Het was de laatste week van februari 1779.
Gouverneur Jan Nepveu was heel erg ziek. Dat was al enkele maanden het geval, maar nu was het toch wel zo dat men elk ogenblik het einde kon verwachten. ‘De Vos’, zoals hij door velen genoemd werd, zou dus heen gaan, en zelfs de planters die tijdens zijn leven zo tegen hem gekant waren geweest, moesten toegeven, dat hij in zijn leven de kolonie wel enkele goede diensten had bewezen, al was het alleen maar het bestaan van het Militaire Cordonpad, dat nu een deel van het ondoordririgbare oerwoud toegankelijk had gemaakt.
Het was geen vrolijke tijd in de kolonie.
Vele gezinnen waren nog in de rouw vanwege het verlies van één of meer geliefden en nog steeds waren er zoveel ziekten onder de mensen, onder het vee; zelfs de oogsten waren minder gunstig.
Schaarste aan vele produkten. Hollandse schepen durfden niet in deze omgeving te komen uit vrees voor de kapers. Schepen uit Amerika met goederen voor Suriname werden door de Engelsen buit gemaakt.
Elza zat op de achtergalerij van haar ruime bovenwoning aan de Gravenstraat en keek over het erf waar Jonathan en Gideon speelden met Amimba's zoontjes onder een grote manjaboom. Gideon was nog steeds erg mager na zijn ziekte en wat was hij toch lang geworden vond Elza. Ze zuchtte, die vreselijke ziekte. Ze had vanmorgen nog een schortje in handen gehad van Abigaël en het in de kast opgeborgen. Haar lieve kleine Abigaël, haar engeltje, dat het schortje nooit meer zou aandoen. Ze miste haar, maar was God dankbaar, dat hij Gideon niet had genomen en wie weet kreeg ze weer een ander klein meisje, want ze wist sinds enkele weken dat ze weer in verwachting was. Wie ze echter nooit meer terug zou krijgen, dat was Maisa. Wat miste ze Maisa,
ze miste haar zo erg, dat het bijna lichamelijk pijn deed. Maisa!
Pas toen Maisa was gestorven, was het tot Elza doorgedrongen hoe afhankelijk ze van die ene persoon was geweest. Niet zij, Elza, maar Maisa was de spil geweest waar alles om draaide. Het huishouden, dat was Maisa's huishouding geweest. Elza had toen ontdekt, dat ze zelfs eigenlijk niets wist. Ze wist niet hoe en waar goederen gekocht werden, wat er allemaal nodig was, ze wist niets, want Maisa had altijd voor alles gezorgd.
Een paar dagen geleden was Lena de kokkin komen zeggen, dat er geen meel meer was en toen was Elza zomaar opeens in huilen uitgebarsten, tot grote schrik van Lena, die maar niet begreep, waarom de misi zo moest huilen omdat er geen meel was. Dat was niet de reden dat ze had gehuild, er was nu eenmaal schaarste aan meel. Maar Elza had toen opeens zo erg gevoeld hoe zeer ze Maisa miste. Die had overal raad op geweten. Die zou wel geweten hebben hoe en waar ze aan meel moest komen.
Elza bedacht nu, dat haar gezin eigenlijk model stond voor de hele Surinaamse samenleving. Was niet alles en iedereen afhankelijk van de slaven? Net zoals zij zich verloren voelde zonder Maisa, net zo zou de kolonie verloren zijn zonder de slaven. Zij deden alles, wisten alles en de blanken konden niets en wisten niets. De blanken hadden de negers nodig maar de negers hadden geen enkele blanke nodig; zie maar hoe het de marrons gelukt was om een hele samenleving op te bouwen in het oerwoud, alles wisten ze er te gebruiken. Zonder gereedschappen en geweren, wisten ze te overleven, zich te voeden, en de militairen te overwinnen. En de blanken?
Als die in het oerwoud verdwaalden, betekende dit een zekere dood, want uit zichzelf konden ze zich niet redden. Als de negers er niet meer zouden zijn in deze kolonie, dan zou de hele samenleving als een opgeblazen pudding in elkaar storten, gingen echter alle blanken weg, dan zouden de negers wel weten hoe ze hiervan een keurig en goed geordende gemeenschap moesten maken. Zoveel plantages moesten het al opgeven omdat ze niet genoeg slaven hadden.
Elza dacht aan wat Rutger haar twee weken geleden had verteld.
Julius Robles de Medina was bij hem in het kantoor geweest. Hij gaf Klein Paradijs op, het ging niet meer, hij had geen slaven genoeg om de plantage draaiende te houden. De schuld van drie
jaar geleden had hij nog niet eens voor de helft afbetaald. Hij verkocht alles, de slaven, de koffiedrogers en wat er nog over was van het vee.
Rutger had hem willen aanmoedigen om het toch nog te proberen, maar Julius had hem met tranen in de ogen aangekeken en bedroefd gevraagd: ‘Waarvoor? Voor wie?’ Zijn zonen waren al gestorven. Zodra hij er niet meer zou zijn zou Sarith toch alles verkopen, omdat ze niet van Klein Paradijs hield. De kinderen, die hij bij Mini-mini had, zouden de plantage niet kunnen erven. Het was dus maar beter nu alles te verkopen. Van wat er overbleef kon hij een deel voor Sarith beleggen om in haar onderhoud te voorzien en van de rest, al was het maar weinig, wilde hij een kalme, rustige oude dag hebben bij Mini-mini; want dat was het enige wat hij nog van het leven verlangde, om rustig bij Mini-mini te zijn en bij haar te blijven.
Elza had meelij met Julius. Misschien had hij gelijk, Mini-mini zou vast wel lief voor hem zijn. Wat deed Sarith nu? Ze was naar Hébron gegaan, maar zou vast niet lang daar blijven, omdat ze het er te saai zou vinden, eigenlijk had Elza ook met haar meelij. Ze zocht zo naar vertier en vermaak, dat ze daarom nooit tevreden kon zijn en genieten van wat ze had; eigenlijk was ze toch wel een leeg en zielig mens.
In de middaguren was opeens Sydni, de slaaf van vader Levi aan de achterdeur met een boodschap. Elza schrok: Er zou toch niets met haar vader zijn? Sydni vertelde dat hij gezonden was door masra Levi. Grootmama Fernandez was ziek, de familie was al van Hébron naar Joden-Savanna gereisd. Grootmama had echter speciaal gevraagd naar Elza haar kleindochter, en vader Levi vond dat zijn dochter dan maar naar Joden-Savanna moest reizen, omdat Grootmama het waarschijnlijk niet lang meer zou maken.
Toen Rutger in de vooravond van de Beurs terugkwam, vertelde Elza hem wat Sydni was komen zeggen en Rutger was van mening, dat Elza dan maar zo spoedig mogelijk naar Joden-Savanna moest gaan. Zelf kon hij niet mee. De toestand van de Gouverneur was zó, dat elke dag de laatste kon zijn en Rutger, die nu een belangrijke administrateur was, moest wel in de stad blijven om de begrafenis bij te wonen, als Zijne Excellentie kwam te sterven.
Eigenlijk had Elza niet zoveel zin om te gaan, omdat het de
eerste keer was dat ze op reis zou moeten gaan zonder Maisa, en ze bedacht een beetje wrevelig, dat Grootmama haar leven lang alles en iedereen had gecommandeerd, en zelfs op haar sterfbed het nog presteerde om te commanderen. Maar ja, ze zou wel moeten gaan, om vader Levi vooral, en Sydni had duidelijk gezegd, dat de oude Granmisi niet lang meer zou leven. Achtenzeventig jaar was grootmoeder al, dat was inderdaad wel erg oud.
De volgende dag reisde Elza dus met Sydni naar Hébron.
Rutger had Alex gevraagd om met haar mee te gaan en verder ging ook Amimba mee met haar oudste zoontje Rutty. Ze overnachtten op Hébron, in het lege huis, want vader, Tante Rachaël en ook Sarith met kleine Eva waren al op Joden-Savanna. De dag daarna ging de reis verder en het was al middag toen ze op Joden-Savanna kwamen.
Toen Elza in het grote oude huis van haar grootmoeder die oude vrouw in bed zag liggen, bedacht ze, dat Grootmama er helemaal niet uitzag als iemand die ging sterven. Misschien was haar lichaam zwak, maar haar stem was dat beslist niet, toen ze Elza bij zich riep en tegen haar zei, dat ze de granaten snoeren mocht hebben en het diamanten broche en twee gouden kettingen. De twee bloedkoralen snoeren waren voor haar dochtertjes.
Vóór Elza kon zeggen dat ze nog maar één dochtertje had, zei Grootmama: ‘Ik weet heus wel, dat je nu alleen nog maar Charlotje hebt, nu je Abigaël is gestorven, ze is een engeltje, treur niet om haar. Ze is bij God mijn kind en heus je krijgt een ander lief dochtertje terug’.
Ook het porseleinen servies met de Joodse motieven wilde ze aan Elza geven, even als het met de hand geknoopte wandkleed. Elza moest op beide heel zuinig zijn, want ze waren heel oude familiestukken, waren door Grootmama's bet-overgrootmoeder meegenomen uit Portugal naar Brazilië, en later door haar grootmoeder uit Brazilië naar Suriname gebracht. Het was wel jammer dat Elza zelf geen Joodse was, maar Grootmama zei, dat ze er zeker van was, dat Elza haar Joodse voorouders in ere zou houden. Ook tante Rachaël en Sarith kregen kostbaarheden en ook Esther en Rebecca's dochters werden door Grootmama bedacht.
De volgende dag kwam er met een boot een boodschapper uit de stad met het bericht, dat Zijne Excellentie Jan Nepveu de dag ervoor, de 27e februari, was overleden. ‘Hij is me dus toch voorgegaan’, zei Grootmama.
Toen de familie twee dagen later opstond bleek dat Grootmama in haar slaap was overleden. Ze lag rustig in haar bed en Afi, haar slavin had al zeker vijf minuten tegen haar gesproken, toen het die opviel, dat de misi ongewoon stil was. Ze was toen dicht bij het bed gegaan en had gezien dat de misi dood was.
Voor de begrafenis waren er niet zoveel mensen als Grootmama zelf gewild zou hebben, omdat veel van haar oude vrienden zelf al dood waren en enkele van de mensen die anders ongetwijfeld op Joden-Savanna zouden zijn geweest, in de stad hadden moeten blijven voor de begrafenis van de Gouverneur.
Elza had al die dagen niet tot Sarith gesproken, die had met haar moeder en Eva in het ouderlijk huis van Tante Rachaël gelogeerd, waar nu alleen Tante Sarah en haar ietwat achterlijke dochter woonden, en Elza had in het huis van Grootmama Fernandez gelogeerd.
Dezelfde middag werd de oude weduwe Fernandez begraven. Op het welonderhouden kerkhof van Joden-Savanna was de plaats van het graf al bepaald. Ze zou rusten naast het graf van haar man, ook de marmeren grafsteen was al samen met die van haar man ruim 45 jaar geleden uit Italië besteld. Traditiegetrouw gingen de vrouwen niet mee naar de begraafplaats. Op de schouders van 8 slaven werd de kist het huis uitgedragen, daarachter gingen alle mannen, in het zwart gekleed.
Meteen daarna riep Tante Rachaël de slavinnen, om de stoelen aan de kant te zetten en de vloer van de voorzaal en de veranda te dweilen
Elza was naar buiten gelopen. Ze stond voor het huis, haar gedachten waren bij Grootmama. Ze keek naar de andere huizen. Joden-Savanna verviel. Joden-Savanna, 100 jaar eerder de trots van de Joodse Gemeenschap en van heel Suriname, werd een verlaten oord. Vreemd, hoe het leven toch kon gaan.
Opeens stond Sarith naast Elza.
‘Hoe gaat het Elza?’ vroeg ze. ‘Het gaat wel’, antwoordde Elza, verbaasd door het feit dat Sarith, die al jaren niet meer met haar had gesproken, nu opeens tegen haar sprak.
Sarith keek haar aan en zei toen: ‘Elza, kun je me vergeven? kun je me vergeven voor alles wat ik verkeerd heb gedaan?’
Elza zag opeens weer voor zich dat wat ze die ene middag door het sleutelgat had gezien. Rutger en Sarith samen in bed, een beeld dat haar jarenlang had achtervolgd, en ze zag nog iets anders,
een beeld dat ze niet zelf had gezien, maar waarvan ze precies wist hoe het geweest was, Ashana vastgebonden aan een boom en Sarith die de basya beval om te zwepen. Ze zag nu Sarith voor zich staan en zei: ‘Niet ík moet je vergeven, kijk ik heb het overleefd, het was erg toen, maar ik heb het overleefd, maar jij, hoe heb jij het overleefd? Niet ík moet je vergeven, jìj moet proberen jezelf te vergeven, dat zou je moeten doen’.
Sarith zei niets, ze keek naar de grond, toen draaide ze zich om en wilde weglopen. Elza bedacht hoe Sarith eigenlijk alles had verknoeid. Alles was ze kwijt, haar zoon, haar man, hun plantage, het was een eenzame vrouw die daar wegliep; maar dit was toch ook de vriendin van haar kinderjaren, - haar zusje!
‘Sarith’, riep Elza. Sarith bleef staan en draaide zich om. ‘Kom’, zei Elza, terwijl ze haar hand uitstak. ‘Kom, laten we samen wat wandelen’. Er kwam een weifelende glimlach op het gezicht van Sarith, toen reikte ze haar stiefzusje de hand.
Hand in hand liepen ze weg van het huis, in de richting van het kerkhof; een gemurmel van stemmen kwam hen tegemoet. Dat waren de stemmen van de mannen die nu Kadisj zeiden, terwijl ze op de begraafplaats stonden tussen de graven van hun voorouders; de Portugese Joden, de eerste kolonisten, die het na de Engelsen hadden aangedurfd om Suriname te maken tot hun vaderland.