|
|
|
| |
| | | |
S. Vestdijk
Het vijfde Zegel. - Niet alleen tussen Vestdijk's romans neemt ‘Het vijfde Zegel’ een geheel eigen plaats in. Ook wanneer men dit boek vergelijkt met een novelle als ‘Parc-aux-Cerfs’ uit ‘De Dood betrapt’ of met het venetiaanse verhaal ‘Doge en Cicisbeo’, dat voor kort in ‘Groot-Nederland’ stond, valt het verschil onmiddellijk op. In ‘Parc-aux-Cerfs’, hoezeer ook doordrenkt met een grandioos opgeroepen historische en culturele sfeer, had allereerst toch de koning alle aandacht van den auteur en men voelt, ook als men het in strijd met de meeste critici niet onder Vestdijk's beste novellen telt, waarom hij het schreef. Het verhaal vertoont overigens een fout die in meer van Vestdijk's boeken zich voordoet, in de prachtig-geschreven novelle ‘Homerus fecit’, in ‘Doge en Cicisbeo’, in ‘Het vijfde Zegel’ nu ook; er bestaat een wanverhouding, vooral ook quantitatief, tussen de kern van het gegeven en de té uitvoerige uitwerking; de vondst-zelf wordt weliswaar niet gerekt, maar te zwaar en te lang omwikkeld door overigens op zichzelf zeer suggestief bijwerk: een baby in generaals-uniform in plaats van in een luier. - Maar wat den koning betreft, in ‘Parc-aux-Cerfs’, hij werd doorzien, uiteengerafeld en verbeeld met dezelfde psychologische vehementie en doordringende kracht als in totaal andere sferen de heren Visser en Wevers en men had vooral bij die laatste sujetten den onafwijsbaren indruk, dat het mengsel van grimmige afrekening en reeds weer half verzoenden humor de uitkomst was van een confrontatie en van een gevecht. Eenzelfde element, anders gecontrasteerd, anders ook gedoseerd, trof men aan in ‘Ina Damman’ en ‘Else Böhler’; men kon deze boeken bewonderen of verwerpen - men kon in zekeren zin beide dingen tegelijk doen - doch men kon niet ontkomen aan het gevoel, dat Vestdijk die werken móest schrijven.
In ‘Het vijfde Zegel’ bespeur ik die noodzaak veel minder. Het is zonder een zweem van twijfel als prestatie Vestdijk's beste roman geworden; het verwerkt op een superieure manier een enorme historische, culturele, philosophische en theologische kennis, het is op enkele inzinkingen na voortreffelijk geschreven, fors, vrij, met een volmaakte beheersing en zekerheid, zonder iets van merkbare moeite; terwijl men er diep van overtuigd dient te zijn, dat het schrijven van een dergelijk werk een wilskracht, een durf en een meesterschap vergt, die vrijwel geen hollands schrijver tot zijn beschikking heeft - en toch mist men hier iets.
| | | |
Het manco waarop ik doel en dat ik nog nader omschrijven zal, komt nauwelijks voort uit het feit dat men hier heeft te doen met een z.g. ‘objectieven’ roman, al houdt het er enig verband mee. Ook een objectieve roman moet, om waarde te hebben, het ‘stigma’ dragen van een persoonlijk avontuur. De vraag of dit avontuur ‘subjectief’ of ‘objectief’ wordt verbeeld, is een kwestie van ondergeschikt belang. Het is zeer goed mogelijk, dat een schrijver volkomen schuil gaat in zijn verbeelding, terwijl hij er toch onloochenbaar in aanwezig is, terwijl omgekeerd een met de uiterste subjectiviteit voorgedragen gegeven zonder een zweem van persoonlijkheid kan zijn; en hoewel stijl, compositie, verteltoon, beschrijving en psychologie het onmiskenbaar teken dragen van Vestdijk's boeiend en samengesteld talent, mist men hier in wezen dien volstrekten inzet, die zijn andere romans, ook voor zover men die afwees, het ‘stigma’ verleende van zijn volle aanwezigheid.
Ik stel dit voorop, omdat deze kwestie voor mij den doorslag geeft bij iedere lectuur; wie een ander beslissend criterium heeft, zal dit boek ongetwijfeld met niets dan bewondering lezen - een bewondering die ik deel. Ik vraag mij zelfs af, wie in ons land, en niet alleen onder jongere schrijvers, in staat is tot een dergelijk werk. De vaart, de originele plastiek, de spelende zekerheid waarmee een bibliotheek aan kennis, zonder iets van vertoon, vooral ook in de theologische discussies, verwerkt wordt, de greep op een tijd, die zonder archaïseren wordt opgeroepen alsof men er tijdgenoot was, dit alles verraadt qualiteiten die men alléen bij Couperus vindt en dan nog slechts in het allerbeste van zijn historische werk, dat doorgaans niet in de schaduw kan staan van zijn hedendaagse romans. Maar - ‘Prinses Orsini’, ‘De Pestilentie van Katwijk’, Van Lennep, ‘Warhold’, ‘Oranje’, ‘Rembrandt’, Van Praag, ‘Simcha’ zelfs - het valt stuk voor stuk in het niet tegen deze prestatie. ‘Het vijfde Zegel’ is na Couperus' ‘De Komedianten’ de beste hollandse historische roman, dien ik ken - het kan zich meten met Neumann's ‘Der Teufel’, met Regler's ‘Die Saat’, met Heinrich Mann's ‘Die Jugend des Königs Henri IV’.
Ik geloof dat Vestdijk door concentratie van zijn verhaal op een paar honderd bladzijden het bezwaar dat ik hier heb geopperd had kunnen voorkomen. Want hoewel alles in de intrigue van dit boek zijn betekenis heeft, het had ook met veel minder gekund en het had er per se door gewonnen. De kern van zijn
| | | |
werk ligt in de verhouding tussen Greco en Philips den Tweede, met als schakel de ook als autonome verschijning ongemeen boeiende figuur van Francisco Esquerrer. De dreiging der Inquisitie had natuurlijk bewaard moeten blijven. Ik heb het vaste gevoel dat Vestdijk, als hij zich hiertoe beperkt had, een concentratie ook op Greco verkregen had, die hem onvergetelijk had gemaakt. Met deze drie figuren, die hem stuk voor stuk bijzonder vertrouwd moeten zijn, had hij zijn volle maat kunnen geven, niet alleen aan virtuoos kunstenaarschap, doch ook aan menselijk belang. Het fatale ‘net niet’, dat de fascinatie uitmaakt, ook positief, van Greco's werk, zoals in het boek zelf betoogd wordt, voel ik hier als tekort. Ik heb op zichzelf geen bezwaar tegen een horde van bijfiguren, al kan ik ze zonder spijt missen, maar het is hier alsof zij de zaak verder vertakken, vertragen en compliceren dan de kern van het werk verdraagt. Een te lange aanloop, een te breed exposé, een overmaat aan levendig, maar niet doordringend beschreven bijmotieven schaadt m.i. het geheel. Terwijl het verhaal, geconcentreerd op de dragers van het centrale thema en in objectieven vorm, toch Vestdijk's meest persoonlijke werk had kunnen worden. Hij heeft op een brillante en betoverende manier een wezenlijke kans verspeeld. Ik geloof ook, dat hij, wanneer hij het boek had geconcipieerd en geschreven zoals ik hier suggereer, een ander en overtuigender slot had gevonden.
De paradoxale vraag doet zich voor: waarom schreef Vestdijk op déze manier onze beste historische roman?
|
|
|