Op gevaar af vervelend te worden ga ik ook nog in op wat Dupuis zegt over een paar nevenpersonages. Volgens hem lijken veel van hen ook te komen en te gaan naar gelang de zich droomlogisch ontwikkelende handeling vereist. Bijvoorbeeld de verzetsagente Elly. Terwijl Osewoudt mijmert over de zinledigheid van zijn bestaan en, zijn winkel binnenstappend, de winkelbel hoort rinkelen gaat in aansluiting daarop ook de telefoon over (‘en alsof het daardoor kwam, begon meteen de telefoon te bellen’). Door een reflex van de buitenwereld wordt aan Osewoudt's wens voldaan, meent Dupuis (145).
‘Alsof het daardoor kwam’ (DKD 44) is echter een schijnverband van het soort dat Hermans zijn personages vaak laat leggen, met de bedoeling dat de lezer doorziet dat het slechts schijn is. Osewoudt heeft jaren moeten wachten en heeft al die jaren zonder Dorbeck leeg gevonden. Je hoeft er geen droomlogica achter te zoeken dat er tenslotte eens iets gebeurt dat misschien zin aan zijn leven zal verlenen. Dorbeck had even daarvoor via een getypt briefje weer contact met hem opgenomen. Hij wil weer eens van Osewoudt gebruik maken van wie hij weet dat die ertoe bereid is.
Dan wat Dupuis het providentieel optreden van Meinarends noemt. Osewoudt belt naar huis omdat hij geen raad meer weet. Hij wil Moorlag spreken, de student die bij hem een kamer huurt. Daar hij eerst zijn vrouw Ria te spreken krijgt en niet door haar geïdentificeerd wil worden dient hij zich aan als ‘Mijnhardt’, een naam die hij op een reclame ziet staan. Ria verstaat deze naam verkeerd en brieft hem als ‘Meinarends’ aan Moorlag over, die, wat Dupuis een wonder vindt, een zekere Meinarends kent (146).
Nu is dit deels toeval, maar deels vermoedelijk ook niet. Ria kan de naam namelijk als Meinarends verstaan omdat ze die naam al kent van Moorlag. Deze Meinarends is iemand die Osewoudt kan helpen, daar hij passen vervalst en dergelijke. Moorlag is geneigd tot verzet, dus dat hij zoiemand kent is niet vreemd. Dupuis heeft de indruk dat Meinarends door de behoefte van Osewoudt tevoorschijn wordt getoverd. Ik zou eerder zeggen dat Hermans hem wat gelukkig toeval laat hebben. In het verzet konden contacten van een eenling die wilde gaan meedoen nauwelijks anders dan zo tot stand komen. Dupuis verbaast zich erover dat Osewoudt deze Moorlag zo
maar in vertrouwen neemt, maar Osewoudt moet wel: hij weet op dat moment niemand anders en bovendien kent hij zijn huurder enigzins.
Bij het tweede optreden van Zéwüster, een van de mensen met wie Osewoudt zijn eerste aanslag heeft gepleegd, wordt volgens Dupuis opnieuw door een naam een scheppende rol gespeeld. Bij deze tweede ontmoeting presenteert Zéwüster zich als ‘De Bruin’. Osewoudt ziet hem dan wat later weer aankomen, ‘nog net zo, in zijn bruine pak’. Van een bruin pak is echter nog met geen woord gerept, schrijft Dupuis, tenzij bij de eerste ontmoeting. Dus zou de naam ‘De Bruin’ langs associatieve weg een bruine kleur aan het pak hebben meegegeven.
Hierop antwoord ik dat dit geen tovenarij is, maar dat Osewoudt mogelijk door de associatie met de naam op de kleur van het pak komt. Of Zéwüster draagt inderdaad een bruin pak, hetgeen eerder nog niet vermeld werd. Vroeger droeg hij er in elk geval een, dus waarom zou hij dit nu niet doen?
De conclusie van Dupuis dat een flink aantal personages als bij toverslag de romanwereld in en uit kunnen sluipen of zich daarin zonder boe of ba metamorfoseren en ‘dat zulks alleen gebeurt onder invloed van de noden en angsten van () Osewoudt’ (148), moet dus verworpen worden. Het gaat niet ‘bij toverslag’. Wel is wat gebeurt uiteraard geconstrueerd door Hermans en die speelt met de noden en angsten van zijn hoofdpersoon, maar zodanig dat het allemaal echt gebeurd had kunnen zijn. Om dat te bereiken stelt hij de gebeurtenissen realistisch voor en laat de mogelijkheid voor realistische verklaringen open.
‘In De donkere kamer’, schrijft Dupuis, ‘gebeurt alles alsof een paranoïde instantie aan de bron van de vertelling - men noeme die wat ons betreft de “abstractie” van Osewoudts psyche - zichzelf () in beeld brengt’ (127-128).
Indien zo'n instantie de bron is, dan echter niet een abstractie van Osewoudt's psyche, maar de auteur Hermans.