand eveneens verdwijnen. In feite is deze inspecteur één van de lui - en als onderzoeksleider de belangrijkste - die hun mythe bij gebrek aan beter maar voor de waarheid houden. Het verschil tussen hem en de psychiater enerzijds en oom Bart anderzijds is dat de laatste voornamelijk een komische figuur is en wegens zijn bekrompenheid van ouderwetse snit bij lezers die niet zo ouderwets zijn door de mand valt, terwijl voor het doorzien van de eerste twee - autoriteiten op hun gebied, maar schijnbare - veel meer inzicht is vereist.

Het misverstand van de pychiater dat Dorbeck een geestesinbeelding is, heeft als onmisbaar fundament dat van de inspecteur dat Dorbeck niet bestaat. Als Selderhorst's dossiers onwrikbaar waren zou er als misverstand in de roman alleen overblijven dat volgens de journalist ook Dorbeck door Osewoudt verraden is, maar op het punt waar het om draait - of Osewoudt een verrader is - meent de journalist dus hetzelfde als wat de inspecteur gemakshalve aanneemt en doet er nog een schep bovenop. Het misverstand zou dan geen centraal idee van de roman zijn.

 

Concluderend, de ondoorgrondbaarheid van de historische werkelijkheid wordt in de roman dus op twee uiteenlopende manieren gedemonstreerd. Ten eerste doordat niemand kan uitmaken wie Dorbeck precies is, ook de lezer niet. Dit is bij Janssen (1983) voldoende uitgekomen.

Ten tweede doordat wie in de roman wil weten of Osewoudt een verzetsman of verrader is hiertoe niet in staat is. In dit laatste geval kan de lezer echter wèl weten hoe het werkelijk is, en dit is ook vereist om te kunnen zien dat de personages aan een misverstand lijden en op welke manier ze daartoe komen.

Realisme of niet

Volgens Smulders appelleert deze roman op een heel directe wijze aan de gewone werkelijkheid, terwijl hij als geheel dat appèl logenstraft. In de roman zouden de wetten van het realisme slechts in schijn gehoorzaamd worden, terwijl ze in feite voortdurend worden overtreden (LM 47, 123). Hij ondersteunt dit voornamelijk door erop te wijzen dat personages soms meer weten dan mogelijk is. Ik zie dat niet in, maar het is te ingewikkeld om het voor details na te gaan. De behandeling van één ervan zou al gauw een hele bladzijde vullen.

[p. 31]

In het algemeen zou ik hierover willen opmerken dat sommige personages hun kennis nogal eens achter de schermen opdoen, maar dat het niet onmogelijk is dat ze iets te weten kwamen. Eerst beweert Smulders dat het buiten het bereik van Ebernuss ligt om te kunnen zeggen wat de auteur hem laat zeggen (LM 186), maar wat verder weerlegt hij dit zelf door te stellen, terecht, dat het mogelijk is aan te nemen dat Ebernuss dergelijke dingen van Osewoudt's vriendin Marianne, die in zijn macht is, gehoord heeft. Marianne is een van de ‘getuigen’ die het in principe mogelijk maakt dat hij om het even wat kan weten (LM 193). Een dergelijk soort verklaring ligt wel vaker voor de hand.

Alles bij elkaar heeft Smulders, met zijn simpele geloof in de inspecteur, kennelijk een ander idee van de werkelijkheid dan ik en, wat van veel meer belang is, dan Hermans. Ook de gedeeltelijke desoriëntatie die via Selderhorst plaats vindt, maar ook al voordien, is heel realistisch. Dergelijke zaken kwamen in de Tweede Wereldoorlog - en in andere oorlogen - betrekkelijk veel voor. Zoals bekend heeft Hermans zich door enkele van deze zaken laten inspireren. Tientallen jaren heeft men zich afgevraagd hoe het England-spiel zo slecht heeft kunnen aflopen, en nog steeds lees je tegenstrijdige verklaringen hiervoor. Zelfs in situaties in het dagelijkse leven gaat het soms zo toe, al is daar meestal wat meer kans om het een en ander te verifiëren. Maar vaak hebben mensen daar geen zin in omdat het inspanning kost en/of omdat ze geloven in hun eigen verkeerde indrukken en omdat hun projecties en andere bedenksels hun beter bevallen.

Ik ben me er natuurlijk van bewust dat Hermans visies op de werkelijkheid, ook die van hemzelf, tot mythologie bestempelt en terecht meent dat realisme in de zin van een objectieve weergave van de realiteit in literatuur niet mogelijk is (19718, 114 e.v.), maar hij presenteert zijn visie via een - uiteraard geraffineerd geconstrueerde - roman die realistisch aandoet. Een uitzondering hierop is voor mij de helderziende droom van de Duitse luitenant Krügener (235), daar ik niet aan dergelijke dromen geloof.

Deze roman blijft een van de weinige meesterwerken uit onze moderne literatuur. Het is bijzonder knap dat Hermans ons laat meeleven met een personage dat geen enkele moeite heeft met het koelbloedig ombrengen van diverse mensen. Dit zal onder andere komen omdat veel lezers het onrechtvaardig vinden dat iemand ten onrechte voor een verrader wordt gehouden, hoe hij verder ook moge zijn.

terug  begin  verder