Critisch proza


auteur: H. Marsman


bron: H. Marsman, Critisch proza. In: H. Marsman, Verzameld werk (ed. D.A.M. Binnendijk en A. Vigoleis Thelen). Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1979, p. 399-852  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 521]

Louis Couperus

De nederlandse critiek heeft tegenover Couperus altijd een zekere reserve bewaard en zich, haar traditie getrouw, voorzichtig betoond tegenover het grote op het ogenblik dat het verscheen. En al is Couperus gelezen en ook tijdens zijn leven vooral in het buitenland een gevierd schrijver geweest [voor een deel alweer grondig vergeten], de vraag mag worden gesteld, of hij góed is gelezen, met ontvankelijkheid, liefde en begrip. Er is reden om het te betwijfelen, want hoe is er op hem gevit met de kleine rancuneuze betweterij van den middenstand, die bij ons alles bederft, met de verwachting veel fouten te vinden en de bij voorbaat reeds triomfantelijke voldoening, dat men zich niet laat ‘nemen’. En inderdaad - wie niet genomen wil worden, dien neemt men niet, dien neemt geen Van Schendel, geen A. Roland Holst, geen Couperus.

De sterkste eigenschap van de Nederlanders, hun critische zin, is tegelijk ook hun onverdragelijkste omdat zij zonder grootmoedigheid is; en ook van Couperus zijn de fouten twintig keer uitgerekend en nageteld en telkens vond men er meer: zijn fatalisme, zijn hedonisme, zijn heidendom, zijn oosterse praalzucht - en inderdaad, áls dat fouten zijn, heeft hij die fouten gehad. Hij had zelfs talrijke fouten en hij kwam er open voor uit, met de halfbevreesde zelfironie van een man die weet dat het een hachelijk ding is in de hollandse kou royaal in zijn hemd te gaan staan.

Tussen schrijver en volk bestaat een onnaspeurlijke doch onverbrekelijke wisselwerking, die voor den hollandsen schrijver zeer deprimerend kan zijn, doordat hij stuit op reacties zoals ik ze hierboven beschreef. Al geloof ik nog altijd, dat er onder het schrijven geen publiek kán bestaan, omdat er geen plaats voor is tussen het hart en het witte papier, ná het schrijven bestaat het publiek ongetwijfeld. Wie publiceert, provoceert een reactie; hij zoekt critiek en weerklank, voor zich zelf, zijn werk, zijn idee. Een ander motief is er niet: men zoekt onder de duizenden de weinigen die ons verstaan, de zeldzamen die van éen rang zijn; men zoekt een echo bij de verwanten, een antwoord, dat ook afwijzend mag zijn. De horde gaat ons niet aan en het pijnlijkste is als de horde zich inbeeldt, dat zij een schrijver verstaan en bewonderen mag. Neen, noodlottiger is het, als hij zichzelf moet bekennen, dat de horde het recht had hem te waarderen, omdat hij zich verlaagd heeft tot het algemene niveau.

[p. 522]

Ik denk dat Couperus die kleine lijfgarde van verwanten zeker zal hebben gehad en in ieder geval is hij doorgegaan met dikwijls ver van zijn land te schrijven in onze taal, het ene werk na het andere met den bescheiden trots van den schildknaap en de volharding van een slaaf. Als ik, dit bedenkend, mij de vreugde van het scheppen weer indenk, die ook hem ondanks alles moet hebben bezield, dan vraag ik mij af, wat komt de weerklank zelfs van die enkelen er ook eigenlijk op aan? Maar voor Nederland vrees ik dat bedilzucht en moralistische betweterij de inwerking van Couperus op het leven gering heeft gemaakt: zijn gloed, zijn charme, zijn menselijke hartstocht heeft het niet genoeg ondergaan.

Thans, tien jaar na zijn dood is er, hoewel verschillende van zijn boeken niet meer te krijgen zijn, toch iets van opleving merkbaar en ook voor veel jongere mensen is hij meer dan een naam. Dichters als Bloem, Roland Holst en Nijhoff hebben ons vaak en met sterke waardering op hem gewezen en een paar jaar geleden hebben haagse gymnasiasten een nummer van hun tijdschrift uitsluitend aan hem gewijd. Daaruit bleek hoe ook mensen als Du Perron en Ter Braak Couperus vereren, en misschien is dit weinige ook na zijn dood al genoeg om hem niet voor Holland verloren te doen gaan. Misschien behoeft een schrijver in de loop der geslachten telkens slechts enkele mensen om een levend bezit van zijn volk te blijven, een vonk en een werkend ferment.

Toch zou het voor Nederland goed zijn als het zijn benepen en bange reactie op Couperus zuiverend verruimde en herzag. Hij wordt in vrijwel geen enkel historisch overzicht op het plan gezet waar hij hoort. Hij staat niet tússen de romanciers van zijn tijd, maar erboven. De sombere, grote ‘Boeken der Kleine Zielen’, ‘Van Oude Mensen, de Dingen die voorbijgaan’, ‘Langs Lijnen van Geleidelijkheid’, ‘Eline Vere’ en ‘Noodlot’ vormen, nu het toch over niveau gaat, een niveau apart. Tegenover de detaillistische zuiverheid en scherpe preciesheid van veel goed nederlands werk, zette vrijwel alleen Couperus iets groots’. Inderdaad, hij heeft met zijn bewegelijken hartstocht in het nederlands grote romans over kleine zielen geschreven, zo scherp en meeslepend menselijk als niemand anders. De gewone mensen worden door hem zo scherp en doordringend gezien en zo overtuigend geheeld, dat men niet meer merkt dat men leest. De romans die ik hierboven genoemd heb, zijn een triomf van het enige realisme dat waarde heeft, omdat het, de banaliteit er-

[p. 523]

kennend, haar tegelijk overwint door het gewone leven groot te zien. De drift waarmee zij geschreven zijn is donker en somber, maar van een geweldige kracht.