begin  verderprepost
[p. II]



illustratie
Receptiezaal in het Paleis van den Sultan van Deli te Médan.

[p. VII]

Een woord vooraf.

Omdat de ervaring leert dat een ‘Voorbericht’ gewoonlijk de treurige voorbeschiktheid heeft om te worden overgeslagen schreef ik in geen mijner boeken ooit een voorrede of iets dergelijks. Ik had ook heusch - nooit iets vóóraf te zeggen, - nu echter wel, namelijk dit: Mijn boek is géén geleerd, géén degelijk, volledig werk over Ned. Indië, daarom wil ik iedereen, die zóó iets verwacht, afraden het te koopen en te lezen - opdat hij zijn tijd en geld niet beklage! Er bestaan genoeg standaardwerken, uitgewerkte studiën en critische beschouwingen over Indië, waarin men kan vinden wat geleerder hersenen en bekwamer handen dan de mijne wrochtten. Ik geef in deze bladen slechts losse schetsen, mijn persoonlijke indrukken, zonder critiek te oefenen. Niet alleen omdat ik, die, zooals men dat noemt, slechts een blauwen maandag in Indië was, mijzelven daartoe het recht ontzeg, maar vooral omdat ik niet critisch ben aangelegd en de mensch nooit iets moet beproeven, waarvoor de natuur hem de noodige hersencellen heeft geweigerd!

Ik ben op reis gegaan voor mijn zaken, om te genieten en om te kijken. Ik heb zaken gedaan en genoten, en voortdurend mijn oogen goed opengedaan - meestal ook mijn ooren. Daarom kan ik nu weergeven wat ik ondervond en zag, maar - ik ben als Tòtòk in Indië gekomen, d.w.z. als een kat in een vreemd pakhuis - en als Tòtòk er weer uitgegaan! Niemand mag er zich dus over verwonderen of ergeren dat ik zeer onvolledig en oppervlakkig ben en misschien dingen vergeet mede te deelen, die hoogst merkwaardig zijn. Zij die zulke leemten in mijn boek ontdekken zullen mij ten zeerste verplichten door het ontbrekende er bij te denken, dan vergrooten zij zonder eenige onkosten hun genot en vullen mij aan zonder dat ik het weet; daardoor profiteeren zij dubbel en blijft er voor mij altijd nog een verrassing in petto!

Wat ik geven kon trachtte ik te geven, namelijk eenige beschrijvingen van Indische plaatsen, toestanden en personen.

[p. VIII]

Wat ik daarvoor noodig had, heb ik zooveel mogelijk zelf opgezameld, wat ik te kort kwam leende ik bij anderen, die beter onderlegd zijn en wat ik in 't geheel niet weet deel ik niet mede. Niemand zal mij dus kunnen verwijten dat ik een moderne Heer Jurriaan ben, die ‘omdat hij verre reizen doet veel kan verhalen’. Ik heb voor zooverre een auteur dat kàn doen, der waarheid de eer bewezen, die haar toekomt en mijn fantazie de handboeien aangedaan.

In dit boek geef ik zooveel mogelijk typen, portretten zal men er niet in vinden, tenminste geen wèl-gelijkende, want ik heb de gewoonte om de verschillende physionomiën, die ik ontmoet, zoowat door elkaâr te haspelen en den neus van den een op het gelaat van den ander te plakken of iemand, die een kaal hoofd heeft een pruik op te zetten en daarentegen een krullekop zoo glad te scheren als een biljartbal.

Is nu de een of ander toch nog ‘pinter’ genoeg om een frappante gelijkenis te ontdekken, laat hem dan gerust zijn gang gaan - ik wasch mijn handen in onschuld!

Door de groote voorkomendheid van mijn Indische vrienden en de welwillende beleefdheid van verschillende autoriteiten, heb ik veel dingen kunnen zien en bijwonen, die een ander mist, daarvoor betuig ik hierbij mijn dank, evenals aan de voortreffelijke amateur-photografen, die mij zoo ruimschoots in de gelegenheid stelden om photo's te verkrijgen van merkwaardige plekken of zaken, die dikwijls voor een vak-photograaf onbereikbaar blijven.

Zonder twijfel zullen de vele illustratiën, die ik in dit werk kan brengen het genietbaarder maken en van veel dingen een duidelijker voorstelling geven dan mijn pen vermag.

Wanneer nu mijn ‘Indrukken’ er toe leiden om velen mijner landgenooten op te wekken kennis te gaan maken met Indië, dat goede, rijke en schoone land en zich te overtuigen van de gulle gastvrijheid der Indische menschen, zal ik de voldoening smaken iets te hebben bijgedragen tot het verspreiden van betere en juistere denkbeelden omtrent onzen ‘Oost’.

En hiermede heb ik gezegd wat ik vóóraf wilde zeggen - ik wensch mijn lezers heil! - mijn uitgever debiet!

 

Amsterdam, Oct. 1897.

 

Justus van Maurik.

prepost  begin  verder