terug  begin  verderprepost
[p. 313]

Te Soerabaja.

I.



illustratie

Terwijl ik bezig ben met 't schrijven van mijn herinneringen aan Soerabaja, krijg ik de kennisgeving van een aangeteekenden brief uit die plaats; ik haast mij hem van de post te halen en als ik het adres bekijk, herken ik de hand van mijn vriend, die mij zoo uiterst gastvrij ten zijnent logeerde.

Een lichte rilling gaat me door de leden, want ik zie een breeden rouwrand om de enveloppe. Zou er iets treurigs zijn gebeurd in zijn familie - hij heeft een lieve vrouw en aardige kinderen. Zou misschien een smartelijk sterfgeval...?

Ik scheur in spanning het omhulsel open en neem er een kaart uit, evenzoo met een rouwrand, mij meldende met segala hormat (alle eerbewijs) van uit het kippenhok mijns gastheer, dat mijn speciale vriend, ajam-laki, de haan, die zoo mooi kraaien kon, tot groote droefheid van de overige hanen en kippen, is overleden.

Ik heradem - de menschen zijn dus gezond, zelfs opgeruimd

[p. 314]

- dit merk ik door de mij gezonden overlijdens-communatie - 't is dus slechts een haan, die gestorven is, - maar welk een haan!

De onhebbelijkste, onbeschaamdste Chineesche haan, die ooit op twee slappe, geknikte pooten rondliep, wijdbeens en waggelend als een aan 't ruggemerg lijdende oude doordraaier. Een haan, die een stem had, zóó doordringend scherp en rauw, dat een vischventer met een graat in zijn keel er een helden-tenor bij scheen. Hij is zijn natuurlijken dood gestorven!

Dien gun ik hem niet, evenmin als de eeuwige rust, omdat de gemeenert, toen hij nog leefde, mij niet heeft laten rusten als het tijd daartoe was.

Soerabaja heeft overigens slechts aangename herinneringen bij mij achtergelaten - ik heb daar bij mijn vrienden groote hartelijkheid, onbeperkte gastvrijheid ondervonden - maar als ik aan hun Chineeschen haan terugdenk stijgt mij het bloed naar het hoofd en word ik verbazend knorrig.



illustratie
't Huis van mijn gastheer te Soerabaja.

Ik had in hun gezellig huis aan den Kajoong een heerlijke logeerkamer ter mijner beschikking, een frisch, vriendelijk vertrek met een allerkostelijkst bed, een keurige waschtafel, een kast, een kapstok, kortom alles wat noodig was prima, prima - en een riant uitzicht op den tuin - maar met den Kandang Ajam, het kippenverblijf, als overbuur. Ik zal niet beweren, dat ik een hekel aan kippen heb, integendeel, dood of levend, beminde ik ze steeds om haar maische boutjes en versche eieren, die mijn

[p. 315]

stofkleed in stand hielpen houden - en de kippen van mijn gastheer waren pronkjuweelen in haar soort. Ook de hanen - hij bevorderde de zedelijkheid, door meerdere ajam-laki in hetzelfde kippenhok toe te laten, zoodat de polygamie daar tot een minimum herleid werd - gedroegen zich fatsoenlijk en braaf. Zij zorgden er behoorlijk voor, dat ik 's morgens bij mijn ontbijt goede voedzame eieren vond, en sommigen offerden zelfs hun leven om mij niet zonder ragoût of fricadel te laten. Ongetwijfeld zou ik dus een lofzang op de hennen en hanen van mijn vriend hebben kunnen schrijven, wanneer niet die ééne oude Chineesche doordraaier met den knik in zijn knieën, alles bedorven had.

Hij was, dit moge ter zijner verontschuldiging dienen - zelfs tegenover een haan moet de ware christen toegevend zijn - een banneling, een paria!

Hij bewoonde het kippenverblijf niet, maar scharrelde, alleen en verstooten, door den tuin waar hij, als afschrikwekkend voorbeeld van te vroegen ouderdom en afgeleefdheid, nu eens op het grindpad, dan weer in het gras rondhobbelde - en verlangende blikken wierp, naar den ruimen harem, waarin zijn beter geconserveerde collégas fier en trotsch hun sultanes liefkoosden.

Somber hing zijn kop omlaag, slap was zijn rimpelige kam, mat en omfloersd waren zijn oogen. Zwijgend, met slepende vleugels en verfomfaaiden staart, keek hij overdag naar het minnekozen en 't graantjes pikken, dat voor hem niet meer was weggelegd.

Nauwelijks echter werd het nacht en verzilverde de maan met haar zachten glans kippenverblijf en tuin of de emeritus Chineesche Don Juan verhief zijn stem en kraaide met een gebarsten geluid, zijn wroeging en machtelooze liefdesmarten uit over de slapende natuur. 't Was alsof hij wist dat ik, lichtslaaps als ik ben, iedere noot, iedere roulade, iedere maat coloratuur van hem hoorde - en verwenschte. Ik geloof bepaald, dat hij tusschenbeiden aan mijn deur stond te luisteren of ik ook begon te snorken. Merkte dan de nijdas, die zelf niet sliep - zeker, omdat zijn uitspattingen van tempo doeloe zijn zenuwgestel

[p. 316]

hadden ondermijnd - dat ik den slaap had gevat, dan zette hij een geweldige keel op en kraaide zóó lang en rauw dat al de

illustratie

hanen in de buurt, één voor één ontwaakten. Wat hij hun toekraaide verstond ik niet omdat 't vermoedelijk Chineesch was, maar 't scheen iets zeer beleedigends te zijn, want de buurhanen begonnen één voor één terug te schelden, vinnig, scherp uitvarend, hoe langer hoe nijdiger!

Hij bleef uitdagend door-insi- nueeren totdat hij er eensklaps genoeg van kreeg en met een kort, schor kraai-gebrul eindigde.

Vermoedelijk kroop de schelm dan onder een of andere struik, of school weg in den paardenstal, zich in stilte verkneuterend en genietend van het nachtelijk schandaal en burengerucht dat hij veroorzaakt had. In gedachte zag ik hoe hij zich van plezier in de kromme pooten wreef en genoot van de felle uitdagende hanenkreten die nog uren lang uit alle kippenhokken in het kwartier opstegen.

De maneschijn heeft ongetwijfeld voor de Soerabajasche hanen een ongemeene aantrekkelijkheid, want ik heb opgemerkt, dat terwijl mijn Chineesche kwelgeest, door de goede zorgen van mijn gastvrouw eenige dagen uit logeeren was gezonden, er toch geregeld muziekuitvoeringen ter eere van vrouw Luna plaats vonden en toen ik mijn verwondering daarover uitsprak, verklaarde een oudgast mij, dat die hanen ‘maankraaiers’ waren en dat Indië daarmede rijk gezegend is. In Padang trof ik maanblaffers, in Soerabaja maankraaiers, in Batavia maanmiauwers - wellicht had ik, indien ik langer gebleven was, onder de overige huisdieren nog meer maan-liefhebbers ontdekt.

Ik kan mij overigens best begrijpen dat de dieren van huis en veld den maneschijn verrukkelijk vinden, en op hunne wijze

[p. 317]

trachten te verheerlijken, want inderdaad de maan beschijnt alles met zulk een overschoon zacht, tooverachtig licht, dat ook de mensch behoefte krijgt zijn hart daarover uit te storten.

Dikwijls zat ik met mijn gastheer en zijn vriendelijke prettige vrouw uren lang in de voorgalerij gezellig te praten, wanneer na de zengende hitte van den dag de maan haar zachten milden schijn over alles goot, zóó helder, dat men in waarheid er bij lezen kon.

't Was dan als of die zilveren stralen tegelijk met een fantastische toovertint koelte en frischheid aan de aarde brachten.

Zoo zaten wij op een avond, onder een glaasje whiskey-soda over de des daags behandelde zaken sprekend, bijeen, toen de melodieuze tonen van een gamelang zachtkens tot ons overwoeien. Er klinkt iets weemoedigs, maar tegelijk teers en streelends in die vreemde, voor onze ooren meestal onregelmatige golven muziek, die nu eens zwak, dan weer sterker op den wind komen aanrollen, brekend tusschen de boomen, over de velden als vervloeiënd tot zangerige druppels, die plotseling weer aanzwellen tot stroomen van wonderbaren klank.

Wij luisterden.

Van uit de verte klonken het klagende fluitje, de heldere klokjestonen en de zware, diepe basgeluiden van den gông smeltend en liefelijk over de rivier, als vriendelijke stemmen die noodend riepen: Kom! kom! hierheen - kom!

- Waar zou dat geluid vandaan komen? vroeg ik nieuwsgierig.

- Vermoedelijk uit een van de kampongs hier dichtbij, antwoordde mijn gastheer.

- Wat zou daar te doen zijn?

- Denkelijk een bruiloft of een feest.

- Zouden we daar niet eens bij kunnen zijn?

- O! zeker wel. - Hè, Kebon, mari sini!

De tuinman, die, een strootje rookend, kalmpjes op zijn hurken bij het tuinhek zittend, even als wij, naar die gamelang klanken luisterde, stond op en kwam langzaam nader.

- Weet jij ook of er in de kampong wat te doen is?

- Koerang priksa, Toewan! ('k weet het niet, meneer!)

[p. 318]

- Ga dan eens hooren wat er aan de hand is.

Een poosje later kwam de tuinman terug met de boodschap, dat in de dessa Koebeng, een kwartiertje van ons verwijderd, ter gelegenheid van het Sédéka boemi (het jaarlijks feest) de Wajang vertoond werd.



illustratie
Wajang-pop.

- De Wajang? vroeg ik.

- Dat is een soort inlandsche poppenkast - eigenlijk meer een inlandsche comedie, die door poppen wordt vertoond.

- Maar kerel! dan moet ik er bepaald heen, dat is net iets voor mij - ik lach graag.

- Neen! 't is niet om te lachen, integendeel 't is een zeer ernstige vertooning.

- Och kom!

- Zeker! de Wajang is een van de meest geliefkoosde ontspanningen van den inlander. Uren lang, dikwijls het grootste deel van den nacht kan hij, op zijn hurken zittend, een strootje rookend en ajerstroop of limonade drinkend, die voorstellingen bijwonen.

- Een kinderachtig plezier, dunkt me.

- Waarachtig niet, de Wajang is voor hem wat de geschiedenis voor ons is. De Dalang, de man, die de poppen vertoont, is iemand, die zeer in aanzien is en veel succes bij zijn publiek heeft, wanneer hij goed op de hoogte is van de oude Javaansche overleveringen en mythen. Hij vertelt, zittend voor een wit scherm, waartegen hij de mooi gekleurde en vergulde poppen houdt, de geschiedenissen en sagen van de Javanen en de gamelang speelt daarbij de meest geliefkoosde stukken.

- Dus heeft de gamelang, wat wij zouden noemen, melodiën - muzieknummers.

- Zeker! Ze zijn alleen voor ons oor, omdat wij er niet aan

[p. 319]

gewoon zijn, niet begrijpelijk, maar de inlander kent ze best en onderscheidt ze. Bij de Wajang is de muziek als 't ware de onderstreping van 't geen de Dalang zegt.

- En zijn die sagen en legenden merkwaardig?

- Als men ze goed verstaat ja. Gewoonlijk behandelen ze de oorlogen van de oude Javaansche vorstenhuizen uit den tijd

illustratie
De Kajoong te Soerabaja.

van Modjophaït, de sagen van den Ardjoeno en den Java-oorlog van Tjokro Negoro. Voor ons is de manier waarop die Dalang ze vertelt nog al vervelend, want hij babbelt op één toon, half zingend, door en houdt dan telkens de pop, die er bij te pas komt, voor 't scherm en laat haar de armen bewegen - maar laten we gaan kijken, we zullen probeeren of we er bij kunnen komen.

* * *

't Is prachtig weer, we wandelen langs de Kajoong langzaam de brug over en slaan, over de rivier gekomen, een smallen weg

[p. 320]

in tusschen de hooge, duistere boomen naar de Dessa Koebeng.

De maan, hoog aan den hemel, speelt door de donkere bladerkroonen met haar stralen, ze als zilveren pijlen tusschen de zwarte silhouetten van klappers en assamboomen, neerschietend

illustratie
Kampong bij maanlicht.

op het smalle voetpad, dat glinstert en blinkt als met schilfers van paarlen bestrooid.

't Blauwig gele licht sprankelt langs en op de bladeren, tusschen de takken door, met duizend wiebelende reflexen, weerkaatsend in de zacht dartelende golfjes van 't kabbelend beekje, dat ruischend en murmelend over steenen en oneffenheden, een lichtenden stroom van vloeibaar zilver gelijk, langs en tusschen de zwart groene oevers voortschiet.

[p. 321]

Op den weg is 't licht, helder licht! Een licht dat kalmte geeft; niet verwarmend, maar verademing brengend na de broeihitte van den zonnigen dag.

En langs den weg in het bosch zwarte fantastische boomgrotten, diep en donker, vreemd en grillig zich verlengend naar boven, dáár splijtend tot gedrochtelijke armen, die zich opheffen naar den hemel vol sterren, flonkerend en twinkelend in 't onpeilbaar donker-violet.

Hoog, heel hoog, drijven witte, vlokkige wolkjes, zich omhuivend met licht - langzaam glijdend langs den hemelboog, als drijvend over den lucht-oceaan naar de duistere verte.

Uit de verwijderde dessa klinkt de gamelang; 't geluid zweeft nader op den zwakken wind, die, uit zee geboren, verkoelend tusschen de boomen ruischt en de geuren van melatti en oranjebloesem heerlijk verspreidt.

't Wordt een oogenblik donker - alles is zwart, zonder vormen, één klomp duisternis.

Dan breekt de maan weer statig door de wolken. Over boomen en struiken strooit zij weer haar glans, fijn verdeeld, glinsterend in millioenen atomen. Soms bij een wending van den weg rijzen eensklaps donker, massaal, zwart, dichte boomgroepen als drommen reuzen uit den grond, zachtkens wuivend hun kruinen als koppen met groote helmen, vol zilveren pluimen; hun voeten vast, zwaar in den zwarten grond gedrukt, maar rondom besprenkeld met licht, dat door de fijne openingen der bladerkronen dringt. Scherp, groote beschermende zwaarden gelijk, strekken de fel bekantlichte bladeren van den pisang zich uit over de lage kamponghuisjes aan den weg. De atappen daken blinken in den maneschijn en droomerig leunen schuren en huizen tegen elkander. Langs de stammen van klappers en palmen glijdt licht als over de schubben van op hun staart staande slangen, van boven af door de getande bladeren heen neêrvallend, zich verdeelend in duizend grillige streepjes en puntjes.

Fantastisch schemelt de blauwige schijn, tusschen bamboes en waringins door, op het lange scherpbladerige gras en aan alle

[p. 322]

zijden glijdt hij neer, langs struiken en heesters, fel de kanten belichtend. Donkerder wordt het bosch, slechts hier en daar een helder lichte streep over den weg toelatend. In de verte schemert roodachtig 't licht van de kampong. Op den weg naderen tusschen het hout dwaallichtjes, inlanders, die met hun lantaarntje in de hand uit de dessa komen - zwijgend loopen zij voort, hun stap is licht - onhoorbaar! Stilte heerscht rondom - slechts de krekel tsjirpt in het gras en nu en dan gonst een klappertor brommend voorbij.

- Gông! Gông! - de gông doet zich eensklaps weer hooren, nu naderbij.

De gamelang klinkt luider, de verschillende instrumenten zijn te onderscheiden; de lichten zijn nu duidelijker zichtbaar. Aan de kampongpoort hangt een lamp en een papieren lantaren - binnen is 't stil - want de wajang wordt vertoond; de Dalang is aan 't woord en dan zwijgt de inlander, eerbiedig luisterend. Nu en dan zet de gamelang zijn verhaal kracht bij. De verlichte dessa ziet er in de verte fantastisch uit. Inlandsche mannen en vrouwen, die voor hun van binnen verlichte huizen zitten, zien ons voorbij gaan en rekken nieuwsgierig de halzen uit. - Blanda's om dezen tijd in hun dessa, dat gebeurt niet dikwijls - wat voeren die in 't schild?

Enkele mannen volgen ons op een afstand - de tuinman, die achter ons loopt, wordt door hen staande gehouden, ik kijk toevallig even om en zie hoe hij met zijn hoofd en handen een heftig ontkennend gebaar maakt.

Nogmaals wordt hij aangesproken, weêr dat ‘neen’ schudden, dat afwijzend hand bewegen. Wat beduidt dat?

Wij hebben de kampongpoort bereikt, een Javaansche wacht houdt zijn piek dwars voor zich, wij blijven staan en vragen beleefd naar den kapalla-kampong (het dorpshoofd).

Luid klinkt de gamelang ons nu tegemoet; we zien in 't rosse licht van ettelijke petroleumlampen, een menigte inlanders bijeen voor 't huis van het dessa-hoofd. Talrijke warongs met kleine walmende lichtjes, zijn op het erf verspreid, achter en tusschen de kijkers, om hen van de noodige ververschingen en eetwaren

[p. 323]

te voorzien. Wij wachten een poosje en terwijl vertelt de Kebon dat de inlanders, die ons hebben nageloopen, ons voor zeelieden hielden, die passagierden en in hun dessa den boel eens wilden komen opscheppen. - Volgens den tuinman, ontloopen wij door zijn tegenwoordigheid en goed getuigenis een pak slaag.

Een oogenblik later is het dorpshoofd bij ons, een zeer net gekleed inlander, die, zoodra hij verneemt dat wij vriendelijk verlof vragen om de wajang-voorstelling te mogen bijwonen, zijn aanvankelijke reserve laat varen en allerbeleefdst wordt.

Hij gaat ons zelf voor, naar de feestzaal - zijn pendoppo -

illustratie
Wajang-koelit.

waar de wajang is opgeslagen, hij wenkt en een paar van zijn volkje brengen leunstoelen; hij plaatst ze zelf zóó, dat we alles goed kunnen zien, en verzoekt ons dan hoffelijk plaats te nemen. En intusschen gaat de voorstelling door - enkele toeschouwers hebben een oogenblik hun aandacht tusschen ons en de wajang verdeeld, maar de meesten niet, zij gaan geheel op in 't geen de Dalang vertelt en laat zien bij het niet al te sterke licht van een lamp, die voor het scherm hangt.

Aan de achterzijde daarvan zitten etend en drinkend de vrouwen - de mannen, egoïsten als zij allen zijn, genieten ook hier alweder alléén het essentiëele der voorstelling. Zij zien de fraai uitgesneden, vergulde en gekleurde poppen in natura en laten de schaduw er van voor hun vrouwen.

[p. 324]

Het dorpshoofd komt nu bij ons zitten en verklaart op zijn manier wat er gespeeld wordt. Wij begrijpen er niets van, maar vinden natuurlijk alles hoogst belangrijk en mijn vriend zegt: - Die meneer zal als hij terug is in Nederland een boek over Indië schrijven en ook vertellen dat hij hier de wajang-koelit gezien heeft.

Dat schijnt hem genoegen te doen, want hij staat op maakt een kleine buiging en knikt, als wilde hij zeggen: - ik begrijp het, meneer is welkom!

Weer roept hij een paar van zijn dorpelingen, die altijd met een zekere onderdanigheid naderend, hem aanhooren.

Er wordt een tafeltje gebracht, dan een blad met glazen, een flesch Vino tinto, een flesch cognak, een kokertje met manilasigaren en een doosje zweedsche lucifers.

't Is de eerste, de eenigste en 't zal ook wel de laatste maal in mijn leven zijn geweest dat ik met een Javaansch dessa-hoofd sigaren heb gerookt en met een glas Italiaansche wijn heb geklonken op den goeden afloop van zijn Sedeka-Boemi en de voortdurende welvaart van zijn dessa.



illustratie
Wajang-pop.

prepostterug  begin  verder