terug  begin  verder

Geen bewijsmateriaal dat Dorbeck een verrader is

Sonja Pos wil in haar artikel de theorie van René Girard over navolging en het scheppen van zondebokken op De donkere kamer toepassen. Wat navolging betreft kost dit uiteraard geen moeite: Osewoudt probeert zijn idool Dorbeck na te volgen en zelfs te imiteren. Wat zij daarover zegt onderschrijf ik: het ligt er dik op, je hebt er Girard niet voor nodig om het te zien.

Met het zondebokthema slaat ze echter de plank mis. Pos poneert:

[p. 47]

‘Osewoudt draait op voor wat Dorbeck, die een landverrader was, heeft misdaan’ (160). Osewoudt zou dus tot zondebok gemaakt worden. ‘Osewoudt () zal moeten opdraaien voor de misdaden van Dorbeck’ herhaalt Pos een paar keer (163, idem op 170). Zij beseft dat Osewoudt geen landverrader is (169), maar waarom meent ze dat Dorbeck dat wel is?

Ik was benieuwd wat die misdaden van Dorbeck dan wel zouden zijn, maar daar zegt Pos helaas niets over. Nergens geeft ze enige reden op voor haar mening dat Dorbeck een landverrader is. Ze neemt het domweg aan. Ze heeft het nodig om Girard toe te passen, logisch, maar dat is nog geen goede reden ervoor.

 

Nu bestaat er een artikel, dat door Pos niet aangehaald wordt, van Van Hoek en Wingen, waarin deze auteurs Dorbeck ook als een collaborateur beschouwen. Hiervoor moeten ze echter, zoals Janssen (1983, 45) in zijn kritiek hierop opmerkt, alle feiten, ook de klaarblijkelijk duidelijke, herinterpreteren. Mijns inziens fantaseren ze een nieuwe roman bij elkaar.

Dit blijkt al ruimschoots uit hun behandeling van de zaak van de door Engeland gestuurde, later omgebrachte agente Elly Berkelbach Sprenkel (103-105). Mijn kritiek zal gemakkelijker te volgen zijn indien de lezer zich mijn analyse van deze kwestie in mijn vorige opstel nog herinnert: Elly wordt aangegeven bij de Duitsers door spoorwegingenieur De Vos Clootwijk, die de schuld ervan op Osewoudt afschuift. Hierover bestaat zekerheid.

De beide auteurs zien deze toedracht niet en laten hun fantasie dus de vrije loop. Zij menen dat het Dorbeck is die verband gelegd moet hebben tussen Osewoudt en het bezoek dat deze bracht aan De Vos omdat Osewoudt zich bij dit bezoek niet geïdentificeerd heeft. Osewoudt is echter een uitermate herkenbaar en later overal bekend geworden personage, zodat De Vos zelf dit verband achteraf zonder moeite kan leggen. Zij geloven dat Dorbeck al eerder bij De Vos was omdat deze beweert dat Osewoudt al bij hem was geweest vóór Elly. Dat zegt hij echter uiteraard om Osewoudt te kunnen beschuldigen en zo zijn eigen aangeven van Elly te excuseren. Zij menen dat Dorbeck de naam van Osewoudt aan de arrestatie van Elly heeft gebonden, maar in feite heeft De Vos dat, overduidelijk, gedaan (257-258). De auteurs denken ook dat de Elly die Osewoudt ontmoet geen Engelse agente hoeft te zijn en voeren hiervoor aan dat ze onhandig en slecht voorbereid is, met haar in Nederland nog onbekende ballpoint en uit de roulatie gehaalde zilveren guldens. Hermans wil hier

[p. 48]

echter mee aangeven dat er amateuristisch te werk werd gegaan. Dit is trouwens een historisch feit (Janssen 1983, 59)! Om aan te tonen dat iets niet klopt voeren de auteurs dus in hun onwetendheid iets aan dat juist op die manier gebeurd is. Zij veronderstellen dan dat er een echte Elly bestond die misschien al ingerekend was en dat de zogenaamd onechte, de enige die de lezer bekend is, wordt gebruikt om te provoceren en de schuld van de arrestatie van de echte op Osewoudt te schuiven, waar Dorbeck op uit zou zijn. Ze fantaseren dus een extra personage erbij, hetgeen een interpreet beter aan de romancier kan overlaten.

Wat de aanslag op de NSB'er Lagendaal betreft, zeggen de auteurs dat de foto waardoor de illegale, als jeugdleidster vermomde, Annelies van Dormaal (alias: ‘Hé jij’) door de Duitsers herkend kon worden van Dorbeck afkomstig was: ‘Dorbeck zou dus Annelies verraden hebben’ (105). Ze geven vervolgens toe dat de zaak niet zo eenvoudig ligt, maar hebben het dan toch maar gezegd zonder het expliciet terug te nemen.

Hun conclusie deugt echter van geen kant. Dat Dorbeck ervoor zorgt dat deze illegale een foto bij zich heeft, waardoor Osewoudt zeker kan weten dat zij degene is die hij moet hebben, duidt niet op verraad. Dat zij de foto niet laat zien en hij het niet nodig vindt erom te vragen is een tweede. Dat de foto een risico inhoudt tegenover de Duitsers indien die haar arresteren is iets dat in zulke gevallen op de koop toegenomen moet worden.

Dan is er de vraag hoe het komt dat Osewoudt na zijn aanslag omgeroepen wordt op het station van Amsterdam en niet veel later gearresteerd wordt als gevolg van de vertoning van een foto in de bioscoop. ‘Het moet Dorbeck geweest zijn die Osewoudt heeft aangegeven’ zeggen de auteurs (108). Want behalve ‘Hé jij’ wist alleen Dorbeck dat hij in die trein zou zitten en de illegale kende hem onder de naam van Filip van Druten.

Dorbeck kon echter niet goed weten dat Osewoudt de trein naar Amsterdam zal nemen (Janssen 1983, 45). En waarom zou Dorbeck iemand aangeven die getrouw zijn opdrachten uitvoert?! Dat is een onzinnige veronderstelling.

Het stationsbericht is bestemd voor Osewoudt, die naar het luidt ‘vermoedelijk’ is aangekomen. Men weet het dus niet zeker, men probeert iets uit.

Wat Dorbeck weet over Osewoudt kan de door Dorbeck gezonden illegale ‘Hé jij’, met wie Osewoudt reisde vanaf Lunteren en die in de trein gearresteerd wordt, in beginsel ook weten, ook zijn echte naam. Kan ze hem niet onder dwang verraden hebben voor haar dood? Dupuis heeft er op gewezen dat later gezegd wordt dat ze ‘zo goed als onmiddellijk’ na haar arrestatie zelf-

[p. 49]

moord heeft gepleegd (1976, 185). Inspecteur Selderhorst heeft dit uit Duitse bron (DKD 268). Als dit waar is heeft zij dus bijna niet kunnen doorslaan, maar is het - geheel - waar? Dat is vaak de vraag in deze roman. Als de illegale niet onmiddellijk zelfmoord heeft kunnen plegen (en wat houdt ‘zo goed als onmiddellijk’ precies in?) kan ze doorgeslagen hebben.

Hoe dit ook zij, er is nog een andere, gecompliceerdere verklaring te reconstrueren, waarbij ik beginnen moet met de achtergrond. Osewoudt's vrouw Ria, die hem uit de weg wil hebben, heeft hem, als eerder gezegd, aangegegeven, hetgeen het vertonen van de bioscoopfoto kan verklaren. De foto zal van Osewoudt zijn, namelijk die van zijn oorspronkelijke persoonsbewijs waarvan het duplicaat bij de Burgerlijke stand berusttte, al valt niet uit te sluiten dat ze van Dorbeck is (143), hetgeen Osewoudt later gaat geloven. (Er zijn echter geen aanwijzingen dat de Duitsers Dorbeck ooit hebben gepakt en wel aanwijzingen dat ze dat niet hebben gekund.) Bij de inval in Osewoudt's huis hebben de Duitsers de negatieven van een rolletje foto's in beslag genomen, die ze volgens Selderhorst gebruiken om in illegale organisaties binnen te dringen (267-268).

Op grond hiervan is aan te nemen dat de Duitsers op de gedachte aan Osewoudt komen door de foto die de illegale bij zich heeft, want die zal een afdruk zijn van een van de in zijn huis in beslag genomen negatieven. Verder heeft de illegale vermoedelijk nog het treinkaartje bij zich van de door haar en Osewoudt begeleide kleine Walter, Lagendaal's zoon, die gezegd heeft naar Amsterdam te gaan (133, 136). De Duitsers kunnen hieruit opmaken dat Osewoudt ook naar Amsterdam wil. Trouwens, van Amersfoort naar Leiden gaat men tegenwoordig via Utrecht of Amsterdam. Als dat toen ook zo was, hoefden de Duitsers slechts op twee stations Osewoudt zo nu en dan te laten omroepen om hem te bereiken. Bij elkaar kan dit het bericht verklaren. Janssen vraagt zich af waarom de Duitsers Osewoudt niet afwachten bij de uitgang (1983, 33). Omdat ze niet zeker weten, kan men aannemen, waar en wanneer hij zal uitstappen. Ze proberen iets dat niet veel moeite kost. Bovendien denken ze hem toch wel te pakken te krijgen via zijn overal vertoonde portret.

Na deze uitgebreide reconstructie terug naar de beide auteurs. Zij zoeken de oorzaak van het gerucht dat Osewoudt honderden goede vaderlanders aan de vijand heeft uitgeleverd in de hypothese dat iemand anders, Dorbeck, tijdens Osewoudt's Duitse gevangenschap diens naam gebruikt heeft in pro-Duitse activiteiten (109). Hieruit blijkt dat ze niet het minste van de roman begrepen hebben.

[p. 50]

Het is enkel een aanname waar niets op wijst en die bovendien onnodig is. Waarom het gerucht tot stand kwam wordt geheel duidelijk door zaken die ik behandeld heb, de leugen van De Vos over de zaak Elly, de voor Osewoudt zwaar belastende schijnontsnapping uit het hospitaal met als gevolg het oprollen van Labare's illegalenhuis, de Osewoudt zeer verdacht makende protectie die hij van Ebernuss genoten heeft, al heeft hij daar niet om gevraagd, en de fotonegatieven die de Duitsers op uitnodiging van zijn vrouw Ria in Osewoudt's huis hebben gevonden en gebruiken om zich bij illegalen in te dringen. Al deze zaken zijn zeker en de goede lezer weet dat ze niet op schuld van Osewoudt wijzen.

Het laatste argument dat de auteurs geven maakt enigszins begrijpelijk waarom zij tot hun opzet, die nauwelijks iets met de roman heeft uit te staan, gekomen zijn. Het is de reden die Dorbeck opgeeft om Ebernuss te doden, namelijk dat die te veel weet. ‘Van Osewoudt wist Ebernuss alles af en hij was niet meer van plan hem daar nog voor te laten boeten’, schrijven ze terecht en concluderen: ‘Omdat Ebernuss te veel wist over Dorbeck mocht hij de oorlog niet overleven’ (110).

Het is verleidelijk dit te denken. Ze geven zo een reden waarom Dorbeck Ebernuss uit de weg wil ruimen, maar dit zou alleen waarschijnlijk zijn als ze hun beschuldiging van Dorbeck's verraderschap op andere gronden hard hadden gemaakt. De vraag waarom Dorbeck Ebernuss laat vermoorden is niet te beantwoorden als je niet tevreden bent met de reden dat Ebernuss een Duitser is die tot voor kort op illegalen joeg.

Een zwaar tellend argument tegen de interpretatie van Van Hoek en Wingen is uiteraard dat er door Dorbeck's toedoen slachtoffers vallen aan de Duitse kant, twee van de drie in Haarlem en NSB'er Lagendaal.

 

De vraag of Dorbeck goed of fout was hangt nauw samen met dezelfde vraag over Osewoudt, want deze handelt vaak in opdracht van Dorbeck. Deze door Osewoudt uitgevoerde opdrachten worden door inspecteur Selderhorst als verzetsdaden beschouwd. De inspecteur betwijfelt echter ten onrechte dat Osewoudt aan één bepaalde liquidatie heeft meegedaan, namelijk de moord op de NSB'er Lagendaal, en ten tweede verdenkt hij Osewoudt, als gezegd, van verraad. Ik heb eerder betoogd dat de lezer kan weten dat Osewoudt zeker geen verrader is, maar dit terzijde. Waar het nu om gaat is dat je, als je poneert dat Dorbeck een verrader is, met goede redenen moet komen. Je kunt een beetje aan Dorbeck twijfelen bij zijn laatste optreden. Waarom wil hij Ebernuss uit de weg geruimd hebben? Hij

[p. 51]

zegt dat de Duitser te veel weet, maar wat weet Ebernuss nog meer dan dat hij Osewoudt heeft gemanipuleerd? Deze onbeantwoordbare vraag is echter absoluut ontoereikend om Dorbeck voor een verrader te houden. Pos komt met geen enkele reden. Ze zuigt het verraderschap van Dorbeck uit haar duim.

Osewoudt moet in feite boeten, niet voor wat Dorbeck uithaalt maar, zoals ik eerder betoogde, omdat Ebernuss een spelletje met hem uithaalt door hem te laten ‘bevrijden’ uit het ziekenhuis door pseudo-verzetslieden, om hem te laten schaduwen en zo op het spoor te komen van echte verzetsmensen. Deze ontsnapping wekt al meteen erna verdenking bij sommige verzetslieden in Labare's huis waar Osewoudt naar toe gaat. Osewoudt heeft de truc echter niet doorzien, hij is te goeder trouw. Dit is voor honderd procent uit de roman op te maken en ten overvloede heeft Hermans het ook nog eens gezegd (zie Janssen (red.), 323). Later zal deze gebeurtenis Osewoudt opbreken. Dit is de voornaamste reden voor de verdenkingen, al zijn er nog andere, die ik hierboven kort vermeldde. Over een daarvan gaat het volgende.

terug  begin  verder