terug  begin  verderprepost
[p. 83]

23

aant.2De morgen was zoel; een luwe meiwind. Zij zit gebukt tusschen haar bloemen, haar 3 onkruid, haar vruchten. Zij lacht, onafgebroken blinkt een helder geluk uit haar oogen 4 en kartelt haar mond. Dit is het stuk grond, dat ik zocht. Hier is het, rond om mij 5 heen: hier woon ik, hier leef ik; soms verstikt het mij haast; en soms ook beet haar, 6 hoe vol ook verzadigd, of juist dààrdoor, de schaamte, de vernedering bijna, dat zij 7 dit niet, - en zeker niet alleen - had gemaakt. Ze had het gekregen, voor niets. Voor 8 niets? ja voor niets. Ik heb er niets voor gedaan. Alles tegen misschien. Maar de volheid 9 doorduizelde haar, de pijn kroop weg. Zij ging languit liggen tusschen haar bloemen 10 en planten, in de luwe zon. De wind streek over haar heen. Dit is nu mijn grond; 11 mijn tuin; mijn... weldra sluimerde zij.

 

12 h. marsman

12 (Wordt vervolgd)

c 1 23 ] 17
8 tegen misschien ] tegen, misschien
12 (Wordt vervolgd) en H. MARSMAN ] doorgestreept

 

prepostterug  begin  verder