terug  begin  verder

[p. 114]origineel

Agttiende zamenspraak over de zaaden.

Vraag. Welk middel heeft de alwyse God bestemd ter voortplantinge en onderhoudinge der Gewassen?

Antwoord. Daartoe heeft God de Zaaden bestemd.

V. Wat moet men er van zeggen?

A. Dat zy, hoewel klein, en sommige zelfs niet zigtbaar, verdienen gerekend te worden onder keurigste en heerlykste Werken van God.

V. Waarom?

A. Om dat elke Plant of Bloem, van Zaad voortgekomen, eer zy sterft, als 't ware, bezorgd is, om talryke Nakomelingen in de waereld na te laaten, weshalven zy alvoorens veele Zaaden geeft, welke kinderen volkomen behouden de geaartheden hunner moeder.

V. Welke is de gedaante der Zaaden?

A. Men vindt er in een ongelooflyk verschil, en veele kleinen, met een vergrootglas bezien, vertoonen onbedenkelyke Schoonheden.

[p. 115]origineel

V. Waarom verschillen zy allen?

A. Om er ons niet in te vergissen, en het een voor het ander te neemen.

V. Hoe is 't mogelyk, dat elk Zaadje dezelfde Plant voortbrengt, van welke zy afkomstig is?

A. Dit is alleen mogelyk door de Almagt van God.

V. Waar moet men het Zaad in de Planten zoeken?

A. In den top der Plant, in 't midden, beneden, tusschen de Bladeren, of er onder: hierin heb ik de waarheid van uw zeggen ook gemerkt, dat, naamelyk, alle Werken van God zeer verschillende gemaakt zyn.

V. Waarin zitten, de Zaaden?

A. Myn Vader heeft my in onzen tuin geleerd daarop acht te geeven, en getoond, dat zy veelal zitten in kasjes, doosjes, of huisjes, zeer net by een, of in fraaie vakjes, door vliesjes van elkanderen gescheiden: anders staan zy in orde byéén, gelyk in de Zonnebloem.

V. Zal de Plant veele Zaaden geeven, en die last haar niet bezwaaren, dan moeten ze klein vallen?

A. Dit is ook zo, en ik heb reeds gezegd, dat sommigen wegens hunne kleinheid zelfs onzigtbaar zyn: doch hierom moeten wy ons te meer verwonderen, dat er zulke groote Gewassen uit voortkomen.

V. Eikels zyn evenwel groote Zaaden?

A. Moet men die niet klein noemen, als één Eikel eenen Boom voortbrengt, die vyfmaal honderd duizend ponden zwaar is?

V. Hoe veele Zaaden brengt dan wel ééne Plant, of één Boom voort in één jaar?

[p. 116]origineel

A. Dit is, volgens het my gegeeven onderwys, verschillend in allen: ééne Tabaksbloem meer dan veertig duizend Zaaden; ééne Ypenboom jaarlyks meer dan driemaal honderd duizend.

V. En waarom zulk een verbaazend groot getal?

A. Wegens de nuttigheid derzelven; want hoe zouden wy ze in wezen herstellen, zo ze eens uitstierven! Ook wordt eene menigte door ons en de Vogelen gegeeten.

V. Als eenige Zaadjes in kasjes, doosjes of huisjes zitten; hoe raaken ze daaruit in den grond?

A. Myn Vader heeft my dit zonderling stuk, als eene groote proef van Gods Wysheid, dikwils angeweezen. De Kasjes met zwaar Zaad barsten door de droogte open, en het Zaad valt lynregt in de gaatjes van den grond, en raakt er verder in door den regen.

V. Maar hoe gaat het met ligte Zaadjes?

A. Ligte Zaadjes, gelyk die der Paardebloemen, hebben zeer keurige vleugeltjes, waarop, de Wind vat krygt, die ze overal heen voert, en by stilte laat vallen, waarom men dikwils Planten op Daken, hooge Muuren, en Toorens ziet groeien, wyl het Zaadje tusschen de Groeven der Steenen is geraakt, en voedsel uit de kalk trekt.

V. En als de Zaadjes geene vleugels hebben?

A. Dan hebben zy klaauwtjes, en blyven overal aan hangen, tot dat zy op nieuw door den wind worden afgeflagen, en in den grond raaken.

V. En sommige Huisjes hebben springveeren.

A. Dit is niet minder fraai: ik heb dat open. springen gezien en in sommigen gehoord, wor-

[p. 117]origineel

dende dan het Zaad zeer keurig allerwege gestrooid.

V. Bevat ook het zo genoemde Ys, liggende, op de Uitlandsche Ysplanten, eenig zaad?

A. Neen, want het geen in ons oog Ys schynt te zyn, is niet anders dan veele Blaasjes, met een helder vogt gevuld. Zulke Planten zyn zeer aartig, doch wy behoeven ze van elders niet te haalen; want gisteren liet men my zien de Bloemsteng eener Plant van ons Weed of Wouw (Reseda Lateola) geheeten, hier in het wilde groeiende, ook bedekt met duizend glinsterende Blaasjes, best door een vergrootglas te beschouwen.

V. Hoe lang blyven de Zaaden wel goed?

A. Dikwils veele jaaren, om dat er somtyds natte tyden komen, waarin men niets kan inzamelen, en men zich met den ouden voorraad moet behelpen.

V. Waardoor spruiten zy uit?

A. Alleen door warmte en vogtigheid, die eene gisting in het meel van het Zaadje brengen, en het eerste levensvoedsel aan het spruitje, daar in beslooten, toedienen, waardoor het voor den dag komt, vervelt, eenen wortel uitstoot, meer voedsel en kragten gekreegen hebbende opschiet, en zich dan boven de aarde vertoont.

V. Ten welken einde gaf God ons de Zaaden?

A. Om Planten voorttebrengen; om Mensch en Vee en Vogel te voeden; om Olieën tot verwen en schilderen te geeven; en om ons Geneesmiddelen te bezorgen, waaruit ook blykt, dat het geringste in de Godlyke Schepping niet te verwerpen is, en zelfs dikwyls groote diensten doet.

terug  begin  verder