Eerst tegen het midden van de vijftiende eeuw vinden we op de Zeeuwse eilanden de duidelijke sporen van letterkundig leven. Een enkele Middelburgse geestelijke 1 schreef, nog in de veertiende eeuw, een kloosterkroniek die verloren ging, en indien Melis Stoke een Zeeuw was 2, is hij de oudste vertegenwoordiger, zo niet van de eigenlijke letterkunde, dan toch van de wetenschap in Zeeland. Op Paasdag 1390 trad Willem van Hildegaersberch er met twee andere sprooksprekers voor het grafelijke hof op 3, maar we weten noch of zijn optreden een aanwijzing is, dat Zeeland zelf geen kundige minstrelen bezat, noch of die beide medespelers misschien toch Zeeuwen waren. Bijna een eeuw voordat we van de eerste rederijkers in Zeeland horen, vinden we melding gemaakt van spelen, die te Middelburg werden opgevoerd door de scholieren van de grote (d.i. Latijnse) school, onder leiding van hun rector 4, en we mogen aannemen dat het schooldrama evenals elders ook in Zeeland bekend is geweest, al vloeien ook op dit terrein de bronnen schaars en al is ons van opgevoerde spelen uit de veertiende en de vijftiende eeuw er ook niet één bij name bekend gebleven.
Tegen het midden van de vijftiende eeuw gaat het letterkundig leven in Zeeland zich met vaster lijnen aftekenen. Uit Vlaanderen en Brabant dringen ongeveer tegelijkertijd twee stromingen de Noordelijke gewesten binnen: de conste van rhetoriken, die aanhang verwerft onder de handel- en neringdrijvende burgerij, en het Humanisme, dat de geestelijkheid en in 't algemeen de intellectuelen opwekt en aanzet tot wetenschappelijke en letterkundige arbeid. De eerste bedient zich van de volkstaal, goeddeels door Franse woorden verbasterd; de voertaal van het Humanisme echter is het Latijn. Van enig contact tussen deze beide stromingen blijkt, althans in Zeeland en vóór de zeventiende eeuw, niets; elk volgt haar eigen weg en werft haar eigen aanhangers.
De merkwaardige instelling der rederijkerskamers, in het begin der vijftiende eeuw in Vlaanderen onder Franse invloed ontstaan uit kerkelijke of geestelijke broederschappen, heeft zich al vrij spoedig ook over Zeeland verbreid 5. Daargelaten of de Middelburgse kamer inderdaad van 1430 dateert, en dus de oudste uit alle noordelijke gewesten is, vast staat dat tegen het eind van de vijftiende eeuw, als in Holland en de overige gewesten van het Noorden rederijkerskamers nog maar sporadisch voorkomen, in Zeeland gilden gevonden worden in Middelburg, Vere, Goes en Reimerswaal, en bovendien in de toen nog geheel tot Vlaanderen behorende plaatsen Sluis, Hulst, Aksel en Zaamslag. In Goes heeft in of vóór 1481 een landjuweel plaatsgevonden, in Hulst in 1483, in Reimerswaal in 1507, in Dordrecht, de eerste stad buiten Zeeland, waarvan we dit horen, pas in 1552. Duidelijk blijkt uit deze feiten dat de rederijkerij door Zeeland uit het Zuiden naar de Noordelijke gewesten is doorgedrongen.
De invloed van de rederijkers op het maatschappelijke en geestelijke leven, en met name hun aandeel aan de Hervorming, is niet licht te onderschatten 6. Vooral in de zestiende eeuw, het tijdperk van hun bloei, waren zij een factor waarmede kerk en staat beide rekening hadden te houden. In de loop der jaren waren hun macht en hun bezittingen gelijkelijk toegenomen; overal genoten ze de bescherming van de overheid, en aan hoogdagen en ommegangen verleenden ze een luister, die geen ander gilde
in dezelfde mate kon aanbieden. De pracht van hun vertoningen, de humor en de ernst van hun spelen, hun vrijmoedige kritiek op kerk en maatschappij maakten hen gezien bij het volk, bij de magistraat, die hen op het stadhuis, zogoed als bij de burgerij, die hen op het marktplein zag spelen. De rederijkersfeesten vormden een band tussen de gildebroeders van de verstverwijderde plaatsen als geen ander gilde bezat, en maakten hen tot leden van één grote, wijdverbreide nationale organisatie.
Voor de rederijkers was de kunst in vele gevallen, vooral in de zestiende eeuw, middel, geen doel. Hun spelen van sinne hadden dikwijls geen andere strekking dan het volk te onderwijzen en te stichten, en de aandacht te richten op maatschappelijke of kerkelijke misstanden. Uit het volk voortgekomen, spraken zij uit wat er leefde en woelde in de hoofden en de harten. De ontevredenheid over de ongebonden levenswijze van sommige priesters en de grote staat, die de kanunniken voerden, het gemor over de misbruiken, waartoe de aflaathandel aanleiding gaf, verschil van inzicht met de leer der kerk over het leerpunt der goede werken, elke uiting van misnoegen en kritiek kon in hun spel onder woorden worden gebracht. Daarmede werd de grond gelegd voor de strijd, die overheid en rederijkers vooral in het tweede kwart van de zestiende eeuw met felheid zouden voeren, en die, anders dan men verwachten zou, geen einde heeft genomen toen de omstandigheden zich in die mate gewijzigd hadden, dat het eertijds verbodene nu uitsluitend geoorloofd was geworden. Nauwelijks toch was het Calvinisme aan de macht gekomen, of de kerk keerde zich met rigoristische gestrengheid tegen de rederijkers, die in zo belangrijke mate tot haar overwinning hadden bijgedragen, en ook ditmaal vond de kerk de overheid aan haar zijde. Voor deze bestrijding bestond tweeërlei reden. In de eerste plaats toch waren, vooral ten plattelande, de opvoeringen van de rederijkersgilden een welkome aanleiding tot losbandigheid en brooddronkenheid, en in de tweede plaats was het, in 't bijzonder op Zuidbeveland, waar dit verzet dan ook het sterkst was, vooral het Rooms-Katholiek gebleven deel der bevolking, dat zich in deze gilden verenigde en er de voorreformatorische traditie voortzette. Langer dan een eeuw heeft deze strijd geduurd en het einde van deze schermutselingen kwam pas, toen het Calvinisme niet alleen in naam, maar ook in feite onder heel het Zeeuwse volk ingang had gevonden, zodat de rederijkerskamers òf te lichtzinnig werden geacht, òf, zoals op Zuidbeveland, door gebrek aan leden hun natuurlijke dood stierven. Alleen in de steden, waar ze een ander karakter droegen en meer te vergelijken zijn met de achttiende-eeuwse dichtgenootschappen, konden ze hun bestaan langer rekken: de Middelburgse en Vlissingse kamers tot het laatst der zeventiende, de Veerse kamer zelfs tot het eind der achttiende eeuw.
Ook uit Zeeland zijn ons voorbeelden bekend van maatregelen, door de overheid genomen om aan de hervormingsgezinde tendenzen der rederijkers paal en perk te stellen. Op 21 Februari 1535 vermaande de raad van Zieriksee het rederijkersgilde der stad, ‘dat sy niet en (zouden) speelen, dat schandeloos is’ en in het vervolg van hetgeen zij wilden opvoeren aan de burgemeester zouden kennis geven 7. Deze vrij vage mededeling doet vermoeden dat onder de Zierikseese rederijkers hervormingsgezinden waren, alhoewel daarvan verder niets blijkt. Opmerkelijk is dat de opvoering van ‘Den Boom der Schriftueren’ in 1539 door de Middelburgse rederijkers geen aanleiding schijnt te hebben gegeven tot enige verbodsbepaling, alhoewel de geestelijkheid in dit spel fel werd gehekeld en het tien jaar later
op een lijst van verboden boeken werd geplaatst. In 1563 voerden de rederijkers van Kapelle op Zuidbeveland een klucht op, waarin de broek van de Heilige Franciscus een belangrijk aandeel scheen te hebben gehad. De geestelijkheid maakte er werk van, de zaak kwam zelfs voor de Landvoogdes, maar per slot van rekening bleek een en ander op een vergissing te berusten 8.
Van heel wat feller aard was de oppositie van het Calvinisme tegen de rederijkerij. Al in 1581 besloot de particuliere synode van Zeeland om bij de Staten van het gewest aan te dringen op ‘executie van de 26e vraghe der particuliere questien des Dortschen synodi aengaende de rhethoryck-spelen’ 9, in overeenstemming met het kort daarop door de te Middelburg gehouden nationale synode genomen besluit, dat inzake de kamerspelen ‘een ijeghelick aenhouden sal bij syne overheyt, dat onstichtynghe gheweert wordt’ 10. Ook de Haagse nationale synode van 1586 keerde zich tegen de rederijkersspelen, als aanleidingen tot onstichtelijkheid 11.
Nergens is het verzet van overheidswege tegen de rederijkers zo krachtig en aanhoudend geweest als in Zeeland, klaarblijkelijk omdat hier de aandrang van de kerk het grootst was. In een reeks van plakkaten hebben de Staten zich telkens weer tegen de batementspelen gekeerd, in 1583, 1590, 1591, 1621, 1625, 1636, 1639, 1646, 1652 en 1673 12. Dat deze verordeningen telkens weer hernieuwd moesten worden, wijst er op hoezeer de rederijkersgilden op de Zeeuwse eilanden wortel hadden geschoten. Met name geldt dit voor Zuidbeveland, dat dan ook enkele malen afzonderlijk werd aangeschreven. Dat men vooral de Rooms-Katholieke rederijkers, die op dit eiland nog in organisatorisch verband verenigd waren, bedoelde, blijkt wel daaruit dat de gereglementeerde rederijkersgilden in de steden Middelburg, Vlissingen en Vere de bescherming van de overheid genoten 13.
Dat de strijd van de Staten tegen de rederijkers was gericht, en niet tegen het opvoeren van toneelstukken in 't algemeen, blijkt duidelijk uit een besluit, dat zij slechts enkele jaren na de resolutie van 1591 namen. In hun zitting van 5 Augustus 1595 verscheen een tiental Zeeuwse studenten uit Leiden, die hun verzochten ‘hunne actie van exhibitie van zeker tragedie ende comedie’ met hun tegenwoordigheid te vereren. De Staten - er was een zoon van het Statenlid Caspar van Vosbergen onder de spelers - voldeden aan dit verzoek en schonken aan de studenten bovendien nog een gratificatie van £ 25 Vlaams, ‘boven alle oncosten, gedaen in 't erigeren van de stellingen, schilderen, kleederen ende anders-sins’ 14. Ook de Middelburgse kerkeraad had tegen deze opvoering geen bezwaar, wat uit zijn stilzwijgen mag worden opgemaakt 15. Uitdrukkelijk spreekt dit college trouwens steeds van rhetorijkers, niet van het toneelspel op zichzelf, al zullen op een enkele uitzondering na beide wel onafscheidelijk verbonden zijn geweest. In Zeeland, waar de overheid een veel grotere macht in kerkelijke aangelegenheden bezat dan elders 16, treedt de kerk trouwens veel minder fel tegen de rederijkers op dan in de andere gewesten. Dit felle optreden was hier onnodig, omdat de wereldlijke overheid zich hier agressiever betoonde dan bv. in Holland, waar de magistraat der steden meer libertijnsgezind was. Wanneer echter in 1602 de provinciale synode van Zeeland verzoekt ‘alsoo doort placaet van policie de rhetorijck-spelen om ghewichtighe redenen verboden zijn ende diesniettegenstande op velen plaetsen tplacaet dienaengaende niet onderhouden en wordt, dat het den E.E.heeren believe tverbodt van dien te vernieuwen, midtsgaders oock tegen de spelen in de latijnsche ende franssche scholen naerder te verclaeren, alsoo door sulcke onnoodighe ende ontstichtelijcke oeffeningen de jonckheijt haeren tijdt verliest’, wijzen Gedeputeerde Staten dit verzoek van de hand:
‘alsoo hierop bij placate is voorsien, en connen die van den Rade niet voorder daerinne doen’ 17. Sindsdien kwam de rederijkerij niet meer ter sprake vóór 1618, toen men besloot om aan de synode te Dordrecht in bedenking te geven, de Staten-Generaal om een ‘algemeijne ordre’ te verzoeken tegen ‘de batementspelen en diergelijcke onbehoorlycheden’ 18.
Het plakkaat van 9 Juni 1625 19 richt zich klaarblijkelijk meer tegen rondreizende kermistroepen dan tegen rederijkers, maar dat van 15 Juli 1636 20, dat aan de ambachtsheren van Zuidbeveland was gericht, noemt de ‘batement-spelen’ met name. Tien jaar later, op 31 Mei 1646, vaardigden de Staten een nieuwe verordening uit, aangezien hun ter ore was gekomen dat ‘in verscheyden quartieren deser provintie, vele insolentien ende dertelheden gepleecht werden, in rethorijck ende batement-spelen’, die daarom instantelijk verboden werden. Aan de officieren en magistraten, daartoe gekwalificeerd, werd scherp gelast, hieraan ‘sonder eenige ooch-luyckinge ofte dissimulatie’ de hand te houden 21. In 1654 richtte de classis van Zuidbeveland zich tot de Staten, die daarop de ambachtsheren van het eiland nogmaals herinnerden aan de eerder afgekondigde verbodsbepalingen 22. Niettemin moest de predikant van Hoedekenskerke, ds. Michael Eversdijk, op 13 Januari 1673 bij de classis een vertoog indienen over de ‘Confrerien of Landluydengilden’, waarbij zich ook gereformeerden lieten inschrijven. De predikant zette daarin in den brede uiteen dat deze confrerieën ‘van een puiren paepsen gront en aart’ waren, ‘superstitieus en afgodisch’ in haar oefeningen, vergezeld gingen van ‘profaniteit en goddeloosheit’ en geheel verschillend waren van ‘de borgerlike gilden en schutterien in de steden’ 23. Nog geen veertien dagen daarop volgde het plakkaat van de Staten van 24 Januari 1673, dat de rederijkersspelen nogmaals verbood 24, met uitzondering van die der geprivilegeerde kamers in de besloten steden 25. Het is het laatste van deze aard, dat door de Staten werd uitgevaardigd, maar er zijn bewijzen te over dat de gilden op Zuidbeveland er zich weinig of niets van hebben aangetrokken en rustig zijn doorgegaan met hun opvoeringen. In 1696 moesten kerkeraad en classis er in 's-Heer-Arendskerke en Heinkenszand verhinderen 26, en op 7 September 1700 moest de classis het besluit nemen om alle lidmaten te censureren die zich schuldig maakten aan ringsteken, gaaischieten, rethorijkspelen en soortgelijke vermaken. Toen de classis beval dat dit verbod van alle kansels bekend moest worden gemaakt, weigerden vier of vijf kerken, met die van Goes aan het hoofd, daaraan te voldoen, wat tot veel geharrewar aanleiding gaf 27. Op het laatst van 1711 kwam men er achter, dat de rederijkers van 's-Gravenpolder tegen Driekoningen een spel voorbereidden, waar natuurlijk een stokje voor werd gestoken 28. In Mei 1717 beloofde de baljuw van Zeeland Bewesten-Schelde nog eens aan de classis, ‘de Rhetorika op allerlei wijze te verhinderen’ 29. Wat hem daartoe aanleiding gaf is onbekend. Intussen schijnen in het begin van de achttiende eeuw ook de laatstovergebleven kamers op Zuidbeveland verdwenen te zijn, ongetwijfeld tengevolge van de toenemende invloed van het Calvinisme, alhoewel dat op dit eiland er nooit in geslaagd is, de oude Roomse godsdienst te verdrijven.
Vooral de piëtistische predikanten hebben zich in de eerste helft van de zeventiende eeuw krachtdadig verzet tegen deze uiting van het middeleeuwse volksleven, die voor hen in de eerste plaats een overblijfsel was van de ‘Paepse superstitie’, Udemans noemt ‘batementen, camerspelen, ende andere sotte cluyten’ in één adem met ‘oncuysche ende dertele ghebaerden’ en ‘lichtveerdighe dansserijen’, waartegen hij op zeer besliste wijze stelling neemt 30. Eewoud Teelinck noemt ‘stellagie spelen zelve te spelen, ofte
t'aenschouwen’ onder de ‘oneerlijcke ende ongeoorloofde vermakingen’ 31. Ook zijn broer Willem noemt ‘commedien, tragedien, batement-spelen, camer-spelen, lichtveerdighe speelkens, waer in veel onkuyssche, ergerlijcke, vuyle, gebaerden vertoont worden’ onder de ‘aenleydinge tot oncuysheyt’ 32, en had al eerder aan ‘vele genaemde gereformeerde Christenen’ verweten dat ze meewerkten aan de opvoering van batementspelen 33. Zijn zoon Maximiliaen sluit zich bij het oordeel van zijn vader hierover letterlijk aan 34. Ook Adriaen Hoffer keert zich tegen de rederijkers, ‘dewelcke alhoewel sy den naam van Reden-rijck draghen, evenwel nochtans duergaans redeloose, ende onbesnedene menschen sijn, die niet minder in haar leven en betrachten, dan het ghene sy tot stichtinghe voor den volcke schynen te willen voortbrenghen’, waardoor de ware poëzie in verachting wordt gebracht 35. Het is dan ook te begrijpen dat in tegenstelling tot de Walcherse steden in Zieriksee de rederijkerij in de zeventiende eeuw een kwijnend bestaan heeft geleid, al heeft ze er zich tot het laatste kwart van de eeuw weten te handhaven.
De oudste der Zeeuwse rederijkerskamers is het ‘Bloemken Jesse’ van Middelburg 36, en indien we de overlevering mogen geloven, die haar oprichting in 1430 stelt, is deze kamer tegelijk de oudste uit de Noordelijke Nederlanden. Het ligt trouwens voor de hand, deze in Zeeland te zoeken, het overgangsgebied immers tussen de kultuur van Noord en Zuid, de brug tussen de beide helften van de Dietse landen, waarin Noordbrabant met zijn moerassen en heidevelden en zijn gering aantal steden een wig had gedreven. Reeds was Middelburg in het begin der vijftiende eeuw een bloeiende koopstad, waarheen vooral uit Brabant en Vlaanderen vele kooplieden, maar ook vele geestelijken kwamen, en waarschijnlijk is door de laatstgenoemden de Middelburgse kamer in het leven geroepen 37, naar het voorbeeld der Vlaamse en Brabantse rederijkersgilden.
Het oudste document dat de Middelburgse kamer noemt is de ordonnantie, die baljuw, burgemeesters, schepenen en raden der stad haar op 9 Januari 1484 verleenden 38. Uit deze brief blijkt dat de kamer Sinte-Anna tot patrones had, en haar jaarfeest vierde op de Zondag na het naamfeest van deze heilige (26 Juli). Wie tot het gilde wilde toetreden, moest zijn wens daartoe te kennen geven aan de deken en zijn gezworenen. Verzette niemand zich tegen zijn aanneming als gildebroeder, dan werd hij toegelaten tegen een intreegeld van acht groten en één groot voor de cnape. Bij overlijden van de gildebroeder verviel zijn pallore - de gebruikelijke naam voor het feestgewaad - aan het gilde; de gildebroeders waren daarvoor gehouden om de overledene ter aarde te dragen. 's Daags daarop ‘soe sal den deken als dan gehouden wezen eene memorie te doene van een singende misse van requiem van die penningen die onder hem liggen’, die alle gildebroeders moesten bijwonen. Kwamen rederijkers van buiten batementen of wagenspelen opvoeren, dan droegen de gildebroeders gemeenschappelijk de kosten. Tweemaal 's jaars legde de deken rekening en verantwoording af van de gelden, die hij onder zijn beheer had, en wel op de dag van de verkiezing van een deken, en op Sinte-Anna of de dag daarna. Iedere gildebroeder was verplicht zich een pallore te doen maken op eigen kosten, en minstens één in de drie jaar. Deze pallore, waarop het embleem der kamer geborduurd was, mocht niemand ter afdoening van schuld in ontvangst nemen; als officieel gewaad vertegenwoordigde het de goede naam van het gilde. Daarom mocht niemand ook met zijn pallore ‘in stoven
noch in bourdeelen gaen noch in tavaernen tot eenigen dobbelspelen of droncken drijncken noch gheenderhande spel spelen ten ware scaetsen, balslaen of schieten’. Ook mocht men de pallore niet dragen op de plaats ‘daer eenige dootslagen geschien’ (als bv. bij terechtstellingen), en evenmin mocht men het kleed ‘in die lombaerde dragen’. Op al deze overtredingen stond verbeurte van het ambtsgewaad. Het privilege bevat verder enkele strafbepalingen voor leden die de repetities der op te voeren stukken niet bijwoonden of de hun toegewezen rol weigerden te spelen. Priesters en magistraatspersonen, die in het gilde traden, konden dispensatie krijgen van bepaalde voorschriften, bv. van het dragen van de pallore en het deelnemen aan de opvoeringen. Het stadsbestuur koos jaarlijks de deken, de gezworenen en de gildeknaap, ‘gelijck men in andere gilden doet’. Men kan hieruit gevoeglijk opmaken dat het een of ander Vlaams of Brabants rederijkersreglemeht als voorbeeld heeft gediend voor het Middelburgse, maar het is niet aan te wijzen welk.
Deze ordonnantie, die nagenoeg volkomen gelijkluidend is met die van de Reimerswaalse kamer en op dezelfde dag als deze is uitgevaardigd 39, bleef slechts tot 1514 van kracht, toen het stadsbestuur op 17 Maart aan de kamer een nieuw privilege schonk 40. Dit privilege, dat merkwaardigerwijze van het oudere geen gewag maakt, stelde een overdeken en dertien ‘tabbeertdragers’ aan, die in het rood gekleed moesten zijn en elke vier jaar van de stad een nobel ontvingen. De magistraat nam op zich, te zorgen voor het onderhoud van de speelwagen van het gilde, en schonk bovendien maandelijks vijf schellingen tot onderhoud van de kamer, ‘mits condiciën en voirwaerden, soo wanneer dat de stad eenighe victorien maect ofte eenighen triumphe bedrive, zoo zullen deselve van de Rethorike gehouden zijn te spelen, ende der stad eere daarinne te bewaren, 't zy by batementen oft staande spelen’. Bovendien moest de kamer jaarlijks dertien ‘staande spelen’ opvoeren, en voorts op alle Zondagen tijdens de jaarmarkt een uitvoering geven, verder op alle heiligendagen, ‘insgelijks wanneer de scutters opscieten zullen’, op Sint-Joris, Sint-Sebastiaan ‘ende als de cleuveniers horen feeste houden van den zeven weën’. Al deze spelen moesten ‘spelen van genuchte’ zijn. Op Nieuwjaarsdag en Driekoningenavond moesten de rederijkers ‘naar ouder costume’ op het stadhuis een opvoering geven, en tenslotte waren ze gehouden om op Sacramentsdag en de dag van de processie ‘te spelen den ommeganck, ende de processie in ordinancie te helpen stellen ende onderhouden’ 41.
Het privilege bevatte vervolgens de ordonnantiën van het gilde zelf, die gedeeltelijk overeenkomen met de bepalingen van het privilege van 1484. Er blijkt o.a. uit dat het aantal gildebroeders onbeperkt was, en dat elke gildebroeder het in zilver uitgevoerde insigne van de kamer op zijn borst moest dragen, of het in kleuren op zijn rok moest laten borduren.
De Middelburgse rederijkers hebben steeds de bescherming van de magistraat genoten, en gedurende heel het bestaan der kamer, dat zich over een tijdsverloop van twee en een halve eeuw uitstrekt, blijkt nimmer iets van enig ernstig conflict tussen het gilde en de stedelijke regering; integendeel geniet de kamer van haar steeds bescherming en steun. Vóór de overgang van Middelburg naar de Staatse zijde draagt ze geheel en al het karakter van een geestelijk gilde. Ze had de leiding bij de grootse processies, die elk jaar op Sacramentsdag plaatsvonden, en bij alle gelegenheden die daartoe aanleiding gaven, trad ze met haar esbatementen voor de regering en het volk op. De kamer genoot dezelfde voorrechten, maar had ook dezelfde verplichtingen als de overige 22 gilden der stad. Met de drie schuttersgilden, die haar het meest verwant waren, wordt ze herhaaldelijk
in één adem genoemd 42; in tijden van onrust is aan deze vier gilden de bewaking van de poorten opgedragen, en in 1575 worden deze gilden zelfs gerekend met burgemeesteren, schepenen en raden ‘het gansche corpus der stad’ te vertegenwoordigen 43.
Het oudste spoor 44 van de aanwezigheid van een rederijkerskamer in Middelburg dateert uit 1444, wanneer ter gelegenheid van de jaarlijkse processie op H. Kruisdag (26 Juni) de stad aan de Westmonsterkerk £ 3 uitbetaalde wegens verleende hulp, ‘en ook om den boom van Yesse te helpen maken’ 45. Het jaar daarop waren de ‘esbatement-spelers’ van Middelburg in Vere, ‘als men onser vrouwen ommedrouch’ 46. De stadsrekening van 1480 vermeldt dat de loods, staande in ‘damerie’ (de amerij) 47, om de ‘wagenen’ daarin te plaatsen ‘van den Rethorike’ gedekt werd. Colijn, de koster van de Westmonsterkerk, werd van stadswege betaald omdat hij de wagen van Rethorica gestoffeerd en geverfd had, en ook wordt in dezelfde rekening nog gesproken van de toren van de Rethorike, klaarblijkelijk een van de requisieten 48. In 1483 kregen de gezellen van Rethorike, toen ze met enkele leden van de Wet in de Liebaard (de stadsherberg) vergaderd waren, een maaltijd. Toen ze op Driekoningenavond 1493 hun opwachting kwamen maken bij de koning van de stad, die op het stadhuis recipieerde, kregen ze een stoop Rijnwijn. In hetzelfde jaar schonk de stad hun laken, om er een zotsrok met twee kousen van te laten maken, en bovendien kreeg Willem Treurniet, als gouverneur van de kamer, vijf ellen rood en grauw laken ‘om daermede met der stede livreie gekleed te zijn’ 49 en van Rethorica twee poortkannen Rijnwijn, omdat ze een spel van sinne gespeeld hadden 50.
In 1507 waren de Middelburgse rederijkers op het landjuweel te Reimerswaal, waar ze een prijs wonnen, die uit zeven tinnen stopen en tien tinnen kannen bestond. In Februari 1513 speelden ze ‘'t wagenspel’ op het stadhuis. Herhaaldelijk treffen we in de nu volgende jaren in de stadsrekeningen posten aan voor wijn, aan de rederijkers wegens hun opvoeringen geschonken 51. In 1518 trokken ze naar Goes ‘om den prijs te winnen’, en in 1525 werd hun £ 3 betaald voor een reis naar Reimerswaal 52.
Enkele maanden na het Gentse landjuweel van 1539, waar de Middelburgse kamer niet aanwezig was, gaf deze, op de 1ste Augustus van hetzelfde jaar, te Middelburg een opvoering van ‘Den Boom der Schriftueren’ 53. Dit spel, klaarblijkelijk door een van de ‘Sint Annen kinderen’ zelf gedicht, vertoont zo al geen Lutherse, dan toch een Erasmiaanse strekking 54. Medecyn der Sielen, d.i. Christus, en Menschelijcke Leeringhe strijden om het bezit van de non Elck Bysonder, die in het prieel van Suyver Consciencie onder de Boom der Schriftueren ligt te rusten. Aanvankelijk wint Medecyn der Sielen haar gunst, maar Eyghen Wijsheyt en Natuerlijcke Begheerte, de dienaars van Menschelijcke Leeringhe, weten haar door schoonklinkende woorden en beloften over te halen en voeren haar met zich mee als de toekomstige bruid van hun heer. Gheloove, door Medecyn der Sielen tenslotte opgeroepen om een einde te maken aan het rijk van Menschelijcke Leeringhe, redt met ‘het sweerdt van twoort Gods’ Elck Bysonder uit de macht van Menschelijcke Leeringhe en brengt haar terug tot haar ‘eerste lief’.
De strekking van ‘Den Boom der Schriftueren’ en die van de Gentse spelen lopen niet ver uiteen, maar hoeveel scherper is de toon der Middelburgse rederijkers, hoeveel directer hun aanval op de kerk en de geestelijk-
heid. Hoe hatelijk is de voorstelling der priesters, zoals Menschelijcke Leeringhe ze aan Elck Bysonder afschildert:
Scherp bestrijdt de anonyme schrijver van het spel, die we wel onder de Middelburgse rederijkers zelf te zoeken zullen hebben, de leer der goede werken, niet minder scherp ook de aflaathandel, en in geen ander rederijkersspel uit deze tijd treft men een zo felle, onomwonden belediging der geestelijken aan, die hier beurtelings Farizeeën, antichristenen, Bels dienaren, grijpende wolven in schaapskleren en ‘standaertvoerders van Lucifers wempelen’ worden gescholden. Literaire verdiensten bezit het spel niet; het is, als vele andere soortgelijke spelen uit de zestiende eeuw, hier en daar langdradig en veelal niet meer dan berijmd proza, zodat in alle opzichten de inhoud merkwaardiger is dan de vorm. Het feit dat het in de zestiende- en zeventiende-eeuwse uitgaven steeds gevolgd wordt door ‘Een spel van sinnen op tderde, tvierde, ende tvijfde capittel van dwerck der apostolen’ 56, heeft aanleiding gegeven tot de veronderstelling dat dit apostelspel uit dezelfde tijd allereerst, maar bovendien ook uit dezelfde kring afkomstig zou zijn als het Middelburgse spel. Wanneer de spelers zich in de proloog ‘wy scholieren’ noemen, zou men geneigd zijn aan de ‘Missus scholieren’ van Vere te denken. De Brabantse eigenaardigheden van de tekst kunnen op rekening van een Antwerpse drukker worden gesteld, te meer omdat ze niet in het rijm voorkomen. Bewijzen voor een Zeeuwse afkomst van dit spel van sinne zijn er echter niet 57.
Dit apostelspel, terecht gekenschetst als ‘het ketterproces op de planken’ 58, behandelt ‘van woorde te woorde’ de in de drie bedoelde hoofdstukken der Handelingen beschreven geschiedenis: de prediking van Petrus en Paulus, de genezing van de kreupele, hun gevangenneming en verhoor, hun bevrijding uit de gevangenis, opnieuw hun gevangenneming en verhoor, en tenslotte hun moedig doorstane geseling. De apostelen treden hier op als representanten van de ‘Duytsche doctoren’, de nieuwe predikers die de mensen leren dat zij ‘door Christum alleene de salicheyt ontfaen’. Ook uit dit stuk spreekt duidelijk de haat tegen een geestelijkheid, die door haar leven het recht op Evangelieprediking in de ogen van het volk verbeurd had en daarmede de weg had geëffend voor een beweging, die in enkele tientallen jaren tot haar ondergang zou leiden.
De lijst der verboden boeken, in 1550 op bevel der Keizerlijke Majesteit door de universiteit van Leuven opgemaakt, veroordeelde met de Gentse spelen van 1539 ook ‘Den Boom der Schriftueren’ en ‘Een spel van sinnen’ als ketters 59. En indien een zekere overeenkomst tussen het Middelburgse spel en ‘Tspel van de Cristenkercke’ van de Roomse Reinier Pouwelsz het vermoeden wettigt, dat deze Utrechtse rederijker zijn stuk bedoeld heeft als een tegenhanger van ‘Den Boom der Schriftueren’ 60, dan blijkt daaruit dat dit spel van sinne toch meer beroering heeft gewekt
dan de absolute stilzwijgendheid der Middelburgse archieven zou doen vermoeden.
Intussen schijnt de magistraat de kamer naar aanleiding van deze opvoering geen moeilijkheden in de weg te hebben gelegd, en het rederijkersleven ging zijn gewone gang. Op Meidag 1549 kwamen de kamers van ‘Drysen’ (? lees: Sluys?) in Vlaanderen, Goes, Vere en Vlissingen te Middelburg vóór het stadhuis een spel van sinne spelen 61. In 1556 werd £ 2 betaald aan mr. Jan Apart, ‘over dat hij gemaect heeft 25 of 26 speelen sprekende op theijlyghe cruijsce om jaerlicx te dienen ende ghespeelt te worden inden ommeganck deser stadt’. Deze Jan Apart (Appaert, Happaert) zal ongetwijfeld tot het rederijkersgilde hebben behoord, evenals zijn compagnons Joos Maninc en Joos Mahyeu (Mahuij), met wie hij in de stadsrekeningen van deze tijd herhaaldelijk genoemd wordt. In 1550 kregen beide laatstgenoemden 20 schelling ‘over dat zij luijden op den omme-ganckdach tspel vuijtgebrocht hebben noepende tvlieen vande kinderen van Yesarel duer troode meel (sic)’. In 1552 kregen Jan Appaert en Joos Mahuij £ 4 ‘over dat zij luijden met huere consoorten vuijtgebrocht hebben tspel van Faro ofte den vuijtganck vanden kinderen Ysrael vuijten landen van Egipten’, een spel dat ook later nog herhaaldelijk werd opgevoerd, en dus in de smaak schijnt te zijn gevallen 62. Naar alle waarschijnlijkheid is van deze spelen niets bewaard gebleven 63.
In 1559 besloot de raad om aan de kamer 100 gulden te betalen, waarvoor deze zich moest verbinden om aan het einde van de processie ‘te furnieren van schilderie ende van personagien ende sieraed alzulcke vijf tavreelen’ als zij haar ‘in partraituere’ vertoond had. De stad zou dan de stellage doen plaatsen en tegen een redelijke beloning ambachtslieden verschaffen 64. In 1564 besloot de raad om aan de rederijkers 25 Carolusguldens te schenken ‘tot den oncosten, die syluyden doen sullen desen toecommenden ommeganck uit speelen van tmeyespel boeven de costen van der stellayge te stellen’ 65, maar welk dit Meispel geweest is, vernemen we niet. In 1565 voerde het gilde vóór Palmzondag in de vasten het spel van Sint-Jans onthoofding op 66; ook maakte het in hetzelfde jaar een ommegang ‘tot eere vander stadt’ 67. De publicatie op de viering van Ommegangdag en Sacramentsdag, die in 1566 werd uitgevaardigd, legde een sinds lang bestaande gewoonte vast, toen ze voorschreef ‘dat alle de gesellen van der Rethoricke hemzelven zullen vougen om de processie, ambochten ende spelen in ordonnantie te stellen ende voort te doen gaene, op de correctie voorscreven’ 68.
Toen in hetzelfde jaar Middelburg met een aanval van de ontevreden elementen bedreigd werd, die zich onder aanvoering van Pieter Haeck verenigd hadden, vaardigde de overheid op 25 Februari een ordonnantie op de dagwacht uit, waarbij de bewaking der poorten werd opgedragen aan personen, ‘genoemen uuyt het corpus van de drie schutteriën ende Retorica’ 69. Kort daarop werden dezelfde corporaties ook met de nachtwacht belast 70. In de volgende jaren van beroering werd deze opdracht herhaaldelijk vernieuwd 71, Tijdens het beleg van Middelburg gaven deken en beleders van het gilde van hun loyaliteit blijk door de schenking van ‘een zilvere cop’ aan de overheid 72. Dit gebeurde in 1572, maar in de jaren daaraan voorafgaande schijnt de verhouding tussen de kamer en de magistraat niet altijd even ideaal te zijn geweest. Jan Happaert, die zo hij al geen factor van het gilde was, dan toch als de auteur van tal van spelen daarin een vooraanstaande plaats bekleedde, werd in 1567 door burgemeesters en schepenen ‘ter cause van de religie ende oproer’ uitgewezen 73,
en we kunnen ons bezwaarlijk voorstellen dat zijn ketterij enerzijds, zijn verbanning anderzijds respectievelijk op de overheid en op het gilde een goede indruk heeft gemaakt. Houdt hiermee wellicht verband, dat wet en raad op 30 October 1568 besloten om aan de rederijkers bekend te maken dat zij ‘om sekere redenen, hen daertoe porrende ende moverende’, de bijeenkomsten van het gilde voor zes maanden schorsten? 74
In 1569 schreef Adolphus van Lare, in wie we wel een lid van de Middelburgse kamer zullen moeten zien, een kort wagenspel voor het barbiers- (en chirurgijns-) gilde van de stad, dat jaarlijks op de ommegangsdag, drie weken na Pinksteren en elf dagen na Sacramentsdag, door vier van de jongste leden van dit gilde gespeeld zou worden 75. Wetgeleerden, Farizeeën en doctoren spannen samen tegen Christus en besluiten om hem de overspelige vrouw voor te leiden,
Maar wanneer Christus dan in het zand schrijft en tot de omstanders zegt: ‘Die sonder sonde is die worpe den eersten steene’, vluchten allen, en Christus blijft met de vrouw alleen achter. Veel meer dan een parafraserende uitbeelding van het bekende Nieuwtestamentische verhaal is dit spel niet.
Van Lare was, toen hij dit spel in het rekeningenboek van het gilde neerschreef, deken van het Chirurgijnsgilde, waarvan hij in 1573, tijdens het beleg van de stad, beleder was. We weten verder niets van hem, en zijn naam komt onder de ons bekende leden van het rederijkersgilde niet voor. Maar ook al heeft hij daartoe niet behoord, zijn werk vertoont naar vorm en naar inhoud zozeer alle kenmerken van de rederijkerspoëzie, dat het in dit kader vermeld dient te worden 76.
Uit 1573 of kort daarna dateert ‘De legende van den Geusen troubele over Zeelant van den jare 1572 ende l573’, die ons, voorafgegaan door een referein en gevolgd door ‘een liedeken op te benautheyt van Middelborch uit beleggen van de Geusen uit jaer 1573 in Januario stilo curie, op de wyse: Der minnen saet’ in een handschrift bewaard is 77. De schrijver, die zich achter de zinspreuk ‘Niet sonder maer’ verschuilde, was klaarblijkelijk een Middelburgs rederijker. De gebeurtenissen van 1572 en 1573 heeft hij meegemaakt; enkele bijzonderheden over het beleg van Middelburg en de krijgsgebeurtenissen, die daarmede verband hielden, zoekt men in andere geschiedbronnen tevergeefs. Als ijverig Spaansgezinde en Rooms-Katholiek betreurt hij de loop van zaken in 1572, waaronder de overgang van Vlissingen naar de Geuzen hem het meest ter harte gaat. ‘Tfy Vlissingen’ klaagt hij,
en de angst besluipt hem, dat ook Middelburg, ‘dblomken van den lande’
in hun handen zal vallen. ‘Tis te scoonen bloeme voor sulcken guyten’, meent hij, maar wat hij zich aanvankelijk, in zijn angst, als onmogelijk gedacht heeft, wordt weldra een feit. Nadat de opstandelingen heel Zeeland in hun macht hebben gekregen, valt tenslotte ook de hoofdstad in hun handen, nadat de burgerij door een beleg van bijna twee jaar uitgehongerd was.
Deze slotregels van het gedicht, dat ongeveer 500 regels telt en een tamelijk uitvoerige beschrijving van de oorlogsfeiten en de nood der belegerde stad geeft, bewijzen dat de onbekende auteur niet veel meer dan een rijmelaar was. Men zal hem in elk geval niet moeten zoeken onder de rederijkers die na de overgave der stad deel uitmaakten van het gilde, want ongetwijfeld zullen deze allen althans in naam Hervormd en anti-Spaans zijn geweest. Waarschijnlijk zal de gezindheid der gildebroeders het enige zijn geweest, waarin de kamer van na de overgang van Middelburg zich zal hebben onderscheiden van die van vóór 1574; van enige verandering, laat staan van een nieuw reglement, vernemen we althans niets. De kamer zal zich, als overal elders, aan de veranderde omstandigheden hebben aangepast, en de toevoer van nieuwe leden, die we als waarschijnlijk mogen veronderstellen, zal dit proces in de hand hebben gewerkt. De berichten uit de stadsrekeningen van na 1574 over de kamer geven de indruk, dat alles op de oude voet wordt voortgezet. Alleen zou men er uit kunnen opmaken dat het toezicht op de op te voeren stukken strenger was dan vroeger; zo benoemt de raad in 1582 een commissie, waarin o.a. de overdeken van het gilde, mr. Pieter van der Baerse, secretaris van Middelburg, zitting had, om het spel van zinnen door te zien dat de kamer op Tweede Pinksterdag wilde spelen 78.
In 1589 liet de kamer, misschien ter ere van de intocht van Maurits in Middelburg 79, een blazoen maken 80, waarschijnlijk ter vervanging van een ouder, dat verloren gegaan is. Twee jaar later lieten de gildebroeders zichzelf uitschilderen 81; dit schilderij is echter verloren gegaan. Ook werd in 1592 de oudst bewaarde gildepenning geslagen 82. Uit een en ander mag men opmaken dat de kamer tegen het eind der zestiende eeuw een bloeitijd beleefde, waarin zij trouwens de welvaart en de voorspoed van Middelburg in deze jaren weerspiegelde. Overigens deed deze bloei geen dichttalenten ontluiken. Uit het eind der zestiende en het begin der zeventiende eeuw bezitten we enkele volmaakt kunsteloze refereinen, door de timmermansbaas Pieter Joossen, bijgenaamd Altijt Recht Hout 83, toegevoegd aan het door
hem aangelegde gildeboek van het timmermansgilde, waarvan hij in 1594 deken werd; deze refereinen dateren uit 1595 en 1621. Pieter Joossen begon in 1602 bovendien aan een kroniek te werken, die klaarblijkelijk bedoeld was als een vervolg op die van Reygersberch; toen hij in 1626 stierf, had hij de geschiedenis van Middelburg van 1551 tot 1572 er in beschreven. Noch zijn proza, noch zijn poëzie bezit ook maar enige letterkundige waarde 84.
In 1613 begint de Middelburgse kamer zich opeens op landjuwelen te vertonen, waarvan ze zich sinds het rederijkersfeest van Reimerswaal in 1507 als het ware angstvallig verre had gehouden. In Juli verscheen ze op het feest van de Vlaamse rederijkerskamer ‘'t Wit Lavender’ te Amsterdam, waar ze de eerste prijs voor de beantwoording van de vraag verkreeg, en bovendien de enige prijs, die was uitgeloofd voor ‘tbeste liedeken’ 85. Een maand later waren de Middelburgse rederijkers op het landjuweel van de ‘Wijngaertrancxkens’ te Haarlem, waar Hendrik Cannenburgh (zinspreuk: Godt is mijn burcht) de eerste prijs wegdroeg voor het antwoord 86. Met hem dongen nog twee andere leden van het gilde mee naar de prijzen. Toen de Amsterdamse kamer ‘'t Wit Lavender’ in Mei 1624 weer een ‘reden-feest’ organiseerde, sprak het vanzelf dat het ‘ Bloemken Jesse’, na haar succes van 1613, er niet op het appèl zou ontbreken. Cannenburgh, in deze jaren de meest op de voorgrond tredende figuur onder de Middelburgse rederijkers, oogstte er ook ditmaal succes: zijn antwoord op de vraag kreeg de enige uitgeloofde prijs, zijn referein de eerste, en bovendien kreeg Middelburg nog de prijs ‘van 't verst' coment’ 87. Ook aan het landjuweel van de Vlaamse kamer der ‘Wit-Angieren’ te Haarlem in Juni 1629 nam Middelburg deel, ditmaal in gezelschap van Vlissingen en Vere. Op deze wedstrijd, waar de bloem der Hollandse en Zeeuwse rederijkers tezamen was gekomen, kon echter zelfs Cannenburgh geen prijs wegdragen 88.
Toen de ‘Blaeu Acolye’ van Vlissingen op de 1ste Juli 1641 een rederijkersfeest gaf, was Middelburg daar natuurlijk vertegenwoordigd. Als ‘naeste bueren’ werden de gildebroeders er speciaal welkom geheten. Cannenburgh schijnt intussen gestorven te zijn; zijn opvolger als de woordvoerder van het ‘Bloemken Jesse’ was Samuel Bollaert (zinspreuk: Patientie verwint). Deze nieuwe ster aan de rederijkershemel verliet het tournooi met drie prijzen: de eerste voor het kniewerk, de derde voor het lied, en de enige voor ‘'t best pronuncieren’ 89, zodat zijn confraters alle reden hadden om tevreden te zijn. De nieuwe gildepenning, die ze in dit jaar lieten slaan, houdt wellicht met de in Vlissingen behaalde triumfen verband 90.
Ook in haar eigen stad liet de kamer van tijd tot tijd van zich horen. In Juli 1621 richtte ze een vertoog tot de raad, waarin ze mededeling deed van een verzoek, haar door verscheidene liefhebbers en patriotten gedaan, om openbaar een spel op te voeren van ‘de tyrannie der Spanjaarden en hare adherenten, en hoe miraculeuselijk God deze landen van derzelver tyrannie heeft beschermd’. De raad besloot om de compositiën, die van deze vertoning gemaakt waren, door de regerende burgemeesters en de pensionaris der stad te laten overlezen in het bijzijn van enkele predikanten, waarna deze commissie haar een rapport zou uitbrengen 90a. De afloop van deze kwestie is onbekend. Het verzet der Zeeuwse burgerij tegen een eventuele verlenging van het Bestand vond onder de rederijkers klaarblijkelijk een krachtige weerklank.
Drie rederijkers uit dit tijdperk treden meer dan de anderen op de voorgrond. Het zijn Cannenburgh en Willem Wijnants, en enkele tientallen jaren later Samuel Bollaert.
Hendrik (van) Cannenburgh 91 is de meest productieve onder de zeventiende-eeuwse leden van het Middelburgse gilde geweest, waarvan hij in 1616 deken en in 1621 boekhouder was. Zijn publicaties beslaan ongeveer een kwarteeuw (1602 - 1629) en zijn ten dele van politieke aard. Behalve de al eerder genoemde antwoorden in de refereinbundels van de ‘Wijngaertrancxkens’ (1613) en ‘'t Wit Lavender’ (1624) en misschien nog een geuzenlied op de slag van Nieuwpoort 92, dat dan zijn oudste werk zou zijn, gaf hij vier vlugschriften uit, alle met zijn zinspreuk ‘Godt is mijn burcht’ ondertekend.
Het oudste, evenals de andere in dichtmaat gesteld, is een van de talrijke geschriften tegen de Spanjaarden en hun aanhangers, die in deze tijd het licht zagen. In Juni 1602 hadden de Staten van Holland een open brief gezonden aan de inwoners der Zuidelijke Nederlanden, waarin deze opgewekt werden om zich met de Noordelijken te verenigen en de Aartshertogen te verjagen 93. Als reactie daarop verschenen enkele tegenschriften, o.a. de ‘ Domp-hooren der Hollanscher fackel, tot blusschinge des brandt-briefs ende missive die onlancks met de volle mane uut s'Graven haghe gheschoten wierden’ van de Jezuïet Jean David (1545 - 1613) 94. Tegen dit pamflet nu schreef Cannenburgh: ‘Een t'samensprekinge van twee personagien, te weten, Polytick Verstant ende Partialen Sin’ (1602) 95. Partialen Sin verdedigt het standpunt van de ‘Domp-hooren’, Polytick Verstant valt dit libel aan. Wist ik niet beter, zegt de eerste spreker, dan zou ik denken dat je een Geus was, alhoewel je onder ons, Rooms-Katholieken, woont. Cannenburgh moet zich onder het schrijven dus een Zuidnederlandse lezerskring hebben voorgesteld, en men vraagt zich af of een pamflet als dit op de een of andere wijze in Vlaanderen werd binnengesmokkeld en daar onder de bevolking verspreid. Op de dialoog volgen nog enkele liederen, een danklied op de overwinning van de Geuzen ter zee 96, een referein tegen de ‘Domp-hooren’ en de Spanjaarden 97, een danklied dat als ketendicht een kunstwerk van rederijkersvaardigheid is 98 en tenslotte nog een aansporing, aan de infante Isabella in de mond gelegd, aan haar echtgenoot Albertus, om het land te verlaten alvorens Nassau hen met schande verjaagt 99.
Eerst een hele tijd later, in 1618, is een tweede politiek pamflet van Cannenburgh verschenen: ‘Een cleyn vensterken, waer door gekeecken werdt hoe die groote meesters haer tot de poorten der hellen wentelen’ 100. Men moet dit schotschrift, dat na de terechtstelling van Oldenbarnevelt het licht zag en waarvan de titel een zinspeling inhoudt op de zelfmoord van Ledenberg, bezien in het schijnsel van de felle hartstochten, die in dit onheilsjaar de gemoederen bewogen en ontvlamden. De vier ‘liedekens’, op populaire wijzen te zingen, die Cannenburgh aan de dood van de oude raadpensionaris en de veranderingen in de regering heeft gewijd, zijn alleen te verontschuldigen wanneer men weet hoe fel vooral bij de Contra-Remonstranten, waartoe Cannenburgh behoorde, de partijstrijd was ontbrand en hoe geen wapen werd versmaad waar het ging om de bestrijding van degenen, wier politiek men als een gevaar beschouwde voor staat en kerk beide. Zo zijn de voor ons gevoel minderwaardige aanvallen op Oldenbarnevelts karakter en integriteit, waaraan ook deze Middelburgse rederijker zich schuldig maakt, te verklaren, al worden ze daarmee niet verontschuldigd.
Sympathieker, omdat het niet tegen de binnenlandse vijand, maar tegen de Spanjaard is gericht, is het ‘Protest. Ofte scherp dreighement, 't welck den coninck van Spagnen is doende’ (1629) 101, een spotdicht op de koning
van Spanje over het verlies van zijn zilvervloot. De houterige, onbeholpen alexandrijnen staan even ver van poëzie af als het met mythologische termen overladen lied, dat aan dit libel is toegevoegd. Nog in hetzelfde jaar gaf Cannenburgh een ‘Lof-dicht’ 102 uit op de verovering van Wezel en 's-Hertogenbosch, ook nu weer in stroeve alexandrijnen geschreven. Een dichter is in deze rederijker, die zich na 1629 niet meer heeft doen horen, niet verloren gegaan.
Datzelfde geldt voor Willem Wijnants , over wiens levensomstandigheden we al even weinig ingelicht zijn als over die van Cannenburgh. Misschien is hij de Willem Wijnants van Deventer, die glasblazer was en 17 November 1626 gratis poorter werd: gratis omdat de stad op zijn poorterschap prijs stelde 103. Hiervoor pleit dat het oudste werk van deze rederijker uit 1628 dateert. In de later aangelegde lijsten van rederijkers komt zijn naam niet voor, en evenmin vinden we die in de bundels der landjuwelen, waaraan de Middelburgse kamer haar medewerking heeft verleend, maar in de, alleen met zijn zinspreuk ‘Die wel doet wel vint’ ondertekende ‘Treur-klachte’ (1628) 104 wijst een vermelding van ‘Iesses Spruyt’ en het noemen van de zinspreuk der kamer onmiskenbaar op Wijnants' gilde-broederschap. In deze op een blad in plano gedrukte klacht over de bedroefde staat van het lieve vaderland leren we Wijnants kennen als een goed patriot en een even vurig Gomarist als Cannenburgh en waarschijnlijk wel het overgrote deel der Middelburgse rederijkers geweest is. Heftig valt ook hij, tien jaar na de dood van Oldenbarnevelt en de veroordeling van Arminius' leerstellingen, de Arminianen aan, en werpt hun de rampen en onheilen, die het land bedreigen, verwijtend voor de voeten.
De ‘Spaensche tryumphe’ (1629) 105, die Wijnants een jaar later uitgaf, bezingt de inneming van Wezel en 's-Hertogenbosch, waarvoor de Zeeuwse rederijkers een opmerkelijke belangstelling aan de dag hebben gelegd. Het mist de heftige toon van de ‘Treur-klachte’ en bezit zomin als dit lied ook maar enige letterkundige waarde.
Tot een jongere generatie behoort de rederijker Samuel Bollaert 106. Waarschijnlijk is hij een zoon van de uit Antwerpen afkomstige Titus Bollaert, die in Juli 1612 te Middelburg met Janneken Soetemans in het huwelijk trad. Overigens is ons niets over Samuels leven bekend. Er bestaat een hs. van hem, dat klaarblijkelijk de kopij bevat van een door hem geschreven verzameling liederen, die hij in druk wilde geven onder de titel ‘In minnen groiende, dat is de gedurige liefde onses Heilants ende Salich-makers Jesu Christii, in rijm gestelt door Samuel Bollaert, beminner vande rijmconst’ 107. Bollaert droeg dit onuitgegeven werk, waarvoor de Enkhuizer burgemeester-dichter Claes Jacobsz. Wits (1599 - 1669), de dichter van de populaire ‘ Stichtelijke bedenkingen’ (1639), een lofdicht schreef, aan het gilde op, waarvan hij deel uitmaakte. De inhoud is in hoofdzaak van stichtelijk-theologische aard, maar naast een uitvoerige berijming van de ‘Schriftmatige bekentenisse der 12 artikelen des waren Christelicken geloofs’ en van het Onze Vader vindt men er ook een minnelied als ‘Minne traentiens’, de klacht van een verstoten minnaar die voor zijn liefjes venster zijn leed uitzingt:
Een groot aantal gedichten van Bollaert is ook opgenomen in de bundel, waarin de antwoorden op de vragen, tussen de jaren 1650 en 1662 uitgeschreven, verzameld zijn, en die waarschijnlijk eveneens een autograaf van hem is 109. Er blijkt uit, dat hij in 1650 en 1651 factor der kamer was. In het eerstgenoemde jaar
maar dank zij het initiatief van enkele leden, in de eerste plaats waarschijnlijk van Bollaert zelf, had een opleving plaats, en in de volgende jaren werden geregeld vragen ter beantwoording door de leden uitgeschreven 111. Tot deze behoorden o.a. de schoolmeester Johannes de Swaef 112, de notaris Cornelis Quirijnsen Boy 113(zinspreuk: Betraght het noodighste) en verder een aantal personen, over wier burgerlijke staat ons geen gegevens ten dienste staan. Geen van hen laat in zijn werk een eigen geluid horen en in heel deze bundel is geen enkel vers, dat om de een of andere reden onze aandacht verdient. Middelburg telt in deze tijd geen dichters onder zijn inwoners, en zo de stad ze al bezeten had, zouden ze toch buiten het rederijkersleven zijn gebleven, als Cats en De Brune in het onmiddellijk hieraan voorafgaande tijdperk.
Voor zover bekend verscheen van de hand van Bollaert slechts één enkel afzonderlijk geschrift, ‘ Munsters kleuter-spaen’ (1647) 114, een schimpdicht op de zwakheid van Spanje, geschreven in het jaar voordat de vrede gesloten werd. Er blijkt uit, hoezeer Bollaert eensgezind was met de overgrote meerderheid van het Zeeuwse volk, dat van geen vrede met het Roomse Spanje wilde weten en de spot dreef met het ‘kleuter-spaen’, waarmee het zieke en kwijnende Rooms-Spaanse kind te Munster werd gepaaid.
Op 17 September 1667 werd mr. Jacobus Peckius, door de magistraat tot opperprins gekozen, als zodanig geïnstalleerd, bij welke gelegenheid hem een zilveren erepenning werd aangeboden. Onder zijn protectoraat beleefde de kamer nog enkele jaren van voorspoed en bloei. In 1669 liet zij de ‘Verkrachte Belgica’ van haar prins Arent Roggeveen verschijnen. Behalve deze vooraanstaande figuur behoorden in deze tijd nog enkele personen van enige betekenis tot het gilde, als Jacobus Willemsen (1644 - 1712) 115, die een voornaam koopman was, en de boekdrukker Pieter van Goetthem. Hun namen zijn het bewijs, dat de Middelburgse kamer tot het laatst toe representatief mag worden geacht voor de zelfbewuste burgerij.
Met de kamer van Vere was het ‘Bloemken Jesse’ op 31 December 1672 de gast van de Vlissingse rederijkers, die een feest gaven ‘en petit comité’. Van de vier uitgeloofde prijzen vielen er niet minder dan drie aan Middelburg ten deel. Ook in dit opzicht toonde de stad haar superioriteit tegenover de Walcherse zustersteden 116.
De 1ste Februari 1676 verbood de overheid aan de rederijkers, ooit nog enige comediën of dergelijke spelen in het publiek te vertonen. De aanleiding tot dit verbod kennen we niet; de notulen van de Raad laten deze in het duister en ook van elders is er ons niets van bekend. Maar dat de magistraat hun niet blijvend ongezind was, blijkt daaruit dat al op 22 April van hetzelfde jaar hun het oprichten en houden van een loterij werd toegestaan. Even later trad de kamer zelfs weer naar buiten op, al was het dan niet op Zeeuws grondgebied, nl. op het Pinksterfeest van de ‘Koornairen’ te Katwijk-aan-de-Rijn, waaraan ze als enige Zeeuwse deelnam. De vraag, een ongewilde demonstratie van het lage peil, waartoe de rederijkerij in deze tijd was gedaald, luidde: ‘Wie sprack die noyt geen spraeck nog sonden had bedreven, En nogtans in der daet geleyd een beest'lijck leven?’, en alle kamers antwoordden in de trant van het Middelburgse antwoord: ‘Sprak d'es'lin, die noeyt sprak, leeffd' beestlijk sonder sonden’. Met drie van de uitgeloofde prijzen keerden de Middelburgers huiswaarts: de tweede prijs voor het lied, die voor het zingen en tenslotte die ‘van het veerste kome’ vielen hun ten deel. Met ‘een danckbaer hart’ zong het ‘Bloemken Jesse’ bij haar vertrek uit Katwijk dan ook een afscheidslied. Minder dankbaar en allerminst voldaan is de lezer van al de erbarmelijke rijmelarij, die ook bij monde van de Middelburgse kamer op dit landjuweel ten beste werd gegeven 117.
Nog eenmaal zou ze in ruimer kring van zich doen horen. Op de eerste dag van het jaar 1680 schreef ze een wedstrijd uit alleen voor haar eigen leden. De ‘Redenrijcke Maagt’, naar haar gewoonte ‘ten top van Helicon geseten’, stelde aan hen een viertal vragen: l. ‘Waerom most Adam slapen? Wanneer dat Eva hem ter vrouwe wierd geschapen?’ 2. ‘Waerom dat haer leeme hut en romp, Niet is gebouwt uyt slijck, of uyt een aerde klomp?’ 3. ‘Waerom uyt midden-lijff, en niet uyt andere leden?’ en 4. ‘En uyt een ribb' alleen?’. De antwoorden op deze onnozele theologische vragen zijn bijeengebracht in het bundeltje: ‘Nieuw-jaers-gift aen Mittels Reden-hof’ (1680) 118. Op 4 Maart sprak de jury er haar oordeel over uit. Jacobus Willemsz kreeg de eerste en de vierde prijs, J. Halibertus de tweede, Remigius Schryver de derde, J. Wymers de hoogste trant, en Arent Roggeveen de tweede. Het is uitermate moeilijk om in deze laatste publicatie van de Middelburgse rederijkers ook maar iets te waarderen - of het moest zijn de scherpzinnigheid van de jury, die in al deze rijmelarij nog graden van meer en minder voortreffelijkheid wist te ontdekken.
Beter dan met hun artistieke bekwaamheden was het met de maatschappelijke positie van de leden gesteld, die aan deze wedstrijd deelnamen. Jean David Macquet en Willemsz behoorden tot voorname koopmansgeslachten, mr. Daniel Vincentius 119 was een jong advocaat, Pieter Dathenus 120, in 1680 klaarblijkelijk nog heel jong, zou in de achttiende eeuw drukker van de Staten worden. Remigius was boekdrukker en bovendien organist en klokkenist, Roggeveen landmeter, Roelant Adolfs koperslager. Zij vormen weliswaar niet de aristocratie van de stad, maar vertegenwoordigen toch de kern van de burgerij.
De dagen van het Middelburgse rederijkersgilde waren intussen geteld; het had ook hier zichzelf overleefd. Wat de directe aanleiding tot opheffing van het gilde is geweest, bleef onbekend; misschien heeft de minder gezonde financiële staat van de kas daarin een belangrijk aandeel gehad 121, mogelijk ook is gaandeweg de overtuiging doorgebroken, dat het instituut als zodanig verouderd en uit de tijd was geraakt. Hoe dit zij, op 19 Februari 1681 werd de rhetoriekamer publiek verkocht. Het gebouw werd als herberg ingericht, wat het bleef tot het in 1816 werd afgebroken 122.
De belangrijkste figuur onder de Middelburgse rederijkers uit de tweede helft van de zeventiende eeuw is ongetwijfeld Arent Roggeveen (†1679) 123. Geboortig uit Delfshaven, vestigde hij zich later te Middelburg, waar hij 22 April 1658 gratis poorter werd: een bewijs dat de stad zijn overkomst op prijs stelde. Als zijn beroep gaf hij bij die gelegenheid landmeter op, maar bovendien treffen we hem later aan als schoolmeester, als ‘gouseerder’ (gaugier) of roeier van wijnen en sterke dranken, als leverancier van vuurwerk en, last not least, als de maker van een ‘vliegent casteel’, dat hij in 1673 voor rekening van de drie Walcherse steden leverde en dat de vijand moest beletten, aan het strand te landen 124. Deze veelzijdige man was bovendien nog lid van het ‘Bloemken Jesse’; in 1667 en '68 was hij boekhouder, en het volgende jaar zelfs prins van de kamer. We ontmoetten hem al op het Vlissingse rederijkersfeest van 1672 125.
Roggeveens belangstelling schijnt vooral naar de zeevaart- en de sterrenkunde te zijn uitgegaan, waarin hij ook of vooral onderwijs heeft gegeven. Een bewijs van zijn astronomische belangstelling is het pamflet ‘Het nieuwe droevige nacht-licht, ontsteken door Godts toren’ (1665) 126, waarin hij de loop beschreef van de komeet, die zich in de winter van 1664 op '65 aan de hemel vertoonde, en waarin hij een teken zag van Gods verbolgenheid over de zonden der mensheid. Heel wat belangrijker is het grote kaartenboek van West-Indië, dat hij tien jaar later uitgaf onder de titel: ‘Het eerste deel van het brandende veen’ (1675) 127. Het bevat een dertig, bijna alleen door hemzelf ontworpen kaarten en een groot aantal houtsneden van de kusten en forten van onze West, en behoort tot de prachtuitgaven op kartografisch gebied uit onze ook in dit opzicht zo rijke zeventiende eeuw. Belangrijk is ook de ‘Voorlooper op 't octroy van de Staten Generael’ 128, die het jaar daarop verscheen. In dit geschrift zette Roggeveen de plannen uiteen voor een ontdekkingstocht naar de Zuidzee, waarin naar zijn mening het nog onontdekte Zuidland zou liggen. Na veel moeilijkheden en de tegenstand van de W.I.C. overwonnen te hebben, kreeg hij eindelijk het verlangde octrooi, maar de gebeurtenissen van 1672 en de volgende jaren hadden inmiddels kapitaalkrachtige belangstellenden van deelneming aan Roggeveens plannen afgeschrikt. Zo stierf de man voordat hij zijn idealen in vervulling had zien gaan. Zijn zoon Jacob zou ze een halve eeuw nadien weer opnemen.
Als rederijker-letterkundige schreef Roggeveen in het gedenkwaardige jaar 1666 twee gelegenheidsgedichten, * ‘Het Staten lof en der zee-helden bazuyn’ 129, op de vierdaagse zeeslag, en de * ‘Zeeuwsche Mercurius en kransdragers met gedichten uitgebeeld’ 130, op de slag in de Noordzee van 4 Augustus, die minder gelukkig voor De Ruyter uitviel. Bovendien bewerkte hij drie jaar later onder de titel ‘De verkrachte Belgica’ (1669) 131 een historisch treurspel van Samuel Bollaert, dat zoals hij in een korte inleiding meedeelt verscheidene malen ‘op 't edel Reden-hof binnen Middelburgh’ was opgevoerd. Van de zeven duizend regels, die het originele spel inhield, bleven er onder Roggeveens handen maar duizend over; de rest werkte hij om, en bovendien voegde hij aan het oorspronkelijke spel, dat eindigde met de terechtstelling van Egmont en Hoorne, een tweede toe, dat de geschiedenis van de Opstand voortzette tot de dood van Prins Willem. In het eerste deel treden zestig spelers op, in het tweede maar vijftig. Het succes, dat het klaarblijkelijk bij de Middelburgse toneelliefhebbers genoot, zal voor een niet gering deel te danken zijn aan wat men te zien kreeg, want de tekst werd afgewisseld door een groot aantal ‘vertooninghen’, die het middeleeuws karakter van dit rederijkersspel nog
eens accentueren. Zo zag men er ‘Belgica in heerelijcken glans verciert, met alderhande geschencken soo van Mooren als Africanen en Americanen’, waarbij de ‘Nederlantsche Vryheyt’ een monoloog hield, verder Filips II met zijn vrouw, omgeven door de Rijksadel ‘met jufferen en damen in ordre, op sulcke wijse of sy een balet dansten’, wat met trompetgeschal en zelfs met ‘los-branden van canon’ begeleid werd. In een andere pantomime zag men ‘veel menschen aen galgen hangen en aen staecken staen en branden, andere onthooft, andere vrouwen en kinderen onder de voeten van de wreede Spanjaers met de degen op de borst’, waarbij de ‘Nederlantsche Vryheyt’, alhoewel ‘leggende gedruckt onder de moordenaers’, toch nog kracht genoeg had om een vierregelig vers te declameren. Op soortgelijke wijze werden de Beeldenstorm en de onthoofding van Egmont en Hoorne voorgesteld. Daar deze vertoningen uitsluitend in het eerste gedeelte en de eerste akte van het tweede voorkomen, zal Roggeveen ze wel van Bollaert overgenomen hebben.
Het spel kan ons moeilijk een hoge indruk geven van Roggeveens letterkundige betekenis. Maar ook hier luidt het oordeel van het nageslacht anders dan dat van de tijdgenoot, want mr. Jacobus Peckius, opperprins van de kamer, Jan Pietersen Slingertrecht, Roelant Adolfs en Jacobus Willemsen vergeleken in hun lofdichten ‘den soet-vloeyende poëet’ met Homerus, Virgilius en Horatius. Deze overschatting van een rijmelaar, die zelfs beneden het middelmatige is gebleven, is symptomatisch voor het gehele instituut der rederijkerij in zijn nadagen. Men moet het verschijnsel in de eerste plaats wel beschouwen als een uiting van verhoogd zelfbewustzijn, dat de burgerij van een stad als Middelburg in de Gouden Eeuw wel eigen móest zijn. Het succes in de handel zocht een component op geestelijk gebied; de rijkgeworden koopman wilde ook op een terrein, waarop hij volkomen onbevoegd was, uitblinken, hetzij door de maecenas uit te hangen, hetzij - en nog liever - door zelf daadwerkelijk literatuur te bedrijven. Tot op onze dagen heeft men overeenkomstige verschijnselen kunnen waarnemen. Wanneer ze al niet de onmiddellijke aanleiding tot de dood van de rederijkerij zijn geweest, hebben ze het afstervingsproces in elk geval verhaast.
Uit kultuurhistorisch oogpunt beschouwd verdient Pieter van Goetthem 132 onze aandacht, omdat het aanstonds te noemen door hem uitgegeven bundeltje Franse poëzie een der symptomen is van de in deze tijd toenemende verfransing van onze kultuur. De Van Goetthems komen al op het laatst van de zestiende eeuw in Middelburg voor, maar desniettegenstaande was deze Pieter te Leiden geboren. Hij vestigde zich, waarschijnlijk pas na 1650, als boekbinder en uitgever te Middelburg, waar hij in 1662 poorter werd. Van dat jaar tot 1679 was hij stads- en statendrukker. Hij woonde in de Giststraat ‘in den Leydsen boeck-binder’, waar in 1661 de ‘Af-beeldinge van de verkeerde werelt’ van de Veerse rederijker Cornelis Udemans verscheen, en in 1669 de ‘ Verkrachte Belgica’. In 1668 werd hij beboet wegens het drukken en uitgeven van een verboden geschrift 133. In 1678 was Van Goetthem kapitein-majoor van de Middelburgse burgerwacht.
In 1657 is bij hem een bundeltje Franse verzen uitgegeven, ‘La lyre d'Apollon’ 134, waarvan hij zelf waarschijnlijk de dichter was. Voor deze veronderstelling pleit ten eerste dat hij rederijker was, en ten tweede dat de verzameling geen enkele aanwijzing over de auteur bevat behalve dat deze zich op het titelblad ‘un Zelandois’ noemt en ‘amateur d'icelles’ (t.w. van gedichten), twee bepalingen die beide op Van Goetthem kunnen
slaan. De bijna zevenhonderd gedichtjes, die het bundeltje bevat, die voor het overgrote deel maar heel kort zijn, handelen ten dele over erotische, ten dele over andere onderwerpen van de meest uiteenlopende aard. Zowel de stad Parijs als de vier jaargetijden, de Prins van Oranje als de tekens van de dierenriem inspireren de dichter tot een vers, maar dit hebben alle gemeen, dat ze niet de geringste letterkundige waarde bezitten. Een aantal ‘estrenes diverses’ bevatten vooral korte minnedichtjes of epigrammen op doorgaans alleen met hun voornamen of initialen aangeduide personen, vooral vrouwen. Hun inhoud is, zoals van vele andere gedichtjes uit het bundeltje, niet zelden vrij plat. Het enige wat in zijn voordeel kan worden aangevoerd is zijn liefde voor Zeeland, die in drie stukjes tot uiting komt: een gedichtje op de schapenrijkdom van het gewest, op zijn rijke natuur en een ‘Mot de Zelande’:
Er zijn betere regels in het boekje te vinden dan deze, maar ze zijn uiterst schaars.
Indien het overgeleverde stichtingsjaar van de Middelburgse kamer (1430) juist is, werd de Vlissingse rederijkerskamer van de ‘Blaeu Acolye’ 136, onder de zinspreuk ‘De gheest ondersoecket al’, precies een eeuw later opgericht. Deze oprichting schijnt het werk te zijn geweest van Adolf van Bourgondië, heer van Vere en Vlissingen, die in hetzelfde jaar 1530 de beide kamers van Vere verenigd had. Dat het niet toevallig is dat de Vlissingse kamer dezelfde naam aannam als die, welke de ‘Sint Anna's Kinderen’ van Vere tot dusverre hadden gevoerd 137, blijkt uit de woorden waarmee Rhetorica meer dan een eeuw later, op het Vlissingse landjuweel van 1641, de stichting van de kamer herdenkt:
De brand van het Vlissingse stadhuis in 1809 heeft zowel het archief van de kamer als de stadsrekeningen verloren doen gaan, zodat we voor onze kennis van het rederijkersleven van Vlissingen uitsluitend op gedrukte bronnen zijn aangewezen, in de eerste plaats op het werk, door de kamer zelf of door haar leden gedrukt. De veronderstelling ligt voor de hand dat het reglement van de kamer gelijkluidend is geweest met de gildebrief, die Adolf van Bourgondië op 3 Juni 1530 aan de verenigde Veerse rederijkers schonk. Het gilde had op het stadhuis de beschikking over een groot vertrek, dat ingericht was als vergaderlokaal 139.
Vlissingen was de enige kamer uit de Noordelijke Nederlanden, die in 1562 tegenwoordig was op het ‘Prinsfeeste’, dat de Brusselse kamer de ‘Corenbloeme’ op 26 Juli van dat jaar had georganiseerd. Op de vraag ‘Wat dat de landen can houden in rusten?’ antwoordde de kamer bij monde van een harer leden, dezelfde rederijker die een lied van acht coupletten componeerde, dat dezelfde indruk wilde maken ‘als David
speelde op sijner herpen, verdrijvende Sauls boosen woet’, maar dat niet meer dan een gebrekkig minnelied is, waarvan de stof aan het Hooglied werd ontleend 140. Onder de zeventig antwoorden, waaronder er waren van Willem van Haecht, Jan Fruytiers, Peter Heyns en andere rederijkers van naam, valt dat van de Vlissingse kamer geheel in het niet; geen der zes uitgeloofde prijzen werd haar dan ook toegewezen.
Een merkwaardige figuur in het Vlissinger rederijkersleven van de zestiende eeuw is Jeronimus van der Voort 141. In het begin der eeuw, wellicht te Lier, geboren, was hij in deze stad in de zestiger jaren factor van de kamer ‘ Den groeyenden boom’, waarvoor hij een spel van sinne schreef, dat in 1561 op het landjuweel te Antwerpen de tweede prijs behaalde 142. Ook op het feest van de Brusselse ‘Corenbloem’, in 1562, werd een spel van hem opgevoerd. Van der Voort, die behalve dichter ook kunstschilder was, werd echter in 1568 gevangen genomen als overtuigd aanhanger van de nieuwe leer, terwijl zijn goederen geconfiskeerd werden. Het gelukte hem te ontsnappen en uit te wijken naar de Noordelijke Nederlanden, waar hij dienst nam in het leger van de Prins. Na de pacificatie van Gent vestigde hij zich te Antwerpen als schilder; bovendien werd hij er factor van de in verval geraakte kamer ‘De Goudbloeme’. In 1585 week hij uit naar Vlissingen, waar hij factor werd van de ‘Blaeu Acolye’. Later woonde hij nog in Den Briel. Nadere levensbijzonderheden zijn, evenals zijn geboorte- en sterfjaar, onbekend.
Van Van der Voort zijn drie, waarschijnlijk vier werken bekend, waarvan er twee of drie al van vóór zijn Vlissingse tijd dateren. In 1577 schreef hij ‘Een schoon profijtelick boeck, ghenaemt den benauden, veriaechden, vervolchden Christen’ 143. Dit rijmwerk, niet veel meer dan een verzameling aan elkaar geregen berijmde Bijbelteksten, is de klacht van een man die om des geloofs wille geleden heeft, huis, hof, goed en vrijheid heeft moeten verlaten, die zijn erfdeel in het bezit ziet van zijn vervolgers en vijanden, en nu in een vreemde streek in harde arbeid zijn levensonderhoud moet zoeken. In deze nood troost hem het woord van de Heiland:
Toen Van der Voort dit werk schreef, was hij vermoedelijk nog in ballingschap. Kort daarop vestigde hij zich te Antwerpen, en waarschijnlijk heeft hij tijdens zijn verblijf aldaar, en als factor van ‘De Goudbloeme’, het vroeger wel aan Willem van Haecht toegeschreven spel van de ‘Bekeeringhe van Sinte Paulus’ geschreven 145, dat in een Zuid- en een Noordnederlandse versie is overgeleverd.
In Antwerpen gaf Van der Voort een tweede werkje uit: ‘Het heerlick bewijs, van des menschen ellende’ (1582) 146, dat een uitvoerige en soms realistische schildering geeft van de vele rampen en ongelukken, die elk mens ten deel vallen. Gelijk de schaduw nimmer van hem wijkt, zo volgt hem de Dood, waar hij gaat of staat. In pijnen en zorgen volbrengt hij hier op aarde zijn levensdagen, en wijs is, wie de zin van het leven verstaat: ‘Gheen dinck nutter, dan sijn selven leeren kinnen’.
Van der Voort deelde zijn werk in tweeën, en laat, om de tegenstelling te scherper te doen uitkomen, aan de beschrijving van 's mensen ellende
die van ‘de ghelucksaemheyt der dieren’ voorafgaan. Hij spreekt van de grote kennis der natuur bij de dieren, die zichzelf van allerlei kwalen weten te genezen, van hun zorg voor de jongen, hun slimheid, hun instincten, hun rechtsgevoel, en herinnert aan de pelikaan, die zijn jongen zuivert van vergiftige beten met zijn bloed, de zwaluw die de mens metselen, de spin die hem weven, de mieren die hem wijsheid leert. Met Plinius, Plutarchus, Polydorus, Heropilus, Democrites en Alianus als bronnen tekent hij het dier, zoals de humanistische Middeleeuwen het door de ogen der Ouden had leren zien: een leermeester en een navolgenswaardig voorbeeld voor de mens.
In schrille tegenstelling met deze gelukkige staat, waarin de dieren verkeren, staat het leven van de mens, dat van de wieg tot het graf één lange lijdensweg is. Al de kwellingen die hem op deze tocht vergezellen, worden beschreven, vervolgens de zorgen en rampen die aan elke stand eigen zijn, aan de akkerman en de koopman, de vorst, de hoveling, de krijgsman, de geestelijke, de magistraatspersoon, en dan de ‘miseriën’ van het huwelijk, van ziekte, honger en venijn, van de geest, van de ouderdom. Maar tenslotte doet Van der Voort ook blijdere en vreugdevoller klanken horen als hij ‘Smenschen exellentheyt’, zo naar de geest als het lichaam, ‘Smenschen eere der consten’ en ‘Des gheests mogentheyt’ beschrijft.
In de inleidende refereinen, die de inhoud van het boek aangeven, verontschuldigt de dichter zich, dat hij niet de Heilige Schrift, maar de ‘Philosophen’ gevolgd heeft; geeft God hem echter tijd van leven, dan zal hij later op Bijbelse gronden nog eenmaal aantonen ‘hoe ellendich hier is des menschen habitatie’ 147.
Deze belofte loste hij in Vlissingen in met een onder de enigszins vreemde titel ‘Het leven en sterven ben ick genaemt’ (1597?) 148 verschenen rijmwerk, waarin hij, naar middeleeuwse trant, in de vorm van een visioen zijn gedachten en overdenkingen meedeelde.
Op een wandeling langs de zeedijk buiten Vlissingen zint hij over de ijdelheid van het menselijk leven. De zee, met haar eeuwige eb en vloed, blijft hoe ook opgezweept door de stormen, steeds dezelfde, maar de mens wordt geboren in weedom en scheidt met pijn. Aldus in gepeinzen verzonken bevindt hij zich plotseling voor een woud, waar hij intreedt en terstond een zwarte vrouw aan zijn zijde vindt, die hem uitnodigt in haar paleis te komen. Het is moeder Aarde, uit wie alle stervelingen geboren worden en die al haar kinderen na hun dood weer tot zich neemt. Maar een jonge nimf, symbool der blijde jeugd, neemt hem bij de hand en leidt hem voort, over bergen en valeien, naar haar zusters die aan de rand van de Helicon zitten en de stervelingen tot vreugde opwekken. Te zeer heeft hem echter de gedachte aan 's levens broosheid aangegrepen, dan dat hij in haar gezelschap behagen kan scheppen; hij neemt afscheid en zet zich, ver van haar, op een duintop neer. Daar komen tot de in gedachten verzonken dichter de drie schikgodinnen, en haar aanblik doet hem verder peinzen over het raadsel van leven en dood, de ellende van het bestaan, de vergankelijkheid van alles wat de mens op aarde bezit, het zorgvolle leven van de groten der aarde, de ontoereikendheid van alle kunsten en wetenschappen. En de enige troost in deze ellende is de dood, die ons leidt tot een hoger en gelukzaliger leven, de dood die de veilige haven is tegen 's leven woeste stormen. De hemel is ons vaderland, het aardse leven slechts een ballingschap, en wie dit verstaat moet de dood niet vrezen, maar liefhebben, wetende dat hij een einde maakt aan zijn lijden:
De zon gaat schuil en de maan komt op, maar als de dichter opstaat om huiswaarts te keren, komt Mercurius tot hem, en toont hem in een gezicht, hoe de zielen der afgestorvenen in de Lethestroom al de ellende van hun aardse bestaan vergeten. Hij vermaant hem, ook indachtig te zijn aan de dood die eeuwig zal duren, en dit brengt de wandelaar tot nieuwe en andere overpeinzingen. De mens moet wedergeboren worden, wil hij de hemelse zaligheid beërven, maar waar vindt men er die zo zijn? De boeren zijn er op uit om hun koren te oogsten en akkers te kopen, niet om Christus te zoeken, en niet alleen aan de hoven der koningen is de zonde tot een tweede natuur geworden: overal is de mensheid verdorven. In een droomgezicht aanschouwt hij de hel, met zijn Danteske verschrikkingen 149a, en als hij ontwaakt is, keert hij naar de stad terug, vervuld van alles wat hij gezien heeft, en overpeinzend hoe de zondige mens deze straf zal mogen ontgaan.
Voor de kennis van Van der Voorts denkbeelden en gedachteleven 150 is dit laatste geschrift, het werk van zijn ouderdom 151, het belangrijkst. Al is hier, in tegenstelling met zijn voorafgaande gedicht, de Heilige Schrift de hoofdbron voor zijn filosofische overpeinzingen, naast deze neemt ook Seneca een belangrijke plaats in zijn gedachten in 152, en de denkbeelden die hij er ontwikkelt zijn ook hier meermalen aan de Antieken ontleend. In Van der Voort leeft iets van de Stoïcijn, die leven en dood beide aanvaardt als onvermijdelijk. Wanneer we de dood vrezen, is dat omdat we niet begrijpen wat zijn bedoeling is; weten we dit, dan is alle reden tot vrees vervallen. Anders dan bij de Middeleeuwers heeft voor hem de onrust van het zieleleven groter betekenis dan de broosheid van het lichaam. Wat is het leven? Van der Voort kon het, na zoveel lotgevallen, niet anders zien dan zijn tijd- en lotgenoten het zagen: een bron van eeuwige onrust,
Met Tauler ziet hij de mens, uit het niet geschapen, steeds weer terugverlangen naar zijn oorsprong, d.i. de zonde, de moeder van de dood 154. Maar hoe geheel anders weer dan bij de Middeleeuwers is zijn beschouwing van de dood, die hem niet vreesaanjagend en verschrikkelijk, maar integen-
deel liefelijk voorkomt: Gods knecht, die de moede wandelaar aan het eind van zijn reis de schoenen ontbindt:
Als Calvinist tenslotte is Van der Voort geheel een van geest met de Zeeuwse dichters, die enkele tientallen jaren na hem zullen optreden; zowel de rechtvaardiging door de goede werken als de leer van de vrije wil vinden in hem een beslist bestrijder. Reeds in de ‘Benauden, veriaechden, vervolchden Christen’ verdedigt hij de uitverkiezing:
Van der Voort is geen dichter van de eerste of zelfs van de tweede rang, maar onder de rederijkers neemt hij, wat de aangehaalde regels mogen bewijzen, allerminst de geringste plaats in. Zijn versificatie is soms vrij gebrekkig, en het Renaissance-vers, dat in zijn laatste levensjaren baan breekt, is hem vreemd gebleven. Maar de gloed, waarmede hij zijn levensovertuiging verdedigt, en de soms verheven gelatenheid, waarmede deze wijsgerig aangelegde natuur na een leven van strijd en vervolging, alles wat hem overkomt aanvaardt, geven zijn werk een betekenis, die nog tot ons spreekt. Niet zozeer als dichter, dan wel als mens blijft zijn beeld ons langer bij dan dat van het merendeel der rederijkers uit zijn tijd 157.
Na Van der Voort is het Vlissingse rederijkersleven dertig jaar lang voor ons in het meest volstrekte stilzwijgen gehuld 158. Eerst in 1629 vinden we de ‘Blaeu Acolye’ op het rederijkersfeest dat de Vlaamse kamer der ‘Wit-Angieren’ te Haarlem in Juni van dat jaar organiseerde, en waar twee en twintig kamers elkaar ontmoetten. Vincent Mathijsz (zinspreuk: Met vreucht in deucht) was haar woordvoerder; hij beantwoordde de vraag ‘Welck is d'weerdighste Vrucht, die Godt ons heeft ghegheven?’ en de regel ‘Zijt danckbaer voor Gods gaef, die ons in alles voedt’, en zond bovendien nog een liedeken in, maar geen van deze drie vermocht een der uitgeloofde prijzen te behalen. Vlissingen was een der zes kamers die - eveneens bij monde van Vincent Mathijsz, deelnam aan de wedstrijd in het kniewerk, en eveneens een der zes die een ‘afscheyd-liedt’ zong 159.
Klaarblijkelijk was Mathijsz reeds in deze tijd factor van de kamer, maar in elk geval was hij dit in 1641, toen de ‘Blaeu Acolye’, waar-
schijnlijk op zijn initiatief, een landjuweel uitschreef. Met toestemming van de overheid legde zij aan alle ‘vrye ende toe-ghelaten cameren der nutbare konst van redenrijck’ de vraag voor: ‘Wat oeff'ningh is elck best, en noodighst voor 't gemeen?’, en bovendien schreef ze wedstrijden uit voor een referein op de regel ‘Geluckigh is het landt, daer sulcke volck'ren woonen’, voor een lied op de zin ‘Die God heeft tot sijn hulp', geen dinck hem hinder doet’ en voor een kniewerkslied op de regel ‘'T is 't werck van Godes geest te roepen Abba Vader’. Voor iedere wedstrijd werden drie prijzen uitgeloofd, en bovendien nog voor ‘'t verdst kommen’, ‘'t best pronuncieren’, ‘'t best singhen’ en ‘de meeste wercken’. Voor de leden van de Vlissingse kamer zelf waren particuliere prijzen beschikbaar gesteld. De ‘Reden-caert’, waarin dit alles vermeld stond, behelsde tenslotte nog de bepaling dat ‘een camer onvry zijnde, en brenghende