auteur: P.J. Meertens
bron:
P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en
de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers
Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van
Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2000 dbnl / erven P.J. Meertens

|
|
| | | | | |
II. Wetenschappelijk en letterkundig leven onder invloed van het Humanisme
| |
Wetenschappelijk leven in de kloosters
Terwijl het literaire leven in Zeeland vóór de
Hervorming zogoed als geheel tot de rederijkerskamers beperkt is gebleven, zijn
de wetenschappen er in deze tijd nagenoeg uitsluitend in de kloosters
vertegenwoordigd. Dit was buiten Zeeland trouwens niet veel anders, zoals het
ook elders in hoofdzaak de theologie was, die in de kloosters haar ijverigste
beoefenaren vond. Schaars zijn naast deze theologen de juristen en de
historici.
Van de dertiende tot het midden der zestiende eeuw was ook Zeeland,
als de andere Nederlandse gewesten, met tal van kloosters als bezaaid. De
meeste van deze waren in Middelburg en Zieriksee gevestigd, maar
ook in Reimerswaal, Goes, Vere en
Vlissingen, en in of bij tal van kleinere steden en dorpen trof
men er korter of langer tijd geestelijke stichtingen aan
1. Ook in
Zeeland echter was het getal geleerden, die binnen deze kloostermuren hun dagen
in wetenschappelijke arbeid doorbrachten, naar verhouding zeer gering, indien
we althans aannemen dat er onder hen geen vergeten figuren zijn, wier naam de
historie niet heeft bewaard en van wie ons geen werk is overgeleverd.
Een centrum van wetenschappelijk leven heeft het middeleeuwse
Zeeland nooit gekend, ofschoon men geneigd zou zijn dit te zoeken in de
Norbertijner-abdij van Middelburg, die, in het hart der stad gelegen, met zijn
oude kloostergebouwen rond de lommerrijke binnenhof, waarboven tal van torens
hun spitsen verheffen, nog thans, hoe zwaargehavend ze dan voor het ogenblik
mag zijn, herinnert aan de tijden toen het geestelijke en vooral het kerkelijke
leven zijn invloedssferen wijd uitbreidde over het maatschappelijke leven. Geen
der Zeeuwse kloosters heeft een zo grote macht bezeten als deze abdij, die in
1122 of '23 uit een al eerder bestaande gemeenschap van reguliere kanunniken
gesticht schijnt te zijn door een zekere abt
Alboldus († 1130) van het klooster
der Regulieren te Voormezele. Naar alle waarschijnlijkheid houdt de
stichting van de abdij verband met de grote aanhang, die de ketterse
leerstellingen van
Tanchelm(† 1115) in Zeeland hadden
gevonden. Obreen veronderstelt dan ook niet zonder grond, dat bisschop
Godebald van Utrecht (1114 - 1127) ter
versterking van de in het dichtbevolkte Walcheren zo verzwakte geloofsijver de
reguliere kanunniken van Voormezele zal hebben aangespoord, zich in Middelburg
te vestigen. Uit het feit, dat ze betrekkelijk spoedig (in 1128?) vervangen
zijn door Witheren uit de Norbertijner-abdij van Sint-Michiels te Antwerpen,
mag men opmaken dat de Regulieren niet aan de verwachtingen, die de clerus van
hen koesterde, hebben voldaan.
De Middelburgse abdij
2, die aan Maria was gewijd, werd in de loop
der eeuwen door de bisschoppen van Utrecht evenzeer als door de graven van
Holland en Zeeland begunstigd en rijkelijk begiftigd. In 1492 brandde ze
grotendeels af, waarbij ook de bibliotheek verloren ging, maar men bouwde haar
schoner op dan tevoren. Wat de Beeldenstorm gespaard had, vernielde het
volgende jaar, in Januari 1568, een felle brand. De dagen van het | | | |
klooster waren toen echter reeds geteld; de overgang van Middelburg aan de
Prins maakte voorgoed een einde aan het bisschoppelijk gezag in Zeeland. In
hoeverre deze abdij, waarvan de geschiedenis nog geschreven moet worden, een
centrum van kunsten en wetenschappen is geweest, zou alleen een uitgebreid
onderzoek in de naar het schijnt ontoegankelijke archieven kunnen uitmaken.
Naar alle waarschijnlijkheid zou dit onderzoek echter uitwijzen dat Busken Huet
gelijk had, toen hij de Middelburgse abten meer mannen van de wereld dan van de
studeercel noemde
3; al stelden zij
belang in de beeldende kunsten, naar wetenschap ging de liefde van hun hart
doorgaans niet uit. Een uitzondering is
Johannes Aegidius (
Gilles van Leeuw) (± 1170 -
1237)
4, die waarschijnlijk
te Zieriksee geboren werd, in de abdij te Middelburg tot priester werd gewijd,
en aan de een of andere onbekende universiteit het doctoraat in het civiele en
kanonieke recht verkreeg. Hij predikte in de Zuidelijke Nederlanden de
kruistocht van 1215, waaraan hij ook zelf deelnam, en werd na zijn terugkeer in
1226 of 1227 tot vijfde abt van Middelburg gekozen. In 1229 werd hij in gelijke
functie in Vicogne benoemd. Wetenschappelijk werk van zijn hand is
niet bekend. Een eeuw later, van 1329 tot 1333, was
Henricus Nicolai de Alta Terra (van
Hogelande)
5 kanunnik en proost van de abdij, van wie nog lang
na zijn dood een sindsdien verloren geraakte kloosterkroniek bewaard werd
6.
Willebrord Jansz. van Middelburg
(† 1555)
7 bracht zeven jaren in de abdij van zijn geboortestad
door, maar ging in 1518 over tot de orde der Kartuizers, en ontpopte zich eerst
in het klooster Nieuwlicht buiten Utrecht als de schrijver van
vele, naar zijn biograaf wil: geleerde en schone preken, waarvan echter niets
bewaard is. Ook wanneer men bij deze geleerden nog de Humanist
Maximiliaen van Bourgondië (1486
- 1535) rekent, die van 1518 tot zijn dood abt van Middelburg was, valt de
oogst wel heel schraal uit. Niettegenstaande schijnt de abdij een bibliotheek
van enige betekenis te hebben gehad, ook na de brand van 1492; in 1575 deden
burgemeesters en gerechte van Leiden althans moeite, deze ‘schoone
librarie’ voor hun universiteit te verkrijgen
8. In hoeverre deze pogingen
geslaagd zijn, is niet bekend.
Een der bewoners van het Middelburgse klooster der Minderbroeders
Observanten,
Bartholomeus van Middelburg (1484 -
1564)
9, maakte in het begin van
de zestiende eeuw naam als prediker, en trad o.a. in Amsterdam op tegen de
Wederdopers. Zijn ordegenoot
Amandus van Zieriksee ( † 1524
of 1534)
10, die
bekend bleef als exegeet en bovendien een wereldkroniek heeft geschreven, was
de voornaamste ijveraar voor de hervorming van het Minderbroederklooster van
Zieriksee, die in 1502 haar beslag kreeg, toen er de strengere regel van de
Coletanen werd ingevoerd. Van 1502 - 1506 was hij provinciaal van de orde.
In het Karmelietenklooster te Vlissingen maakte Gosuinus Hecx († 1475)
11 naam als schrijver van een aantal theologische
geschriften. Deze Karmeliet, die uit Brabant afkomstig was, werd later bisschop
van Hieropolis en wijbisschop van Utrecht.
De reguliere kanunniken van Onze-Lieve-Vrouwpolder, die er van 1452
tot 1552 het uit Arnemuiden overgeplaatste klooster van het Heilige Graf
bevolkten, hielden zich bezig met het overschrijven, binden en verluchten van
boeken
12, maar of onder hen ook mannen
van wetenschap werden gevonden, is onbekend.
De naam van enkele geleerde Kartuizers is verbonden aan het
Kartuizerklooster de Berg Sion
13, dat in 1432 werd gesticht, zich
ontwikkelde tot een aanzienlijke stichting, en vermoedelijk tijdens het beleg
van Zieriksee, in 1575, verwoest werd. Hier was omstreeks het midden der
vijftiende eeuw | | | |
Jillis Goudsmit ( Aegidius Aurifaber ) († 1466)
14 vicarius, op wiens
naam drie theologische werken staan. Een tijdgenoot van hem is Jacobus van Gruytroede († 1475)
15, die van 1445 tot 1447 prior was van het klooster, en dit
naderhand te Luik werd; hij schreef de meermalen herdrukte ‘Specula omnis
status humanae vitae’, het ‘Colloquium Jesu et peccatoris’ en
vele andere godsdienstige boeken. Ook Gijsbertus Theodorici Ruttenberg († 1557)
16, de schrijver van een ‘Chronicon Cartusiae
Ultrajectinae’ en vele andere eveneens verloren gegane geschriften, was
enkele jaren prior van dit klooster.
Het enige klooster in Zeeland, dat zich, in 1419, bij het
Windesheimer kapittel aansloot, Paradisus Beatae Mariae of Maria's Paradijs te
Reimerswaal
17, bewoond door reguliere
kanunniken, heeft in de vijftiende eeuw eveneens enkele geleerde priors binnen
zijn muren gezien: Aegidius Bocheroel
18 († 1465), geboortig uit
Luik, die het klooster van 1450 tot zijn dood als prior bestuurde en naam
maakte als jurist, evenals Petrus Buys
19, de tiende prior van het klooster, die doctor in het
kanonieke recht was, maar die al in het tweede jaar van zijn bestuur
stierf.
| |
Het Humanisme
Eerst tegen het eind van de vijftiende eeuw ontplooit het
wetenschappelijk leven in Zeeland zich voller en rijker, en tevens in andere
vormen. Tevoren is het uitsluitend in handen van kloosterlingen, en er zijn
geen aanwijzingen dat het ook buiten de muren van abdij en klooster zich laat
gelden; thans echter zijn het ook de leken die zich aan de wetenschap wijden en
in wetenschappelijk verkeer treden met de geestelijkheid. Ook zijn het niet
langer de wetenschappen der kerk alleen: de theologie, het kerkelijke recht,
die beoefend worden; ook de geneeskunde, de wis- en natuurkunde, de studie der
Oudheid, de literatuur vindt haar adepten. Tegelijk verliest de geest der
Middeleeuwen zijn hegemonie, en moet het veld ruimen voor het humanistische
levensgevoel, dat allengs de geesten gaat beheersen en in betrekkelijk korte
tijd ook de wereld der wetenschappen komt veroveren. In de eerste
decenniën van de zestiende eeuw heeft het Humanisme in Zeeland zijn
bloeitijd, in Middelburg, in Zieriksee en op het slot Sandenburg bij Vere, waar
zich kringen vormen van geleerden en dichters, die zich verwant gevoelen als
aanhangers van eenzelfde kunst- en levensleer. Het beeld dat de historie ons in
staat stelt van hen te vormen is onvolkomen, en wellicht daarom ten dele
verkeerd; er zou een uitgebreid archieven- en bronnenonderzoek nodig zijn om
dieper door te dringen in de duisternis, waarin hun levens gehuld blijven, en
ook dan nog zou het beeld wellicht in genen dele overeenstemmen met de
werkelijkheid.
Omstreeks het eind der vijftiende, maar vooral in de eerste
decenniën der zestiende eeuw staat het gehele wetenschappelijke leven in
de Bourgondische landen onder Erasmus' invloed. Wie zijn brieven
20 doorbladert, treft er ongeveer alle namen aan dergenen, die in
deze tijd op wetenschappelijk of letterkundig terrein een taak vervullen, en
hun aantal is niet gering. Er heerste bij de overgang van de Middeleeuwen naar
de nieuwe tijd ook in deze landen een opgewekt geestelijk leven, niet het minst
dank zij het streven der Bourgondiërs, die voor zover het in hun vermogen
lag de jonge intellectuelen de gelegenheid schonken, hun wetenschappelijke
bekwaamheden ten nutte te maken. Zo zijn de eerste decenniën der nieuwe
eeuw een periode van hoogconjunctuur voor het intellect, dat alle reden heeft
om de toekomst hoopvol tegemoet te zien, nu de maatschappij zijn verdiensten en
zijn onmisbaarheid voor de samenleving gaat erkennen. Alom worden provinciale
hoven opgericht, secretarissen en pensionarissen aangesteld; alom | | | |
verrijzen, ook in de kleinere steden, Latijnse scholen, en steeds luider wordt
de roep naar wetenschappelijk gevormde artsen. De hogescholen, die van Leuven
vooraan, leveren ieder jaar een stroom van jonge intellectuelen uit de Dietse
landen af, die voor het overgrote merendeel in hun geboorteland een werkkring
vinden.
Ook Zeeland draagt zijn jaarlijks contingent aan deze intellectuele
beweging bij. Er ontstaan op verscheidene plaatsen onder de adel en de burgerij
kringen van geleerden en letterkundigen, met name in Middelburg, op het slot
Sandenburg bij Vere, en in Zieriksee. Op de een of andere wijze zijn hun namen
bijna zonder uitzondering met de grote naam van Erasmus verbonden. En ofschoon
deze na 1501 - hij was toen vijf en dertig jaar - zijn geboortegrond nauwelijks
meer betreden heeft, werkt zijn rijke geest meer dan die van enig ander
bevruchtend op al de jonge geleerden, voor wie in deze jaren een nieuwe wereld
van wetenschap en schoonheid opengaat, een wereld die zonder Erasmus niet meer
te denken is.
| |
Maximiliaen van Bourgondië
Van de kleine kring van Humanisten, die in het begin der eeuw te
Middelburg bestond, mag in letterlijke en overdrachtelijke zin gezegd worden
dat hij opgroeide in de schaduw van de machtige Praemonstratenser-abdij,
waarvan Maximiliaen van Bourgondië (1486
- 1535)
21 van 1518 tot het jaar van zijn dood abt was. Zoon van
Boudewijn, een der bastaards van
Philips van Bourgondië, was hij
evenzeer doortrokken van humanistische denkbeelden als zijn ooms David en
Philips, en hoewel hij geen geleerde in de engere zin van het woord was, bezat
hij toch een brede wetenschappelijke belangstelling. In de in 1492 door brand
geteisterde abdij liet hij grote herstellingen verrichten, en aan
Jan Gossaert van Mabuse, die hem
waarschijnlijk door zijn oom Philips was aanbevolen, droeg hij belangrijke
werken op, o.a. de ‘Afneming van het Kruis’, dat als diens
meesterwerk gold
22. Dat Maximiliaen relaties met
Erasmus onderhield, blijkt uit het feit,
dat deze hem zijn vertaling van Chrysostomus, ‘De orando Deum’
(1525) opdroeg
23, zoals de Leuvense Humanist
Hadrianus Barlandus met zijn
‘Jocorum veterum ac recentium duae centuriae’ (1524) het jaar
tevoren had gedaan
24.
| |
Gerardus Geldenhauer
In October 1524 kwam
Gerardus Geldenhauer Noviomagus (1482
- 1542)
25in dienst van
de Middelburgse abt. Noviomagus was tevoren - misschien sinds 1512 -
‘hofhumanist’ geweest van Maximiliaens oom Philips van
Bourgondië (1464 - 1524)
26, de bastaardzoon van Philips de
Goede, destijds admiraal van Vlaanderen, sinds 1517 bisschop van Utrecht.
Philips bezat in Zeeland o.a. het slot Soeburg, dat hij in 1515 liet herstellen
en waar hij in dat jaar waarschijnlijk zijn neef, de jonge
Karel V ontving op diens tocht door de
Nederlanden. Deze Bourgondiër, die tussen edelsmeden, architecten,
beeldhouwers en schilders zo gemeenzaam verkeerde, dat hij als een van hen werd
gerekend
27,
en aan wie Erasmus zijn ‘Querela pacis’ (1517) opdroeg, toonde op
velerlei wijzen hoezeer de geest van het Humanisme hem eigen was, al zijn de
enige sporen daarvan, wat Zeeland betreft, zijn belangstelling voor een te
Westkapelle gevonden aan Hercules Magusanus gewijde steen, en zijn poging, een
etymologie te geven van de naam van het eiland Walcheren
28.
Was Geldenhauers tweede verblijf in Zeeland slechts van korte duur
29, tevoren
schijnt hij er langer te hebben vertoefd, lang genoeg althans om er, blijkens
‘De Zelandia epistola’ een aantal Zeeuwse geleerden persoonlijk
| | | | te ontmoeten en te leren kennen. Onze kennis aangaande het Zeeuwse
Humanisme in deze jaren is niet in de laatste plaats aan deze brief te
danken.
| |
Joannes Becar Borsalus
Onder de geleerde Zeeuwen noemt hij o.a. twee van zijn vrienden uit
Middelburg, die beiden ook tot de vriendenkring van Erasmus behoren: Joannes
Becar Borsalus en Hadrianus Cordatus. Joannes Becar Borsalus (Jan Beker van Borselen)
30 was wellicht uit het adellijke geslacht der Van Borselens
afkomstig
31, en in dat
geval een bloedverwant van de aanstonds te noemen patrones van Erasmus, Anna
van Vere, bij wie hij, is deze veronderstelling juist, dan Erasmus ontmoet kan
hebben. In 1495 werd hij student te Leuven, waar hij drie jaar
later magister artium werd. In 1513 ontving hij een kanunnikaat te Middelburg,
van waar hij in 1514 aan Erasmus een lange brief schreef
32. Nog in hetzelfde jaar werd hij, misschien door Erasmus'
bemiddeling, gouverneur van
Cornelius Erdorf, een neef van de
aanzienlijke Busleidens uit Luxemburg. In 1516 vergezelde hij zijn jonge pupil
naar Leuven, maar de nieuwe werkkring viel hem moeilijk, waarom hij Erasmus'
hulp inriep
33. Erasmus beval
hem warm aan bij de bisschop van Utrecht, maar kort daarop deden zich twee
andere mogelijkheden voor: een professoraat in het Latijn in het pas opgerichte Collegium
Trilingue, en een decanaat te Sandenburg. Hij koos het laatste, en keerde aldus
in 1518 als deken van het kapittel van Sandenburg naar zijn
geboorteland terug. Drie jaar later werd hij tot deken van Sint-Pieter te
Middelburg gekozen, maar het keizerlijk hof betwistte de geldigheid van deze
verkiezing. De afloop van dit geschil is onbekend, maar schijnt voor Van
Borselen niet gunstig te zijn uitgevallen. Om die reden zal hij wel het
voorstel van Adolf van Vere aanvaard hebben om gouverneur te worden van diens
zoontje Philips, destijds een jongen van een jaar of negen. Zo trok hij in 1522
opnieuw naar Leuven. Toen het kind na enkele jaren stierf, werd Van Borselen
gouverneur van het jongere broertje Maximiliaen, de eerste markies en de
laatste heer van Vere. In 1536 woonde hij weer in Vere. Zijn verdere
lotgevallen en het jaar van zijn dood zijn ons niet bekend.
Welke betekenis heeft deze Zeeuw voor het wetenschappelijke leven?
Tijdgenoot en nakomeling hebben om strijd zijn geleerdheid geprezen, maar er is
van zijn wetenschappelijk werk, zo dit al bestaan heeft, geen letter bewaard.
Reygersberch noemt hem onder de schrijvers
over Zeelands oudste geschiedenis
34 en haalt hem ook als
zodanig aan
35. ‘Vir et
vitae integritate et summa eruditione clarissimus: qui a morum honestate boni
cognomen meruit’, noemt Geldenhauer hem
36; hij droeg hem als blijk van zijn vriendschap en
achting twee van zijn
‘Satyrae octo’ (1515) op
37. Ook Barlandus was hem welgezind; hij droeg hem zowel
zijn eerste geschrift, de ‘
Esopi fabulae’ (1512)
38, als zijn laatste werk, het ‘
Opusculum de amplificatione oratoria’ (1536)
39 op. Zijn ‘
Libelli tres’ (1520) opent met een brief aan Van
Borselen, waarin Barlandus op verzoek van zijn Veerse vriend zijn
wetenschappelijke autobiografie geeft
40, en die begint met een verwijzing naar de ‘summa consuetudo
et familiaritas’ die tussen hen beiden bestaat.
Erasmus, met wie Van Borselen in een vrij
drukke briefwisseling schijnt te hebben gestaan, put zich bij verscheidene
gelegenheden in loftuitingen over hem uit
41, en in
zijn ‘Epithalamium Petri Aegidii’ (1525) noemt hij
hem onder de voornaamste geleerden, die zich destijds te Leuven ophielden
42. Het doet ons te meer betreuren, dat we
ons niet zelf een oordeel kunnen vormen over zijn wetenschappelijke
verdiensten, maar daarbij uitsluitend op het oordeel van anderen moeten
afgaan.
| | | | | |
Hadrianus Cordatus
Ook
Hadrianus Cordatus (mr.
Adrianus Johannesz. Cordatus)
(† 1538 of '39)
43 wordt door Reygersberch onder
degenen genoemd, ‘die gescreven hebben van die antiquiteyt ende ouderdom
des lants van Zeelandt’
44,
maar ook van zijn hand is zogoed als niets bewaard: we bezitten van hem alleen
een commendatio op het titelblad van Barlandus' ‘
De Hollandiae principibus’ (1519)
45 en een carmen voorin
Jason Pratensis' ‘
De tuenda sanitate’ (1538)
46. Cordatus, misschien uit een der beide Wissekerkes
afkomstig, was kanunnik van Sint-Pieter te Middelburg en bovendien sinds 1511
pastoor van het Begijnhof
47, en sinds 1525 vicaris te Westsoeburg
48. Van zijn vroegere leven weten we niets, van zijn latere
lotgevallen maar weinig. Hij schijnt een man van meer dan gewone betekenis te
zijn geweest en stond te Middelburg en daarbuiten in hoog aanzien, zowel om
zijn geleerdheid als om zijn milddadigheid en andere persoonlijke
eigenschappen. ‘Maecenas meus liberalissimus: eruditione et modestia
nemini postponendus’ noemt Geldenhauer hem
49.
Petrus Aegidius noemt zijn naam zonder enig
commentaar in een brief aan Erasmus
50,
zodat die hem gekend moet hebben. Hadrianus Barlandus noemt hem met lof in zijn
‘Libelli tres’ (1520)
51 en in de eerder genoemde opdrachtbrief van zijn ‘
Jocorum veterum ac recentium duae centuriae’
(1524) aan
Maximiliaen van Bourgondië vergelijkt
Barlandus deze Middelburgse abt als man van beschaving en kunstzin met de in
zijn nabijheid levende Cordatus
52.
Maar wanneer in 1529 dit boekje herdrukt wordt, is de verwijzing naar Cordatus
weggelaten; de aanstonds te noemen gebeurtenissen van twee jaar tevoren hadden
hem klaarblijkelijk te zeer gecompromitteerd, dan dat zijn naam tegenover
Maximiliaen nog genoemd mocht worden.
Alardus van Amsterdam (± 1494 - 1544)
laat zich vol waardering uit over Cordatus' Latijnse gedichten, die hun
wederzijdse vriend
Joannes Valladolid hem had toegezonden. Hij
prijst in 't bijzonder hun Plautijnse welsprekendheid, hun zoetvloeiendheid en
hun levendige toon
53.
Cordatus behoort tot die Humanisten, die zonder dat ze met de
Hervorming meegingen, niettemin een levendige belangstelling aan de dag legden
voor deze nieuwe stroming. In 1527 werd hij zelfs op verdenking van
‘luterye’ als gevangene overgebracht naar het slot van Vilvoorden
54, maar uit het feit dat hij spoedig daarop weer in zijn
geestelijke waardigheden werd hersteld, mag de gevolgtrekking worden gemaakt
dat hij zijn ketterse denkbeelden herroepen heeft, ofwel vrijgesproken is van
hetgeen men hem ten laste heeft gelegd. In 1532 was hij kapelaan in de Nieuwe
Kerk te Amsterdam, maar omstreeks 1536 vinden we hem weer te
Middelburg, waar hij in 1538 of '39 gestorven is, even voordat ook
in Zeeland een golf van verzet de macht der Rooms-Katholieke kerk doorbrak.
| |
Augustinus Vincentius Caminadus
Een tijd- en stadgenoot van Borsalus en Cordatus was
Augustinus Vincentius Caminadus, die
zijn naam wellicht ontleende aan Kamin in Mecklenburg-Schwerin,
waar hij misschien geboren is, tenzij we er een verlatiniseerde vorm van de
familienaam Caminada of Kemenade in moeten zien. Hij gaf in 1498 een editie van
Virgilius uit
55 en woonde omstreeks 1500 te Parijs, waar hij kostjongens hield.
Hier verzamelde hij de ‘Familiarum colloquiorum formulae’, die Erasmus ten
behoeve van zijn onderwijs omstreeks 1498 had opgesteld, en gaf zichzelf daarin
de rol van Augustinus poeta
56. In 1500 hield hij toezicht op het drukken van de
‘
Adagia’, waarover hij vervolgens voor een talrijk
auditorium te Parijs lezingen hield
57.
Erasmus, die zijn leermeester was, woonde in
deze jaren met hem samen, en ging | | | | samen met hem op reis, maar
alhoewel Augustinus hem in zijn wetenschappelijke zowel als in zijn huiselijke
aangelegenheden voortdurend tot steun was, valt er in zijn brieven aan hem
steeds een min of meer antipathieke en zelfs een vijandige toon te bespeuren
58. Vooral in zijn brieven aan
Battus klaagt hij telkens weer over het
gedrag van zijn vriend
59. In
1502 ging deze te Orleans in de rechten studeren; daarna schijnt hij zich
metterwoon te Middelburg te hebben gevestigd, waar hij in 1505 poorter werd, en
kort daarop een aanstelling tot pensionaris ontving. In deze functie reisde hij
twee keer naar Schotland, om te pogen de stapel binnen Middelburg
te krijgen, wat echter mislukte. In 1511 was hij gestorven
60, zodat Borsalus hem waarschijnlijk
niet en Cordatus hem nauwelijks ontmoet kan hebben.
| |
Simon van Wissekerke
Een geheel onbekende figuur is
Simon van Wissekerke
61, die
Geldenhauer eveneens tot de geleerde Zeeuwen rekent, en wel als jurist
62. De mogelijkheid
bestaat dat hij dezelfde is als dr. Simon Henrici Joannis de Wissekerke, die
deken van Noordmonster en bovendien van 1493/94 tot 1511 pastoor van het
Middelburgse Begijnhof was, en als zodanig werd opgevolgd door Hadrianus
Cordatus
63. Meer dan een veronderstelling is dit evenwel niet.
| |
Joannes Valladolid
Op zijn beurt werd Cordatus in 1538 in deze functie opgevolgd door
Joannes Valladolid (
Valeolaetus) († 1541)
64, die evenwel al drie jaar later
stierf. Hij was uit een bekend Middelburgs koopmans- en regentengeslacht
geboren, dat blijkens zijn naam van Spaanse afkomst was, en dat vooral in de
eerste helft van de zestiende eeuw vrij uitgebreid moet zijn geweest. Joannes,
die in 1510 in Leuven geïmmatriculiseerd was, behoorde tot de leerlingen
van Barlandus, met wie hij ook na zijn studietijd in vriendschappelijke
betrekking bleef staan. Hier heeft hij ook de waarschijnlijk maar enkele jaren
jongere jonge vriend van Erasmus, Alardus van Amsterdam († 1494 - 1544)
leren kennen. Uit een brief van deze humanistische geleerde blijkt dat
Valladolid er Barlandus toe gebracht heeft, zijn ‘
Catalogus episcoporum Traiectensium’ op te nemen
in diens ‘
Libelli tres’ (1520). Uit dezelfde brief, die
Alardus uit Leuven schreef, blijkt dat Valladolid kort tevoren in een
geestelijke orde was getreden, en dat hij hem Latijnse gedichten van hun
wederzijdse vriend Cordatus had gezonden. Tenslotte nodigt Alardus de beide
Middelburgers uit, bij hem in Leuven carnaval te komen vieren
65. Op Valladolids klaarblijkelijk vroege dood heeft Alardus een
lijkdicht geschreven
66, dat van zijn grote vriendschap en bewondering voor
de gestorvene getuigt.
| |
Jacobus Valladolid
Tegelijkertijd was Alardus bevriend met
Jacobus Valladolid
67, die tussen 1523 en 1540 te Middelburg
eveneens pastoor was. Klaarblijkelijk is dit een oudere broer van Joannes.
Alardus droeg hem in het eerstgenoemde jaar zijn ‘Ritus edendi Paschalis
agni’ op met een uitvoerige brief, waaruit o.a. zijn bekommernis spreekt
over de steeds toenemende invloed van de Lutherse ketterij in Amsterdam
68. Acht jaar later gaf hij opnieuw een blijk van zijn
vriendschappelijke gevoelens jegens deze Middelburgse vriend door aan hem een
Kerstzang op te dragen, die hij voor de leerlingen van de Latijnse school van
Amsterdam, misschien op verzoek van de rector, zijn vriend
Cornelius Crocus, hadopgesteld
69. Tenslotte bezitten we nog een brief van Alardus aan Jacobus
Valladolid uit 1540, waarin hij hem schrijft | | | | over de brand van het
Mariaklooster in de Nes, op Allerzielen van dat jaar, die een deel van zijn
kostbare bibliotheek verloren deed gaan
70.
Met enkele andere Zeeuwse Humanisten uit dit tijdperk hebben de Valladolids dit
gemeen, dat we hen alleen maar kennen uit de mededelingen van anderen, al zijn
deze voldoende belangrijk om de mening te wettigen, dat ook zij genoemd
verdienen te worden onder de Zeeuwse geleerden uit de eerste helft der
zestiende eeuw
70a.
| |
Sandenburg
Ruim een halve eeuw lang is het slot Sandenburg van de heren en
vrouwen van Vere uit het geslacht Van Borselen en Bourgondië,
het verzamelpunt geweest van een kleine kring van geleerden en kunstenaars,
waaraan de naam van Erasmus een luister verleende, die ook in onze dagen nog
niet geheel verbleekt is. De eerste sporen daarvan vinden we tijdens het leven
van Anna van Borselen (± 1471 -
1518)
71, die in
1486 door de dood van haar vader
Wolfert VI vrouwe van Vere was geworden.
Van deze Wolfert weten we dat hij een belangrijke bibliotheek bezat, waarvoor
hij de kroniek van
Beka liet vertalen, en waarin zich o.a.
een verlucht handschrift van
Augustinus' ‘
De civitate Dei’ bevond
72. Zijn dochter Anna was een jaar
voor zijn dood, nog een jong meisje, getrouwd met de veel oudere
Philips van Bourgondië (1453? - 1498),
een zoon van Anthonie, ‘de grote bastaard’. Nog vóór
Philips in 1498 stierf, belastte zij Jacobus Battus met de opvoeding van haar
zoontje Adolf, dat toen ongeveer zes jaar geweest zal zijn. Met deze
leermeester doet de eerste Humanist zijn intrede op het kasteel der Van
Borselens.
| |
Jacobus Battus
Jacobus Battus (1465? - 1502)
73 had te Parijs gestudeerd en was omstreeks 1492
naar zijn geboorteplaats Bergen-op-Zoomteruggekomen, waar hij
eerst hoofd van de stadsschool en vervolgens secretaris van de stad werd. In
deze functie leerde hij
Erasmus kennen, die toentertijd als
secretaris van
Hendrik van Bergen, bisschop van
Kamerijk, deze van tijd tot tijd naar Bergen-op-Zoom vergezelde.
In de ‘
Antibarbari’, die Erasmus in 1494 op het kasteel
teHalsteren schreef
74, vervult Battus de hoofdrol. De jonge Erasmus
bedoelde met dit werk een verdediging te geven van de letterkunde tegen de
aanvallen waaraan deze in bepaalde kringen blootstond. Het bestaat grotendeels
uit gesprekken tussen Erasmus, Hermanus Guilhelmus (Willem Hermans), Battus,
Judocus Medicus en de Bergen-op-Zoomse
burgemeester
Guilhelmus Conradus.
Aan Battus, door Erasmus om zijn kennis, zijn scherpzinnigheid en
zijn welsprekendheid geprezen, viel de taak ten deel, dit gesprek op een
dusdanige wijze te leiden, dat alle aspecten van het besproken onderwerp tot
hun recht kwamen. We vernemen van zijn pogingen tot hervorming van het
onderwijs aan de Bergense stadsschool en het verzet daartegen, dat vooral van
de geestelijkheid uitging. Intussen behoorde deze episode in zijn leven, toen
Erasmus de ‘Antibarbari’ schreef, alweer tot het verleden; kort
tevoren immers was hij tot secretaris benoemd. Drie jaar later droeg Erasmus'
jeugdvriend
Willem Hermans van Gouda hem een ode uit
zijn ‘
Sylvus odarum’ (1497) op
75,
maar toen dit bundeltje het licht zag, was Battus alweer van betrekking
veranderd en in dienst gekomen van de slotvrouwe van Sandenburg. Anna had hem
waarschijnlijk leren kennen door bemiddeling van een broer van de bisschop van
Kamerijk,
Antonius van Bergen, abt van het klooster
Saint-Bertin te Sint-Omaars, dat in de buurt van haar kasteel
Tournehem lag. Ook Antonius zal meermalen zijn geboorteplaats
| | | | en het voorvaderlijke kasteel van Halsteren bezocht
hebben en daar zowel met Erasmus als met Battus in contact zijn gekomen.
Tussen Erasmus en Battus schijnt van hun eerste ontmoeting af een
trouwe en toegewijde vriendschap te zijn ontstaan, waarvan Erasmus' brieven
76 maar al te duidelijk de
bewijzen inhouden, maar waaraan Battus' vroege en onverwachte dood plotseling
een einde maakte. Deze vriendschap was, althans van Battus' kant, niet
platonisch, maar uitte zich ook in daden. Kort na Philips' dood wist hij gedaan
te krijgen dat Erasmus een uitnodiging ontving om de slotvrouwe van Vere te
bezoeken. In het begin van 1499 trok hij van Parijs naar Tournehem, waar zij
destijds verblijf hield, en kwam er onder de indruk zowel van haar
verstandelijke als lichamelijke bekoorlijkheden. De hoge staat die zij voerde
verblindde hem, en hij schatte haar rijker dan zij in werkelijkheid was. Keer
op keer spoort hij Battus aan om al het mogelijke te doen, teneinde voor hem
haar gunst te verwerven
77; zelf schrijft hij haar een brief, de brief der drie Anna's, die
te vleierig is dan dat hij gemeend kan zijn
78. Erasmus
hoopte dat zij hem in staat zou stellen om zijn voorgenomen reis naar Rome te
ondernemen, en spaarde geen moeite om deze verwachting verwezenlijkt te zien,
maar de steun die hij tenslotte van haar ontving bleef ver beneden wat hij
dienaangaande gehoopt had. Na vele omzwervingen trekt hij in het voorjaar van
1501, waarschijnlijk uit Bergen-op-Zoom, naar Vere, om nogmaals een poging te
wagen, maar hij krijgt zelfs geen gelegenheid om zijn patrones te spreken
79. Eerst in Juli treft hij haar weer
aan op Tournehem.
Anna was inmiddels, omstreeks 1500, hertrouwd met
Lodewijk van Montfoort. Dit huwelijk,
tegen de zin van de Bourgondiërs gesloten, bracht haar aan de rand van de
armoede, zodat Erasmus tenslotte inzag dat van deze zijde voor hem niets te
verwachten was. Bovendien was Battus in de eerste helft van 1502 gestorven,
waarschijnlijk door vergif. Erasmus heeft later deze vriend en beschermer
herdacht; de bewoordingen waarin hij van zijn gestorven vriend melding maakt,
zijn echter koeler dan men bij een zo grote vriendschap en zovele
verplichtingen zou mogen verwacht hebben
80. Met de zoon Cornelis Battus
81, de schrijver van een wereldkroniek, heeft hij nog enige tijd
briefwisseling gevoerd
82.
| |
Adolf van Bourgondië
Toen
Anna van Borselen in 1518 stierf, volgde
haar zoon Adolf van Bourgondië (1489 -
1540)
83 haar in haar waardigheden op. De
humanistische opvoeding die deze jonge edelman, sinds 1516 Vliesridder en sinds
1517 admiraal van Vlaanderen, ten deel was gevallen, heeft hij nimmer
verloochend, en onder zijn regering is het kasteel Sandenburg tot een
verzamelpunt van kunst en wetenschap geworden, waarvan men elders in Zeeland de
weerga tevergeefs zocht. Toen hij een jongen van nog geen tien jaar was, had
Erasmus hem al een ‘Epistola
exhortatoria ad capessendam virtutem ad generosissimum puerum Adolphum,
principem Veriensem’
84,
toegezonden, waarschijnlijk onmiddellijk na het bezoek aan Tournehem opgesteld.
Kort daarop, in April 1499, zond hij hem zijn later in druk verschenen
verhandeling ‘
De conscribendis epistolis’ (1521) toe, nadat hij
in een kort briefje dit geschrift had aangekondigd
85. Van geheel andere
aard was de brief die Erasmus hem in de zomer van 1512 schreef
86. Adolf was
inmiddels opgegroeid tot een jonge man, die ondanks zijn jeugd reeds een zekere
invloed had, en Erasmus, die destijds te Londen vertoefde, riep
zijn hulp in om weer terug te kunnen keren in zijn land. Hoe dikwijls heeft hij
het betreurd dat hij het geluk, hem drie jaar tevoren door Adolf te Leuven
aangeboden, niet heeft gegrepen, omdat hij zich destijds | | | | nog
gouden bergen voorstelde in Brittannië! Thans verlangt hij, als Ulysses,
de rook van zijn vaderland weer te zien opstijgen, en Adolf kan en wil hem
zeker daarbij helpen. Heeft hij Erasmus inderdaad geholpen? Er is reden, dit te
geloven; zeven jaar nadien immers wijst deze
Petrus Zutpenius op het voorrecht, in dienst
te staan van een heer als Adolf, ‘qui favorem erga literas ac viros
virtutibus ornatos, a teneris usque unguiculis olim haustum e Batto
praeceptore, in hanc usque aetatem retinet’
87. Verdere
aanwijzingen dienaangaande bevatten Erasmus' brieven niet. Beter zijn we
inqelicht over Adolfs verhouding tot enkele andere Humanisten en kunstenaars,
waarvan er vier in zijn particuliere dienst stonden, als secretaris, lijfarts
en hofschilder.
| |
Petrus Zutpenius
De eerst bedoelde van deze is de jurist Petrus Zutpenius Casselletanus
88,
aldus genoemd naar zijn geboortedorp Zuidpeene bij
Kassel in Frans-Vlaanderen. We weten niet of hij ook zelf
geschreven heeft, maar van hun gemeenschappelijk in Leuven doorgebrachte
studententijd af was hij bevriend met
Martinus Dorpius en
Hadrianus Barlandus. De laatste bezocht
hem in het voorjaar van 1521 op een reis door Zeeland, en werd bij die
gelegenheid gastvrij door zijn oude studievriend ontvangen. Bij dit bezoek kwam
Barlandus' plan, een uittreksel uit Erasmus' ‘
Adagia’ uit te geven, ter sprake, en toen dit nog
in hetzelfde jaar verwezenlijkt werd, voelde Barlandus zich gedrongen, het uit
erkentelijkheid aan zijn Veerse vriend op te dragen
89. Ook Erasmus kende
Zutpenius en stond met hem in briefwisseling
90. De Vlaamse geschiedschrijver
Jacobus Meyerus (± 1492 - 1552) droeg
aan hem zijn ‘
Compendium chronicorum Flandriae’ (1538) op
91 en maakte een grafschrift op
hem.
| |
Reinier Snoy
Wellicht is het ook Erasmus geweest die Adolf zijn vriend Reinier Snoy of Sonoy (Renerus Snoyus ) (1477 - 1537)
92 van Gouda als lijfarts heeft aanbevolen. Ook Snoy,
die in Bologna tot doctor in de geneeskunde was gepromoveerd, behoort tot de
bekende humanistische geleerden van zijn tijd, als uitgever van Erasmus'
jeugdgedichten
93, als schrijver van een aantal
medische, filosofische en theologische werken
94, en vooral als de
auteur van het geschiedwerk , ‘De rebus Batavicis libri
XIII’ (1620), eerst lang na zijn dood door zijn achterneef
Jacob Cool uitgegeven. Reeds in 1513, dus
nog tijdens het leven van Anna van Borselen, was hij in Vere; hij
ging in dit jaar als gezant van
Karel V naar Schotland, en werd later in
gelijke functie naar Denemarken afgevaardigd. In 1533 was hij nog
in Vere.
| |
Hubertus Barlandus
Omstreeks deze tijd schijnt hij als lijfarts opgevolgd te zijn door
de Zeeuw Hubertus Barlandus (Hubert van Baerland)
95, een neef van
de deken Joannes Borsalus. Deze geleerde, omstreeks 1500 te Baarland geboren,
had te Leuven het licentiaat in de medicijnen behaald en vervolgens aan een
aantal buitenlandse hogescholen, vooral te Montpellier, zijn
studie voortgezet. Uit vrees voor het uitbreken van de oorlog trok hij in 1528
naar Bazel, waar hij enige tijd met Erasmus samenwoonde. Deze prees hem in een
van zijn brieven als een ervaren arts van aangename omgang en een man van
voorbeeldige zeden
96. Na vele omzwervingen
vestigde hij zich in Vere
97, waar
hij klaarblijkelijk zijn verdere leven gebleven is. | | | | Hij gaf een
Latijnse vertaling van
Basilius' homiliën uit, die hij aan
Maximiliaen van Bourgondië opdroeg,
en schreef of vertaalde verder enkele medische geschriften, waarin hij zich een
fel tegenstander van de Arabische richting in de geneeskunde toont.
| |
Jan Gossaert van Mabuse
De schone kunsten waren aan Adolfs hof vertegenwoordigd door de
Vlaamse schilder Jan Gossaert van Mabuse
98, die na de dood
van de Middelburgse abt Maximiliaen van Bourgondië († 1534) in de
heer van Vere een nieuwe maecenas vond. Zijn Moedermaagd in de Pinakotheek te
München, waarvoor Adolfs vrouw,
Anna van Bergen, model zat, herinnert aan
zijn verblijf op Sandenburg.
| |
Maximiliaen van Bourgondië
Toen Adolf in 1540 stierf, volgde zijn zoon Maximiliaen van Bourgondië (1514
- 1558)
99 hem als heer van Vere op.
Erasmus had, in de letterlijke zin van het
woord, aan zijn wieg gestaan, toen hij in Juli 1514 zijn vader te
Bergen-op-Zoom een bezoek bracht
100, en ook deze Bourgondiër is, als zijn vader en zijn
grootmoeder, zijn genius trouw gebleven. Als kind van negen of tien jaar gaat
hij reeds, omstreeks 1523, naar Leuven, waar sinds kort zijn
oudere broertje Philips (1512 - 1525?) met zijn gouverneur Joannes van
Borselen schoolging. Toen Philips in 1525 of daarvoor stierf, keerde
Maximiliaen naar zijn ouderlijk huis terug, en eerst omstreeks 1527 zag Leuven
hem weer. In dit jaar schreef Erasmus hem, op verzoek van Van Borselen
101, een briefje
102, waarin hij hem aanspoorde om voort te gaan op de ingeslagen
weg, en bovendien droeg hij de dertienjarige jongen zijn ‘
De recta Latini Graecique sermonus pronuntiatione
dialogus’ (1528)
103 op. Als de jonge
edelman, inmiddels vijftien jaar geworden, gereed staat om als page naar het
keizerlijk hof te gaan, schrijft Erasmus hem nogmaals een brief: een aansporing
om, bij de geneuchten van het hofleven, de wetenschap niet geheel uit het oog
te verliezen, en een uiting van zijn vertrouwen op Maximiliaens goede aanleg
104. Men vraagt zich
af of eigenbelang dan wel oprechte belangstelling in het lot van deze jonge
Bourgondiër Erasmus tot deze vriendschapsbetoningen hebben gedreven.
Maximiliaen kwam na de dood van zijn vader spoedig tot eer en
aanzien. In 1542, het jaar van zijn huwelijk met
Louise van Croy, werd hij admiraal van
Vlaanderen, in 1547 stadhouder van Holland en Zeeland, in 1555 markies van
Vere. In 1545 ontving hij de orde van het Gulden Vlies. Als beschermer van
kunsten en wetenschappen zette hij de traditie van zijn geslacht voort.
Jason Pratensis, die zijn lijfarts was,
droeg hem nog bij het leven van Adolf zijn ‘
De tuenda sanitate’ (1538) op, en
Jan Reygersberch van Cortgene zijn ‘Cronycke van Zeelandt’ (1551), waarin hij hem
afschildert als ‘grotelick begaeft met geleertheyt ende scientie’.
Cornelis Valerius (1512 - 1578), hoogleraar
te Leuven, die er als student Maximiliaen misschien had leren kennen, droeg hem
zijn verhandeling ‘In bene dicendi rationem tabula’ (1556) op. Ook
heeft de Gentse schilder-rederijker
Lucas de Heere (1534 - 1584)
105 een tijdlang op Sandenburg vertoefd,
waarschijnlijk op aanbeveling van Maximiliaens achterneef
Antonie van Bourgondië († 1573),
hoogbaljuw van Gent, later vice-admiraal der Nederlanden, en De
Heere's maecenas. De schilder ontmoette hier de burgemeestersdochter
Eleonora Carbonier
106 met wie hij in het huwelijk trad.
Geheel in overeenstemming met Maximiliaens Renaissance-geest.
waar- | | | | van zijn kunstlievende neigingen getuigenis afleggen, was zijn
royaliteit. In 1551 begiftigde hij Vere, dat onder zijn verkwistingen gebukt
ging, met de bekende verguld-zilveren beker. Hij stierf in 1558 - drie jaar
nadat de keizer zijn heerlijkheden van Vere en Vlissingen tot een
markiezaat had verheven - kinderloos en zelfs zonder bastaards; alleen een
zwerm van schuldeisers bleef in wanhoop achter. Zijn dood verijdelde voor de
tweede keer
107 de stichting van een Zeeuws-Bourgondische dynastie. Tien
jaar na zijn sterven zou trouwens de strijd losbarsten, die in de politieke
ontwikkeling van deze landen een algehele omwenteling zou brengen en voorgoed
zou afrekenen met de Bourgondische staat.
| |
Zieriksee
Naast Middelburg en Sandenburg was in de
eerste helft van de zestiende eeuw ook Zieriksee en zeker niet in
mindere mate, een centrum van wetenschap. Hier woonde omstreeks het begin der
eeuw Franciscus Zandicus (François van Santdijck) (1482 -
1551)
108, te
Zieriksee geboren uit een Schouws geslacht en sinds 1512 secretaris van zijn
geboortestad: een kundig man, van wie Hadrianus Barlandus in zijn brief ‘
De ratione studii’ (1525/26) met lof gewaagde.
Barlandus schreef deze brief ter gelegenheid van de aanstelling van
Sagarus tot rector van de Latijnse school
van Zieriksee
109.
| |
Wilhelmus Sagarus
Wilhelmus Sagarus (Willem Janse Sagher of Zagher) († 1538)
110 was te Goes geboren, studeerde te Leuven in de filosofie
en promoveerde er in 1510 onder Hadrianus Barlandus tot magister artium. In
1519 werd hij te Orleans ingeschreven. Enkele jaren later werd hij rector van
de Latijnse school te Zieriksee. Met deze benoeming wenste Barlandus niet
alleen hemzelf, maar ook de Zierikseeënaren geluk. Sinds 1521 was hij
bovendien pensionaris van de stad, uit welke functie hij in 1533 ontslag nam
wegens zijn benoeming tot raadsheer in het hof van Friesland. Hij stierf te
Leeuwarden in 1538. In zijn laatste levensjaren schijnt hij het
Rooms-Katholieke geloof ontrouw te zijn geworden
111. Zijn juridische verhandeling ‘
Lex lecta intellecta digestis’ (1531) werd door
tijdgenoot en nakomeling geprezen. Uit een aan zijn ‘
Epistola’ toegevoegd lofdicht van Barlandus blijkt
dat
Sagarus ook de dichtkunst heeft beoefend.
Tot zijn leerlingen behoorde
Jacobus Zovitius, die hem zijn oudste
schooldrama ‘
Ruth’ (1533) opdroeg
112.
| |
Andere Zierikseese geleerden
Tot Barlandus' Zierikseese vriendenkring behoorde ook Joannes Laurentius , die er of woonde,
of er alleen maar geboren was. Zijn leermeester Barlandus droeg hem zijn
‘
Institutio Christiani hominis aphorismis digesta’
(1526?)
113
op. Toen dit boekje verscheen, woonde Laurentius in Doornik, maar
verder is ons niets over hem bekend. Een onbekende is ook
Cornelius Psychroecclesius (Cornelis van Couckercken?)
114 van
Zieriksee, die in Barlandus' ‘
Libelli tres’ (1520) enkele disticha, hexasticha,
enz. dichtte, waaronder een distichon dat gericht was tot Joannes Machutius (Machuyts ), eveneens van Zieriksee. Ook
over hem bewaart de historie het diepste stilzwijgen, en hetzelfde is het geval
met de arts Jason Himnidicus
115, die
Noviomagus met Zandicus en Sagarus onder de
geleerde Zierikseeënaren rekent.
| |
| | | |
Jason Pratensis
De overeenstemming zowel van de zeldzame voornaam als van het beroep
geeft aanleiding tot het vermoeden, dat Himnidicus dezelfde is als Jason Pratensis (Jason van Praet, ook Van der Meersche en Van de Velde genoemd) (1486 - 1558)
116, die eveneens deel uitmaakte van
deze humanistenkring. Te Gent of in de omgeving van de stad geboren uit een
daar gevestigde familie, studeerde hij waarschijnlijk te Leuven, waarna hij
zich, op ongeveer acht-en-twintigjarige leeftijd als arts te Zieriksee
vestigde, waar hij in 1514 poorter werd. Beurtelings treffen we hem in de
volgende jaren in Zieriksee en in Vere aan
117, in laatstgenoemde plaats als
lijfarts van de heren van Sandenburg. Zijn laatste levensjaren bracht hij in
Zieriksee door, waar hij op 22 Mei 1558 stierf.
Pratensis heeft enkele medische verhandelingen geschreven, die zich
vooral op het gebied van de gynaecologie bewegen
118, en die, in hoofdzaak compilaties, meer uitblinken
door hun sierlijk Renaissance-Latijn dan door hun inhoud
119. Bovendien heeft Pratensis een bundeltje jeugdgedichten
uitgegeven onder de titel: ‘
Sylva carminum adolescentiae’ (1530)
120. Zowel in deze
jeugdverzen als in zijn wetenschappelijk werk was hij een vroom Rooms-Katholiek
en een heftig tegenstander van de Lutheranen, die hij in zijn medische
verhandelingen te pas en te onpas bestrijdt. Tot zijn vrienden behoorden
Wilhelmus Sagarus
121,
Adolf Hardinck, van 1517 tot 1535
rentmeester-generaal van Zeeland Bewesten-Schelde
122,
Jan Janssen Reygersberch
123 en
Geldenhauer Noviomagus
124.
| |
Lieven Anthonisz. Blocxs
Geen geleerde of dichter in eigenlijke zin, maar door zijn
belangstelling in het wetenschappelijk leven van zijn tijd niettemin evenzeer
Humanist, is mr. Lieven Anthonisz. Blocxs, ambachtsheer
van Burg (±1490 - 1556)
125 en gedurende dertig jaar, van 1526 tot zijn dood,
secretaris van Zieriksee. Zandicus, Sagarus en Pratensis waren zijn tijdgenoten
en zeker zullen zij op gemeenzame voet met hem verkeerd hebben. Van Pratensis
staat dit vast; deze droeg aan Blocxs zijn ‘
De arcenda sterilitate’ (1531) op. Dat hij de
wetenschap een goed hart toedroeg, blijkt ook uit de opdracht van de ‘
Tabulae totius sacrosancti juris canonici’ (1552)
van
Adriaen van Haemstede (± 1525 - 1562)
126, de
bekende schrijver van het ‘
Martelaarsboek’ (1559), die misschien te Zieriksee
geboren was. De betiteling van Blocxs als ‘patronus unicus’ wijst
er op, dat de secretaris van Zieriksee de zorg voor de studie van Van Haemstede
op zich heeft genomen.
| |
Levinus Lemnius
Tot een jongere generatie behoorde Levinus Lemnius (Lieven Lemse) (1505 - 1568)
127, die naam maakte als de auteur
van een aantal in en nog lang na hun tijd bekende medische werken. Hij was 20
Mei 1505 te Zieriksee geboren en studeerde te Leuven o.a. onder
Vesalius in de medicijnen. Na een
buitenlandse reis vestigde hij zich omstreeks 1527 in zijn geboortestad, waar
hij veertig jaar lang de algemeen vertrouwde en beminde geneesheer was. Na de
dood van zijn vrouw trok hij zich uit de wereld terug en werd kanunnik in het
college, dat sinds 1378 aan de Sint-Lievensmonsterkerk verbonden was. Hij
stierf op l Juli 1568.
Van zijn vele werken
128, alle in uitmuntend Latijn geschreven, werd vooral zijn
verhandeling over de verborgen krachten der natuur bekend; een eeuw lang werd
deze telkens herdrukt en in het Duits, het Engels, het Frans en het Italiaans
vertaald
129. Lemnius maakt in
dit boekje, dat ook uit het oogpunt van bijgeloof, zeden en gewoonten en
volkskunde in 't alge- | | | | meen merkwaardig is, meermalen gewag van zijn
geboortestad Zieriksee en van Zeeland.
| |
Jacob Suys
Een jongere tijdgenoot van hem was de patriciër Jacob Suys (1520 - 1592)
130, die in 1550 burgemeester van
Zieriksee werd en tot 1553 raad der stad was, toen hij zich metterwoon in
Mechelen vestigde. Hij stierf in 1592 te Luik; twee
jaar tevoren had hij zijn meest bekende werk, de ‘
Carmina sacra et profana’ (1590)
131 in het
licht gegeven, waaruit zijn godsdienstige zin spreekt. De zeventiende-eeuwse
biografen roemen hem als een bekwaam letter- en oudheidkundige. Met Lemnius
stond hij in vriendschappelijke betrekkingen. Lieven Anthonisz. Blocxs was zijn
oom.
Tenslotte blijven er maar enkele geleerden uit het
voorreformatorische Zeeland over, die niet bij een van deze Humanistenkringen
kunnen worden ondergebracht. Het zijn de Latijnse dichters Bartholomaeus Caversinus, kanunnik te
Soeburg, en Nicolaus de Conflita te Reimerswaal,
beiden klaarblijkelijk te jong dan dat ze
Erasmus persoonlijk gekend zouden kunnen
hebben of met hem in briefwisseling hadden kunnen staan, en Joachim Hubrechts van Bieselingen, van
wie hetzelfde geldt. De eerste twee komen nader ter sprake; van de laatste
132 weten we alleen dat hij arts was te
Middelburg, en bekend bleef als de schrijver van een medisch boek: ‘
Het licht der medicijnen’ (1567)
133.
| |
Hadrianus Barlandus
Het Zeeuwse Humanisme heeft waarschijnlijk in Leuven zijn oorsprong
genomen; daar zijn de jonge studenten voor het eerst in aanraking gebracht met
de humanistische wereldbeschouwing, die ook hen zou veroveren. De Leuvense
hogeschool, in 1426 gesticht, was het aangewezen opleidingsinstituut voor de
Zeeuwen, en van haar oprichting af komt dan ook elk jaar een schare jonge
mannen uit alle oorden van het gewest zich onder haar studenten voegen. Reeds
in de eerste kwarteeuw van haar bestaan bedraagt hun aantal een kleine
driehonderd, en ook onder haar hoogleraren waren van den beginne af tal van
Zeeuwen
134. Zijn hun namen
voor het overgrote merendeel slechts ijdele klanken voor onze oren, anders is
dit met de man die in de eerste helft der zestiende eeuw een vooraanstaande
plaats innam aan de Leuvense universiteit: Barlandus.
Hadrianus Barlandus (1486 - 1538)
135 was te Baarland geboren, misschien
uit het adellijke geslacht van die naam
136, en studeerde te
Leuven, waar hij in 1505 magister artium werd en vervolgens in 1512 een
aanstelling ontving bij het College van het Varken en in 1518 bij dat van
Busleiden. Van 1525 tot zijn dood was hij hoogleraar in de
rhetorica aan de universiteit. In 1517 leerde hij te Leuven Erasmus kennen;
eerst diens dood maakte een einde aan de vriendschap, die aanstonds uit deze
kennismaking was ontstaan
137. Barlandus heeft voor de verbreiding
van het Humanisme grote verdiensten gehad, zowel door zijn onderwijs als door
zijn wetenschappelijke werken, waaronder de ‘
Rerum gestarum a Brabantiae ducibus historia’
(1526) als zijn voornaamste geschrift geldt. Zeeland heeft hij jong verlaten en
hij is er niet blijvend weergekeerd, maar levenslang heeft hij er zijn vrienden
gehad en telkens weer herhaalt zich in zijn boeken het ‘Selandia
mea’. Met een trots en een uitbundigheid, die kenmerkend zijn voor het
humanistische levensgevoel van deze geleerde, spreekt hij in zijn kroniek van
de hertogen van Brabant van het welige Zuidbeveland met zijn bossen en zijn
boomgaarden, waar in de zomer- | | | | maanden allerlei vogels kwinkeleren,
en van zijn geboorteplaats Baarland, gezegend boven alle andere, en slechts met
het Baiae der oude Romeinen te vergelijken
138. Er is alle reden om aan te nemen dat een professor als Barlandus,
Humanist in hart en nieren, een grote invloed heeft gehad op de verbreiding van
het Humanisme ook onder de Zeeuwse studenten, al wordt ons dit nergens met
zoveel woorden meegedeeld. Zijn vele relaties met Zeeuwse geleerden kwamen al
ter sprake. InMiddelburg kende hij de abt
Maximiliaen van Bourgondië,
Joannes Becar Borsalus,
Hadrianus Cordatus en de beide Valladolids,
in Vere
Adolf van Bourgondië, diens juridische
raadsman
Petrus Zutpenius en Hubertus Barlandus, zijn
lijfarts, in Zieriksee
Wilhelmus Sagarus,
Joannes Laurentius,
Cornelius Psychroecclesius en
Joannes Machutius. Sagarus was zijn leerling
en promoveerde bij hem in 1510, nog voordat Barlandus een officiële
aanstelling als professor had ontvangen.
| |
Zeeuwse Humanisten buiten Zeeland
Barlandus is een van die vele Zeeuwen, die buiten hun geboortegrond
wonend en werkend, meer tot de roem van Zeeland hebben bijgedragen dan vele
anderen, die er gebleven zijn. De hoogste organen van de staat, de kerk en de
wetenschap hebben hun zetel nooit op de Zeeuwse eilanden gevestigd, en zo moest
dit gebied van beperkte mogelijkheden altijd weer de besten van zijn zonen aan
de dienst der hogere gemeenschap afstaan. De enige Nederlandse hogeschool was
in Leuven gevestigd; daar droegen
Johannes van Wemeldinge (†1525),
Hadrianus Barlandus,
Adriaen Cornelisz. van Brouwershaven
(± 1490 - 1556),
Pieter de Vriendt (
Petrus Amicus) (± 1500 - 1556) van
Tolen,
Pieter Peck(
Petrus Peckius) (1529 - 1589) van
Zieriksee (later raadsheer in de Hoge Raad te Mechelen),
Cornelis van Romerswale,
Cunerus Petri (± 1530 - 1580) uit
Duivendijke of
Brouwershaven (later bisschop van
Leeuwarden) en
Jan Tack(
Joannes Ramus) (1535 - 1578) uit
Goes elk naar zijn gaven bij tot de roem der Nederlandse
wetenschap en van hun Zeeuwse vaderland. Voor een jurist van de bekwaamheid van
een
Nicolaes Everaerts (1462 - 1532) uit
Middelburg of Grijpskerke, achtereenvolgens hoogleraar in de
rechten te Leuven, raadsheer in de Grote Raad te Mechelen, president van het
Hof van Holland en tenslotte van de Grote Raad, was in Zeeland geen plaats.
Matthijs Cats
uitBrouwershaven, de oom van Jacob, werd te Leuven provinciaal van
de Minderbroederorde. Anderen dwaalden nog verder van hun vaderland af: zo
Joachim Burgher (
Joachim Polites) († 1569) uit Goes,
die eerst hoogleraar te Bordeaux, later griffier te Antwerpen werd,
Pieter Capitain (
Petrus Stratageus of Capitaneus) (±
1512 - 1557), van Middelburg, eerst in Rostok, later in Kopenhagen
medisch professor,
Mattheus Galenus (1528 - 1573) uit
Westkapelle, die aan de hogescholen van Dillingen en Dowaai
theologie doceerde. Nog verder weg ging
Paulus van Middelburg (1445 - 1533), die
professor werd te Padua; hij gaf de stoot tot de invoering van de Gregoriaanse
tijdrekening. Ook zijn tijd- en vakgenoot
Guilielmus Aegidius van Wissekerke trok
naar Rome. Voor al deze geleerden en tientallen andere, theologen,
juristen, medici, mathematici, astronomen, was het vaderland te klein, en
elders dan in Zeeland ligt het veld van hun werkzaamheid. Tot het kulturele
leven in Zeeland heeft hun arbeid geen bijdrage geleverd. In hun studie over
Zeelands aandeel aan de wetenschap en het geestelijk leven zouden hun namen,
die van de een met meer, die van de ander met minder eer vermeld worden; in een
verhandeling, die een beeld wil geven van de ontwikkelingsgang van kunsten en
wetenschappen binnen Zeeland, horen hun namen echter niet thuis.
|
1Men vindt ze opgesomd in: Geschiedkundige atlas
van Nederland. De kerkelijke indeeling omstreeks 1550. I. Het bisdom Utrecht,
door S. Muller Hzn. ('s-Gravenhage, 1921), blz. 122 - 219; idem, III. Het
bisdom Doornik, door A.A. Beekman ('s-Gravenhage, 1923), blz. 99 - 111; vooral
in: Michael Schoengen, Monasticon Batavum, I - III (Amsterdam, 1941 - 1942),
met supplement op dl. I door David de Kok (Amsterdam, 1942).
2Over deze abdij zie men: R. Fruin, Het archief
der O.L.V. abdij te Middelburg ('s-Gravenhage, 1902); Henri Obreen, De
oorsprong der Middelburgsche abdij. Een kerkhistorisch onderzoek (Etudes
d'histoire dédiées à la mémoire de Henri Pirenne
(Bruxelles, 1937), p. 217 - 227); Schoengen, t.a.p., II, blz. 130 - 131 en de
aldaar genoemde literatuur.
3Cd. Busken Huet, Het land van
Rembrand 2, I (Haarlem, 1886), blz. 228 - 229.
4Zie over hem: B.N.B., VII, kol. 765 - 767
(Emile de Borchgrave), en de ald. genoemde bronnen.
5Zie over hem: De la Rue, blz. 546 - 547;
Nagtglas, I, blz. 413.
6* Chronicon B.B. Canonicorum Regularium sub S.
Praemonstratensium Observantia degentium. - Aldus bij De la Rue, blz.
547.
7Zie over hem: N.N.B.W., VII, kol. 873 - 874 (H.
J. J. Scholtens).
8‘Verstaen hebbende... datter tot
Middelburch in Zeelandt een schoone librarie, uyter abdie aldaer gecomen
zijnde, bewaert zoude wesen, ende dat van gelijcken een binnen der Veere zoude
wesen, die aldaer in weynich achtinge zijn ende genouch leggen en
vergaen’, droegen zij op 22 Juni 1575 aan
P.J. op, te bewerken dat beide
bibliotheken aan de Leidse hogeschool zouden worden afgestaan. - Molhuysen,
Bronnen, blz. 3; vgl. Bijlage no. 27.
9Zie over hem: H.F. van Heussen, Historia
episcopatuum Foederati Belgii, utpote Metropolitani Ultrajectini, nec non
suffraganeorum Harlemensis, Daventriensis, Leovar-diensis, Groningensis et
Middelburgensis (Lugd. Bat. 1719), II, p. 109; N.N.B.W., III, kol. 859 - 860
(G. Hesse); W.A. Schmitz, Het aandeel der Minderbroeders in onze middeleeuwse
literatuur (Nijmegen - Utrecht, 1936), blz. 97.
10Zie over hem: De la Rue, blz. 343 - 345;
Nagtglas, I, blz. 6; N.N.B.W., VII, kol. 10 (A. Mulder); Schmitz, t.a.p., blz.
91 - 93; Schoengen, t.a.p., I, blz. 205, en vgl. hierna, blz. 53.
11Zie over hem: Valerius Andreas, p. 297 - 298;
De la Rue, blz. 211 - 212, waar zijn werken worden opgesomd; N.N.B.W., I, kol.
1103 - 1104 (C. de Boer).
12Willem de Vreese, Het scriptorium van
‘den regulieren in onser vrowen polder’ op Walcheren (Scriptoria
Belgica, I) (Het Boek, 21 (1931), blz. 291 - 296). - Het blijkt dat de monniken
geregeld werkten voor de heren van Vere.
13Over dit klooster zie men: H.J.J. Scholtens,
De Kartuizers bij Zierikzee (Haarlemsche bijdr., 53 (1935), blz. 165 - 226);
Schoengen, t.a.p., III, blz. 138 - 139.
14Zie over hem: Valerius Andreas, p. 22; De la
Rue, blz. 535 - 536; Nagtglas, I, blz. 14; N.N.B.W., IV, kol. 69 (A. Mulder);
Scholtens, t.a.p., blz. 170 - 171, 181 - 184. - Hij schreef: ‘De laude
Cartusiana’; ‘Sermones de tempore ac sanctis per anni
circulum’, en ‘Opus exemplorum’. Het bekende ‘Speculum
exemplorum’ (Daventriae, 1481) is niet van hem; vgl. Bonaventura
Kruitwagen, O.F.M., Het ‘Speculum exemplorum’ (Bijdr. v. d. gesch.
v. h. bisdom v. Haarlem, 29 (1905), blz. 329 - 368).
15Zie over hem: Foppens, I, p. 514 - 515; B.N.B., X, p. 75 - 77 (J. Reusens); A.D.B., X, S. 71 (H. Kellner); Dictionnaire
de théologie catholique, LX, col. 296; Mattheus Verjans, Jacobus van
Gruitrode (Ons geestelijk erf, 5 (1931), blz. 435 - 470); P.J.M. van Gils,
Jacobus van Gruitrode (t.a.p., 6 (1932), blz. 230 - 231); Scholtens, t.a.p.,
blz. 171 - 172. - De titels van zijn werken bij Verjans. t.a.p. en Van Gils,
t.a.p.
16Zie over hem: Valerius Andreas, p. 291;
N.N.B.W., V, kol. 626 (J. Fruytier); Scholtens, t.a.p., blz. 174 - 175, 200 -
201.
17Over dit klooster zie men: [Joannes Latomus,]
Origo ac progressus Paradisi B. Mariae, naar een Lat. hs. in Nederl. vertaling
uitgegeven door Jacobus Ermerins, als Bijlage A achter het
‘Aanhangsel’ tot zijn Beschrijving van de gewezene stad Rommerswale
(Eenige Zeeuwsche oudheden, IV (Middelburg, 1788), blz. 195 - 221); J.G. R.
Acquoy, Het klooster te Windesheim en zijn invloed (Utrecht, 1875 - 1880), III,
blz. 67 - 70; Schoengen, t.a.p., II, blz. 155.
18Zie over hem: Valerius Andreas, Fasti
academici studii generalis Lovaniensis (Lovanii, 1650), p. 161; Oudheden en
gestichten van Zeeland, II, blz. 103 - 104; Acquoy, t.a.p., II, blz. 119, 207
n. 2; III, blz. 57, 69. - Hij was eerst prior te Nuis, te Bethlehem bij Leuven
en te Luik. Te Reimerswaal was hij de zesde prior. Reeds als profesbroeder trok
hij op het concilie te Bazel door zijn geleerdheid de algemene aandacht. Vgl.
nog: Jac. van Ginneken, Trois textes pré-Kempistes du second livre de
l'Imitation (Amsterdam, 1941), p. 109.
19Zie over hem: Acquoy, t.a.p., II, blz. 42 n.
l, 207 n. 2; III, blz. 20, 69. - Buys was doctor in het kanonieke recht. In
1475 was hij regulier kanunnik in het Windesheimer klooster te Eemstein bij
Dordrecht.
20Uitgegeven in: Opus epistolarum Des. Erasmi
Roterodami denuo recognitum et auctum per P.S. Allen [et H.M. Allen]. I - IX
(1484 - 1532) (Oxonii, 1906 - 1938). Voor de brieven na 1532 raadplege men de
oudere uitgave: Des. Erasmi Opera omnia (cura J. Clerici), III (Lugd. Bat.,
1703).
21Zie over hem: Allen, Opus epistolarum, IV, p.
392 n.; Etienne Daxhelet,
Adrien Barlandus, humaniste belge, 1486
- 1538 (Louvain, 1938), p. 296; vooral: Henry de Vocht, Literae virorum
eruditorum ad Franciscum Craneveldium, 1522 - 1528 (Louvain, 1928), p. 329 -
331. - Als zijn geboortejaar wordt doorgaans 1482 opgegeven; dat dit
waarschijnlijk in 1486 moet worden gesteld, blijkt uit de bewoordingen van de
Pauselijke oorkonde van 12 November 1518, die zijn benoeming tot abt van
Middelburg, ‘in XXXIII suae aetatis anno’ decreteert. Zie: Gisb.
Brom, Archivalia in Italië, I, 2de stuk ('s-Gra-venhage, 1909), no. 2022.
Hij was bij zijn benoeming nog geen zes maanden tot de orde der
Praemonstratensers toegetreden, zodat Leo X hem dispensatie moest verlenen van
de geldende bepalingen. ‘Juvenis ex aula subito translatus ad
monasterium’ noemt Erasmus hem (Opera omnia (Lugd. Bat., 1703 - 1706),
VIII, p. 127).
22Het hing boven het hoogaltaar in de Koorkerk
te Middelburg, en verbrandde in 1568, toen de bliksem in de Abdijtoren
sloeg.
23De opdracht is afgedrukt bij Allen, Opus
epistolarum, ep. 1563 (1525).
24Ook in zijn ‘Rerum gestarum a Brabantiae
ducibus historia’ (1526), waarin hij o.a. de brand der abdij in 1492
vermeldt, prijst hij Maximiliaen: ‘quem juvenem quidem, sed tot naturae
dotibus eximium Abbatem gratulor Selandiae terrae mihi natali’ (p. l 6
v°). - In het ‘Enchiridion, compluscula eorum, quae in Veteris
Testamenti sacris Bibliis traduntur, picturis expressa continens ... e lingua
vernacula in Latinam per G. de Branteghem’ (Antverpiae, 1535) is, aan het
eind, een brief van
Willem van Branteghem, de vertaler, aan
Maximiliaen van Bourgondië afgedrukt. Deze Kartuizer, die op het eind der vijftiende eeuw te Aalst geboren
was, was de zoon van de baljuw en ontvanger van Borsele,
Jan van Branteghem.
25Zie over hem: N.N.B.W., VI, kol. 550 - 554 (J.
Prinsen J.Lz.); J. Prinsen J.Lz., Gerardus Geldenhauer Noviomagus. Bijdrage tot
de kennis van zijn leven en werken ('s-Gravenhage, 1898).
26 Zie over hem: Prinsen, t.a.p., blz. 37-50.
Geldenhausers ‘Vita Philippi a Burgundia’ (1527) is herdrukt in:
Collectanea van Gerardus Geldenhauer Noviomagus, gevolgd door den herdruk van
eenige zijner werken, uitgegeven en toegelicht door J. Prinsen J.Lz.
(Amsterdam, 1901), blz. 223 - 247.
27Geldenhauer Noviomagus, Vita, l.c., p. 235. -
Aan de herstelling van het slot Soeburg werkten o.a. de architect
Jacobus de Barbari en Gossaert mee.
Gossaert heeft ook zijn portret geschilderd (Rijksmuseum te Amsterdam).
28‘Wallachriam a Gallia denominari mutata
g in duplex v persuasit mihi vir princeps Philippus Burgundus Oceani
praefectus, qui et hoc anno in Westcappella marmor repperit Herculis nomine
vetustissimis inscriptum literis’. - Gerardus Noviomagus, De Zelandia
epistola (in:
Martinus Dorpius, Dialogus (Lovanii,
1514), p. G 3 v°).
29Al in September 1525 werd hij door zijn
patroon en enkele andere ‘principes viri’ naar
Wittenberg gezonden, om aldaar naar de staat van kerk en school
een onderzoek in te stellen, een soort van enquête dus naar de
Hervorming, waartoe hij weldra zelf zou overgaan. - In de door De Vocht
uitgegeven briefwisseling van
Franciscus Craneveldius (1485 - 1564)
(van 1515 - 1522 pensionaris van Brugge en vervolgens lid van de Grote Raad van
Mechelen) komen negen, alle uit Zeeland geschreven brieven van Geldenhauer aan
Craneveld voor uit de jaren 1522 - 1525: De Vocht, l.c., ep. 7 (Vere, 6 Juli
1522), 27 (Soeburg, 28 November 1522), 54 (ibid., 2 Mei 1523; over de komst van
Christiaan II in Vere), 57 (ibid., 22 Mei 1523), 121 (Westhoven, 28 October
1524), 125 (Middelburg, 15 November 1524), 126 (ibid., 24 November 1524), 132
(ibid., 27 December 1524), 145 (ibid., 15 Maart 1525). Daartussen liggen
verscheidene brieven uit plaatsen buiten Zeeland geschreven.
30Zie over hem: De la Rue, blz. 215, 248 - 250;
Nagtglas, I, blz. 63; N.N.B.W., VI, kol. 169 (J. Fruytier); Annuaire de
l'université catholique de Louvain, 38 (1874), p. 397 - 412;
Félix Nève, La renaissance des lettres (Louvain etc., 1890), p.
197 - 199; Daxhelet, l.c., p. 238; vooral: De Vocht, l.c., p. 28 - 29. -
Borsalus gaf al in 1500 colleges te Leuven, en werd in 1502 toegelaten tot de
raad van de literaire faculteit. Hij was een intieme vriend van Craneveld en
van Martinus Dorpius. Een brief van Borsalus aan laatstgenoemde (uit 1508) is
afgedrukt in: Martinus Dorpius, Dialogus (Lovanii, 1514), p. E r° - E 2
vº.
31Hij is een oom van moederszijde van de hierna
te bespreken Humanist
Hubertus Barlandus.
32Allen, Opus epistolarum, ep. 291
(1514).
33T.a.p., ep. 370 (1515).
34Jan Janssen Reygersberch, Dye cronijcke
van Zeelandt (Antwerpen, 1551),blz. B r°.
36Geldenhauer Noviomagus, De Zelandia epistola,
l.c., p. G 4 rº.
37Geldenhauer Noviomagus, Collectanea, t.a.p.,
blz. 171, 173.
38Pluscule Esopi Phrygis et Aviani fabulae
(Hantverpiae, 1512), p. A 2 r° - A 3 r°. - Vgl. Daxhelet, l.c., p. 238
- 241.
39Hadrianus Barlandus, Opusculum de amplificatione
oratoria (Lovanii, 1536), p. A 2 r° - vº. Ook afgedrukt bij Daxhelet,
l.c., p. 330 - 331.
40Hadrianus Barlandus, Libelli tres (Antverpiae,
1520), p. A v° - A 2 v°. Ook afgedrukt bij Daxhelet, l.c., p. 274 -
276.
41Allen, Opus epistolarum, ep. 737 (1517), ep. 805
(1518). - Brieven van Erasmus aan hem: ep. 952 (1519) en 1860 (1527); brieven
van hem aan Erasmus: ep. 291 (1514), 320 (1515), 370 (1515), 932 (1519), 1321
(1522), 1787 (1527), 1851 (1527), 1898 (1527) en 1984 (1528).
42Erasmus, Familiarum colloquiorum formulae
(Coloniae, 1525), p. Y 4 r°.
43Zie over hem: De la Rue, blz. 538 - 539;
Nagtglas, I, blz. 136 - 137; N.N.B.W., VII, kol. 323 (J. Fruytier); De Vocht,
l.c., p. 175 - 176, 401. - De Vocht veronderstelt dat Cordatus de Latijnse
vertaling is van de familienaam De Wijze.
44Reygersberch, t.a.p., blz. B r°.
45Dezelfde commendatio vindt men ook op het
titelblad van de ‘Libelli tres’ (1520) en vóór de
herdrukken van dit boekje.
46Jason Pratensis, De tuenda sanitate (Antverpiae,
1538), p. 4 r°.
47Hij was in het bezit van dit pastoraat gekomen
door afstand van de aanstonds te noemen
Simon Henrici van Wissekerke (Fruin,
t.a.p., I, 381, R. 1231) en verkreeg later ook een vicariaat in de Westmonster- of Sint-Maartenskerk, wat de veronderstelling wettigt als zou hij identiek zijn
met magister
Adrianus Johannis de Wissekerke, die in
1521/22 in dit vicariaat werd ingesteld (Fruin, t.a.p., I, 349; R. 1272 en
1275). Hij zou dan uit een der beide Wissekerkes afkomstig, misschien ook
geboortig zijn.
48Fruin, t.a.p., I, 527, R. 1287, 1288,
1289.
49Geldenhauer Noviomagus, De Zelandia epistola,
l.c., p. G 4 rº. - Geldenhauer droeg hem ook een van zijn ‘Satyrae
octo’ (1515) op. - Collectanea, t.a.p., blz. 173.
50Allen, Opus epistolarum, ep. 681 (1517).
51Hadrianus Barlandus, Libelli tres, l.c., p. C
4.
52Hadrianus Barlandus, Jocorum veterum ac
recentium duae centuriae (Lovanii, 1524), p. a rº - a 3 rº.
54Vgl. hierna, blz. 156, en J.G. de Hoop
Scheffer, Geschiedenis der kerkhervorming in Nederland (Amsterdam, 1873), II,
blz. 505 - 509.
55* Publius Virgilius Maro, Opera ex recensione
Augustini Vincentii Caminadi [Pa-risiis, Joanni Philippi, 1501] (4to). - Aldus
geciteerd in: G. Knod, Aus der Bibliothek des Beatus Rhenanus (Leipzig, 1889),
S. 50.
56Naar zijn hs. werden ze in 1518, vol fouten,
voor de eerste maal gedrukt. Erasmus bezorgde toen zelf onmiddellijk een
gecorrigeerde uitgave, die in 1519 bij
Frobenius het licht zag. In de voorrede
van deze editie spreekt hij over Caminadus als een onverzadigbare dief
(laverna), die alles wat Erasmus beweerde, placht op te tekenen, en als een
Aesopische kraai, die zijn eigen mengelmoesje bij Erasmus' woorden voegde,
evenals een kok verscheidene soepen door elkaar giet. Uit de hele inleiding
spreekt Erasmus' heftige antipathie tegen deze toen reeds enkele jaren
overleden jeugdvriend.
57Allen, Opus epistolarum, ep. 128 (1500). Het
uitbreken van de pest maakte weldra een einde aan deze voorlezingen; vgl. ep.
129 (1500).
58L.c., ep. 131 (1500), 136 (1500), 156 (1501),
alle drie van Erasmus aan Caminadus. In een brief (ep. 81 (1498)) aan Willem
Hermans schrijft Erasmus over hun verhouding: ‘Nihil synceri amoris inter
nos neque est neque fuit unquam, tantum est discrimen
ingeniorum’.
59L.c., ep. 133 (1500) en 138 (1500).
60Kesteloo, Stadsrek., III, blz. 306, 333; Unger,
Bronnen, II, blz. 423, 425, 426, 428.
61Zie over hem: De la Rue, blz. 559 - 560;
Nagtglas, II, blz. 989; N.N.B.W., VII, kol. 1329 (J. Fruytier).
62Habet (sc. Zelandia) et Simonem Wiskerkenum
jureconsultum prudentissimum et multijuga eruditione instructum. - Geldenhauer
Noviomagus, De Zelandia epistola, l.c., p. G 4 rº.
63Fruin, t.a.p., R. 1113, 1210, 1227 en
1231.
64Zie over hem: Fruin, t.a.p., I, 382, R. 1355;
P.M. Grijpink, Register op de paro-chiën, altaren, vicarieën en de
bedienaars zooals die voorkomen in de middeleeuwsche rekeningen van den
officiaal des aartsdiakens van den Utrechtschen Dom. I. Quatuor officia
Flandriae, Wallacria, Scaldia, Zuidbevelandia (Amsterdam, 1914), Wallacria,
blz. 89; Daxhelet, l.c., p. 277 - 278.
65Deze brief gaat vooraf aan de ‘Catalogus
episcoporum Traiectensium’ in de ‘Libelli tres’, l.c., p. D 4
v° - E 2 r° en is ook afgedrukt bij Daxhelet, l.c., p. 278 -
281.
66Epitaphium D. Joannis Valeolaeti decani S. Petri
apud Middelburgum. - In: Theophilacti Bulgariae archiepiscopi epistola cum
primis elegans ac pia, interprete Alardo Aemstelredamo (z. pl. en j.; Leuven,
1541?), p. F 6 vº. - In hetzelfde boekje een ‘Epitaphium
Agathae Valeolaetae singularis pauperum
adjutricis’, p. F 6 r°. Misschien was deze Agatha een zuster van
Joannes en Jacobus.
67Fruin, t.a.p. en Grijpink, t.a.p. noemen hem
niet onder de Middelburgse pastoors. - Een tijdgenoot van Joannes en Jacobus is
meester
Jacob de Valodolyt, die in 1536/37
schepen en in 1551/52 burgemeester van Middelburg was. De Jacobus, filius
Jacobi Vallodolyt, die in 1557/58 het vicariaat van Sint-Pieter in de parochie
van Noordmonster krijgt (vgl. Grijpink, t.a.p., Wallacria, blz. 79), is
waarschijnlijk een zoon van hem. - Een broeder
Jan Valladolydt, procurator van de
Augustijnen te Middelburg, stond in 1558 drie anabaptistische ketters bij hun
terechtstelling bij. - K. R. Pekelharing, Bijdragen voor de geschiedenis der
Hervorming in Zeeland, 1524 - 1572 (Archief Z.G.d.W.., VI (1865), blz. 225 -
316), blz. 259.
68Alardus Amstelredamus, Ritus edendi paschalis
agni (Amstelredami, 1523), p. l v°: A.A. Iacobi Valeoloeto Middelburgensi
S. D. - Vgl. J.F.M. Sterck, Onder Amster-damsche Humanisten (Hilversum -
Amsterdam, 1934), blz. 38 - 46. - De brief eindigt met de groeten aan Jacobus'
broer Joannes en zijn dierbare vriend Cornelius. Is met de laatste wellicht
Cornelis de Psychroecclesiis bedoeld? Ook deze behoorde tot de vriendenkring
van Barlandus.
69Alardi Aemstelredami Natalitium carmen in
pacis eucomium, studiosae apud Aemstelredamum juventuti ex tempore dictatum, ab
eademque sub natalem domini canta-tum, ad Jacobum Valeolaetum. - In: Epistola
Cornelii Croci Aemstelredami, solidis novi potissimum instrumenti testimoniis
luculenter evincens verissimam esse D. Jacobi de fide et operibus sententiam...
Cum praefatione Alardi Aemstelredami (Coloniae, 1531), p. E 3 vº - E 7
r°.
70Een uittreksel van deze brief is meegedeeld
in: Jan Wagenaar, Amsterdam (8vo-ed.), XI (Amsterdam, 1767), blz. 192.
70aTerloops moet in dit verband ook de naam van
mr.
Pieter de Smet (of de Smidt).
‘gezeijt
Vulcanius’, worden genoemd, die
van 1549 - 1557 pensionaris van Middelburg was. Zie over hem: Kesteloo,
Stadsrek., IV, blz. 46; Unger, Bronnen, II, blz. 490 - 492, 494, 495, 498; De
Vocht, l.c., p. 614 - 615. - De Smet was te Brugge geboren, werd in 1523 te
Leuven geïmmatriculeerd en eind 1532 of begin '33 pensionaris van zijn
geboortestad. Toen hij in Middelburg was aangesteld, kwam hij van Leuven, en
uit Middelburg trok hij naar Mechelen. Hij is de vader van de bekende Leidse
Graecus
Bonaventura Vulcanius (1538 - 1615). In
Leuven kwam hij met Erasmus in contact, die hem ‘πολυγλωττος’ noemde.
In 1527 werd hij, misschien door Erasmus' bemiddeling, gouverneur van
Charles Blount, de zoon van William
Mountjoy (vriend en raadsman van
Hendrik VIII), die eenmaal Erasmus'
eerste en zeer begaafde leerling was geweest. Misschien was
De Smet tevoren in Erasmus' dienst
geweest. Brieven van Erasmus aan hem: Allen, Opus epistolarum, ep. 2460 (1531);
Des. Erasmi Opera omnia, l.c., III, ep. 1246 (1533). In de laatste brief wenst
hij Vulcanius en zijn geboortestad hartelijk geluk met zijn benoeming tot
pensionaris. Een briefje van de Leuvense hoogleraar
Petrus Nannius (1500 - 1557) aan
Vulcanius, uit 1551, is afgedrukt in: Amédée Polet, Une gloire de
l'humanisme belge. Petrus Nannius (1500 - 1557) (Louvain, 1936), ep. 60. -
Nannius was een van de leermeesters van Bonaventura Vulcanius.
71Zie over haar: Ermerins, Eenige Zeeuwsche
oudheden, III, 1, blz. 118 - 133; L.M.G. Kooperberg, Anna van Borssele, haar
geslacht en haar omgeving (Archief Z.G.d.W., 1938, blz. 1 - 88).
72Vgl. A. Hulshof, Le livre français
à la bibliothèque de l'université d'Utrecht (Utrecht,
1938), p. 9 - 10. - Het hs. van Beka bevindt zich thans in de
Bibliothèque nationale te Parijs, dat van Augustinus in de
Universiteitsbibliotheek te Utrecht.
73Zie over hem: N.N.B.W., VIII, kol. 57 (C.
Slootmans); C.J.F. Slootmans, L. Merkelbach van Enkhuyzen en J.P.A. Smit,
Halsteren, zijn geschiedenis en zijn archief (Bergen op Zoom, 1939), blz. 257 -
260. - Battus heet wel uit Bergen-op-Zoom geboortig te zijn, maar op grond van
zijn naam is het ook mogelijk dat het nabijgelegen dorp Bat op Zuidbeveland
zijn geboorteplaats is. Wie in een klein en onbetekenend dorp was geboren, gaf
immers meermalen niet dit, maar de nabijgelegen stad als zijn plaats van
herkomst op.
74Het boek is echter pas in 1518 te Keulen
gedrukt; zie B.B, E 285.
75Guiliermi Hermani Goudensis theologi ac poetae
clarissimi Sylvus odarum (Parisiis, 1497), p. b 8 r° - c v°.
76Brieven van Erasmus aan hem: Allen, Opus
epistolarum, ep. 42 (1495?), 80 (1498), 90 (1499?), 91 (1498/99), 95, 101, 102
(alle 1499), 119, 123, 124, 128, 129, 130, 133, 135, 138, 139 (alle 1500), 146,
151, 163 (alle 1501). Een brief van Battus aan
William Blount, lord Mountjoy, Erasmus'
adellijke leerling te Parijs: ep. 120 (1500).
77Vgl. o.a. l.c., ep. 139 (1500) en 146
(1501).
78L.c., ep. 145 (1500/01).
79In de zomer van 1501 ging Erasmus met een boot
van Dordrecht naar Zieriksee, wegens de derdedaagse koorts van zijn jonge
bediende, wiens moeder aldaar woonde (ep. 155). Erasmus bleef er verscheidene
dagen, tot hij, bang ook zelf ziek te worden, uit Zeeland, ‘id est ab
inferis’ (‘ik mag wel zeggen uit de hel’) overhaast de vlucht
nam (ep. 157). Dat Erasmus Anna niet te spreken kreeg, kwam omdat deze in haar
eigen kasteel onder bewaking was gesteld, op verdenking van medeplichtigheid
met de provoost van Sint-Pieter te Utrecht,
Nicolaes van Bourgondië, die op
politieke gronden gearresteerd was.
80Allen, Opus epistolarum, ep. 170 (1502) aan
Jacobus Voecht.
81Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 24 -
25.
82Uit een brief van hem uit 1517 aan Erasmus
(ep. 573) blijkt, dat hij toen meer dan twee jaar in Groningen ondermeester was
aan een school, waar hij nauwelijks meer verdiende dan zijn kleren. Hij riep
toen Erasmus' hulp in om terug te kunnen keren naar Brabant, dat hij zijn
geboorteland noemt, zodat hij in Bergen-op-Zoom geboren zal zijn, en wel tussen
± 1492 en ± 1496, de jaren dat zijn vader daar woonde. Erasmus
ried hem echter aan, te trachten het voorlopig in Groningen uit te houden (ep.
839; waarschijnlijk is deze brief, uit 1518 (?), het antwoord op een latere,
verloren, brief van Battus). In een aanbevelingsbrief aan
Marcus Laurinus, kanunnik te Brugge,
noemt hij hem: ‘juvenis bene linguax satisque doctus, sed loripes’
(ep. 840). Van verdere correspondentie met Battus blijkt uit Erasmus' brieven
niets.
83Zie over hem: N.N.B.W., VIII, kol. 189 - 194
(L.M.G. Kooperberg); Ermerins, Eenige Zeeuwsche oudheden, III, 2, blz. 28 - 69.
-
Hadrianus Barlandus droeg het derde deel
(de biografie van
Karel de Stoute) van zijn ‘Libelli
tres’ (1520) aan hem op.
84Allen, Opus epistolarum, ep. 93 (1498/99);
opgenomen in de ‘Lucubratiunculae aliquot’ (1503).
88Zie over hem: Daxhelet, l.c., p. 289.
89In omnes Erasmi Roterodami Adagiorum chiliadas
epitome, ad commodiorum usum studiosorum utriusque linguae conscripta, per
Hadrianum Barlandum (Lovanii, 1521), p. A rº - A 2 vº. - De opdracht
is afgedrukt bij Daxhelet, l.c., p. 290 - 291.
90Hij leerde hem in 1519 kennen, zoals blijkt uit
ep. 952 (1519), aan Joannes Beker van Borselen, en schreef hem nog hetzelfde
jaar een brief: ep. 1005 (1519).
91Uit de opdrachtverzen van Meyerus (‘Haec
cuncta prudentissimo Habes reposita pectore’) blijkt Zutpenius'
historische kennis, althans zijn belangstelling in geschiedenis. Aangezien
Meyerus in 1552 stierf, moet Zutpenius vóór dat jaar gestorven
zijn. - Een en ander is ontleend aan Daxhelet, l.c., p. 289; het hier te lande
enig bekende ex. van het ‘Compendium’, in de Nat. Bibl. te
's-Gravenhage, kon ik nl. niet raadplegen.
92Zie over hem: Van der Aa, S, blz. 254 - 255;
Nagtglas, II, blz. 675 - 676; De Wind, blz. 115 - 119; Kampinga, t.a.p., blz.
XXIX - XXX, 8 - 12 en passim. - Een brief van hem aan Erasmus: ep. 458
(1516?).
93Herasmi Roterodami Silva carminum antehac
nunquam impressorum (Gouda, 1513).
94O.a. ‘Psalterium Davidicum paraphrasibus
illustratum’ (1535), ‘De libertate Christiana’ (1550), en een
groot aantal werken in hs., opgesomd bij Van der Aa.
95Zie over hem: De la Rue, blz. 443; Nagtglas,
I, blz. 16; N.N.B.W., I, kol. 220 - 221 (C. de Waard); Daxhelet, l.c., p. 330.
- Zijn werken in B.B., B. 291 - 293. - Zijn sterfjaar is onbekend; in 1544
schreef hij nog, uit Vere, een brief aan de Antwerpse medicus
Petrus Morbecanus.
96Allen, Opus epistolarum, ep. 2172 (1529). Een
brief van hem aan Erasmus: ep. 2081 (1528).
97Tevoren had hij o.a. in Namen gewoond en
aldaar in
Antonius van Glymes, gouverneur van
Luxemburg en Namen, een beschermer gevonden. Klaarblijkelijk heeft deze
Barlandus aan zijn zwager Adolf van Bourgondië aanbevolen.
99Ermerins, Eenige Zeeuwsche oudheden, III, 2,
blz. 70 - 114.
100Allen, Opus epistolarum, ep. 301
(1514).
101L.c., ep. 1860 (1527).
102L.c., ep. 1859 (1527). Het briefje raakte
zoek: ep. 1898 (1527), waarom Erasmus hem een ander schreef: ep. 1927
(1528).
103L.c., ep. 1949 (1528).
104 L.c., ep. 2200 (1529).
105Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 352 - 354. -
Vgl. hierna, blz. 54.
106Zij was een dochter van
Pieter Carbonier, burgemeester en
rentmeester van Vere, die zich voor zijn dochter een aanzienlijker en
welgestelder echtgenoot had gedacht, en daarom aanvankelijk tegen het huwelijk
was, dat niettemin in 1560 plaatsvond. De Heere verbleef in 1577 korte tijd in
Middelburg; hij was inmiddels, wellicht ook onder invloed van zijn vrouw, tot
het Hervormde geloof overgegaan. Hij stierf te Gent in 1584; zijn weduwe wordt
enkele maanden na zijn dood weer te Middelburg vermeld. Pieter Carbonier heeft
zelf ook gedichten geschreven; zijn schoonzoon noemt hem een ‘natuerlic
poëet’ (Den hof en boomgaerd der poësien (Ghendt, 1565), blz.
63), maar er is geen werk van hem bewaard. Eleonora beoefende eveneens de
dichtkunst; we bezitten van haar een vijftal versregels, waarin zij de zojuist
aangehaalde bundel van haar man bij de lezer aanbeveelt (t.a.p., blz. 2), en
verder een ‘Sonet ghetranslateert by d'huusvrouwe vanden autheur, uut een
Françoys sonet bi heur ghemaect op een schilderye van
M. Willem Key t'Antwerpen’ (t.a.p.,
blz. 60), maar geen van beide geven ons een hoge dunk van haar ervarenheid in
de poëzie.
107Reeds eerder had het huwelijk van Anna van
Bourgondië met
Adriaen van Borselen de grondslag gelegd
van een Zeeuws-Bourgondische dynastie, maar Anna stierf in 1508
kinderloos.
108Zie over hem: De la Rue, blz. 343; Nagtglas,
II, blz. 573 - 574; De Vos, De vroedschap van Zierikzee, blz. 145, 146. De
inventaris van zijn boedel is door J.P.N. Ermerins afgedrukt in Archief
Z.G.d.W., III (1878), blz. 213 - 229. - Valerius Andreas (ed. 1643, p. 247)
vertelt dat hij een aanspraak hield tot Karel V, toen deze na zijn terugkomst
uit Afrika Zieriksee bezocht. Deze rede was in Valerius Andreas' dagen nog in
het stadsarchief aanwezig. - Dat ook hij Craneveld kende blijkt uit een brief
van Sagarus aan deze Humanist; vgl. De Vocht, l.c., ep. 147 (1525).
109Hij is voor het eerst (?) gedrukt in:
‘Historica Hadriani Barlandi’ (1603), p. 276 - 282, met een
‘Carmen Barlandi extemporale ad Guilielmum Za[garum] ut amici epistolam
dono missam laeta fronte excipiat’ (p. 282).
110Zie over hem: De la Rue, blz. 560 - 562;
Nagtglas, II, blz. 568 - 569; N.N.B.W., VI, kol. 1215 (J. Fruytier); M. van
Rhijn, Wilhelmus Sagarus, in: Studiën over Wessel Gansfort en zijn tijd
(Utrecht, 1933), blz. 163 - 169; idem, Wilhelmus Sagarus (Ned. arch. v.
kerkgesch., 30 (1938), blz. 27 - 30); De Vocht, l.c., p. 403 - 404. - In 1507
werd hij te Leuven geïmmatriculeerd. Waarschijnlijk heeft hij daar
humaniora en later in Orleans rechten gestudeerd. Klaarblijkelijk is hij de
Guiliam Segers, die in 1530 te
Middelburg raadsheer was in een ketterproces; vgl. De Hoop Scheffer, t.a.p.,
blz. 510, 480. - Hij was bevriend met Geldenhauer en met Craneveld; een brief
van Sagarus aan laatstgenoemde is afgedrukt bij De Vocht, l.c., ep. 147
(Zieriksee, 1525). In een brief aan
Joachim Polites (1535) noemt
Nicolaes Clenardus Sagarus als degene
die Polites er toe heeft overgehaald, zijn medische studies te verwisselen voor
die van de rechten. Zie: Nic. Clenardus, Epistolarum libri duo (Antverpiae,
1566), p. 85.
111Aldus vermeldt
Albertus Hardenberg in zijn ‘Vita
Wesseli Groningensis’ (vóór de: Opera M. Wesseli Gansfortii
Groningensis (Groningae, 1614), p. 15), alwaar ook de bekende geschiedenis van
Sagarus' bezoek aan het klooster Aduard en zijn belangstelling voor Wessel
Gansfort, aan wiens werken hij veel te danken had. Vgl., C. Ullmann,
Reformatoren vor der Reformation 2, II (Gotha, 1866), S. 523 - 524;
M. van Rhijn, Wessel Gansfort ('s-Gravenhage, 1917), blz. 254 - 255 en
LV.
113Het opschrift van de opdracht luidt:
‘Joanni Laurentio Ziriceo, bonarum literarum studiosissimo juveni’.
- Vgl. Daxhelet, l.c., p. 307 - 308, alwaar de opdracht is afgedrukt.
114Zie over hem: De la Rue, blz. 325. - Voor
Jason Pratensis' ‘Libri duo de
uteris’ (Antverpiae, 1524), p. a v°, schreef hij een Latijns
lofdicht, waarin hij zijn naam vergriekst tot
Cornelius Apyroneus.
115Zie over hem: De la Rue, blz. 519; Nagtglas, I,
blz. 385.
116Zie over hem: De la Rue, blz. 323 - 325;
Nagtglas, II, blz. 435 - 436, 1092; Fokker-De Man, blz. 130 - 131; N.N.B.W.,
II, kol. 1127 - 1128 (A. Geyl); P.D. de Vos, Jason Pratensis, een vermaard 16e
eeuwsch geneeskundige (Zierikzeesche Nieuwsbode, 4 Mei 1934). - Adriaen Hoffer
schreef Latijnse lofdichten voor een ge-denkbord, te zijner eer opgehangen in
de oude Colvenierskapel van de Sint-Lievensmon-sterkerk; zie Zel. Ill., I, blz.
402. Zijn portret, t.a.p., I, blz. 430.
117In 1538 trok hij naar Vere, in 1541 is hij
echter weer te Zieriksee, waar hij ook in 1545 nog of weer woonde. In 1548 werd
hij poorter van Vere, waar hij van 1549 tot 1554 schepen was. Kort daarop
keerde hij naar Zieriksee terug. Barlandus schrijft in zijn brief aan Sagarus
(l.c., p. 282), vernomen te hebben dat Jason Pratensis naar Goes is verhuisd,
‘quod dolui vehementer: et gavisus sum vehementer, quod tua jucundissimi
amici consuetudine privatus esses, et quod ego hominem qui me effusissime
diligit, tum favet impensissime: patriae meae viciniorem haberem’. Voor
Goes zal men wel Vere moeten lezen, waarheen Pratensis dan ook reeds lang
vóór 1538 (1520?) verhuisd zou zijn. Of heeft hij inderdaad ook
een tijd in Goes gewoond? Een van zijn zoons, mr.
Lieven van Pratis, werd er in 1543
stadsdokter (‘Register van resolutiën, ordonnantiën, accoorden
en andere aanteekeningen beginnende met 1474’, fol. 153). Deze vestigde
zich later in Brouwershaven, waar hij in 1547 veroordeeld werd wegens
belediging van de secretaris der stad.
118Nagtglas veronderstelt dat Pratensis' kennis
van de zwangerschap invloed heeft gehad op zijn aanstelling tot lijfarts van
Maximiliaen van Bourgondië, wiens huwelijk na het sterven van een zoontje
kinderloos bleef.
119De titels van deze werken luiden: ‘De
uteris’ (Antverpiae, 1524); ‘De pariente et partu’ (s.l.,
1527); ‘De arcenda sterilitate et progignendis liberis’
(Antverpiae, 1531); ‘De tuenda sanitate’ (Antverpiae, 1538);
‘De cerebri morbis curandis’ (Basileae, 1549). De eerste drie
werkjes werden herdrukt (Amstelodami, 1657), eveneens het vierde (Antverpiae,
1558). Bovendien werd in de Nederlandse vertaling van het bekende werk van
Eucharius Röslin de Oude, ‘Den roseghaert vanden bevruchten
vrouwen’, van de uitgave van 1529 af een fragment opgenomen uit het
eerstgenoemde geschrift van Pratensis, ‘die een dat alder costelijcste
tractaet in latijn heeft bescreven vander vroe-vrouwen conste’. Zie: C.E.
Daniëls und E.W. Moes, Eucharius Röslins Rosengarten (Centralblatt
für Bibliothekswesen, 16 (1899), S. 113 - 126). - In een afzonderlijke
studie over deze Humanist hoop ik een bibliografie van zijn werk op te
nemen.
121Een brief van hem aan Pratensis is gedrukt
achter in diens ‘De uteris’, p. 63b.
122Een aanzienlijk en machtig man, die echter een
ongelukkig levenseinde had; in 1535 aan het Hof in Brabant ontboden, werd hij
wegens fraude ‘aldaer in sijnen arm doodt ghelaten’. - Zie over
hem: Van der Aa, H, blz. 198; De Vocht, l.c., p. 346 - 347. - Hij behoorde tot
de vriendenkring van Craneveld.
123Vgl. hierna, blz. 52 - 53. Pratensis schreef
voor de ‘Cronijcke van Zeelandt’ (1551), blz. A 4 r°, een
lofdicht: D. Jason a Pratis medicus Veriensis ad amicum et candidum
lectorem.
124Voor elk der ‘Satyrae octo’ (1515)
van Geldenhauer schreef hij een ‘argumentum’; ed. Prinsen, t.a.p.,
blz. 149 - 176.
125Zie over hem: De Vos, De vroedschap van
Zierikzee, blz. 2 - 4.
126Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 321 - 324;
N.N.B.W., I, kol. 1013 - 1016 (A.A. van Schelven); Biogr. wdb. v. Protest,
godgel., III, blz. 439 - 446 en de aldaar genoemde literatuur. - Waarschijnlijk
behoorde deze theoloog tot het geslacht van Witte van Haemstede.
127Zie over hem: De la Rue, blz. 313 - 317;
Nagtglas, II, blz. 65 - 68; N.N.B.W., VIII, kol. 1028 - 1031 (J. Fruytier);
Fokker-De Man, blz. 103 - 106; F. Nagtglas, Levinus Lemnius en Zierikzee in de
eerste helft der zestiende eeuw (Zeeuwsch jaarboekje en Middelburgsche
naamwijzer, 1869, Mengelwerk, blz. 3 - 32). - C. Boy en Adriaen Hoffer schreven
Latijnse lofdichten voor een gedenkstuk, te zijner eer geplaatst in de
Vleeshouwerskapel van de Sint-Lievensmonsterkerk; zie Zel. Ill., I, blz. 402 -
403. Zijn portret t.a.p., I, blz. 430.
128De verkorte titels van deze werken luiden als
volgt: ‘Libelli tres’ (1. De astrologia. 2. De vitae termino. 3. De
honesto animi et corporis oblectamento) (Antverpiae, 1552); ‘Occulta
naturae miracula’ (Antverpiae, 1559); vermeerderde herdruk hiervan:
‘De miraculis occultis naturae’ (Francofurti, 1564); ‘De
habitu et constitutione corporis’ (Antverpiae, 1561); ‘Herbarum
atque arborum quae in Bibliis passim obviae sunt explicatio’ (Antverpiae,
1566); ‘Similitudinum ac parabolarum quae in Bibliis ex herbis atque
arboribus desumuntur explicatio’ (Antverpiae, 1569); ‘De
complexione’ (Erphor-diae, 1582). - Bijna alle werden herhaaldelijk
herdrukt. De ‘Occulta naturae miracula’ bevatten een hoofdstuk over
de geschiedenis van Zeeland; vgl. hierna, blz. 52. In een afzonderlijke studie
over deze geleerde Humanist hoop ik een bibliografie van zijn werken te
geven.
129Lemnius droeg dit werk op aan
Mattheus van Heeswijk, abt van de
Norbertijner-abdij van Middelburg, en de tweede, vermeerderde druk aan koning
Erik XIV van Zweden, bij wie zijn zoon
Willem Lemnius (± 1530 - 1577) lijfarts was. Over deze Willem Lemnius
zie: De la Rue, blz. 312 - 313; Nagtglas, II, blz. 68 - 69; Fokker-De Man, blz.
106; Olof Hult, Vilhelmus Lemnius och Benedictus Olai, lifmedici hos Eric XIV
och Johan III (Stockholm, 1918), blz. 1 - 46. De ‘Occulta naturae
miracula’ werden op de Spaanse lijst der verboden boeken van Quiroga
(1583/84) geplaatst, waar ze tot 1900 op bleven staan.
130Zie over hem: De la Rue, blz. 325 - 326;
Nagtglas, II, blz. 725; De Vos, De vroedschap van Zierikzee, blz. 11 - 14. De
familie Suys, hoewel uit Dordrecht afkomstig, bezat in Zeeland vele goederen.
Jacobs vader, Daniël Suys, was in 1508 poorter van Zieriksee geworden, en
zat er sinds 1533 in de vroedschap. In 1540 werd hij genoemd onder de
ridderschap en edelen van Zeeland.
131Carmina tam sacra quam prophana, ex bibliotheca
Iacobi Susii D. F. P. N. Lugduni Batavorum, ex officina Plantiniana, apud
Franciscum Raphelengium, 1590 (40 blzn.; 8vo) (U.B., Leiden).
132Zie over hem: Nagtglas, blz. 39; Fokker-De
Man, blz. 9 - 10; N.N.B.W., VII, kol. 133 (A. Mulder); Ned. tijdschr. v.
geneesk., 1864, blz. 369.
133Het licht der medecijnen ende cyrurgien, int
welcke ghy vinden sult goeden raet ende remedie tot alle gebreken des menschen
lichaem, vanden hoofde totten voeten, als te weten, die iiij. complectien der
menschen. Wat een medecijn meester behoort te weten. Van astronomie. Van
vrijnen te iudiceren. Van alle gebreken der vrouwen. Sommige vraghen der
natueren des menschen. Leeringhen ende curatien der cyrurgien. Tabule der
anatomie. Van siecten ende ghebreken te cureren. Gemaect door M. Joachim
Hubrechtsz van Bieselingen, medecijn tot Middelborch. Gheprint Thantwerpen op
die Lombaerde veste in den witten Hasewint, by my Jan van Ghelen (208 blzn.;
8vo) (U.B., Amsterdam).
135Zie over hem: De la Rue, blz. 441-443;
Nagtglas, I, blz. 16; B. N. B., I, p. 718-722 (E. Reusens); Annuaire de
l'université catholique de Louvain, 38 (1874), p. 386-397; Nève,
l.c., p. 194 - 197; Et. Daxhelet, Adrien Barlandus et les débuts de
rhumanisme belge (Bulletin de l'Institut historique belge à Rome. 1935,
p. 99 - 106); Etienne Daxhelet, Adrien Barlandus, humaniste belge (1486 -
1538). Sa vie - son oeuvre - sa personnalité (Louvain, 1938). - Zijn
geschriften worden opgesomd en met hun verschillende drukken beschreven in
B.B., B l, 26, 250 - 290.
136Men zou dit kunnen afleiden uit het feit dat
hij te Baarland ‘sub moderatoribus’ zijn eerste opleiding ontving.
- Zijn vader, Cornelis, was grondbezitter. De naam van zijn moeder, die in 1531
stierf, luidde Dulcia, d.i.
Zoetje (Libri tres (1532), p. P 8
v°). Een broer van hem was
Cornelis van Baerland, die blijkens een
aan hem gerichte brief van Adriaen (Allen, Opus epistolarum, ep. 492 (1516);
vgl. Daxhelet, l.c., ep. 24), waarin deze de tot dusver van Erasmus verschenen
werken opsomt, eveneens belangstelde in de humanistische wetenschap van zijn
tijd, maar over wie verder geen andere bijzonderheden bekend zijn, dan dat hij
omstreeks 1516 te Leuven in de rechten studeerde.
137Brieven van Erasmus aan hem: Allen, Opus
epistolarum, ep. 646 (1517?), 1050, 1051 (beide 1519), 1163 (1520), 1204
(1521), 1584 (1525) en 1694 (1526); brieven van hem aan Erasmus: ep. 510
(1517), 647 (1517) en 2025 (1528).
138‘Est haec (se. Suytbevelandia) omnium
Selandiae insularum amoenissima, sylvas habet locis aliquot, hortos quoque in
quibus est quicquid natura produxit herbarum esculentarum. Pomaria passim
amplissima. Hic mensibus vernis omne avium genus sub-silire, circumvolitare,
colludere, deliciari videas, hic vel studere, vel obambulare, vel cum amiculo
confabulari, vel cibum capere, vel cum sodalibus lusitare summa est voluptas.
Gouse oppidulo quod dixi vicina est patria mea Barlandia, locus adeo et
fertilitate ac rerum copia, et aedificiis et littoris amoenitate praestans, ut
non immerito de hac dicere possim, quod de Baijs Horatius dixit: Nullus in orbe
locus Baijs praelucet amoenis: Item Poêta Martialis: Ut mille laudem
Flacce versibus Baias laudabo digne non tamen satis Baias. Totus locus pratis
irriguis, parvisque cinctus est nemusculis. Dignam studijs, dignam musis sedem
diceres’. - Hadr. Barlandus, Historica (Coloniae, 1603), p. 243 -
244.
|
|