terug  begin  verder

Tweeledigheid en tegenstrijdigheid van Dupuis' stellingname

Een probleem van de stellingname van Dupuis is dat ze uit twee elementen bestaat die elkaar niet hoeven te impliceren, maar die hij als één blok presenteert. Ik ben het met een van de elementen eens en verwerp het andere geheel. Dorbeck is voor Osewoudt iemand die het belangrijkste aspect van zijn gevoelsleven weerspiegelt, akkoord, maar tegelijk leidt hij in de roman niet een schijnbaar, maar een echt zelfstandig bestaan. Hij is niet, zoals de dubbelganger in Dostojevski's roman, een hallucinatie. Het is merkwaardig dat Dupuis erkent dat Osewoudt niet hallucineert (125) omdat dit strijdig is met de tendentie en de woordkeus van de rest van zijn betoog. Janssen constateerde deze tegenstelling al eerder in zijn recensie en dacht dat Dupuis het reële bestaan van Dorbeck toentertijd moest aanvaarden omdat zijn promotor van dit bestaan overtuigd was (111). Deze veronderstelling wordt nu ontkracht. Dupuis meent het nog steeds. Tegelijk poneert hij dat Dorbeck als

[p. 64]

antwoord op de zielenood van Osewoudt door een ‘magische vonk’ verschijnt (128-129), wat er toch op wijst dat deze niet echt zou bestaan.

Afgezien van deze vreemde, innerlijke tegenstrijdigheid accepteer ik dat de wereld van de roman er o.a. toe dient om een zielsconflict van Osewoudt tot uitdrukking te brengen, maar geenszins dat deze wereld daarom in de roman slechts schijnbaar zelfstandig en zintuiglijk bestaat. Hermans heeft deze wereld voorgesteld als werkelijk om dit zielsconflict uit te beelden, net zoals hij dat in bijvoorbeeld Nooit meer slapen heeft gedaan.

Om duidelijk te zijn zal ik nu verder datgene bestrijden wat me in het betoog van Dupuis als onjuist voorkomt. Daarbij zal ik niet elk van de talrijke details die hij opvoert kunnen bespreken, maar me moeten beperken tot die dingen die hij het vreemdste vindt of die echt vreemd kunnen lijken. Naast ‘droomlogica’ is ‘magie’ een ander kernbegrip van zijn beschouwing. Wat er voorvalt is volgens hem vaak ‘haast magisch’ (133) of geheel magisch. Als Osewoudt een straat niet meer kan terugvinden meent Dupuis dat die ‘zonder meer in het niets verdwenen’ blijkt te zijn (149). Dat zou dus een geheel magische gebeurtenis zijn, al laat hij deze term juist hier niet vallen.

Ik heb dit voorval, dat Dupuis het opmerkelijkste vindt, al in mijn eerste stuk becommentarieerd. Er is geen reden om aan te nemen dat deze straat echt verdwenen is. Osewoudt denkt dit ook niet, maar drukt zich alleen hyperbolisch in die zin uit omdat hij niet begrijpt dat hij hem niet kan terugvinden. Het in de lucht oplossen van straten kan in dromen voorkomen, maar naar mijn oordeel zit deze roman niet als een droom in elkaar. Volgens Dupuis echter wel (149). Ik heb gezegd dat het van een merkwaardig bijgeloof zou getuigen als Osewoudt meende dat de straat werkelijk verdwenen is en dat nergens blijkt dat Osewoudt er zulke overtuigingen op na houdt. Hij gelooft in de werkelijkheid, maar wordt erdoor verslagen. Dat hij de straat niet kan terugvinden wordt hierdoor verklaard dat hij de weg ernaartoe waargenomen heeft onder voor latere herkenning slechtst mogelijke omstandigheden: tijdens een ontsnapping in het donker, deels door een singel wadend, onder een regen van kogels. Dat het geheugen vaak bedrieglijk is, is een van de motieven van Hermans die bijdragen aan de ondoorgrondelijkheid van de menselijke wereld.

terug  begin  verder