terug  begin  verder

Osewoudt's psychologische grondslag

Volgens Dupuis (1985, 29) lijdt Osewoudt aan een Oedipuscomplex, naar mijn idee niet. Hermans heeft Osewoudt voorzien van een niet-freudiaanse variant van dit complex, die een ontkenning ervan is. Net als Oedipus heeft Osewoudt gezwollen voeten (door judo). Volgens het freudiaanse kernidee wil een jongen, als bekend, zijn vader uit de weg ruimen om met zijn moeder te slapen. Omdat het gaat om het doel, het bezit van de moeder, doet het er weinig toe of de zoon zelf de vader doodt.

Osewoudt wordt alles in de schoot geworpen wat men zou moeten krijgen om niet aan dit complex te lijden en het niet te hoeven verwerken. Zijn

[p. 70]

moeder heeft in een van haar vlagen van krankzinnigheid zijn vader gedood. Hij kan dus zonder rivaal over zijn moeder beschikken, neemt haar in huis en kruipt bij haar in bed wanneer haar geestesziekte verergert. Er is echter geen aanwijzing van seksuele bedoelingen, het is om haar te kalmeren, maar hij heeft de gelegenheid. Dat hij er geen gebruik van lijkt te maken is onfreudiaans. Je zou bij hem wel een moederfixatie ‘in a strictly pre-oedipal sense’ kunnen aannemen, ‘which prevents the child's separation thus impairing the formation of an identity’ (Weilnböck 113). Hij gaat vanaf jeugdige leeftijd met zijn oudere nicht Ria naar bed, zijn pseudo-moeder, die zich daarvoor heeft opgedrongen. Dit tezamen is het freudiaanse oerstadium van ongeciviliseerde zaligheid, maar gelukkig is Osewoudt allerminst.

Seks en liefde zijn in de roman gescheiden: van zijn moeder houdt hij, met zijn pseudo-moeder heeft hij seks, terwijl voor Sigmund Freud, gedurende een groot deel van zijn schrijversloopbaan, de liefde - en trouwens alle activiteit - uit de libido (incluis verwerking of verdringing daarvan) voortkomt. Alle obstakels (vader, tante Fietje) zijn voor Osewoudt al vroeg uit de weg geruimd, luidt het; obstakels zijn het in freudiaanse zin; seksueel heeft hij alles gedaan, alles is al gebeurd (19). Maar toch heeft hij het gevoel dat hij voordat hij Dorbeck ontmoette niets was en niet geleefd heeft (178). Hij heeft door zijn androgyne uiterlijk een levensgroot minderwaardigheidscomplex (Alfred Adler), zoals de hoofdpersoon uit Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants.

Voorzover hij een identiteit heeft is dat er een in de ogen van anderen, die door hemzelf verafschuwd wordt, namelijk die van een vrouwelijke man, geen echte. Dit komt behalve door zijn verschijning ook doordat hij in een vrouwenwereldje leeft. Echtgenote Ria is neerbuigend en zijn moeder probeert hem te domineren. Doordat Ria onvruchtbaar is kan hij bij haar geen vader worden. Judo, dat hij beoefent om zich te kunnen verdedigen, moet zijn inferioriteitsgevoel compenseren. Hij voelt zich leeg als het expositiemateriaal in zijn etalage. Hij fantaseert over een mannelijke wereld van geweld. De kanonnen met schokkende lopen waarover hij denkt zijn niet freudiaans te duiden, zoals Janssen (1983, 28) voorstelt, want over seks hoeft hij niet te fantaseren maar wel over vernietigen en heersen.

Volgens De Levita heeft Osewoudt ‘severe feelings of guilt’ over de dood van zijn vader. Dat zou blijken uit de opmerking dat Osewoudt nooit te weten komt hoe de moord zich heeft afgespeeld. Uit deze opmerking is echter alleen af te leiden dat het hem bijzonder interesseert. Wel zien we bij zijn

[p. 71]

bezoek als jongen aan Voorschoten waar de winkel ligt (DKD 13-14) dat het hem beangstigt. Dit - niet op te merken - gevoel van schuld zou bij Osewoudt ‘an inability to tolerate aggressive feelings in himself’ teweeg hebben gebracht en ‘a propensity to act them out’ (85). Dit laatste vertoont Osewoudt uiteraard, maar het lijkt er sterk op dat hij agressieve gevoelens wel degelijk toelaat, te oordelen naar zijn voortdurende agressieve fantasieën.

Osewoudt bedenkt als volwassene zelfs dat het mooi is dat zijn vader vermoord is, maar dat hij het liever zelf had gedaan (DKD 44). Waarom, horen we niet. Over het karakter van de vader wordt niets gezegd. Hij heeft zich nooit met zijn vader hoeven te meten, heeft hem niet overwonnen. Hij blijft sterk aan zijn moeder gehecht, die het passieve leven voorstaat. Zij waarschuwt tegen Dorbeck die het mannelijk-actieve, in haar ogen gevaarlijke, leven vertegenwoordigt (Janssen 1983, 30). De autonome Dorbeck is de vervangende vader met wie Osewoudt zich wil vereenzelvigen. Osewoudt blijft echter afhankelijk, wordt geen heerser zoals een vader voor het kind in beginsel is, zoals Dorbeck is. Hij meet zich niet met Dorbeck, hij staat niet op eigen benen. Hij schudt de invloed van zijn moeder af om zich door een ander, een man, te laten domineren.

Seks met Ria is nog geen liefde. Ook met Elly niet, dat is louter veroveren, een beloning voor de verzetsman. In de liefde - met Marianne - die hij nu aandurft, gaat het in het begin ook om veroveren. Hij blijft gepantserd, kleedt zich de eerste keer niet uit. Hij ervaart seks met haar als een daad van overweldiging, het is alsof hij een elektrische stroom van hoog voltage door haar lichaam jaagt (91). Later geeft hij zich aan haar: ‘het was of hij helemaal in haar wegzonk, of hij door haar verslonden werd en zij tegelijkertijd door hem’ (175). Maar dan gaat hij meteen twijfelen aan zichzelf. Hij blijft namelijk onzeker of zij wel van hem houdt die slechts een schaduw van Dorbeck is. Hij verwekt een kind bij haar, maar het sterft bij de geboorte.

Osewoudt heeft er niets aan gehad dat zijn vader uit de weg geruimd werd, zodat hij over zijn moeder kon beschikken; en ook niet dat hij zijn seksuele instinct zelfs in zijn jeugd niet hoefde te onderdrukken. Hoewel aan de freudiaanse desiderata voldaan werd, blijft zijn niet te overkomen ongeluk dat hij - zou je kunnen aannemen - geen vader gehad heeft die hij kon bewonderen en imiteren en dan overwinnen, zodat hij zelf een man, een ‘vader’, had kunnen worden. Is het daarom dat hij zich als ondergeschikte uitlevert aan een bewonderde figuur? Aan het stadium van bestrijden en overwinnen van Dorbeck komt Osewoudt niet toe. Hij blijft steken in vragen die door Dorbeck afgeweerd worden. Hij blijft de zoon, aan de

[p. 72]

hand van zijn pseudo-vader, die verloren is als deze hem in de steek laat en dan alleen nog maar tevergeefs om zijn ‘vader’ kan roepen, zoals de gelovige op zijn sterfbed om God.

terug  begin  verder