De memoires


auteur: Wilfried Martens


bron: Wilfried Martens, De memoires: luctor et emergo. Lannoo, Tielt 2006 (tweede druk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 817]

42
Boudewijn, staatshoofd en zielsverwant

In de loop van deze memoires heb ik al herhaaldelijk verteld over mijn talrijke contacten met koning Boudewijn. Die begonnen met een vrij harde confrontatie in 1974, ik was toen partijvoorzitter, en eindigden negentien jaar later met een onvergetelijk oogcontact tijdens het Te Deum, tien dagen voor zijn dood.

Ik heb de monarchie onder koning Boudewijn ervaren als een instelling met grote rechtschapenheid, hoge morele maatstaven en opperste staatszin. In ons bestel is de koning de grote behoeder van de Grondwet, van het evenwicht tussen de verschillende constitutionele machten en van de continuïteit. Boudewijn was 43 jaar lang koning van België. Er ging van de instelling een veel grotere kracht uit dan de doorsneeburger wellicht besefte.

De monarchie is voor de Belgen zo vanzelfsprekend geworden dat haar belang als ultiem bindmiddel en als ordenende factor vaak wordt onderschat. De monarchie is geen decorum, geen prentje op de televisie naar aanleiding van het Te Deum op 21 juli in Koekelberg. De monarchie is wel degelijk een constitutionele spil. Van de socialist Achiel Van Acker komt de uitspraak dat ons land aan de monarchie behoefte heeft als aan brood. Dit is volkomen waar. Er is geen ander staatshoofd mogelijk in België. Bovendien is het grondwettelijk schema waarbinnen de koning opereert zo delicaat en vernuftig, dat de beperkingen aan zijn politieke invloed op natuurlijke wijze vormgeven aan zijn rol als scheidsrechter.

 

Ik was de eerste premier die jonger was dan de Belgische koning. Boudewijn was objectief en scrupuleus in zijn opdracht, met name regeringscrisissen oplossen, en formateurs en ministers benoemen. Maar dat was hij ook in het dagelijks leven. Het Paleis manifesteerde zich vaak door discrete maar

[p. 818]

nuttige tussenkomsten. Als eerste minister voelde ik geregeld de behoefte om Boudewijn te betrekken bij persoonlijke vragen, gedachten en vooruitzichten. Bij hem werd ik spontaan doordrongen van verheven begrippen zoals onafhankelijkheid en de integriteit van de staat. Juist omdat de Grondwet de koning onttrekt aan de politieke discussies en twisten, kan hij de autoriteit van de afstand verwerven. Bovendien symboliseert hij iets wat ik alleen maar harmonie kan noemen, een zorg voor een land en zijn verscheidenheid. Weliswaar onder de verantwoordelijkheid van de regering, was Boudewijn zich sterk bewust van de geweldige beweging die bezig was in de organisatie van de staat. Hijzelf en zijn begaafde medewerkers leefden zich ten volle in in het te hervormen België. Ik ben geen structuralist want de geschiedenis wordt gemaakt door mensen en niet door geprogrammeerde technieken. Boudewijn was binnen de zuiver grondwettelijke regels waaraan het hedendaags vorstelijk gezag is onderworpen, een man met een uitzonderlijke bekwaamheid tot sympathie voor heel de samenleving en al wie daarin een poging deed om zich ergens voor in te zetten. In de Verenigde Staten zeggen ze compassion. Ik heb dit mededogen altijd teruggevonden in Boudewijns grote redevoeringen.

Wennen aan het nieuwe België

Na de staatshervorming van 1970, die de cultuurautonomie en het grondwetsartikel 107 quater over de gewestvorming realiseerde, zei Boudewijn dat wij zonder nutteloos heimwee moesten leren wennen aan het nieuwe aanschijn van België. Datzelfde realisme moest ons bezielen bij het bepalen van de taken van de nieuwe instellingen. Hij gaf daarbij twee aanbevelingen: ‘Voorzichtigheid: een onbezonnen stap kan ons veel verder leiden dan wij willen. Wij moeten welbewust handelen en weten waarheen onze beslissingen ons brengen. Vervolgens mogen wij nooit vergeten dat eerbied voor de anderen, in het bijzonder wanneer zij niet de sterkste zijn, een kenmerk is van werkelijke democratie.’402

Op 4 maart 1972 werd ik CVP-voorzitter en in mei had ik mijn eerste audiëntie bij Boudewijn. Het gesprek verliep vrij traditioneel. Het zou duren tot het ‘federalistisch’ congres van de CVP van Antwerpen in oktober en de val van de regering-Eyskens op 22 november, vooraleer het Paleis

[p. 819]

besefte dat er zich binnen de CVP een stille revolutie aan het voltrekken was. De koning was getroffen door de onzekerheid over de toekomstige beleidslijnen. ‘Indien dergelijke periode zou voortduren dan lopen wij gevaar voor steeds meer wankele en afwisselende regeringen te komen te staan, wat nadelig zou zijn voor een gezond bestuur van het land. Wij moeten dus zonder verder verwijl een vernieuwd maar duurzaam institutioneel kader vinden.’403

Maar nog geen veertien maanden later beleefden we een tweede regeringscrisis met de val van Leburton. Op 26 januari 1974 voerde ik een heftig gesprek met Boudewijn over de vraag of er, zonder nieuwe formatiepoging, onmiddellijk verkiezingen moesten komen. Ik verzette mij halsstarrig tegen nieuwe verkiezingen omdat de socialistische eis inging tegen een lange politieke traditie. Boudewijn kon zich blijkbaar wel vinden in mijn argumentatie, want enkele uren nadien werd Leo Tindemans tot formateur benoemd, met de belofte evenwel dat de CVP geen regering zou vormen zonder de PSC. Die belofte hield ik ook. Er kwam toen geen verklaring tot grondwetsherziening.404

Het gesprek was confronterend. Het was hard en intensief. De koning was blijkbaar niet gewend aan mondige partijvoorzitters. Ik was nog jong, 38 jaar, en ik had hem nog maar drie of vier keer ontmoet. Boudewijn ondervond die dag dat ik niet zomaar een jaknikker was. Later zei hij me eens: ‘Hier op het paleis zeggen uw collega's “ja”, en in hun partij zeggen ze later “nee”.’ Toen ik Boudewijn verliet na die ongelooflijk moeilijke audiëntie was onze verhouding totaal veranderd. Het ijs was gebroken. Vanaf dat ogenblik groeide het persoonlijk vertrouwen alleen nog maar.

 

Zowel als partijvoorzitter, als later als eerste minister trachtte ik Boudewijn te overtuigen van mijn federalistische ideeën. Ik deed dat uiteraard niet brutaalweg, maar wel via socratische vragen in urenlange gesprekken. De koning zelf kwam tijdens de audiënties voortdurend terug op het thema. Hij zei me dan dat hij constitutionalisten had geraadpleegd en formuleerde hun bezwaren. In een daaropvolgend gesprek probeerde ik die bezwaren dan naar best vermogen te weerleggen. Het was een proces van jaren. Mijn federalisme was niet volledig gelijklopend met de staatsopvatting van Boudewijn. Maar de koning wist dat ik geen separatist was. Hij wist dat ik, net zoals hij, veel belang hechtte aan een sterk centraal gezag.

[p. 820]

Dat leek hem gerust te stellen. Er is geschreven dat ik Boudewijn tot het federalisme heb bekeerd. Ik zie dat als een groot compliment. Maar ik was niet de enige. Boudewijn vertrouwde mij eens toe: ‘Mijn vader was ook al tot de overtuiging gekomen dat men in België een federaal systeem moet uitbouwen.’

 

Voor nieuwe opmerkelijke communautaire uitspraken van Boudewijn moest men wel wachten tot het Egmontpact van juni 1977. Hij begroette het pact als een ‘compromis der Belgen’.405

Maar het pact faalde. Na de verkiezingen van 8 december 1978 kregen de ideeën van Boudewijn over het federaal bestel gestaag vorm. Dat bleek uit verschillende toespraken. Eind januari 1979 verwees hij, zonder de term zelf te gebruiken, naar het beginsel van de subsidiariteit. ‘De natie, waarvan oorspronkelijk alle macht uitging, staat nu aan de Europese instellingen datgene af dat beter op Europees vlak kan worden behartigd en vertrouwt aan de culturele en regionale gemeenschappen datgene toe wat beter door hen kan worden uitgevoerd dan door een centraal gezag. Het nationaal gezag moet van zijn taakverlichting gebruik maken om krachtdadig de eigen verantwoordelijkheid verder op te nemen. Maar om doeltreffend te zijn moet elk gezagsniveau het andere aanvullen. Het is onmogelijk enkel Europeaan te zijn, of enkel Belg, of Vlaming, Waal of Brusselaar, of enkel Duitstalige Belg!’406

Bij de eedaflegging van mijn eerste regering op 3 april 1979 klonk Boudewijn echter zeer pessimistisch, om me nog geen negen maanden later te danken in zijn rede tot de overheden: ‘Het treft mij des te meer daar u, sinds u aan het hoofd staat van de regering, reeds zoveel blijken heeft gegeven, niet enkel van begrip en verzoeningsgezindheid, maar ook van vastberadenheid en verantwoordelijkheidszin.’407

Deze ongewone lofbetuiging uit de mond van de koning voor een premier die nog alles te bewijzen had, lokte bij ervaren staatslieden wenkbrauwgefrons uit. Volgens mijn toenmalige kabinetschef Jan Grauls werd de koning daarop zelfs nadien aangesproken. Boudewijns uitspraak wekte enige wrevel op in het politieke milieu en bezorgde mij ten onrechte de reputatie van koninklijke knecht. Allicht had ik die passus beter geschrapt toen de koninklijke toespraak mij werd voorgelegd. Maar ik was weinig ervaren en ik had ook begrip voor het enthousiasme van de koning over de

[p. 821]

nieuwe stabiele regering. Drie weken na die koninklijke toespraak moest ik het FDF uit de regering zetten.

Nood aan stevig centraal gezag

Tijdens de economische crisisjaren liet de koning de communautaire thema's rusten, maar op 8 februari 1983 uitte hij toch zijn zorg over de nood aan een duidelijke verdeling van bevoegdheden in de internationale relaties. Het was een bekommernis die hij herhaaldelijk met mij zou bespreken:

‘De gemeenschappen regelen bij decreet de internationale samenwerking in een aantal domeinen en betuigen hun instemming met gesloten akkoorden. Maar verwarring, overlapping van bevoegdheden en rivaliteit tussen officiële Belgische onderhandelaars, kunnen grote schade toebrengen aan de geloofwaardigheid van ons land. Daarom worden de executieven binnen hun bevoegdheidssfeer betrokken bij de onderhandelingen over de internationale akkoorden, maar blijft de koning, dit wil zeggen de nationale uitvoerende macht, krachtens artikel 68 van de Grondwet, de enige gesprekspartner op internationaal vlak. De hervormingen van 1980 zijn nauwelijks van kracht, en zelfs op talrijke punten nog in een overgangsstadium, of er gaan reeds stemmen op om te beweren dat zij achterhaald zijn. Nieuwe plannen liggen klaar om de autonomie van gemeenschappen en gewesten veel verder door te drijven. Ik spreek mij hier niet uit over de inhoud van deze voorstellen. Ik moet echter waarschuwen tegen een dergelijke werkwijze, die het risico inhoudt dat, door een opeenvolging van stroomversnellingen, het beleid van het land steeds moeilijker, en uiteindelijk onmogelijk wordt.’408

Een jaar later, in 1984, op de nationale feestdag, zei hij onomwonden dat er veel meer de nadruk werd gelegd op ‘wat de Belgen verdeelt, dan op wat hen verenigt. Wat mij betreft, zal ik niet ophouden u mijn mening te zeggen over wat de Belgen bindt, omdat het de taak is van de koning daarover te spreken. Als ik dat niet deed zou ik aan mijn plicht verzaken. De evolutie van de instellingen vereist een nieuwe burgerzin waardoor elke burger tracht zich meer één te voelen met zijn gemeenschap en met zijn gewest; zich bewust is van zijn verantwoordelijkheid binnen de nieuwe

[p. 822]

structuren en de bevoegdheden eerbiedigt die de Grondwet en de wetten aan de nieuwe instellingen hebben toegekend. Om harmonisch te werken, heeft een geregionaliseerde staat een vitale behoefte aan een stevig centraal gezag, dat die belangen behartigt die de Grondwet als gemeenschappelijk erkent. Hier ook komt het erop aan de spelregels na te leven. Met andere woorden: federeren betekent niet scheiden maar wel verenigen.’409

In de daaropvolgende jaren, toen de regeringsstabiliteit voortdurend werd bedreigd door het Voerprobleem en de persoon van Happart, drong Boudewijn herhaaldelijk aan op constructief overleg. ‘Maar in sommige gevallen wordt het bereiken van een consensus wel zeer bemoeilijkt’, vond hij. ‘Zoals het met veel menselijke problemen het geval is, is vrees ook hier dikwijls oorzaak van verbetenheid en agressiviteit. Beletten dat conflicten ontaarden, volstaat echter niet. Er moeten ook stappen worden gedaan die vertrouwen scheppen; er zijn concrete gebaren nodig van wederzijds begrip. Verheugend is het ook vast te stellen welke inspanningen men zich in talrijke gemeenten met bijzonder taalstatuut getroost om hartelijk samen te leven. Wij vergeten dikwijls dat er in België dertig gemeenten met dergelijk statuut bestaan. In de meeste van hen is de verstandhouding uitstekend omdat de plaatselijke overheid er iedereen met eerbied behandelt en de inwoners elkaar vertrouwen. Als lid van het Europa van de verscheidenheid, van een Europa dat nog zijn echte eenheid zoekt, zou ik willen dat ons land het bewijs zou leveren dat verschillende culturen samen kunnen groeien en bloeien in de schoot van een enkel politiek geheel.’410

Koninklijke brief met federale geloofsbelijdenis

Ondanks deze oproepen kon de politieke crisis over Voeren helaas niet worden vermeden. Na de val van mijn regering op 19 oktober en de parlementsverkiezingen van 13 december 1987 was een nieuwe grondwetsherziening onvermijdelijk. De crisis duurde meer dan zes maanden. Het was Jean-Luc Dehaene die erin slaagde met zijn gesprekspartners een afspraak te maken voor een nieuwe stap in de staatshervorming. Pas op 9 mei 1988 kon mijn achtste regering de eed afleggen. De ministerraad begon dadelijk met de uitwerking van de buiten mij om afgesproken staatshervorming.

[p. 823]

In zijn werk Baudouin - L'homme qui ne voulait pas être roi, schrijft de voormalige Monde-journalist José-Alain Fralon dat de inzet enorm was en dat de regering een van de belangrijkste hervormingen van de instellingen ooit wilde doorvoeren waardoor België een waarachtige federale staat zou worden. Hij beweert dat Boudewijn zich daarmede niet kon verzoenen en dat op het einde van de ministerraad waar iedereen zich gelukkig prees omdat dit groot project tot een goed einde was gebracht, ik een brief van de koning voorlas waarin hij zijn uiterste reserves over de aan gang zijnde hervorming uitsprak alsook zijn diepe zorg voor de toekomst van het land. Het bloed van een van vicepremiers draaide om en hij verklaarde: ‘Ik vrees dat ik mijn ontslag moet aanbieden; de traditie wil dat wij over het vertrouwen van de koning en van de Kamers beschikken, maar nu heb ik de indruk dat ik het vertrouwen van de koning heb verloren.’ In verlegenheid gebracht zou ik dan, volgens Fralon, gepoogd hebben hem te kalmeren: ‘Maar neen, u moet dit zo niet opvatten.’ De eiser wilde echter niet opgeven. Ik zou dan een onderhoud hebben geregeld waarin de koning zijn totale vertrouwen in deze vicepremier heeft bevestigd. Het incident werd gesloten en de koning zou de wetten op de federalisering ondertekenen.411

 

Op 11 juli 1988 overhandigde Boudewijn mij inderdaad de volgende brief:

 

Mijn Waarde Eerste Minister,

 

Het zal U niet verwonderen dat ik U schrijf over het ernstig onderwerp dat de hervorming van de Staatsstructuur is. Tijdens de voorbije maanden heb ik er dikwijls over gesproken met de formateur, met Uzelf, met de ministers, de partijvoorzitters en met de vooraanstaande politici. Maar naarmate de voorbereiding der teksten vordert, groeit ook mijn bezorgdheid.

 

Daarom acht ik het mijn plicht hier terzake de taak te vervullen die inherent is aan mijn opdracht. De bevoegdheden van de Koning, zoals die vastgelegd zijn in de Grondwet en de constitutionele gebruiken, bestaan in hoofdzaak uit raadgeving, invloed en waarschuwing. Ik meen dan ook U de adviezen te moeten bevestigen

[p. 824]

die ik terzake tijdens de voorbije maanden aan elk van mijn gesprekspartners steeds heb herhaald.

 

Onnodig mijn instemming te betuigen met een stelsel dat moet uitmonden in een federale staatsstructuur en in de verruiming van de bevoegdheden der gemeenschappen en der gewesten; die grotere autonomie moet echter, zoals U voor het Parlement hebt verklaard, samengaan met een versterking van de centrale staat. Als zij op een evenwichtige manier verloopt, kan die dubbele beweging het wederzijds vertrouwen en de eendracht versterken tussen hen die de op een andere manier verdeelde Staatsmacht uitoefenen. Ik vrees echter dat die doelstellingen en die globale visie niet meer klaar tot uiting komen en dat, door het niet gebruiken van de klassieke structuren van een federale Staat, men uiteindelijk tot een dubbelzinnig geheel komt dat sommigen een federale Staat noemen, anderen gefedereerde staten en nog anderen een confederatie van onderscheiden Staten.

 

Ik heb ernstige twijfels over sommige aspecten van de geplande wijzigingen en over de manier die wordt aangewend om ze te verwezenlijken.

 

Eerst over de methode. Ik ben niet alleen om vast te stellen dat de voorbereiding van de hervorming binnen een kort tijdbestek gebeurt. De termijn die aan het Parlement wordt gegeven om ze te onderzoeken is ten zeerste beperkt, hoewel het vastleggen van de regels die ons gemeenschappelijk bestaan bepalen een van zijn belangrijkste prerogatieven is. Ik ken uiteraard de verplichtingen in de tijd die de Regering zich heeft opgelegd. Het mag echter niet dat de grond van de zaak moet wijken voor de agenda.

 

Wat de grond betreft, ben ik bezorgd omdat in de thans voorliggende teksten een aantal essentiële vragen mij onbeantwoord lijken te zijn:

Tijdens de onderhandelingen was iedereen het erover eens om de centrale macht te versterken inzake de materies waarvoor ze bevoegd blijft. Hoe zal dit verwezenlijkt worden?

In het wetsontwerp over de bevoegdheden wordt veel gesproken over het overleg en de samenwerking tussen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten en tussen die componenten onderling. Hoe zal dat gebeuren en hoe zal men lamlegging en blokkering vermijden als men daarover tot geen vergelijk komt?

[p. 825]

Op welke manier kan men de instrumenten verbeteren ter voorkoming van bevoegdheids- en belangenconflicten?

Welke procedures zal men volgen om belangenconflicten op te lossen, inzonderheid betreffende de economische en monetaire unie?

Hoe zal men het probleem oplossen van de bindende kracht der Europese normen ten overstaan van de Gemeenschappen en de Gewesten?

 

Het lijkt mij onontbeerlijk dat men, vooraleer de overdracht van bevoegdheden en hun financiering in werking treedt, bij wet een afdoende oplossing heeft gevonden voor de problemen die ik zo-even aanraakte. Ik zou U dankbaar zijn mij te willen mededelen dat zulks werkelijk de bedoeling van de Regering is.

 

Reeds nu wens ik U ook te zeggen dat ik ernstig ben bekommerd betreffende twee onderwerpen die later zullen worden behandeld: de buitenlandse betrekkingen en de residuaire bevoegdheid. Deze materies dienen sereen en diepgaand overlegd te worden vooraleer teksten worden opgesteld.

 

Ik heb ook de gelegenheid gehad, zowel tijdens de vorming van de Regering als daarna, te waarschuwen betreffende bepaalde andere onderwerpen: de Economische en Monetaire Unie, het Wetenschappelijk beleid, de Buitenlandse Handel, de Infrastructuur, het Statuut van het Openbaar Ambt. Sommige teksten werden verbeterd, andere niet.

 

Mijn Waarde Eerste Minister, ik weet dat U, Uw collega's en het Parlement, een moeilijke taak te vervullen hebben. Uiteindelijk zijn het de Wetgevende en de Uitvoerende Macht die voor de Geschiedenis de verantwoordelijkheid zullen dragen voor hetgeen nu gaat gebeuren en dat voor onbepaalde tijd de toekomst van onze landgenoten zal bepalen. Door u vandaag te schrijven neem ik het aandeel op mij dat de Koning heeft in de uitoefening van die beide Machten.

 

U zult zelf beslissen, mijn waarde Eerste Minister, of het aangewezen is deze overwegingen ter kennis van Uw collega's te brengen, met inachtneming van het geheim karakter van het overleg tussen de Koning en zijn Ministers.

 

Uw toegenegen,

(get.) Boudewijn412

[p. 826]

Ik vind dat deze brief een klassieke schoonheid uitstraalt, zonder daarbij de waarschuwende en kritische toon uit het oog te verliezen. Ik beschouw dit schrijven als de voltooiing van de evolutie van Boudewijns ideeën over de staatsstructuur naar een echt federaal bestel. Deze brief kaderde in zijn opdracht als raadgever, waarvoor de koning geen ministeriële dekking nodig heeft. De koning mag immers waarschuwen, adviseren en vragen stellen zonder dat daarvoor een minister verantwoordelijk is. Overigens zoals ik in hoofdstuk 25 heb opgemerkt, was de koning ongerust over de wending die de staatshervorming kon nemen.

Voor mij is het klaar en duidelijk dat José-Alain Fralon het bestaan van deze brief in zijn boek - dat van weinig intellectuele ernst getuigt - heeft kunnen vermelden dankzij de indiscretie van een minister. Dit is ook een reden om de werkelijke inhoud van dit schrijven alsook van de discussie die erover tussen de ministers werd gevoerd, te reveleren.

Moureaux heeft een probleem

Op 15 juli las ik de brief van de koning voor in de ministerraad. Ik was amper uitgesproken of vicepremier Philippe Moureaux merkte op dat de tekst een fundamenteel probleem creëerde voor de regering, en in het bijzonder voor hem en Dehaene, allebei minister van Institutionele Hervormingen. Hij wilde zo snel mogelijk weten of hij nog over het vertrouwen van de koning beschikte. Hij zei dat hierover geen enkele dubbelzinnigheid mocht bestaan. Zonder een opheldering in de eerstkomende uren kon hij de ontwerpen tot institutionele hervormingen niet verdedigen in het parlement.

Ik had mijn ontwerp van antwoord op de brief van de koning al klaar en legde vervolgens de tekst voor aan mijn ministers:

 

Sire,

 

Met eerbied en bijzondere aandacht heb ik de overwegingen gelezen die Zijne Majesteit mij heeft medegedeeld in zijn brief van 11 juli 1988 over de staatsstructuren.

[p. 827]

Met inachtneming van het geheim karakter van het overleg tussen de Koning en Zijn Ministers, heb ik deze overwegingen ook ter kennis gebracht van de Ministers tijdens de vergadering van de Ministerraad van vandaag, 15 juli 1988. Met dezelfde bezorgdheid over de aan gang zijnde hervorming van de Staatsstructuur kan ik Zijne Majesteit verzekeren dat de Regering de vaste bedoeling heeft in de financieringswet, evenals in de uitvoeringswet op het Arbitragehof voor wat bepaalde aspecten van de conflictenregeling betreft, oplossingen aan te brengen voor de vijf problemen die Zijne Majesteit in Zijn brief heeft gesteld, derwijze dat de effectieve overdracht van de bevoegdheden van de Gemeenschappen en de Gewesten gepaard gaat met zowel een versterking van de centrale macht in de aangelegenheden die tot haar bevoegdheid behoren als met werkzame, efficiënte en afdwingbare mechanismen ter voorkoming en regeling van belangen- en bevoegdheidsconflicten.

 

Op voormelde punten geeft de memorie van toelichting van het ontwerp van wet inzake de bevoegdheden reeds zekere aanwijzingen betreffende de oplossingen die in de financieringswet (en de wet op het Arbitragehof) zullen worden opgenomen: In verband met de vormen van samenwerking wordt op onderscheiden plaatsen verwezen naar de te nemen maatregelen, zoals inzake buitenlandse handel (blz. 15: ‘Een gedragscode zal de modaliteiten inzake coördinatie en samenwerking van hun respectieve acties vastleggen’);

Inzake infrastructuur (blz. 19: ‘Diezelfde financieringswet zal een afdwingbaarheidsmechanisme inbouwen om de overlegprocedures te doen eerbiedigen’) en inzake andere aangelegenheden. Inzake de afdwingbaarheid en het vermijden van een blokkering, kondigt de memorie van toelichting op blz. 53 de volgende mechanismen aan:

‘In de tweede fase van de institutionele hervormingen zullen bijzondere mechanismen worden voorzien om te verhelpen aan ofwel de afwezigheid van dergelijke akkoorden, ofwel aan de niet-uitvoering ervan, bijvoorbeeld wat betreft de werken die noodzakelijk zijn voor het verzekeren van de beveiliging tegen overstromingen alsook inzake vervoer van afvalstoffen.

Deze bijzondere mechanismen kunnen de vorm aannemen van een evocatierecht door de nationale overheid volgens een te bepalen jurisdictioneel toezicht en/of de indeplaatsstelling van de in gebreke blijvende overheid door de nationale overheid, volgens te bepalen financiële modaliteiten. Tevens zullen mechanismen

[p. 828]

worden opgezet om de financiële deelname van een Gewest in de kosten van de werken uitgevoerd door een ander Gewest, te regelen.’

Het is de vaste wil van de Regering deze onontbeerlijke mechanismen in de financieringswet op te nemen. Zoals de Raad van State in zijn advies stelt, ligt het immers voor de hand ‘dat zonder voorzieningen omtrent de afdwingbaarheid der uitvoering van de bedoelde samenwerkingsakkoorden, geen sluitende regeling kan bestaan’ (blz. 50 in fine).

In verband met de afdwingbaarheid van de regelen tot behoud van een economische en monetaire unie, wordt in de memorie van toelichting (blz. 45) reeds vermeld dat een schending van de bevoegdheidsregels terzake zal kunnen worden aangevochten voor de hoven en rechtbanken en de Raad van State, wanneer het gaat om administratieve overheidsakten, en voor het Arbitragehof, wanneer het gaat om wetgevende akten. In verband met het Arbitragehof voorziet het nieuw artikel 107 ter van de Grondwet in een individueel beroepsrecht.

Ook wordt op blz. 3 van de memorie van toelichting een verbetering van de procedures tot regeling van de conflicten aangekondigd.

De bindende kracht van de Europese normen ten aanzien van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt niet betwist. Zo wordt uitdrukkelijk in de memorie van toelichting op blz. 45 gesteld dat ‘de Gewesten, zoals de Staat en alle andere openbare overheden, ook op economisch gebied onderworpen blijven aan de internationale Verdragen’. In verband met hun afdwingbaarheid wordt in dezelfde memorie op blz. 10 gesteld dat dit probleem zal worden geregeld in de volgende fase van de hervorming der instellingen.

 

Sire, het is de bedoeling van de Regering om, vooraleer de overdracht van de bevoegdheden en hun financiering in werking treedt, bij wet een afdoende oplossing te vinden voor alle voormelde problemen.

Voor het overige, Sire, zal inzake de buitenlandse betrekkingen en de residuaire bevoegdheid, de Regering in de tweede en de derde fase van de hervorming der instellingen slechts teksten voorstellen na sereen en diepgaand overleg waarbij wetenschappelijke experten kunnen worden betrokken, en waarvoor voldoende tijd van onderzoek en reflectie aan het Parlement zal worden gegeven.

Ten slotte, Sire, zal de Regering in functie van het advies van de Raad van State over het ontwerp van wet inzake de bevoegdheden, haar teksten op de best mogelijke wijze aanpassen en verbeteren.

[p. 829]

Ik hoop hiermede, Sire, aan de gegronde bekommernis van velen in verband met onze Staatsstructuren te zijn tegemoetgekomen. Ik kan verzekeren dat de Regering en ikzelf niets onverlet zullen laten om hetgeen is aangekondigd in daden om te zetten. Intussen betuigen mijn Collega's en ikzelf U, Sire, onze blijken van waardering en genegenheid.

 

(get.) Wilfried Martens413

 

Philippe Moureaux bleef echter herhalen dat de brief van de koning een probleem bleef voor de ministers van Institutionele Hervormingen. Hij wilde zekerheid over het grondwettelijk vertrouwen van de koning. Moureaux wilde daarover persoonlijk worden geïnformeerd en hij vroeg me zijn vraag rechtstreeks aan de koning te stellen. Hij wilde geen ‘half-minister’ zijn. In afwachting van het antwoord van de koning, kon hij niet op een serene manier spreken over de problemen van de staatshervorming. Ik antwoordde hem dat ik zijn vraag aan de koning zou voorleggen.

Willy Claes kon de reactie van Moureaux begrijpen en zei nog: ‘Er mag geen onderscheid bestaan tussen de individuele verantwoordelijkheid van de minister en de verantwoordelijkheid van de ganse regering. Er bestaat zoiets als regeringssolidariteit. Het beste is echter dat Moureaux voor zijn probleem om een audiëntie bij de koning verzoekt en dat niet via tussenpersonen doet.’

Jean-Luc Dehaene zag in de brief een bevestiging van de vroegere bekommernissen van het staatshoofd. Hij was er zich ook van bewust dat de ontwerpen van de regering inzake de staatshervorming een overgang van de prefederale naar de federale staat betekenden. Hij benadrukte dat de regering collectief verantwoordelijk was voor de teksten, en dat er een aantal punten en problemen voor reflectie moesten worden doorverwezen naar de tweede fase. Dehaene besloot dan ook dat hij aan de brief van de koning niet dezelfde draagkracht gaf als Moureaux. Hij vond dat er in de eerste plaats verder moest worden gewerkt aan de staatshervorming.

Philippe Moureaux gaf daarop toe dat er in ons bestel geen onderscheid bestaat tussen de individuele ministeriële verantwoordelijkheid en de collectieve verantwoordelijkheid van de regering. Volgens hem belette dat echter niet dat elke minister een persoonlijke verantwoordelijkheid draagt in het hem toevertrouwde domein. Deze precisering uitgezonderd,

[p. 830]

bleef hij zijn vorige opmerkingen verdedigen. Zelf bleef ik hem op het hart drukken dat de koning binnen zijn rol was gebleven en dat mijn ontwerp van antwoord volledig correct was. Maar ik beloofde hem zijn vraag aan de koning te stellen. Moureaux beklemtoonde daarbij nogmaals dat het regeerakkoord in de toekomst niet in het gedrang mocht worden gebracht. Hij wenste zijn beleid verder uit te stippelen in de lijn van het regeerakkoord en wilde vooral niet dat er op hem een hypotheek rustte.

Voor de voltallige ministerraad bevestigde ik dat ik met het antwoord aan de koning ook de volledige verantwoordelijkheid voor de staatshervorming op mij nam. Claes voegde hieraan toe dat door de goedkeuring van het antwoord de geplande staatsstructuur ook werd goedgekeurd. Ten slotte legde ik mijn brief aan de koning ter goedkeuring voor aan mijn ministers. De voltallige ministerraad ging akkoord.414

Philippe Moureaux werd enige tijd later door de koning in audiëntie ontvangen. Blijkbaar werd zijn persoonlijk probleem opgelost want hij heeft er nadien nooit meer met mij over gesproken.

 

Op 21 juli 1988, in zijn toespraak ter gelegenheid van de nationale feestdag, bevestigde Boudewijn de standpunten die hij in zijn brief aan de regering had uitgewerkt: ‘De staatshervorming zal de politieke structuren omvormen tot een federale staat. Zoals dat het geval is in de belangrijke federale staten van de westerse wereld, hebben wij een stevig centraal gezag nodig dat doeltreffend de bevoegdheden uitoefent die het heeft behouden en dat niet voortdurend aan de willekeur van communautaire discussies is overgeleverd. Het gaat hier dus om een federalisme dat de samenhorigheid in de hand moet werken, dat solidariteit tussen de verschillende bestanddelen handhaaft en dat elke vorm van openlijk of verdoken separatisme afwijst.’415

Ondanks het voorbehoud van de koning bij de korte termijn die aan het parlement werd gegeven, werd op 8 augustus het eerste wetsontwerp over de bevoegdheden aangenomen.

 

Vijf jaar later, op 21 juli 1993, sprak Boudewijn zijn politiek testament over het federalisme uit. Het zou zijn laatste toespraak worden: ‘De hervorming die we dit jaar hebben doorgevoerd vormt het sluitstuk van wat sinds 1970 tot vandaag werd veranderd in het staatsbestel. In de bewoordingen

[p. 831]

van onze Grondwet is België voortaan een federale staat. Het was de wil van het parlement om een nieuw evenwicht tot stand te brengen tussen, enerzijds, een verreikende autonomie van gewesten en gemeenschappen, en anderzijds, de noodzakelijke eenheid en samenhorigheid in het land. Die hervorming is democratisch en vreedzaam verlopen. In de rest van de wereld zijn daar maar weinig voorbeelden van te vinden. Nu komt het erop aan de nieuwe instellingen goed te doen werken. Dat zal pas mogelijk zijn wanneer alle verantwoordelijken blijk geven van verzoeningsgezindheid, van goede wil, van verdraagzaamheid en van federale burgerzin. De overgrote meerderheid van onze burgers dringt daar op aan, want zij is niet te vinden voor om het even welke vorm van separatisme, en zij aarzelt niet om dat klaar en duidelijk te laten horen. Dat verheugt mij.’416

 

In de loop der jaren evolueerde koning Boudewijn dus van verdediger van economische decentralisatie en cultuurautonomie naar overtuigd federalist. In de mate dat ik daarin een rol kon spelen, denk ik de monarchie een dienst te hebben bewezen. Een status-quo of een hardnekkig vasthouden aan achterhaalde instellingen zou nefast zijn geweest voor het voortbestaan van de monarchie in ons land.

Een slecht telefoneerder

Vaak denk ik nog met heimwee terug aan de talrijke uren in het gezelschap van Boudewijn. Nergens kan een politicus zo oprecht zijn als in de werkkamer van de koning of in de fauteuils van het kasteel van Laken. Hij weet immers dat het gesprek binnenskamers blijft. Hij voelt er zich beschermd. Hoewel sommigen het daar niet mee eens zullen zijn, ben ik er heilig van overtuigd dat bij de koning het meest volledige en waarheidsgetrouwe politieke verhaal wordt verteld. Dat was alleszins zo ten tijde van koning Boudewijn. Natuurlijk schreef hij af en toe iets op in zijn klein zwart notaboekje. Ik vraag me soms af welke historicus daar binnen twintig of vijftig jaar nog alle finesses van zal kunnen begrijpen of achterhalen. In elk geval zullen heel wat mythes sneuvelen als ze ooit publiek worden gemaakt.

[p. 832]

Boudewijn had de gewoonte mij te begroeten met een krachtige handdruk en een indringende blik. Het voelde iedere keer weer aan alsof hij zich wilde vergewissen van mijn gemoedstoestand. Ofschoon hij ook zeer humoristisch uit de hoek kon komen, was Boudewijn meestal ernstig, zeer gewetensvol, op het scrupuleuze af. Hij ging niet licht over de staatszaken heen. Zijn functie woog zwaar op hem. Hij stond iedere morgen op met het niet zo schitterend perspectief de hele dag te worden geconfronteerd met alle mogelijke staatsproblemen. Hij kon dat moeilijk van zich afzetten.

Hij zei van zichzelf dat hij een slechte telefoneerder was. Hij moest de mensen kunnen zien. Soms moesten zaken echter wel via de telefoon worden geregeld. Zoals ikzelf was hij dan kortaf, maar steeds verduidelijkte hij nadien, tijdens eenvolgend gesprek, de diepere betekenis van zijn demarche.

De koning bereidde zijn gesprekken bijzonder goed voor. Hij was telkens grondig geïnformeerd via de zeer intensieve gesprekken tussen onze kabinetschefs. Zelf legde ik hem wekelijks volledig en gedetailleerd de regeringsplannen uit. Ik vertelde hem ook over opwerpingen en tegenkantingen in ministerraden of van partijleden. De koning stelde dan voortdurend vragen en gaf ook vaak ongezouten zijn mening. Voor het overige kwamen soms ook problemen van zeer elementaire en praktische aard aan bod, zoals de renovatie van gebouwen, het aanleggen van veilige telefoonlijnen en zelfs het beheer van de koninklijke financies.

In Laken gingen we bij mooi weer meestal wandelen in het prachtige koninklijk park. Op het paleis in Brussel ging het er formeler aan toe. In Laken nodigde de koning me meermaals uit voor de lunch, als onze gesprekken weer eens waren uitgelopen. Dan gingen we naar een vrij grote zaal waar een biljarttafel stond en een koelkast. Hij serveerde me wat er klaarstond. Hij haalde ook wijn boven, maar hij schonk zichzelf nooit een glas in. Boudewijn dronk alleen water.

 

Ik onderhield tot op het einde van zijn leven een uitstekende relatie met Boudewijn. In zijn biografie van Boudewijn beweert José-Alain Fralon dat de koning mij liet vallen omwille van mijn echtscheiding, ‘zoals hij dat zo dikwijls deed met mensen die hem niet meer van dienst waren’. Daar is niets van waar. Hoe kon Boudewijn me laten vallen voor mijn scheiding vier jaar na zijn dood? In november 1991 was het duidelijk dat hij mij om

[p. 833]

politieke redenen niet meer tot formateur kon benoemen, daar waren we het in ons eerste gesprek na de verkiezingen onmiddellijk over eens.

Sympathieën en aversies

Met de jaren kreeg ik ook een beter inzicht in zijn sympathieën en aversies. Tot het lijstje van politici voor wie Boudewijn veel waardering voelde, behoorden ongetwijfeld P.W. Segers, Pierre Harmel, Etienne Davignon, Herman Vanderpoorten, Robert Henrion, Willy Claes, Frank Van Acker en Dries Kinsbergen. Zij waren zijn geprivilegieerde gesprekspartners. Met de Waalse socialisten André Cools, Edmond Leburton en Philippe Moureaux was de verhouding van een heel andere aard. Het Paleis heeft jarenlang gevreesd voor een revolutionaire of opstandige beweging in Wallonië, met de socialisten in de oppositie. Voor Boudewijn was dat zelfs een obsessie. Dat is ook af te leiden uit de nota van P.W. Segers over zijn onderhoud met de koning eind 1981. Boudewijn was permanent bevreesd voor een regering die slechts door een Waalse minderheid zou worden gesteund. Die angst trad meermaals op de voorgrond in mijn besprekingen met hem.

Boudewijn toonde ook enorm veel bewondering voor Paula D'hondt. Toen haar departement van Openbare Werken werd overgeheveld naar de gewesten door de staatshervorming van 1988, vroeg hij me zonder omwegen: ‘En wat gaat u doen voor Paula D'hondt?’ Het was een van de weinige keren dat Boudewijn met mij het persoonlijk lot van een minister besprak.417 Vermits ik al met de gedachte rondliep om een koninklijk commissaris voor de migranten aan te stellen, het ik haar naam vallen. De koning reageerde enthousiast. Nadien groeide die goede verstandhouding tussen Boudewijn en Paula D'hondt alleen nog maar. Zij waren zusterzielen.

 

Zijn opvolging baarde hem zorgen. Prins Filip was ontegensprekelijk zijn uitverkoren dauphin. Daar heb ik voldoende aanwijzingen voor. Zo vroeg hij me de oudste zoon van zijn broer Albert voor te lichten over de werking van de staat. Boudewijn leefde overigens ook in de overtuiging dat hij tot op hoge leeftijd het land zou leiden. Daardoor zou Albert niet meer in aan-

[p. 834]

merking komen voor de troonopvolging. Zijn neef zou inmiddels huwen en voldoende opgeleid zijn om naadloos de monarchie voort te zetten.

Natuurlijk was hij op de hoogte van de huwelijksmoeilijkheden van Albert en Paola, die overigens onder meer dankzij premier Gaston Eyskens niet tot een definitieve breuk hadden geleid. Ik wist dat Boudewijn bevreesd was voor indiscreties over de natuurlijke dochter van zijn broer. Ik ben ervan overtuigd dat in zijn ogen het uitlekken van dit nieuws een smet zou werpen op het koninklijke blazoen. Het zou ook de troonopvolging van zijn broer hebben bezwaard.

Opmerkelijk was ook de evolutie in zijn ideeën over vrouwelijke opvolging. Aanvankelijk liet hij mij begrijpen dat hij daartegen gekant was, maar nog geen jaar later drong hij er zelfs sterk op aan. Waarschijnlijk vreesde hij dat prins Filip, toen nog vrijgezel, iets kon overkomen.

Baken voor de samenleving

Boudewijn werd zichzelf tijdens de laatste tien jaar van zijn bewind. Zijn bezoeken en toespraken werden opvallender en ook belangrijker. Hij werd gaandeweg een baken voor de samenleving, waarbij hij zich in de eerste plaats inzette voor bedreigde mensen. Deze ontplooiing sloot perfect aan bij de diepe overtuiging van zijn nieuwe kabinetschef Jacques van Ypersele, een bewogen persoonlijkheid met een idealistische opvatting over mens en maatschappij, sterk geëngageerd ook. Dat betekende echter niet dat de koning politieke macht verwierf, maar wel dat zijn invloed groeide omdat hij door zijn ervaring ook het geheugen van het land werd. Boudewijn kwam op het voorplan in een maatschappelijke en niet in een politieke rol. Een koning kan een bindmiddel zijn voor de samenleving, idealen voorhouden waarover grote consensus bestaat. Dat deed Boudewijn in de jaren tachtig op een zeer overtuigende manier. Jacques van Ypersele was hiervan ongetwijfeld een grote inspirator.

 

Een andere permanente bekommernis van de koning was het prestige en de uitstraling van België in het buitenland. Alles wat daartoe kon bijdragen op wetenschappelijk, cultureel of economisch gebied kreeg zijn onvoorwaardelijke steun. Zo spoorde hij mij geregeld aan om onze nationale

[p. 835]

luchtvaartmaatschappij Sabena te redden. Een eigen maatschappij maakte volgens hem deel uit van ons imago in de wereld. Dat Sabena zou verdwijnen, betekende voor hem een deuk in het internationaal prestige van België en dat was voor hem een ondraaglijke gedachte.

In dezelfde zin interpreteerde ik zijn grote bekommernis om overlappingen in onze buitenlandse vertegenwoordiging te vermijden en zijn waarschuwingen voor een verwarrende indruk van onze staatshervorming in het buitenland.

Boudewijn was overigens ook zeer ontstemd over de weigering van België om wapens te leveren aan de Britten, in aanloop tot de Golfoorlog in 1990. Persoonlijk vond ik dat ook één van de domste beslissingen die ooit door een van mijn regeringen werd genomen. Maar al onze bezwaren stuitten op een njet van defensieminister Guy Coëme, op zijn beurt geïndoctrineerd door zijn kabinetsmedewerker Rik Coolsaet. Van hem mocht Saddam Hussein zijn gangen blijven gaan. De goede internationale indruk die we hadden gemaakt door de raketten in 1985 volgens afspraak te plaatsen, werd volledig tenietgedaan door die weigering. Ik denk dat er nooit eerder een beslissing werd genomen met zoveel negatieve internationale weerslag, en dan nog om gratuite doctrinaire redenen. Ik moest dat in de daaropvolgende jaren als regeringsleider geregeld ondervinden. Zelfs nu word ik er op internationale fora nog over aangesproken.

 

Thema's die niet direct op de politieke agenda stonden kregen aandacht via de Koning Boudewijnstichting. De instelling lag de koning en de koningin nauw aan het hart. Ik voelde wel dat sommige ministers kregelig reageerden op de Stichting. Dat kwam vooral tot uiting bij het vastleggen van een aanvullend krediet in het kader van de viering van het veertigjarig koningschap en de zestigste verjaardag van Boudewijn, de zogenaamde 60/40-feestelijkheden.

Dat de koning beschikte over een denktank stuitte kennelijk op veel weerstand, vooral bij ministers die de ‘politiek zonder inspiratie’ hoog in hun vaandel droegen. Telkens de Stichting een nieuw maatschappelijk probleem aansneed of onderzocht, voelden ze dat aan als kritiek op hun beleid. Vaak stond ik alleen in de verdediging van de initiatieven van de Boudewijnstichting.

[p. 836]

‘Faux doux’

Meer dan veertig jaar koningschap tekende de mens Boudewijn. Hij was iemand met diepe persoonlijke overtuigingen, maar hij ging gewetensvol om met het systeem waarin hij opereerde. Hij wist heel duidelijk wat hij wilde. Koningin Fabiola had daar een metafoor voor. Toen ik eens samen met de koningin op de luchthaven van Melsbroek stond te wachten, wees Fabiola plots naar de grassprieten die tussen de betonblokken piepten. ‘Dat is Boudewijn’, zei ze. ‘Een faux doux.’

Telkens opnieuw kwam hij vriendelijk en bedachtzaam terug met zijn standpunten en probeerde hij me te overtuigen. Maar Boudewijn was iemand die de regels absoluut wilde naleven. Daarom ook had hij zo'n groot probleem met de niet-ondertekening van de abortuswet.418

Sommigen menen dat zijn religieuze leven een groeiende impact had op zijn rol als staatshoofd. In zijn voorliefde voor Rwanda speelde zijn katholieke overtuiging allicht een rol, maar toch vooral zijn diepe vriendschap voor de later vermoorde president Habyarimana. In het kasteel van Laken stond de foto van de Rwandese president op een ereplaats.

Dat Boudewijn zeer gelovig was en sterk door die overtuiging werd gedreven, betekent niet dat hij geen eerbied had voor andere levensvisies en geloofsovertuigingen. Hij verwierp insinuaties in die zin met grote stelligheid. Steevast vroeg hij mijn toestemming om deel te nemen aan plechtigheden op het Vaticaan of aan andere, meer discrete religieuze contacten, onder andere in een Zwitsers klooster. Ik werd nooit verrast door initiatieven buiten mijn weten om. Aangezien wij hetzelfde geloof deelden, hebben wij op uitzonderlijke ogenblikken zelfs samen gebeden. Zo stelde hij me op de werelddag voor de eenheid van de kerken tijdens de audiëntie op het paleis voor om samen het onzevader te bidden.

Een hoogtepunt in het leven van Boudewijn was ongetwijfeld het bezoek aan België van paus Johannes-Paulus II in 1985. De komst van de paus werd tot in de details voorbereid. De hele koninklijke familie kreeg overigens een rol toebedeeld in dit historische gebeuren. Boudewijn keek er persoonlijk op toe dat alles perfect verliep. Nadat hij afscheid had genomen van de paus in Bierset na een vlekkeloos en al met al enthousiast onthaal in ons land, was de koning zo opgelucht en opgetogen dat hij

[p. 837]

samen met mij een uurtje ging rondrijden door de lanen en dreven van het koninklijk park van Laken.

‘Ik ben op’

Na zijn hartoperatie in maart 1992 was Boudewijn diep getroffen door de talrijke blijken van sympathie en toonde hij zich optimistisch: ‘Nu de artsen mij opnieuw een uitstekende gezondheid hebben bezorgd, zal ik u, met groot genoegen, nog vele jaren kunnen dienen.’419

Maar hij stond voortdurend onder druk. Dat zei hij steevast in de pluralis majestatis: ‘Wij staan altijd onder druk.’ Meer dan veertig jaar vervulde hij zijn stresserende opdracht. Op het einde zei hij mij: ‘Ik ben op.’

 

Mijn laatste gesprek met Boudewijn was bij mij thuis in Gent in maart 1993, samen met koningin Fabiola en mijn gezin. Hij wist toen al dat het niet goed meer ging tussen mezelf en mijn echtgenote Lieve. Hij toonde zich daarover erg bezorgd. Op 21 juli 1993, tijdens het Te Deum ter gelegenheid van de nationale feestdag, zat ik op een van de eerste rijen. Toen Boudewijn de kathedraal verliet, keek hij in mijn richting. Ik zal zijn blik nooit meer vergeten. Het was een bezorgde blik, maar ook een blik van verstandhouding. Met dat oogcontact werd een periode uit mijn leven afgesloten.

Op 31 juli arriveerde ik op weg naar Somalië om middernacht in het huis van Artsen zonder Grenzen in Nairobi. 's Ochtends luisterde ik naar de werelduitzendingen van de VRT en zo hoorde ik dat Boudewijn de avond voordien was overleden. Ik voelde een krop in mijn keel en de natuur rondom mij werd stil. Een zielsverwant was heengegaan.