Pos meent dat Osewoudt ingaat op de chantage van Ebernuss, die in de oorlog het onderzoek naar Osewoudt en Dorbeck leidt. Om zijn vriendin Marianne te redden moet hij Dorbeck aanwijzen. Osewoudt zou daardoor Dorbeck's arrestatie riskeren en ‘zo verraadt hij in wezen zijn aanbeden model’ (159, 168). Hiermee neemt Pos de mening van de journalist in het dagbladartikel ‘Held of verrader?’ over, al vermeldt ze dit niet. Ook Janssen denkt dat Marianne gered wordt door Ebernuss als tegenprestatie omdat Osewoudt hem naar Moorlag's sociëteit brengt (1983, 26-27). Juffer meent dat ook (22).
Kloppen die meningen? Nee, maar de manier waarop het door Hermans wordt voorgesteld is een meesterstuk van schijnbare dubbelzinnigheid, zodat de misvatting begrijpelijk is. Ik zelf heb wat er gebeurt in mijn eerste artikel (1992) te kort en simplificerend samengevat en wil dat nu beter doen. Het is een ingewikkeld verhaal.
Ebernuss stelt voor dat Osewoudt een zolder van een grachtenhuis waar Dorbeck wel eens komt zal bezoeken en een praatje maken. De Duitsers zullen Osewoudt brengen, maar niemand van hen zal mee naar binnen gaan. Daarna zal Osewoudt dan, naar de lezer mag aannemen, rapport
moeten uitbrengen. Ebernuss verklaart dat hij, als Osewoudt dit doet, Marianne zal vrijlaten en een echt persoonsbewijs zonder J (van jood) bezorgen. Osewoudt gaat niet in op dit voorstel. Hij krijgt daar ook nauwelijks gelegenheid voor. Ebernuss vraagt hem namelijk erover na te denken.
Uit het voorgaande is onomstotelijk op te maken dat de Duitsers het adres kennen. Immers, zij zullen Osewoudt brengen (201-202). Osewoudt kent het adres niet en kan dat niet kennen. Terug in de gevangenis denkt hij na over het voorstel. Hij neemt een besluit, maar niemand komt ernaar vragen. Welk besluit wordt niet gezegd, maar we kunnen het opmaken uit zijn overweging dat Dorbeck niets erdoor zou riskeren. Osewoudt is dus ertoe bereid. Wat hij overweegt is misschien niet zo overtuigend. Hij denkt dat als hij Dorbeck een knipoogje geeft die alles zal begrijpen en dat ze samen wel een oplossing zullen vinden. Dit kan opgaan als Ebernuss zijn belofte houdt dat de Duitsers buiten zullen blijven, maar is het niet rijkelijk naïef van Osewoudt om dit te geloven? Moet niet toegegeven worden dat hij Dorbeck in gedachte een beetje verraadt? Ik meen van niet omdat iets anders maakt dat er geen sprake van verraad is, iets waar Osewoudt echter niet aan denkt. De Duitsers kennen het adres al en ze weten dat Osewoudt en Dorbeck sterk op elkaar lijken. Indien ze dat zouden willen kunnen ze dus het huis in de gaten houden en een inval doen als er iemand binnengaat die op Osewoudt lijkt. Al zou Osewoudt op het voorstel van Ebernuss ingaan, dit zou dus weinig of niets toevoegen aan het gevaar waarin Dorbeck toch al verkeert. Het voorstel van Ebernuss is, vanuit zijn eigen doelstellingen gezien, onpraktisch en een beetje vreemd. Je kunt dit verklaren door het te zien, zoals Janssen (1983, 37) doet, als een inleiding tot zijn tweede voorstel.
Een hele tijd later komt Ebernuss Osewoudt in zijn cel opzoeken en toont hem een brief waarin Marianne schrijft dat ze is vrijgelaten en een persoonsbewijs zonder ‘J’ heeft gekregen. Dan zegt de Duitser dat, nu hìj zijn belofte gehouden heeft, Osewoudt de zijne moet houden ‘die je mij gedaan hebt’ (206). Maar Osewoudt heeft niets beloofd! Ebernuss heeft Marianne uit eigen beweging goed behandeld. Dat Osewoudt eraan dacht om op Ebernuss z'n voorstel in te gaan kon de Duitser niet weten. Wat Ebernuss nú van Osewoudt wil is iets anders. Osewoudt moet hem introduceren bij de verzetsmensen, want Ebernuss weet dat de oorlog verloren is en wil alleen nog maar zijn huid redden. Osewoudt is hiertoe bereid. Ebernuss en Osewoudt gaan zonder begeleiding van Duitse soldaten op weg. Osewoudt heeft reden genoeg om Ebernuss te geloven en doet dat ook, getuige wat hij - even later - tegen Dorbeck zegt. De Duitser beraamt
niets meer tegen het verzet en als hij dat heimelijk toch zou willen, zou hij op zijn eentje niets kùnnen uitrichten. Het eindigt er dan ook mee dat hij vermoord wordt. Osewoudt heeft geen verraad gepleegd.
Wat opvalt is dat Osewoudt Ebernuss behulpzaam is met het vinden van de weg, hoewel het Ebernuss is die het bewuste adres wist. De Duitser moet het ondertussen aan Osewoudt verteld hebben, want Osewoudt zegt op gegeven moment dat het adres vijf nummers verder is (208). Indertijd schreef ik dat Ebernuss Osewoudt ‘naar het huis heeft gebracht’ omdat het adres door Ebernuss geleverd moet zijn, maar wel is Osewoudt nu actief in het wijzen van de weg. Toch is het weer Ebernuss die een van de drie deuren van het huis uitkiest door aan een touw te trekken dat de deur opent. Alles bij elkaar genomen kan de lezer die niet erg goed heeft opgelet denken dat het Osewoudt is die Ebernuss het adres heeft gegeven. Dat kan echter niet zo zijn. En al was het zo, dan zou het nog niets uitmaken omdat het er bij deze gelegenheid niet meer om gaat iets tegen het verzet te ondernemen.
Waarom heeft Hermans deze situatie zo uitermate dubbelzinnig voor buitenstaanders gemaakt, al is de conclusie die de lezer die het zorgvuldig nagaat kan trekken eenduidig? Bij degene die zich niet, zoals een ideale lezer, precies herinnert wat er gebeurd is, kunnen er beschuldigingen opkomen. Hermans laat zien hoe ingewikkelde situaties, waarvan de interpretatie van details afhangt, tot misverstanden kunnen leiden, in dit geval ook bij de goede lezer. De constructie dient ertoe om de verdenkingen tegen Osewoudt bij mensen na de oorlog plausibel te maken, net als de schijnontsnapping uit het ziekenhuis. De schrijver van het na-oorlogse dagbladartikel ‘Held of verrader?’ gelooft dat Osewoudt Dorbeck verraden heeft. Dit is niet waar, maar het is begrijpelijk dat het gedacht wordt. Dat een buitenstaander denkt dat Ebernuss Marianne goed behandeld heeft omdat Osewoudt beloofd heeft Dorbeck te verraden ligt voor de hand. En eveneens dat men denkt dat Osewoudt Ebernuss op het huis geattendeerd heeft, hetgeen niet het geval was omdat Osewoudt niet over het adres beschikte.
Ebernuss zou onmisbaar zijn om Osewoudt na de oorlog vrij te pleiten. Niet voor niets zegt hij keer op keer dat Osewoudt hem na de oorlog hard nodig zal hebben. Niettemin wordt Ebernuss door Osewoudt gedood omdat Dorbeck erop aandringt. Ebernuss weet te veel volgens Dorbeck, die niet zegt wat Ebernuss weet. Wel kunnen we - later - begrijpen dat Ebernuss als enige weet dat Osewoudt geen verrader is. Osewoudt voelt dat zijn ogen vol tranen komen te staan na het verzoek van Dorbeck. Waardoor dat komt begrijpt hij niet (215). Hij voert Dorbeck's opdracht om Ebernuss
te doden uit en bezegelt daarmee ook zijn eigen lot. Het waren, mag je aannemen, vanuit een voorgevoel tranen om hemzelf.
Ironisch genoeg echter meent Ebernuss zelf, als zijn woorden dat Osewoudt zijn belofte moet houden geen truc waren maar gemeend, dat Osewoudt het met hem op een akkoordje heeft gegooid om Marianne te redden. Dit zou dus één verdenking van Osewoudt's aanklagers bevestigen.
Ik heb eerder betoogd dat Osewoudt na de oorlog het slachtoffer is van misverstanden. Dat hij de verzetsman Dorbeck verraden zou hebben is één daarvan.
In zekere zin is hij, om een andere reden dan Pos aangeeft, toch als een zondebok te beschouwen. Hij boet niet voor de daden van Dorbeck, maar voor het falen van het verzet in het algemeen. Weliswaar heeft hij fouten begaan, maar die maken de andere verzetsmensen ook. Hij is echter degene die ervoor opdraait, nu de andere al dood zijn. Men wil iemand straffen voor het feit dat zoveel verzetsmensen omgekomen zijn, wat men niet verklaren kan, en daarvoor kiest men hem, al heeft hij geen specifieke schuld. Men weet niet, en accepteert niet, dat de slachting door blunders veroorzaakt is en wil een verrader kunnen aanwijzen.
Dit doet denken aan de ‘dolkstoot in de rug’-mythe in het verslagen Duitsland na de Eerste Wereldoorlog. De nederlaag aan verraad toeschrijven is eenvoudiger dan de werkelijke, ingewikkelde oorzaken te vinden en dekt het eigen falen toe.