auteur: P.J. Meertens
bron:
P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en
de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers
Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van
Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2000 dbnl / erven P.J. Meertens

|
|
| |
| | | |
Neo-Latijnse dichters
Alvorens onder invloed van het Humanisme ook in het kulturele leven
van de Nederlanden de moedertaal het voornaamste voertuig van de dichtkunst
werd, gaf deze geestesstroming de stoot tot een herleving van de Latijnse
poëzie
139. De hernieuwde studie der klassieke
schrijvers leidde tot herontdekking van het klassieke Latijn en vervolgens ook
van de dichters der Oudheid, en weldra was uit bewondering navolging geboren.
Op het voetspoor van
Petrarca legt men zich overal in Europa,
maar in het bijzonder in Italië, Frankrijk,
Duitsland en de Nederlanden in de kloosterscholen en daarbuiten
toe op een sierlijke op klassieke leest geschoeide vorm, welke vooral die der
poëzie was. Aldus wordt de zestiende eeuw het tijdvak van het
Neo-latinisme. Het gebruik van de internationale geleerdentaal heft het
isolement der nationale literaturen op, en brengt de auteurs in
één grote internationale gemeenschap samen, die de vrijmaking van
de mens uit de middeleeuwse gebondenheid beoogt en de vorming van de geest
(humanitatis studia) als naaste doel van haar streven ziet. Het middeleeuwse
monnikenlatijn wordt een archaïsme en verdwijnt weldra geheel; de nieuwe
stijlrichting neemt de literatuur snel voor zich in. Tegelijk ontstaat een
sociale differentiatie in de letterkunde; de moedertaal blijft het terrein van
de rederijkers, het volksboek en de stichtelijke lectuur, waarin de ambachtsman
en de arbeidende klasse hun denkbeelden en wereldbeschouwing weerspiegeld zien;
het sierlijke Latijn is het monopolie van de geletterden en de aanzienlijken,
van al degenen die de wetenschap, het gezag en de macht vertegenwoordigen. Maar
ditzelfde Humanisme leidt, dank zij een der listen waarvan de Rede zich telkens
weer in de geschiedenis pleegt te bedienen, tot een herleving van het nationale
gevoel, en kort nadat in Frankrijk de Pléiade een nieuw tijdperk in de
geschiedenis der letterkunde inluidt, komt deze zelfde tendenz ook in onze
letterkunde, in het werk der eerste Renaissance-dichters, tot uiting. Toch zou
zich pas in het eerste kwart van de zeventiende eeuw de nationale letterkunde,
die de moedertaal als voertaal koos, in haar volle rijkdom ontplooien. Dan
wordt na een hegemonie van langer dan een eeuw de neo-latijnse poëzie naar
het tweede plan verschoven. Het geslacht dat haar dienst had gekozen, sterft
uit; in 1604 sterft de oude
Janus Dousa, in 1606
Justus Lipsius, in 1609
Scaliger, in 1613
Baudius, in 1619 Lernutius. De Latijnse
poëzie van De Groot vindt in 1615 vrijwel haar einde, die van
Heinsius in 1617. Niet klassiek gevormde
dichters als
Bredero en
Vondel nemen de plaatsen in, die nog kort
tevoren door geleerden van internationale vermaardheid met zoveel zwier en
waardigheid waren bezet.
Ook Zeeland heeft een, zij het dan bescheiden aandeel gehad in deze
neo-latijnse dichtkunst. Locaal-patriottische gevoelens zouden zelfs kunnen
leiden tot de bewering, dat de dichter die de Nederlandse lyriek van deze
stijlrichting de weg tot de wereldliteratuur heeft gebaand, een Zeeuw is
geweest. Van Zeeuwse afkomst was deze Janus Secundus (1511 - 1536)
140,
als zoon van de te Grijpskerke of Middelburg geboren jurist Nicolaes Everardus
echter ongetwijfeld, en dat hij in Zeeland is geweest, misschien op
familiebezoek, blijkt uit een van zijn poëtische brieven, uit
Walcheren aan zijn broer
Everardus Nicolai geschreven, waarin een
aantal toespelingen op het Zeeuwse klimaat voor de couleur locale zorgen
141. Intussen kan men deze jonggestorven dichter der ‘Basia’
even bezwaarlijk tot de Zeeuwse letterkunde rekenen als enkele andere dichters,
ten dele zijn navolgers, die wel in Zeeland geboren zijn, maar er uit
wegtrokken voordat hun dichterlijke activiteit tot ontplooiing kwam. We denken
daarbij | | | | aan Joachim Polites (± 1500 - 1569)
142,
Hugo Favolius(1523 - 1585)
143 en
Joannes Ramus (1535 - 1578)
144. Evenmin kunnen de ‘
Carmina tam sacra quam profana’ (1590) van
Jacobus Susius (1520 - 1596) uit Dordrecht, die omstreeks het midden van de
eeuw enkele jaren in Zieriksee heeft gewoond, tot de Zeeuwse literatuur worden
gerekend, waartoe ook hun inhoud trouwens geen aanleiding geeft. Ook de enig
bekende Zeeuwse dichter van Latijnse schooldrama's,
Jacobus Zovitius (± 1512 - ?)
145
schreef en werkte buiten Zeeland.
| |
Jason Pratensis
Een kwarteeuw ouder dan Janus Secundus was de Zierikseese medicus
Jason Pratensis (1486 - 1558)
146, die de jonggestorven dichter bovendien nog even lange tijd heeft
overleefd. Pratensis' jeugdgedichten, later als ‘
Sylva carminum adolescentiae’ (1530)
147 door hem uitgegeven, kunnen de invloed van de
dichter der ‘
Basia’ dus moeilijk ondergaan hebben, en inderdaad
vertonen ze een geheel ander karakter. Het in klein octavo-formaat uitgegeven
bundeltje is in vier afdelingen verdeeld, waarvan de eerste drie meest liederen
van moralistische en filosofische aard bevatten, de derde bovendien nog een
aantal gelegenheidsgedichten, en de vierde godsdienstige liederen. Toen
Pratensis' zoon Thomas, aan wie het boekje is opgedragen, aan metriek en
versleer begon te doen, herinnerde zijn vader zich dat er van hemzelf nog
ergens verzen moesten liggen uit de tijd toen hij zo oud was als nu zijn zoon.
De door boekenworm en mot bijna verteerde papieren werden aan een deskundige
vriend ter beoordeling voorgelegd, en op diens aanraden in het licht gegeven,
niet zozeer terwille van hun vorm, die weleens iets te wensen overliet, als wel
om hun filosofisch gekleurde inhoud. In allerlei vormen heeft Pratensis in deze
verzen uiting gegeven aan zijn overpeinzingen, die op de meest uiteenlopende
onderwerpen betrekking hebben, maar zich meer door breedheid dan door diepte
van gedachten kenmerken. Men vindt er verzen onder over Gods grootheid en de
wisselvalligheid van al het aardse, naast waarschuwingen over de wuftheid en de
verleidelijkheid der vrouwen, die in de mond van een jongmens ietwat ouwelijk
klinken; verder Aesopische fabels naast lijkdichten (o.a. op zijn vader),
volkswijsheid naast uitingen van liefde en eerbied tot God en de Heilige Maagd.
Pratensis is ook in deze jeugdverzen al de vrome zoon der Moederkerk, die hij
levenslang zou blijven. Literaire verdiensten moet men in dit bundeltje niet
zoeken, maar als symptoom van de ontwakende belangstelling in de neo-latijnse
poëzie verdient het enige aandacht. Deze verzen, die uit de eerste jaren
der zestiende eeuw moeten dateren, behoren met het werk van dichters als
Remaclus Arduenna (1450 - 1524),
Willem Hermans (1470 - 1510),
Petrus Pontanus (±1480 - na 1539),
Cornelius Grapheus (1482 - 1558) en
Petrus Aegidius(1486 - 1533), allen
tijdgenoten van Pratensis, tot de oudste voortbrengselen der Nederlandse
neo-latijnse lyriek.
Omstreeks het midden van de zestiende eeuw woonde in het toen al
verarmde Reimerswaal een ons overigens onbekende Nicolaus de Conflita (Nicolaes Conflyet of van
Crompvliet)
148, die
door Guicciardin een vermaard Latijns dichter wordt genoemd, wat velen hem
hebben nageschreven. Het enige gedicht dat we van hem kennen
149 geeft hem niettemin allerminst aanspraak op deze naam.
Een tijdgenoot van hem is
Bartholomaeus Caversinus
150, kanunnik bij het kapittel
van Sint-Martinus in de parochiekerk van Westsoeburg, op wiens naam
twee Latijnse dialogen | | | | staan: * ‘
Dearum judicium datum a Paride’
151 en * ‘
Dialogus Cupidinis et Ganymedis’
152. De laatste
heet een bewerking van een der satirische dialogen van
Lucianus
153, die door het Humanisme herontdekt, weldra een van de meest
vertaalde, bewerkte en nagevolgde Griekse schrijvers werd. Deze voorkeur voor
een ook door
Erasmus zo bewonderde (en in zijn ‘
Laus stultitiae’ nagevolgde) auteur, en het feit
dat hij van de ‘
Epicurus’ van Erasmus een Griekse
gecommentarieerde vertaling bezorgde
154, wijst wel op een gelijkgerichte wetenschappelijke belangstelling,
en het is waarschijnlijk aan de jeugdige leeftijd van Caversinus te wijten, dat
we zijn naam in de uitgebreide briefwisseling van Erasmus nergens tegenkomen.
Er is van hem nog een bundeltje * ‘
Poëmata’ (1543)
155 verschenen, dat we echter al
evenmin als zijn beide dialogen kennen, zodat het wel uiterst moeilijk wordt om
een oordeel uit te spreken over het werk van deze Humanist, die klaarblijkelijk
vooral in de Griekse taal en letterkunde belangstelde.
| |
Jacobus Eyndius
Geen Zeeuw van geboorte, maar dat wel geworden door inwoning, was
Jacobus Eyndius (1575 - 1614)
156, de betrekkelijk jonggestorven geschiedschrijver
157, die
eerst vijf jaar voor zijn dood door zijn huwelijk met
Clara van Raephorst eigenaar van de
heerlijkheid Haamstede en daarmede Zeeuw werd. Deze leerling van de Leidse
jurist
Paullus Merula, die van zijn leermeester
de liefde voor het landleven en de jacht schijnt te hebben geërfd
158, is de dichter van een bundel ‘
Poëmata’ (1611)
159, waarin het pastorale element
een belangrijke plaats inneemt.
Eyndius, die tot aan het Bestand in het leger van Maurits had
gediend, heeft evenals Janus Dousa, met wie hij verwante trekken vertoont, de
indrukken, tijdens zijn veldtochten opgedaan, neergelegd in een uitvoerig
Latijns gedicht, ‘
Flandricum Bellum’. In ‘Martis exulis’ wendt de verbannen oorlogsgod zich tot
Karel IX van Zweden; op hem, en
vooral op zijn zoon Gustaaf Adolf heeft de thans bijna uit alle landen
verdreven Mars zijn hoop gesteld, en hij wekt hem op, ten strijde te trekken
tegen de Polen, die hem de troon van Zweden betwisten. Hoewel ook deze
oorlogsgedichten, als al het werk van Eyndius, wat stroef van vorm zijn, steken
ze hierin uit boven het merendeel der andere gedichten, dat ze doorgaans rijper
van inhoud zijn, en blijk geven van een grote voorliefde voor het bezongen
onderwerp. De rest noemt hij een bloemlezing uit hetgeen hij bijwijze van
tijdverdrijf in zijn jeugd, nog bijna een knaap, gedicht heeft
160, al zijn daar klaarblijkelijk liederen
van later tijd bijgevoegd. Het ‘
Sylvarum liber’ is een verzameling
gelegenheidsgedichten, o.a. op de dood van de jonge Janus Dousa, en op
Petrus Scriverius. In het
‘Elegiarum liber’ zijn gedichten op
Scaliger, Cornelis van der Myle, Paullus Merula te vinden en een direct op een
klassiek voorbeeld geïnspireerd gedicht als het antwoord op de brief van
Sappho aan Phaon uit
Ovidius' ‘Heroides’. In de gelegenheidsgedichten is
Horatius' invloed onmiskenbaar. Van erotische aard zijn de meestal korte
liederen uit de cyclus ‘Hydropyricoon liber’ (‘nat vuur’), die
in Petrarciaanse trant spelen met de tegenstelling tussen het liefdevuur en het
nat (tranen, koude, ijs, sneeuw, water enz.). De uitvoerige slotafdeling,
‘Nugarum liber’, niet het minst verdienstelijke
deel van de verzameling, bevat vrij uitvoerige epicediën op gestorven
dieren: een ridder betreurt de dood van zijn paard, een boer zijn hond, een
monnik zijn ezel, een slaaf zijn aap, een weduwe haar uil
161, een vrouw haar haan,
een visser zijn duiker en een andere vrouw haar krekel
162. De gelijke
| | | | opbouw van al deze klaagliederen maakt een enigszins eentonige
indruk, en ook de veelvuldige aanwending van mythologische motieven maakt het
moeilijk de gevoelige ondertoon van die gedichten te beluisteren. Een dichter
van een oorspronkelijke aanleg kan men Eyndius bezwaarlijk noemen, maar waar
hij een voorbeeld vindt, hetzij bij de klassieke schrijvers der Oudheid, hetzij
bij een latere schrijver als
Janus Secundus, bezit hij terstond de
technische vaardigheid om dit, en dan op niet onverdienstelijke wijze, na te
volgen. Het letterkundige werk dat deze in Delft geboren dichter,
die eerst op later leeftijd Zeeuw is geworden, maar zich ook blijkens zijn
kroniek in Zeeland thuis heeft gevoeld, ons heeft nagelaten, is ondanks zijn
stroefheid en langdradigheid het beste wat de neo-latijnse lyriek in Zeeland,
voor zover we die althans kennen, heeft voortgebracht. Tegelijk is het een
voorbeeld van een volkomen opgaan en zich inleven in de wereld en het
gedachtenleven der Ouden, en als zodanig een der zuiverste specimina van
laat-humanistische klassicistische poëzie
163.
| |
Zeventiende-eeuwse dichters
De gehele zeventiende eeuw door is men in Zeeland de Latijnse
dichtkunst blijven beoefenen. Cats, waardig leerling van
Ovidius, dichtte in Ovidiaanse trant
Latijnse emblemata
164,
klaarblijkelijk met weinig minder gemak geschreven dan zijn Nederlandse verzen,
en evenals deze in een vlotte, soms al te vloeiende stijl. Uit zijn ‘Trou-ringh’ vertaalde hij onder de titel ‘Patriarcha Bigamos’ het ‘Houwelick van drien’
165. Zijn Middelburgse ambtgenoot
Simon van Beaumont, die misschien de
‘Basia’ van Janus Secundus ten dele vertaalde
166, gaf in zijn ‘Horae succisivae’ (1640) naast Nederlandse en
Franse ook een aantal Latijnse gedichten, die in 1644 door
Cornelis Boy afzonderlijk zijn uitgegeven
167.
Abraham van der Myl,
Petrus Hondius en
Apollonius Schotteschreven Latijnse verzen,
die weliswaar niet door sierlijkheid en welluidendheid uitmunten, maar
niettemin aan de regels der prosodie ten volle voldoen en het bewijs leveren,
dat deze zeventiende-eeuwers het Latijn even gemakkelijk hanteerden als hun
moedertaal. We zijn trouwens nog in de eeuw, waarin het overgrote merendeel der
geleerden uitsluitend in de internationale taal der wetenschap schreef. In
Zieriksee beoefenen
Adriaen Hoffer en zijn zoon Rochus,
Herman Anthonisz. de Huybert en
Rochus Mogge de Latijnse poëzie; van de
laatste verscheen een posthuum gedicht, * ‘Praesepe Domini nostri Jesu Christi decantatum’
(1665), dat we alleen van naam kennen. De uit Zieriksee afkomstige
Cornelis Boy (1608 - 1665)
168 vertaalde in samenwerking met
Caspar Barlaeus enkele verhalen uit Cats'
‘Trou-ringh’, die in de zojuist genoemde bundel ‘Faces augustae’ zijn uitgegeven
169. Door zijn vroegtijdig vertrek uit Zeeland behoort Boyus
echter in deze studie niet thuis.
| |
Petrus Stratenus
Jonger dan al de genoemde dichters is de Goesenaar Petrus Stratenus (Pieter van der Straeten) (1616 - 1640)
170, de enige Zeeuw
na Eyndius die een bundeltje oorspronkelijke Latijnse poëzie heeft
uitgegeven. Hij behoort tot die jonggestorven dichters, wier vroege dood de
tijdgenoten het objectieve oordeel over hun werk heeft ontnomen, terwijl dit
vroegtijdig sterven de nakomeling huiverig maakt om een oordeel uit te spreken
over wat wellicht nog maar de belofte van een talent was. Stratenus, in 1616 te
Goes geboren uit een geslacht dat volgens
Smallegange uit Vlaanderen
afkomstig was, maar al vroeg in Zuidbeveland is gevestigd
171, ging in 1633 te Leiden in de
rechten studeren. Waarschijnlijk heeft hij daar de | | | | enkele jaren
oudere Cornelis Boy ontmoet, die weldra zijn boezemvriend werd. Na zijn
promotie in de rechten maakte hij een reis door Frankrijk en Engeland, en werd
dadelijk na zijn terugkomst tot secretaris van zijn vaderstad aangesteld. Op 27
October 1640 overleed hij, vier en twintig jaar oud, in Den Haag, waarheen hij
namens Goes was afgevaardigd. De dood van deze veelbelovende jongeman schijnt
in zijn stad een diepe indruk te hebben gemaakt, en de magistraat besloot de
doktersrekening te betalen en bovendien op haar kosten het stoffelijk overschot
naar Goes te doen overbrengen. Een jaar na zijn dood gaf zijn vriend Boy een
bundeltje Latijnse gedichten van hem uit: ‘Venus Zeelanda et alia ejus poëmata’ (1641)
172, dat in zeven afdelingen
gerangschikt klaarblijkelijk alles bevat wat Stratenus aan Latijnse poëzie
heeft nagelaten. De eerste afdeling, waaraan het boekje zijn titel ontleent,
wordt gevormd door een dertigtal elegieën, beurtelings door Stratenus aan
Boyus en door deze aan Stratenus gericht, waarin de Leidse studenten hun liefde
voor Chloë en Blonda bezingen, twee vriendinnen die door een even hechte
vriendschap verbonden zijn als hun minnaars. Overigens blijkt deze verering op
een fictie te berusten, want wanneer Stratenus door Frankrijk reist, schrijft
Boyus hem dat hij zich van een denkbeeldige liefde tot een werkelijke heeft
gewend, en hij raadt hem aan om zijn voorbeeld te volgen. Het huwelijk van
Boyus, door zijn Goese vriend in ondubbelzinnige bewoordingen bezongen, maakte
een einde aan hun wellicht als oefening bedoelde briefwisseling in verzen.
De verdere inhoud van het bundeltje bestaat uit elegieën en
epigrammen, o.a. op een aantal vrienden
173, voorts uit huwelijks- en andere gelegenheidsgedichten. In
liederen op Goes en Borsele
174 geeft
Stratenus uiting aan de liefde voor zijn geboortegrond, in ‘Basia’
volgt hij
Janus Secundus na, met vrij wat minder
talent. Een Latijnse vertaling van Anakreontische liederen getuigt van de
toenemende belangstelling in de Griekse letterkunde. In Anakreontische stijl is
ook het lange gedicht ‘
Praelium rosarum inter nymphas et Cupidinem’.
Boy zelf, Herman Anthonisz. de Huybert, die tot zijn intimi
behoorde, en de Middelburgse rectorszoon
Isaac Gruterus (1610 - 1680)
175, die
in hetzelfde jaar als
Stratenus student was geworden, schreven
lijkdichten op hem; men vindt ze voorin het bundeltje. Men zou wensen dat hun
oordeel over het nagelaten werk van hun jonggestorven vriend even zuiver was
als hun rouw om zijn vroege dood ongetwijfeld oprecht is geweest. Voor ons
heeft de figuur van deze Goese dichter alleen betekenis als de late
vertegenwoordiger van een geslacht, dat de tradities van het Humanisme hoog
bleef houden en boven de eigen moedertaal de dode taal der Oudheid verkoos, ook
voor de weergave van zo levensechte gevoelens als die der liefde tot de vrouw
en de geboortegrond
176
177.
|
139Het belangrijkste werk over dit onderdeel van
onze literatuurgeschiedenis is: Georg Ellinger, Geschichte der neulateinischen
Lyrik in den Niederlanden vom Ausgang des fünfzehnten bis zum Beginn des
siebzehnten Jahrhunderts (Berlin und Leipzig, 1933). - Korte levensschetsen met
een typering van hun kunst geeft: P. Hofmann Peerlkamp, Liber de vita doctrina
et facultate Nederlandorum qui carmina Latina composuerunt. Editio altera
emendata et aucta (Harlemi, 1838).
140Zie over hem: N.N.B.W., X, kol. 431 - 433
(D.J.H. ter Horst); A. Schroeter. Beiträge zur Geschichte der
neulateinischen Poesie Deutschlands und Hollands (Berlin, 1909), S. 165 - 222;
D. Crane, Joh. Secundus (Leipzig, 1931); Ellinger, a.a.O., S. 28 - 78.
141Janus Secundus, Epistolae, I, ep. 1, in:
Ioannis Nicolaii Secundi Hagani Opera omnia (Lugd. Bat., 1821), II, p. 25 -
29.
142Zie over hem: De la Rue, blz. 416 - 418;
Nagtglas, II, blz. 414 - 415; N.N.B.W., VI, kol. 1143 - 1144 (J. Fruytier); B.
N. B., 17, col. 909 - 911 (Fernand Donnet); Hofmann Peerlkamp, l.c., p. 55;
Nève, l.c., p. 203 - 205. - Joachim Polites (Burgher) was te Goes
geboren en week omstreeks 1530 wegens de overstromingen in Zeeland met zijn
familie naar Leuven uit. Hij werd in 1533 hoogleraar in de rechten te Bordeaux
en in 1541 griffier te Antwerpen. In 1567 komt zijn naam voor op een lijst van
Martinisten. Polites, die tot de vriendenkring van Janus Secundus behoorde, is
de dichter van een bundel * ‘Poemata’ (1548).
143Zie over hem: De la Rue, blz. 56 - 58;
Nagtglas, I, blz. 209 - 210; Hofmann Peerlkamp, l.c., p. 136 - 137; J.C. G.
Boot, Over Hugo Favolius en zijne Latijnsche gedichten (Versl. en meded. d.
Kon. Ak. v. Wet., afd. Letterk., 2de r., 7 (1878), blz. 215 - 233). - Favolius
(Favoli) was te Middelburg geboren; zijn vader, een Italiaans edelman, was daar
facteur van de Genuese en Florentijnse naties; zijn moeder was een Zeeuwse. Van
1565 tot zijn dood was hij stadsdokter te Antwerpen. Hij schreef enkele
Latijnse gedichten, o.a. een reisverhaal naar Turkije en Griekenland. In zijn
laatste bundel, ‘Theatri orbis terrarum enchiridon’ (1585),
beschrijft hij o.a. een prachtig buitengoed met schone vijvers en fonteinen, op
Walcheren, ‘occiduo qua littora sole tepescunt’, dicht bij de
duinen gelegen (misschien Westhoven?) En bezingt hij het verval van Sluis (vgl.
Boot, t.a.p., blz. 232 - 233).
144Zie over hem: De la Rue, blz. 418 - 420;
Nagtglas, II; blz. 464 - 465; N.N.B.W., V, kol. 871 (J. Fruytier); Hofmann
Peerlkamp, l.c., p. 117. - Joannes Ramus (Jan Tack?) werd te Goes geboren en
studeerde te Leuven in de rechten, waarin hij later hoogleraar werd, te Leuven,
te Dowaai en vervolgens weer te Leuven. Hij schreef bovendien Latijnse
gedichten.
145Zie over hem: De la Rue, blz. 385; Nagtglas,
II, blz. 1023; N.N.B.W., I, kol. 1600 (G.C.A. Juten); Hofmann Peerlkamp, l.c.,
p. 34; M.E. Kronenberg, Hoe komt Zovitius aan de toenaam Lumtius? (Het Boek,
N.R., 23 (1936), blz. 344 - 346). - Zovitius (ook Driescharus, Triturbius en,
bij vergissing, Lumtius geheten) werd te Dreischor geboren en was
achtereenvolgens rector van de Latijnse school te Hoogstraten en, van 1536 tot
1543, te Breda. Hij stelde op jeugdige leeftijd drie schooldrama's samen:
‘Ruth’ (1533), dat hij opdroeg aan zijn leermeester, de Zierikseese
rector Sagarus, ‘Didascalus’ (1534) en ‘Ovis perdita’
(1539). Bovendien gaf hij ‘Adagia Latino-Belgica’ uit.
146Zie over hem hiervóór, blz.
39.
147Sylva carminum adolescentiae D. Jasonis
Pratensis Zyricei in tomos quatuor distributa. Antverpiae apud Michaelem
Hillenium in Rapo. Anno 1530. Cum gratia et praevilegio (92 blzn.; 8vo) (Nat.
Bibl., 's-Gravenhage).
148Zie over hem: De la Rue, blz. 431 - 432;
Nagtglas, I, blz. 131; N.N.B.W., VII, kol. 316 - 317 (A. Mulder).
149Een gelegenheidsgedicht, boven zijn deur
geschreven toen de erfprins
Philips II in 1549 Reimerswaal bezocht.
Het is afgedrukt in:
Jan-François le Petit,
Nederlantsche republycke (Arnhem, 1615), blz. 191 en Loys Guicciardin,
Description de touts les Pays-Bas (Arnhemi, 1617), blz. 540 en daaruit bij De
la Rue, blz. 432.
150Zie over hem: Valerius Andreas, p. 104; De la
Rue, blz. 537 - 538; Nagtglas, I, blz. 115.
151Aldus de titel bij De la Rue, blz.
537.
152* Dialogus Cupidinis & Ganymedis. Antv.
aP.J. Loëum. - Aldus de titel bij De la Rue, t.a.p.
153Misschien van de vierde dialoog der
‘Theoon dialogoi’, een samenspraak tussen Zeus en
Ganymedes?
154Epicureus Des. Erasmi Roterodami scholiis
illustratus, et è Latino sermone in Graecum conversus, per Bartholomaeum
Caversinum canonicum in Zouburgo Walachriae (Antverpiae, 1566) (B.B., E. 696).
- Er bestaan ook exemplaren van deze uitgave met het jaartal 1567 (B.B., E.
697).
155* Caversini Poëmata. Antv(erpiae), 1543
(8vo). - Aldus de titel bij De la Rue, blz. 538, die hem ontleende aan de:
Bibliotheca Heinsiana sive catalogus librorum quos ... collegit Nicolaus
Heinsius (Lugd. Bat., 1682), II, p. 112.
156Zie over hem: Van der Aa, E, blz. 92;
Nagtglas, I, blz. 203 - 204; Hofmann Peerlkamp, l.c., p. 241 - 242; Ellinger,
a.a.O., S. 277 - 282.
157Vgl. hierna, blz. 444 - 445.
158Eyndius schreef voor de ‘Placaten ende
ordonnancien op 't stuck vande wildernissen’ ('s-Graven-hage, 1605), blz.
** 4 vº - ** 5 v° een lofdicht: In ... Paulli Merulae libros de
venatione.
159Jacobi Eyndii ab Haemstede, centurionis Batavi,
Poëmata. Quorum series pagina adversa indicatur. Lugduni Batavorum, ex
typographio Henrici ab Haestens. 1611 (XVI, 72, 192 blzn.; 4to). - Het boek is
opgedragen aan de Staten der verenigde provinciën en aan
Maurits. Cornelius Pynacker,
D. Baudius, Daniël Heinsius en
Janus Rutgersius schreven er lofdichten
voor. Twee gedichten uit de bundel herinneren aan Eyndius' verblijf in Zeeland:
‘Pro arcis Haemstedae ipso Salvatoris nostri natalitio profesto, felici
inauguratione. Hymnus’ (2de afd., p. 75 - 79), dat geheel uit versregels
van
Virgilius is opgebouwd en de geschiedenis
van het slot Haemstede bezingt, en ‘Faunus Haemstedaeus’ (2de afd.,
p. 96 - 100), waarin de Faun van Haemstede (klaarblijkelijk een tuinbeeld) de
nimf Galatea opwekt, de zee, zo vol gevaren, te verlaten en tot hem te komen op
het zoveel veiliger en herbergzamer land.
160Quae sequuntur poëmata, ex ijs quae
occupandi temporis causa olim juvenis & paene-puer conscripsi, selecta
sunt. - L.c., 2de afd., p. 30.
161Deze ‘Florae viduae oratio funebris in
obitum noctuae’ heeft Conradus Goddaeus opgenomen in de tweede druk van
zijn: Laus ululae (Deventer, 1644), p. 196 - 203.
162Daniël Heinsius heeft deze
‘Nugae’ met enkele andere gedichten van Eyndius opgenomen in zijn:
Dissertatio epistolica, qualis viro literato ducenda sit uxor, et qualis? Item
ejusdem alia amoeniora opuscula. Quibus hac novâ editione nunc primum
accessêre V. N. Jacobi Eyndii ab Haemstede Joci funebres in obitus
aliquot animalium (Lugd. Bat., 1618), p. 73 - 140.
163Vgl. Ellinger. a.a.O., S. 282. - Wat hier over
Eyndius gezegd werd, berust goeddeels op deze bron.
164Nl. in de ‘Sinn'- en
minne-beelden’ (1618) en de ‘Maechden-plicht’ (1618). - Over
Cats' verdiensten als Latijns dichter vgl. Hofmann Peerlkamp, l.c., p. 397 -
400, die alle waardering voor zijn Latijnse gedichten heeft.
165In: Faces augustae sive poematia (Dordraci,
1643), I, p. 29 - 48.
166Gedichten van Simon van Beaumont, uitgegeven
door J. Tideman, t.a.p., blz. 268 - 283. Vgl. Ioannes Nicolai Secundus, Basia.
Mit einer Auswahl aus den Vorbildern und Nachahmern herausgegeben von Georg
Ellinger (Berlin, 1899), S. XVI - XVII.
167Simon Bellimontius, Horae succisivae cur. C.
Boyus. (Hagae-Comitis, 1644).
168Zie over hem als Latijns dichter: Hofmann
Peerlkamp, l.c., p. 412 - 414.
169Zie noot 165, en vgl. H. Smilde, Jacob Cats in
Dordrecht (Groningen-Batavia, 1938), hfdst. IX: De vertaling van den
Trou-ringh.
170Zie over hem: De la Rue, blz. 428 - 430;
Nagtglas, II, blz. 718. - Zijn portret, aet. XXIV, in de ‘Venus
Zeelanda’, met een Latijns onderschrift van Boyus.
171
Matthijs van der Straeten (†
1551) zat al in de regering van Goes. Zijn kleinzoon Mattheus, gecommitteerde
raad der Staten van Zeeland en raad ter admiraliteit te Goes, was de vader van
de dichter. Een andere zoon van deze Mattheus, Hieronymus, was in 1641
burgemeester van Goes.
172Petri Strateni Juris C ti. Venus
Zeelanda et alia ejus poëmata. C. Boyus I. C. collegit et edidit.
Hagae-Comitis. Ex officina Theodori Maire. 1641 (XX, 218 blzn.; 8vo). - Het
bundeltje is opgedragen aan Stratenus' vader en zijn broer Hieronymus. Verder
heeft Boy elk der zeven afdelingen aan iemand opgedragen, o.a. aan
Constantijn Huygens (‘qui tuo
exemplo plures è Belgis ad humaniora ingeniorum diverticula
invitasti’) en aan Adriaen Hoffer.
173O.a. op
Jacob Cats,
Adriaen Blyenburgh,
Gronovius,
David Somer, praeceptor aan de Latijnse
school te Middelburg (1620 - 1630), vervolgens predikant te Kapelle en
Biezelinge (1630 - 1654) († 1654), Daniël en
Nicolaas Heinsius,
Caspar van Vosbergen,
Hugo de Groot,
Herman de Huberten enkele Engelse
vrienden.
174L.c., p. 105 - 106, 106 - 107.
175Vgl. hierna, blz. 467, noot 200.
176Stratenus schreef behalve zijn ‘Venus
Zeelanda’ nog een lofdicht voor de * ‘Urbium Zelandiae comitatum
constituentium, et reliquarum encomia’ (1637) van Boyus.
177De Latijnse dichter
Andries van der Wiele, praeceptor of
prorector van de Latijnse scholen van Vlissingen en Middelburg (1643 - 1647),
van wie in 1694 een posthume bundel ‘Epigrammata sacra’ verscheen,
behoort tot een volgend tijdperk.
|
|