Indrukken van een 'Tòtòk'


auteur: Justus van Maurik


bron: Justus van Maurik, Indrukken van een ‘Tòtòk’. Indische typen en schetsen. Van Holkema & Warendorf, Amsterdam 1897  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 430]

Te Médan - Déli.

- Gauw! gauw, van Maurik! kom eens kijken, daar komt een Chineesche begrafenis aan... en haastig rept de beminnelijke vrouw van mijn vriend, bij wien ik te Medan logeer, zich naar

illustratie

den voortuin. Haar sierlijke muiltjes klapperen over het kiezelpad en omkijkend roept zij naar binnen: - Toe manlief! laat je ontbijt maar even staan! - Gauw! Willem, haast je wat! Jij kunt van Maurik alles beter uitleggen dan ik... daar zijn de voorloopers al.

[p. 431]

- Hou je kalm vrouwtje - ik ben present - je neemt me niet kwalijk amice! dat ik meteen mijn broodje uit 't vuistje opeet, ik heb zoo'n vertooning al zóó dikwijls gezien, dat ik het plechtige er van niet meer snap. Zóó, blijf nu hier staan dan zie jelui alles goed passeeren. Och! van Maurik hou jij dien eenen kleine rakker even vast, dan neem ik den anderen.

De twee kleine knaapjes, zoontjes van den Klingeleeschen tuinman, die in hun gestreepte tjelana monjet (apenbroekje = hansopjes) in den tuin speelden en verschrikt door het heidensch geweld der naderende begrafenis-muziek op ons toeliepen, nemen we tusschen ons in. De kinderen blijven nu rustig staan, met groote oogen en open monden, evenals wij ziende hoe de stoet nadert.

- Daar heb je de ‘kraaien’, zooals we in Holland zouden zeggen, lacht Willem en wijst op twee geheel in 't wit gekleede Chineezen, die zweetend en blazend met onverschillige gezichten samen aan lange stokken, één groot, rood doek dragen, waarop met zwarte karakters de namen van den overledene vermeld staan.

- En dáár komt de restauratie voor de geesten die van nacht op 't kerkhof festival houden. - Zie je die gedekte tafels - netjes hè? Mooi wit tafelgoed, keurige schotels - 'n heele toer voor de koelies om die dingen in evenwicht te houden.

Twee of drie langwerpig vierkante tafels, met fijn damast gedekt en met groote taarten, schotels vol klein gebak, pagoden van suikerwerk, varkentjes van koek en allerlei vruchten er op, worden voorbij gedragen. De dragers loopen niet stapvoets, maar op een eigenaardig dribbeldrafje, zij balanceeren de tafels zóó netjes dat alle schotels behoorlijk op hun plaats blijven.

- 't Ziet er heusch smakelijk uit, om zóó in te bijten, beweert mevrouw.

- Vraag of we met de djiwa's mee mogen soupeeren, dat's bepaald een gloed-nieuwe émotie. - Hè, vrouwlief, wat zou dat gezellig wezen; zoo 's nachts bij maanlicht op 't Chineesche kerkhof midden tusschen de graven. Er is iets fantastisch in, dunkt me, zoo iets waar een décadent van moet watertanden. Nette bediening door geraamten met een lijkwa over den arm,

[p. 432]

tafels van doodkistenhout, stoelen van ontvleeschte tibias en ribben. Uniek interessant! Groote illuminatie door dwaallichten en maneschijn. Dan zoo'n beetje intense lijkenlucht als feestaroma, en tandgeknars met beenderengeklapper er bij als tafelmuziek. Bepaald emotioneel in de n' de macht!

- Foei! Willem, hoe akelig!

- Ja! en dan champagne-frappé uit grijnzende bekkeneelen of schedels van dooie Chineezen en overal om je heen graven die klokslag middernacht open gaan en waaruit met langzaam glijdende passen de geesten verschijnen om meê aan tafel te gaan. Dan na 't dessert een ‘danse macabre’, geaccompagneerd door gesteun, gezucht - en castagnetten van doodsknokkels!

- Ajakkes, schei uit! wat 'n lugubere onzin.

- Ja, maar mooie symboliek - zoo op de vergankelijkheid der menschen wijzend - nie dagewesen, frisch! spiksplinter nieuw.

- Ik zou wel eens willen weten, wie eigentlijk al dat lieve eten 's nachts van het kerkhof weghaalt, want morgenochtend vindt je alleen de leege schotels - de geesten hebben dan alles opgesnoept, Hum!

- Sjuut! daar komt ‘die Stütze des Soupers!’ dat's nog eens een gebraad met eere!

- Babi! babi! roepen de twee kleine Klingeleesjes, als zij zien hoe door zes sterke, witgekleede Chineezen op een reusachtigen schotel een in zijn geheel gebraden varken wordt voortgedragen.

- Dat's een goeie kluif - kijk 't vet druipt er langs, 't ziet er bepaald croquant gebraden uit, enak sekali! (heel lekker).

- Toe Wim, hou nu op; 't is om weê te worden, zoo'n klomp vet en dat hier in de warmte - kijk nu goed van Maurik en luister, daar komt de muziek - maar ik ga naar binnen, ze begint weer te spelen en dat houd ik niet uit, 't maakt me te zenuwachtig - tot straks, adieu!

Mevrouw ontvlucht haastig het meer dan infernaal geweld van de in een versierde kiosk voortgedragen muziekkapel. Oorverdoovend geraas van koperen bekkens en valsche gôngs begeleid

[p. 433]

door gillende, snerpende fluittonen, rinkelende tamboerijnen en akelige bromgeluiden van een bas-achtig instrument, maken elke conversatie onmogelijk. We bepalen ons dus tot kijken.

Naast de muziektent, rijdt op een klein paardje een of ander familielid, want hij is geheel in 't wit, zijn kleêren zijn gescheurd en zijn haarstaart hangt hem, ten teeken van zwaren rouw, losgemaakt op den rug.

Dan volgen loopend een aantal Chineezen met bloemen, kleine papieren pajongs, bonte vaandeltjes of rood papieren banieren met opschriften en franjes van klatergoud.

- Kijk! die lange vent draagt een palmpaasch! schreeuwt mijn vriend me toe, bijna onverstaanbaar door 't aanhoudend, gehoorvliestergend lawaai der muziek. Meer Chineezen met dergelijke ‘palmpaaschen’ volgen - dan komt de lijkkist, gedragen door een buitengewoon groot aantal elkander opdringende koelies, het bovenlijf naakt. 't Zweet druppelt van hun voorhoofden, 't loopt in kleine stralen langs hun bruine ruggen, want de kist - een wonderlijk gevormd, reusachtig groot houten gevaarte - is ontzettend zwaar. - Hoe voornamer, hoe rijker de Chinees, hoe zwaarder zijn lijkkist!

De muziek, nu verder af, blijft steeds doorlawaaien, maar wij hebben er gelukkig minder last van. Achter de kist volgen de bloedverwanten, mannen en vrouwen, de meesten te paard, sommigen in rijtuigen. Zij dragen witte mutsen en hebben scheuren en winkelhaken in hun witte of paarsche kleederen; zonderling steken daarbij de gekleurde waaiers en pajongs af, waarmeê zij zich tegen hitte en zon beschutten.

Er ligt niets deftigs, niets aangrijpends of droevigs in zoo'n Chineesche begrafenis, die eerder aan een reclame-optocht van een circus doet denken, dan aan hetgeen zij is: het ter aarde bestellen van een gestorven mensch!

Lachverwekkend bovendien zijn de klaagvrouwen, die achter de ‘permilie’ aan komen sukkelen. Zij loopen, geleid en gesteund door anderen, gebukt, met het hoofd in een gewonen gonje-zak gestoken, onophoudelijk schreeuwend Oooeie! - Owa-oeie! of Oewa-oeie! maar mijn vriend beweert, dat hij er duidelijk ‘ouwe hoeie’ uit hoort.

[p. 434]

Een menigte voetgangers, karretjes, dos-à-dos en andere kleine voertuigen sluiten den trein, die langzaam naar het kerkhof verder trekt, door de fraaie Deli-laan, een der mooist begroeide en schilderachtigste wegen van Medan.

 

Medan, de hoofdplaats van Deli, maakt dadelijk een alleraangenaamsten indruk. Men ziet aan alles dat men in een nog jonge stad is, in een welvarende plaats, vol krachtig opgewekt leven. Men zou Medan gevoegelijk ‘de Tabaksstad’ kunnen noemen, want feitelijk dankt zij aan de tabak haar ontstaan en steeds toenemenden bloei.

Nog geen dertig jaren geleden was Medan een kleine, onaanzienlijke, zoogenaamd versterkte kampong en eerst toen de omliggende tabaksplantages zich meer en meer uitbreidden, werd die kampong, door haar gunstige ligging aan de Delirivier en de Boboera daartoe aangewezen, plotseling een fraaie, ruim aangelegde, bijna een Westersch karakter dragende stad, waar thans de groote etablissementen en kantoren def Delimaatschappij gevestigd zijn.

Een spoorweg verbindt Medan met haar havenplaats Belawan, die om den moerassigen bodem door de Europeanen wordt gemeden.

De stad is de zetel van den Resident van Sumatra's Oostkust en den Sultan. Zij breidt zich onophoudelijk uit en legt in alles een schitterend getuigenis af van den vooruitstrevenden geest der bewoners, die voor het meerendeel bestaan uit tabaksplanters, handelaren en beambten.

De jonge, energieke ondernemende mannen, van verschillende nationaliteit, die met nieuwe denkbeelden, nieuwe arbeidskrachten en voldoend kapitaal uit Europa kwamen en partij trekkend van den ongemeen vruchtbaren grond, overal tabak begonnen te planten, vonden in de groote boschrijke vlakten van Deli een ware goudmijn, die nog voortdurend door aanzienlijke dividenden de aandeelhouders der Maatschappij voor hun ondernemingsgeest beloont. Wel moest er ontzachelijk hard worden gewerkt, de woeste gronden worden afgebrand en geschikt gemaakt voor den bouw, maar klimaat en bodem werkten mede, zoodat het

[p. 435]



illustratie

Deli-laan te Medan


[p. 436]

in een tijdvak van bijna dertig jaren gelukte om Deli tot een der rijkste streken van Sumatra te maken.

Men ziet aan de keurig nette goed gebouwde en weelderig ingerichte huizen, dat men te Medan niet op den penning behoeft te zijn, dat men dáár begrijpt, dat geld rond is en rollen moet, en dat comfort en luxe zeer goed te vereenigen zijn met onvermoeid en hard werken.

De Deli-maatschappij kan men veilig de stichtster van Medan noemen, van haar ging alle leven, alle kracht en welvaart uit. Zij begreep echter in haar eigen belang, dat van haar werklieden en richtte een Hospitaal en een Immigranten-asyl op, waar de Chineesche koelies, die zich door contract aan haar verbinden, bij ziekte of ongeval een goede verpleging vinden, zelfs een blijvend onderkomen, wanneer ze geheel ongeschikt worden tot werken.

- Tabak is, - zoo zei me een planter, die jaren lang te Deli woont, - een zeer preutsche jonge juffrouw, die met alle mogelijke égards moet behandeld worden, men dient haar onophoudelijk te koesteren, en zij vereischt in alle opzichten zorgvuldige behandeling. Even als een jonge maagd, mag zij geen oogenblik zonder toezicht worden gelaten en daarom is het planters-baantje nog zoo heel gemakkelijk niet..

Intusschen moet ik zeggen, dat de planters over 't algemeen begrijpen - en zeer verstandig begrijpen - dat een zóó onophoudelijk toezicht houden, een zóó voortdurend zich wijden aan ‘die preutsche jonge dame’ ook een tegenwicht noodig heeft, wil men ten minste zelf niet putluttig, droogstoppelig of preutsch worden. Dat tegenwicht nu vinden zij in hun gezellig leven onder elkaâr. Te Medan wordt niet alleen veel gewerkt, maar ook veel pleizier gemaakt.

De conversatie is er aangenaam, kosmopolitisch; van côteriegeest of afscheiding der standen houdt men niet - men gaat met elkander om als goede vrienden, die te samen één doel beoogen: het leven zoo frisch en aangenaam, zoo luchtig mogelijk op te vatten en daardoor een vergoeding te vinden voor het gemis van vaderland of familie. -

[p. 437]

- ‘Erst das Geschäft - aber dann das Vergnügen’ is de leus van de bewoners en de Witte Societeit kan van ‘das Vergnügen’ meêpraten, want dáár ontplooien zich de strakste gezichten en praat men eens niet over tabak - ten minste niet wanneer de dames er bij zijn.

Wat er uit Singapore of elders vermakelijks te krijgen is, wordt zoo spoedig mogelijk naar Medan in de Soos gehaald om de avonduren van de leden op te vroolijken.

Ik woonde o.a. een paar voorstellingen bij van den Willardtroep, een Engelsch operetten-gezelschap, dat op kosten der Societeit eenige uitvoeringen gaf, die zeer welwillend genoten en beter betaald werden dan ze verdienden, maar 't komt in Medan gelukkig niet op een paar dollars meer of minder aan, en de artisten, die het geluk hebben dáár te worden ontvangen, keeren steeds tevreden en met een goed gevulden buidel terug, eenstemmig verklarend: ‘Medan people are the nicest people of the world.’

Dat in de Witte Societeit het klokje van gehoorzaamheid altijd van streek is, zal niemand verwonderen, evenmin dat de assistenten der plantages, ongehuwde jongelui, die slechts van tijd tot tijd eens kunnen overkomen, zich wel eens vergissen in dag en nacht. - Ik kan je verzekeren, zei me op een pretavond een assistent, - dat het niet alles is om maanden en maanden lang, dood-alleen, als Europeaan tusschen zoo'n paar honderd leelijke, bruine koelies te zitten en ingespannen te werken, want je moet die kerels onophoudelijk narijen, anders bederven ze je den boel. Je zou, wanneer je niet tusschenbeide hartig moest vloeken, het spreken verleeren - die eenzame avonden worden zoo lang, hè! - En daarom halen we als we hier komen onze schade in - dan zijn we als losgelaten - kom! laten we nog een whiskey-soda nemen en een roko opsteken - hij bekeek de sigaar en lachte: - je zou niet zeggen, dat zoo'n klein ding zóóveel menschen in beweging brengt voor 't geboren is! - Wou u al heengaan? 't is nog zoo vroeg - kom blijf nog wat zitten boomen - wij gaan nog niet naar huis - hè heeren? En - ‘wij gaan nog niet

[p. 438]

naar huis, nog lang niet!’ zongen al de anderen in koor, - dat is ons motto! - Wij begrijpen bovendien, dat we zedelijk verplicht zijn den naam van onze Soos ‘Gezelligheid’ in eere te houden!

Er wordt in die Societeit van alles gedaan, gespeeld, gebiljart, muziek gemaakt, gedanst, zelfs komedie gespeeld, en dat vooral het laatste goed gedaan wordt, op een heusch tooneel met heusche decoratiën, bewijs ik door het volgende citaat uit de Deli Crt. van 31 Maart 1897.

Na een tijdperk van rust, langer dan we gewoon zijn, had de vereeniging ‘Gezelligheid in Deli’ weder een programma gereed en konden Maandag 29 dezer de getrouwen opgaan naar de soos om wat lang ontbeerd werd weder eens te genieten.

Deze avond was voor de geschiedenis der vereeniging zeer belangrijk, omdat de nieuwe decoratiën, voor kort door den bekenden decoratieschilder Joh. C. Maandag te Amsterdam vervaardigd, werden ingewijd. Te recht sprak de voorzitter der vereeniging, de heer J.W. Schut, den wensch uit, dat deze eerste uitvoering met geheel nieuw décor, na een tijdperk van gedwongen rust, de voorbode zou mogen zijn van nieuw leven en dat zoo aan de vereeniging aller steun en sympathie niet werd onthouden, die wensch de vervulling stellig nabij zou komen.

Ons tooneeltje in ‘de Witte’ zag er werkelijk Zondagsch uit. Het eenvoudig, doch keurig afgewerkte voordoek geeft, nadat het is opgehaald, gelegenheid op een smaakvol tooneel het oog te laten rusten. Zoowel het ensemble van de huiskamer en salon als dat van den tuin voldoet uitstekend en het geheel bewijst, dat men voor geld en goede woorden ook in Holland nog wel iets goeds gedaan kan krijgen. Dank de vele en goede zorgen van den president der vereeniging waren al de doeken opgespannen en gearrangeerd; reeds maanden van te voren kon men hem hiermee in de weer zien en wat dat be teekent bij de tegenwoordige hitte weten wij allen zelf het best.

Het programma was zeer rijk aan afwisseling: het begon en eindigde met een tooneelstukje en was aangevuld met eenige concert nommers

[p. 439]

Het voorstukje: ‘Terug van de kostschool’ werd er wonder goed afgebracht, vooral zoo, men nagaat dat dit weinig zeggend blijspel geheel door de spelers gered moet worden.

Voor de pauze werden eenige concert nommers voorgedragen. Voor het eerst na zijn verlof hadden wij het genoegen den heer Krever weder in 't publiek te mogen hooren.

Zoowel de beide soli voor viool ‘Vorspiel und Sicillana aus der Cavalleria Rusticana’ en ‘Gavotte Parisienne’ als het trio voor alt, viool en piano ‘Der Fischer’, in vereeniging met mevr. G.O. en de heer v.K. gegeven, ontlokten een daverend applaus aan het aandachtig gehoor.

Het stukje na de pauze was een aardig Fransch tooneeltje, een waar succes. In een stukje als dit, dat geschreven is voor acteurs van professie, konden wij weder het spel van mevr. M.S. en van den heer J.O. naar waarde schatten.

Zeer attent werden aan de dames, die tot het welslagen van dezen avond zooveel bijbrachten, bouquetten geoffreerd.

En nu begon het bal, dat zoo geanimeerd was, dat de wanden van onze club de vele paren haast niet konden bergen. Bij zoo'n gelegenheid doet zich de wenschelijkheid van een grooter societeitslokaal gevoelen (wat tusschen twee haakjes in een land als Deli - toch wel niet tot de vrome wenschen zal behoeven te blijven behooren).

Gewoonlijk komen in elke Indische stad, die zich ontwikkelt en uitbreidt, als de muizen naar het spek, de Chineezen en vestigen zich als tokohouders en handelaars. Zoo ook te Medan - een groote Chineesche buurt met talrijke toko's, warongs en slaaphuizen, enkele opiumkitten, pandjeshuizen en speelgelegenheden is daarvan het bewijs. De nabijheid der Straits Settlements en Singapore, die handelsstad bij uitnemendheid, draagt er veel toe bij om in ieder opzicht den handel te bevorderen en binnen een. niet lang tijdsverloop zal Medan's handelskracht niet voor die van andere steden behoeven onder te doen.

De Chineesche tempel, een groot en rijk gebouw, wijst er op dat de Zonen van het Hemelsche Rijk er meer geld hebben dan elders. Ook zij verdienen reeds veel door en aan de tabak, en

[p. 440]

ik geloof dat hun eenige grief is, dat niet zij, maar de Europeanen oprichters en aandeelhouders zijn van de Deli-Maatschappij. Ik heb eenmaal een Chinees op een tabaksveld wijzend, hooren zeggen: - Itoe tida tembakoe - ada mâs! (dat is geen tabak,

illustratie

Hoofdstraat te Medan.


maar goud!) en hij zette daarbij een gezicht alsot hij dacht: - wat jammer dat zoo'n veld aan een blanda hoort! Een tabaksveld - ik zag er vele - is prachtig! Gewoonlijk stelt een Hollander het zich voor, als het min of meer vergrootte type der tabakslanden om en bij Rhenen of Amersfoort, waar de planten, drie of vier voet hoog, op kleine dijkjes als frontmakende soldaten naast elkander staan, hun meestal spichtige, grauw-groene bladeren loom naar elkander uitstrekkend. Een Delisch tabaksland is volkomen anders. Prachtige, blauwig-groene en licht-groene, breede, groote bladeren aan stammen van meer dan manshoogte, staan in enkele of dubbele reien in de felle zon, schitterend mooi, in alle nuancen afwisselend door de

[p. 441]

schelle belichting, ritselend en zachtkens wuivend als een zuchtje over de velden strijkt.

Die velden worden van elkander gescheiden door den ‘plantweg’ voortdurend met groote zorg besproeid, en gezuiverd van onkruid, rupsen en ander ongedierte. Een menigte koelies van allerlei ras vinden daardoor werk, en eigenaardig is het, dat die verschillende rassen ook verschillend werk doen. Zoo wordt b.v. het ontginningswerk, het branden, kappen en rooien

illustratie

Een Tabaksveld te Deli.


der bosschen, 't aanleggen van wegen en drainage, meestal door Javanen en Maleiers verricht, de Bengaleezen doen voor het meerendeel dienst als oppassers en politie-agenten, Klingeleezen hoeden het vee en drijven de ossenkarren, die de transporten bezorgen, de Boyans (eilanders van Bawean), timmeren huizen en keeten, en de zoogenaamde tamme Battakkers uit de nabijgelegen kampongs worden hoofdzakelijk gebruikt om schuren te bouwen.

[p. 442]

Het eigenlijke planten en bewerken van den grond geschiedt door Chineesche koelies, die in grooten getale direct uit China worden geïmporteerd en een vast contract hebben met de ondernemers, die verplicht zijn, behalve voor hun loon, ook voor huisvesting en gedeeltelijke verpleging te zorgen. Voor hun gebruik worden dan ook op de verschillende plantages groote, luchtige huizen opgetrokken, zoogenaamde kongsi's, waar zij een goed verblijf vinden. In de kleine winkeltjes, die zich dadelijk om en bij de kongsi's vestigen, kunnen zij hun inkoopen van dagelijksche benoodigdheden doen.

Een tabaks-onderneming heeft in vogelvlucht gezien, iets van een klein dorp, door de talrijke woningen van opzichters en beambten, de groote fermenteerschuren, droogloodsen, stallen en keeten.

De tabaksvelden liggen beurtelings zeven tot acht jaren braak. Na een oogst volgt telkens zulk een tijdperk van rust, waarin de grond slechts gedurende één jaar door de bevolking met rijst beplant en verder aan zichzelf overgelaten wordt.

In de maanden Januari, Februari en Maart, worden de velden tot de ontvangst der jonge tabaksplantjes gereed gemaakt. In kweekbedden uitgezaaid, komt het tabakszaad spoedig op en ontwikkelt zich tot een klein, teêr plantje ‘de bibit’, dat met de meeste zorg wordt behandeld en dan overgeplant in de omgespitte en door afbranden der bosschen bereide gronden. Einde Juni of Juli zijn de tabaksboomen volgroeid, worden gesneden en in de droogloodsen gebracht. Dáár drogen de groene bladeren totdat zij een bruin-gele kleur aannemen en geschikt zijn om in de fermenteerschuur een lang broeiingsproces te ondergaan, dat dienen moet om aan de tabak de vereischte kleur, lenigheid en elasticiteit te geven. Dat fermenteeren geschiedt door de tabak op hooge stapels te leggen, die telkens met groote omzichtigheid worden gekeerd en omgewerkt, opdat de hitte door het broeien veroorzaakt, niet te groot en daardoor schadelijk voor de plant worde. Dan volgt het sorteeren in verschillende kleuren, lengten en kwaliteiten; een bewerking, die groot geduld, vaardigheid en oefening vereischt. Na het

[p. 443]



illustratie

Tabaksplantage te Deli, onderneming Petani.


[p. 444]

sorteeren komt het bundelen en verpakken, dan het verzenden en eindelijk het verkoopen - ‘le fin mot de l'histoire!’ Over het laatste zullen de planters, vooral in de laatste jaren, wel

illustratie

Plantage-oppassers (Bengaleezen).


tevreden zijn geweest, want sedert de Amerikanen onze Sumatratabakken boven hun eigen gewassen verkiezen, zijn de Delische goudmijnen bijna diamantvelden geworden!

Dat echter al die verschillende bewerkingen een voortdurend toezicht, een ingespannen werkzaamheid noodig maken, zal niemand verwonderen en gaarne gunt een ieder, die het goed met Oud-Holland meent, den planters hun succes, want de tabak is tegenwoordig het voornaamste artikel, dat vreemde handelaren naar onze markten in Holland trekt, dat geld doet verdienen aan honderden, die rustig in Patria blijven, mede genietend van de inspanning der Delische planters!

[p. 445]

II.



illustratie

De Sultan van Deli.


Ik stond in de groote, ruime toko van de heeren Katz & Co., te Medan, in gesprek met een der chefs, toen een keurig nette berline, getrokken door twee vurige Bataksche paardjes, voorreed. De looper, wij zouden hier zeggen: de palfrenier, sprong achter van 't rijtuig, opende in deemoedige houding het portier en de juist voorbijkomende Maleiers hurkten neer, ‘sembah’ makend, terwijl een paar Europeanen beleefd groetten.

- De Sultan van Deli! zei zachtjes de chef, met wien ik sprak. - Excuseer me? Hij ging hem tegemoet.

Een middelmatig groot, slank en flink gebouwd man, in zeer goed verzorgde Europeesche kleeding, stapte uit.

Hij droeg een grijs fantasie-jacquet van dunne stof, een wit piqué vest, keurig nette linnen boord, manchetten en overhemd en een slipdas, waarop een brillanten speld vonkelde. Zijn lichte pantalon viel onberispelijk over fijne gelakte schoenen en ik merkte op, dat hij in plaats van een gewonen ronden of helmhoed een mutsje droeg van donkere stof, met rooden bol en met smalle gouden biesjes afgezet, dat, door zijn eigenaardigen vorm, aan een kroontje deed denken. 't Stond hem zeer goed op de zwarte, reeds hier en daar aan de slapen iets grijs wordende haren. Zijn gelaat donker van tint, maar blanker dan van een Sumatraan, had eerder een Oostersch, dan een Maleisch

[p. 446]

type en was regelmatig van vorm. Kleine, levendige oogen en een vriendelijken mond gaven het een aangename uitdrukking, die, als hij sprak, nog sympathieker werd. Een dunne, zwarte knevel hing over zijn lippen, die zich prettig lachend openden en zijn benijdenswaardig witte tanden lieten zien als hij sprak. Enkele sporen aan wangen, neus en kin duidden aan, dat hij in zijn jeugd de kinderziekte had doorstaan.

Hij wandelde met langzame kleine schreden door de toko, bezag het een en ander, steeds druk pratend met den chef, die zeer eigen met hem scheen te zijn en aan wien hij herhaaldelijk inlichtingen vroeg.

- Wil u aan den Sultan voorgesteld worden? vroeg een der heeren, die in de toko bezig waren.

- Heel graag!

- Kom dan maar meê, en terwijl wij naderden, zei hij: - Nu kan u je Maleisch eens luchten, want de Sultan spreekt geen woord Hollandsch.

Ik werd voorgesteld als ‘de heer van Maurik, een heer die boeken schrijft en kranten.’

De Sultan keek mij een kort oogenblik met zijn kleine, scherpe oogjes onderzoekend aan, vroeg iets aan den chef wat ik niet verstond, bekeek me - ik moet erkennen; dat hij 't zeer bescheiden deed - nog eens goed, deed toen een stapje naar me toe en reikte mij de hand. - Wat 'n kleine hand, dacht ik, en onwillekeurig keek ik naar zijn voeten - en wat 'n kleine nette voeten, 't lijken wel damesvoetjes!

- Mijnheer komt een bezoek brengen aan Medan voor zijn handelsrelatiën en om stof op te doen voor een boek, dat hij over Indië gaat schrijven, zei de chef in 't Maleisch - ik verstond het goed genoeg - maar toen de Sultan mij aansprak en vroeg:

- Hoe vindt u Sumatra, hoe bevalt het u hier? stond ik vrij wel met mijn mond vol tanden, mijn kennis van 't Maleisch was nog in haar geboorte, dat merkte ik toen maar al te duidelijk. Ik moest echter toch ook wat zeggen en.... ik zei wat, maar toen ik dat zoo goed en kwaad als 't ging deed, betrok het gelaat van den chef en zei hij haastig: - Wees maar liever

[p. 447]

stil, want je zondigt gruwelijk tegen de etikette. Je hebt u tegen den Sultan gezegd.

- Nu! is dat niet beleefd genoeg?

- Waarachtig niet, je moest Toewankoe zeggen - dat is: ‘Mijn gebieder.’

- Maar 't is mijn gebieder, niet!

- Dat doet er niet toe, 't is zijn titel. En om nu mijn flater weer

illustratie

Paleis van den Sultan van Deli, te Medan.


eenigszins goed te maken zei hij: - Toewankoe! meneer van Maurik heeft u niet aangesproken zooals 't hoort, maar hij is hier vreemd en dus....

- O, tida apa! (dat is niets) antwoordde de Sultan uiterst hoffelijk - want, voegde hij er in 't Maleisch bij: - mijnheer weet niet beter!’ en zeer beleefd reikte hij mij nogmaals de hand ten bewijze dat hij er niet boos om was.

De Toewankoe informeerde zich - de chef als tolk dienst doende - hoe mijn reis geweest was, of ik lang in Medan

[p. 448 ]

dacht te blijven enzoovoorts en vroeg eindelijk of ik in dat boek ook over Medan dacht te schrijven.

- Zeker! Toewankoe!

- Ook over mij?

- Natuurlijk!

Ik zag in zijn kleine levendige oogen een glansje en om zijn mond een bijna onmerkbaar glimlachje, dat een aangename snelle gedachte aanduidde. Hij richtte zich nog wat meer op en vroeg met een kleinen toon van zelfvoldoening in zijn stem:

- Wil u dan mijn paleis ook zien? Ik ga strakjes naar huis en zal er u gaarne ontvangen. - U kan clan zien dat wij hier in Medan ook wel mooie gebouwen hebben, ik zal u een fotografie er van geven.

- Gaarne! 't zal me een groote eer zijn.

- Je schijnt nog al in zijn smaak te vallen, zei mijn vriendelijke tolk en als je wilt zal ik den Sultan ook om zijn portret voor je vragen, je kunt dat meteen in je boek afdrukken - dan heb je er zeker iets in wat geen ander kàn hebben, want de Toewankoe is gewoonlijk niet scheutig met zijn portretten, maar hij kijkt je nog al genadig aan. Ja! heeren auteurs hebben altijd een streepje vóór; je begrijpt, kranten en boeken zijn in de oogen van den Sultan dingen van gewicht en de lui die ze maken of schrijven ziet hij met andere oogen aan dan ons handelaren, daarom heb ik je maar niet in je kwaliteit als sigarenfabrikant voorgesteld!

- Begrepen!

De Sultan keek mij, terwijl de chef hem namens mij om zijn portret vroeg, onderzoekend aan, stak een sigaret op uit een keurig geciseleerd zilveren étui - bood er mij ook een aan en vroeg: - Zou meneer 't graag hebben?

- Zeer gaarne! Asjeblieft!

- En zal u 't in uw boek afdrukken?

- Ongetwijfeld!

Weêr zag ik een schier onmerkbaar glimpje van kinderlijke voldoening op zijn trekken, toen hij zei:

[p. 449]

- Dan zal ik 't u zenden, met mijn handteekening er op. Van middag kunt u mijn paleis komen zien.



illustratie

Handteekening van den Sultan van Deli


- 'k Ben u vooruit ten hoogste dankbaar, Toewankoe!

De Sultan knikte mij vriendelijk toe, als wilde hij zeggen: de audientie is afgeloopen en stapte, na nog eenige inkoopen te hebben gedaan, weêr in zijn rijtuig.

Eenigen tijd later zond hij mij zijn portret, dat ik hier afdruk even als zijn handteekening.

Die handteekening beduidt: MaÄmoen Alrassid Perkasa Alam Sjah, wat overgezet zijnde beteekent: De getrouwe (maämoen) de rechtvaardige (alrassid), de prachtige, (perkasa) - misschien is in dit woord dezelfde wortel te vinden als in het oud-duitsche Perchta - nieuw-hoogduitsch: Bertha (de schitterende) - Heer van de wereld (alam sjah). Sjah = Heer, is nu nog de titel van de heerschers van Perzië.

Al deze benamingen zijn zeker voldoende aanduidingen van de groote voortreffelijkheid en hoogheid des dragers. Overigens noemen zich bijna alle vorsten in de Sumatraansche landen Heer van de wereld, iets wat geen al te gunstigen indruk geeft van hun bescheidenheid en geographische kennis.

De officieele titulatuur, waarmede men den Sultan aanspreekt is Serie-padoeka, toewankoe Soelthan, woordelijk vertaald Seri = verheven - denzelfden wortel toonend als het Engelsche Sir - 't Latijnsche Caesar en 't Duitsche Kaiser, misschien ook 't Russische Tsar. Padoeka (sanskrit) = schoenen - waarschijnlijk denzelfden wortel hebbend als 't Spaansche Zapato (schoen) en 't Fransche ‘patte.’

Toewankoe, afstammend van denzelfden wortel als 't Maleische toewa = oud of dewa = geest, god en - koe of akoe = ik = ego (latijn).

Aldus te samen beteekenend mijn-heer.

Deze geheele titulatuur, Serie padoeka toewankoe Soelthan is gebruikelijk in officieele stukken, ook wanneer Europeanen

[p. 450 ]

aan den Sultan schrijven. Een inlander daarentegen zou zich zelfs niet tot de verheven schoenen van zijn vorst durven wenden, maar adresseert zijn brieven: Kabawah doeli kaoets = ‘aan het stof onder de schoenen van mijn heer’.

Meer eerbied en onderdanigheid is toch waarlijk niet denkbaar - men zou haast durven beweren dat het al te eerbiedig is.

In 't algemeen is de etikette aan de Maleische hoven, ofschoon dit weinig bekend is, veel strenger en ingewikkelder dan aan eenig Europeesch hof.

Niet alleen is de titulatuur en de allocutie voor ieder vorst uiterst nauwkeurig bepaald, maar ook de houding, zelfs de gebaren en de gelaatsuitdrukking zijn zorgvuldig voorgeschreven.

Nooit zal een Maleier zelfs een Tengkoe - een vorst min of meer aan den Sultan vermaagschapt of een Datoe, een vroeger onafhankelijk, thans leenplichtig vorst - het wagen zijn gebieder aan te spreken zonder neêr te hurken en de vlak saamgelegde handen voor het voorhoofd te brengen en sembah te maken. Daarom noemen de inlanders ieder aanspreken van den Sultan ‘sembah’.

De Sultan zelf beveelt alleen: ‘titah’ of ‘sabdah’. Bij een gesprek van langen duur of in tegenwoordigheid van Europeanen of bij gala-gelegenheden, die een voortdurend sembah onmogelijk maken, eischt daarentegen de etikette, dat degeen, die met den Sultan spreekt tegen iets aanleunt of zich aan iets vasthoudt en indien ook dàt niet doenlijk is, met zooveel mogelijk gebogen rug blijft staan, voortdurend de oogen op den Sultan richtend.

De adat (etikette), brengt mede dat de Sultan zelf nooit den met hem sprekende aanziet, maar als 't ware over hem heen of naast hem kijkt.

Hoogst eigenaardig is ook aan het hof 't gebruik van het voornaamwoord, ik Akoe in 't Maleisch. In het gewone leven mag het volstrekt niet worden gebruikt, het is alleen geoorloofd aan den Sultan en aan officieren tegenover hun ondergeschikten, aan hoogeren tegenover hun minderen. Het gebruiken van ‘akoe’ drukt altijd uit: Bevel, toorn, verachting of een sterk gevoel van eigenwaarde tegenover den aangesproken persoon.

[p. 451]

Buitendien gebruikt men ‘akoe’ of ‘koe’ in verbinding met andere woorden als Toewangkoe, mijn gebieder, of Tengkoe (vorst), Handai-koe (mijn vriend), wanneer een vertrouwelijken toon wordt aangeslagen. Ook in verliefde taal als: boewah hâtikoe (vrucht van mijn hart) - wij zouden eenvoudig zeggen: mijn hartlap - ook in Bidji mata-koe (kern van mijn oog, mijn oogappel).

De Maleier gebruikt in de gewone spreektaal voor. ik indien hoogeren tot minderen spreken ‘kita’ of ‘kami’ = wij. Aan de Europeesche hoven was dit vroeger algemeen, aan enkele kleine Duitsche hoven is dit ‘wir’ nog gebruikelijk, terwijl het in officieele regeeringsstukken nog algemeen wordt gebezigd. Vorsten, adellijken en lieden van geboorte gebruiken, wanneer zij onderling spreken voor ik het woord saya, dat eigenlijk ‘dienaar’ beteekent, aldus steeds hoffelijk sprekend uw dienaar wil of doet of verlangt dit of dat.

De hoffelijkheid van de Maleische grooten onderling is benauwend en lastig - maar van de hoffelijkheid van den gewonen Maleier heeft de Europeaan waarlijk géén hinder, want de Sumatranen zijn eer brutaal en kort-af dan beleefd of onderdanig, geheel anders dan de Javanen, die zachter van aard en deêmoediger van natuur, den Europeaan veel meer respecteeren.

De Sultan vań Deli echter kan als voorbeeld gesteld worden voor zijn onderdanen, want hij is een in alle opzichten vriendelijk, beleefd en welwillend man, die zelfs volgens Europeesche begrippen een zeer sympathieke persoonlijkheid is.

Met grooten tact streeft hij er naar alles te vermijden wat in de oogen der Europeanen zijn prestige ook maar in 't minste of geringste afbreuk zou kunnen doen - maar tegenover zijn onderdanen en Datoes of Tengkoes is hij de almachtige, onaantastbare gebieder, de absolute vorst wiens uitingen steeds met een allereerbiedigst sembah en een monotoon ‘Toewankoe!’ waarvan zonderling genoeg meestal alleen de laatste lettergreep ‘koe’ hoorbaar is, worden beantwoord.

In zijn opvattingen, meeningen en gewoonten is hij een echte ‘Orang Islam’, een Mahomedaan, die al de voordeelen, aan dat

[p. 452]



illustratie

Receptiezaal in het Paleis van den Sultan van Deli te Médan.


[p. 453]

geloof verbonden, gaarne en waardeerend geniet. Hij leeft in zijn paleis, d.w.z. in een kleine afdeeling er van, het liefst zeer eenvoudig, maar goed, geheel volgens de gebruiken en gewoonten van den Islam, echter heeft hij zich toch een Europeesche tint weten te geven, die hem zeker niet kwaad staat en in de oogen der Europeanen aantrekkelijk maakt.

Wanneer men hem ziet rijden in zijn keurig nette equipage - de Sultan houdt veel van mooie rijtuigen en paarden - zou men, indien men niet lette op den zonderlingen hoofdtooi van de koetsiers, die evenals elders op hun hoofddoek een livreihoed met band en kokarde dragen, meenen dat hij een Europeesche groote was. Alles ziet er fijn en chic uit, niet te bont of te kleurig, maar werkelijk net, gentlemanlike; de tuigen der paarden zijn keurig, van eerste kwaliteit, en de rijtuigen steken gunstig af bij die van anderen. Ik heb dikwijls eigen rijtuigen van voorname Chineezen gezien, die er niet beter uitzagen dan gewoon ‘huurspul’ van een Hollandschen stalhouder.

De Sultan kleedt zich meestal met veel zorg maar eenvoudig, in fantasie-pakken van goeden snit - bij feestelijke gelegenheden in zwarten rok en witte das - alléén bij groote gala-recepties of officieele partijen in een mooie uniform met geborduurden kraag, gouden schouderpassanten en brandenbourgs.

Hij is een groot liefhebber van de wielersport en heeft zelfs aan Deli's ingezetenen een goed ingerichte wielerbaan ten geschenke gegeven.

Zonder twijfel is de Toewankoe een man die alles doet wat hij kan om zich bemind te maken. Hij is een uitmuntend, vrijgevig gastheer, die herhaalde malen jaarlijks in zijn prachtig paleis, in Oosterschen stijl, door een Hollandschen architect gebouwd, zeer aangename en schitterende dansfeesten geeft.

Die bals, in de rijke, ruime, buitengewoon sierlijke receptiezaal gegeven, behooren tot de meest gezochte feestelijkheden en wie de eer geniet, daartoe te worden uitgenoodigd, brengt eenige uren door vol afwisseling, genot en weelde. ‘Elk wat wils’ is des Sultans leus, want hij zorgt er voor dat iedereen zich kan

[p. 454 ]

vermaken, de iongeren met dansen, de ouderen met kaartspel of muziek.

In die prachtige zalen, schitterend van licht, vorstelijk gemeubeld door de bekende Haagsche firma Mutters ('t ameublement enz. enz. van de receptiezaal kostte alleen zestigduizend gulden) beweegt zich dan de élité van de Medansche dames en heeren, met de autoriteiten, en vol prinselijke vrijgevigheid huldigt de Sultan op zulke feesten nog het echt Oostersch gebruik om aan zijn gasten, vóór 't naar huis gaan, als tanda-mata (aandenken) fraaie geschenken te geven. Ik zag o.a. prachtige, met goud geborduurde zijden sarongs en muiltjes, die de Toewankoe aan dames, mooie wandelstokken met kunstig gesneden ivoren knoppen, die hij aan heeren bezoekers had vereerd.

In zijn salons, in zijn paleis, is hij de gebieder, de ‘Alam Shah’ - maar in de staatkunde zou men hem dien titel niet durven geven. Hij is onafhankelijk Sultan - maar 't Nederlandsche gouvernement spreekt altijd nog een vaderlijk woordje meê, wanneer hij een besluit moet nemen, dat van te groot gewicht is om door hem alléén te worden genomen.

Wanneer men den Sultan in zijn keurige, élegante equipage door Medan ziet rijden en de eerbewijzingen opmerkt, die de bevolking hem niet schuldig blijft, is men wel geneigd - zij 't dan ook in 't binnenste-binnen van zijn hart te denken: dat is nog eens een vorst dien men benijden kan - hij heeft al de genoegens van zijn ambt, en de last deelt hij zelfs niet met anderen. Zoo'n vaderlijk gouvernement achter de hand is toch nog zoo kwaad niet!

Maar op aarde mag - de hemel wil dat zeker zoo - geen onvermengd genoegen, geen zuiver geluk bestaan en daarom is een Sultan meestal gezegend met een overgroot getal bloedverwanten, ‘soedara's’, die, alsof zulks van zelf spreekt, uit des Sultans schotel een vorkje medepikken, en zich soms niet ontzien een aanval op de vetste hapjes te doen. Is de gebieder nu niet al te goedhartig en bij de hand genoeg om die gulzige familieleden bijtijds op dē vingers te tikken, dan blijft zijn schotel goed gevuld en smakelijk, 't Is, echter wel eens gebeurd, dat

[p. 455]

de eene of andere gebieder eindelijk de slaaf werd van zijn vrienden en magen en ten slotte ervoer, dat, waar afgaat en niet genoeg bijkomt, een leege schotel het eind is.

Voor zoo iets hoeft de Sultan van Deli niet te vreezen, want hij is door Allah's zegen een zeer rijk vorst en zijn hulpbronnen zijn vele. De Datoe's van Hampéran-Perak, van Soengal, van Kampong Bahroe en van Senembah, zoowel als de Tengkoe van Pertjoet (een lid der regeerende familie) zijn hem leenplichtig en moeten hem de helft van hun jaarlijksche inkomsten afstaan.

En wanneer men nu bedenkt, dat bijna den geheelen bodem van Deli aan de bovengenoemde vorsten toebehoort, kan men op zijn vingers narekenen dat de Sultan van Deli niet spoedig slecht bij kas wordt.

Voor Europeesche beschaving heeft hij een open oog en oor hij is volstrekt niet behoudend en neemt daarom, voor zoover zijn geloof hem dat toelaat, Westersche gebruiken en gewoonten gereedelijk over. Hij is prachtlievend en schaft zich gaarne de nieuwste snufjes aan - waarom zou hij ook niet - hij kan immers met Jezus Sirach zeggen: ‘Wie geld heeft en 't zich aan iets ontbreken laat, spaart voor anderen en van zijn goed zullen vrienden zwelgen’.

Een hofhouding als de zijne is voor de vele toko's in Medan niet zonder beteekenis, want de herhaalde feestelijkheden brengen van zelf belangrijke bestellingen mede en zeker zullen èn handelaren èn particulieren den gastvrijen, naar ontwikkeling en beschaving strevenden Sultan van Deli een lange en gelukkige regeering toewenschen.



illustratie