auteur: P.J. Meertens
bron:
P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en
de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers
Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van
Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2000 dbnl / erven P.J. Meertens

|
|
| |
| | | |
Historiografie
Wanneer
Jan Reygersberch van Cortgene in 1551 zijn
‘Cronijcke van Zeelandt’ uitgeeft, doet hij dit, ‘aengemerct
datter vele diversche van des K. Ma. Nederlanden zijn, die haer eyghen
cronijcken hebben, als Vlaenderen, Brabandt ende Hollandt, ende dat Zeelant tot
deser tijt toe noch gheene alleene ghehadt en heeft’
197.
Inderdaad was vóór het midden van de zestiende eeuw van een
Zeeuwse historiografie niet of nauwelijks sprake. Wel behandelden algemene
werken
198 als de ‘Divisiekroniek’ (1517) ook de geschiedenis van
Zeeland, voor zover deze althans tot de Hollands-Vlaamse geschiedenis behoorde,
maar Zeeuwse geschiedschrijvers in eigenlijke zin telde Zeeland tot dan toe nog
niet. Slechts enkele historici, van wie er slechts één een
geboren Zeeuw is, hadden een korte en schetsmatige beschrijving van land en
volk gegeven; het zijn
Cornelis Battus,
Gerardus Geldenhauer en
Hadrianus Barlandus
199.
Voordat over het werk van dit drietal iets gezegd zal worden, moet
in dit verband echter de naam van Melis Stoke genoemd worden, de
secretaris van de graven
Floris V en
Willem III, en schrijver van de ‘Rijmkroniek van Holland’
200. Stoke, die waarschijnlijk in of kort na 1282 zijn kroniek begon
te schrijven, gaf daarin de geschiedenis van de abdij van Egmond en
het Hollandse gravenhuis tot 1305. Uit het feit, dat hij naar alle
waarschijnlijkheid tegenwoordig is geweest bij het beleg van Zieriksee door de
Vlamingen (1304) of het ontzet van de stad door Willem III, van welke feiten
hij een zo aanschouwelijke, uitvoerige en gedetailleerde beschrijving geeft als
men slechts van een ooggetuige kan verwachten, heeft men wel de gevolgtrekking
gemaakt dat Stoke te Zieriksee geboren zou zijn
201, waarvoor echter geen bewijs aanwezig is. Een feit is,
dat de plaatselijke gesteldheid van Schouwen en in mindere mate
ook die van het overige Zeeland hem zeer vertrouwd is geweest en dat zijn taal,
hoewel ze geen specifiek-Zeeuwse kenmerken vertoont, niet in strijd is met het
Zeeuwse spraakgebruik van zijn dagen
202.
Thans iets over Battus, Geldenhauer en Barlandus, drie figuren die
al eerder ter sprake zijn gekomen, en van wie hier dus slechts terloops zal
worden gesproken. Cornelis Battus
203
is een vrij duistere figuur; hij werd tussen 1492 en 1496 te Bergen-op-Zoom
geboren, en het laatste dat we van hem vernemen is, dat hij in 1518 te
Groningen ondermeester was. Zijn vader was een vriend van Erasmus.
Reygersberch, die niet zo heel veel later
leefde dan hij, noemt hem in ‘zijnder tijt medecijn der stede vander
Vere’ en vermeldt dat hij een ‘cosmographie’ heeft
‘getranslateerd’
204. Boxhorn, die hem met zijn vader verwart,
zegt dat hij ‘verscheyden boecken’ heeft geschreven, die in 1512
gedrukt zouden zijn (wat gezien de jeugdige leeftijd van Battus op dat tijdstip
hoogst onwaarschijnlijk is), o.a. een ‘weereldt-beschryvinghe, in de
weicke hy vele sonderlinghe dinghen verhaelt van de eylanden van
Zeelandt’, die hij echter, ‘hoewel neerstich opgesocht’, niet
had kunnen opsporen
205. Uit hetgeen Reygersberch
aanhaalt over Battus' mededelingen betreffende Zeeland en vooral de oudste
geschiedenis van het gewest, blijkt duidelijk hoezeer diens historiografie nog
geheel en al middeleeuws is van opvatting. Hij schijnt de vader te zijn van de
mening, dat de Noormannen hier te lande met het aanleggen van dijken begonnen
zouden zijn, wat onjuist gebleken is
206.
De geleerde Humanist Gerardus Geldenhauer Noviomagus (1482
- -
207 1542), die een tijdlang in dienst stond van
Maximiliaen van Bourgondië, de abt
van Middelburg, schreef in 1514 een ‘Epistola de situ Zelandiae’
208, aan
Sebastianus Ciriacinus (d.i. van Zieriksee)
gericht, een korte en weinig diepgaande beschrijving van Zeeland en zijn
bevolking, gevolgd | | | | door een opsomming van beroemde Zeeuwen.
Geldenhauers ‘Epistola’, het eerste ons bekende geschrift dat
zich uitsluitend met Zeeland bezighoudt, getuigt van de humanistische opvatting
van geschiedschrijving van de auteur, die slechts uit eigen aanschouwing de
waarheid wilde zoeken
209. Een aan het slot van deze brief aangekondigd
uitgebreider werk over Zeeland is nooit tot ons gekomen.
Hadrianus Barlandus (1488 - 1542)
210 gaf in 1524 een kort opstelletje over Zeeland in zijn ‘
Germaniae Inferioris urbium catalogus’
211, opgenomen in de tweede druk van zijn ‘Dialogi XLII’
212. Ook deze
bijdrage berust althans goeddeels op eigen waarneming.
Uitvoeriger dan de bovengenoemde verhandelingen is het opstel dat de
Zierikseese medicus Levinus Lemnius (1505 - 1568)
213 aan zijn geboorteland en vooral aan zijn vaderstad wijdde, en dat
deel uitmaakt van zijn ‘Occulta naturae miracula’ (1564)
214.
Ook Lemnius was Humanist, en zo vinden we bij hem het typisch humanistische
beeld van de ‘vicissitudo rerum’, die hij in de voortdurende
bodemveranderingen van zijn land ziet, en die hem de onstandvastigheid van al
het vergankelijke uitbeeldt
215. Lemnius spreekt niet alleen over de natuurlijke gesteldheid
der Zeeuwse eilanden, maar ook over de aard, de zeden en de gewoonten van het
Zeeuwse volk, en veel van wat hij daarbij opmerkt, geeft de indruk van een
scherpe blik en een helder waarnemingsvermogen.
| |
Jan Janssen Reygersberch
De eerste die, na deze fragmentarische en uiterst beknopte
beschouwingen, een afzonderlijke kroniek van Zeelands geschiedenis heeft
gegeven, is Jan Janssen Reygersberch
216. Omstreeks 1510 te Kortgene op
Noord-beveland geboren, vestigde hij zich in 1532, toen de zee het stadje
overstroomde, in het nabijgelegen Vere, waar hij apotheker werd. Hier schreef
hij zijn ‘Cronijcke van Zeelandt’
217, die in 1551 te Antwerpen het licht zag.
Reygersberchs kroniek is nog geheel en al middeleeuws van opzet
218.
Zonder oordeel des onderscheids deelt hij over de oude geschiedenis van Holland
en Zeeland allerlei onwaarschijnlijke berichten mee, ontleend aan de ‘Divisiekroniek’ en andere onbetrouwbare
historiebronnen.
Dousa
219 en
Scriverius
220
hebben hem daarover lastig gevallen. Terwijl sinds het begin van de zestiende
eeuw het Humanisme op de Hollandse historiografie zijn invloed doet gelden
221, die zich
vooral openbaart in historische kritiek op de geschiedbronnen en in de
toepassing van een zekere historische methode, heeft
Reygersberch de invloed van deze stroming
niet of nauwelijks ondergaan. De historische wetenschap dient naar zijn mening
slechts om aan te tonen, hoe God de goddelozen straft, zoals ook ‘die
weerdige leeraer Sint Augustijn’ in zijn ‘
De civitate Dei’ verklaart
222. De zee, die land tot water en water tot land maakt, die van machtige
koopsteden de havens doet verzanden, en door grondbraken gehele stukken land in
haar diepten sleurt, is hem het werktuig van God, en ‘ons tot eenen
exempele ghelijc wij inder heyligher scriftueren lesen. Al dat ons overcoemt
dat coemt om onse sonden, ende om ons quaet ende vreeseloos leven ende quade
wercken wille toe, want daer staet gescreven ‘Odisti omnes qui operantur
iniquitatem (Psalmo. V.)’
223.
Het afkeurend oordeel van Dousa en Scriverius is echter niet geheel
en al verdiend. Reygersberchs kroniek heeft ongetwijfeld ook haar verdiensten.
Het is het eerste geschiedwerk (over Zeeland) dat aan de niet-politieke
geschiedenis wat meer plaats inruimt dan tot dusver het geval placht
| | | | te zijn; naast de gewone geschiedkundige feiten bevat het
hoofdstukken over bodemveranderingen, bedijkingen, overstromingen, opkomst van
steden, handel, visserij en andere onderwerpen op het gebied der economische en
beschavingsgeschiedenis in 't algemeen
224.
Historisch besef is
Reygersberch evenwel vreemd gebleven
225.
Een geschiedschrijver van Zeeuwse afkomst is de Franciscaan
Amandus van Zieriksee († 1524
of 1534)
226,
die op het eind der vijftiende eeuw op Walcheren was geboren en
lector in de theologie werd te Leuven. Hij is de auteur van een
aantal theologische verhandelingen, die niet in druk zijn verschenen, en
bovendien heeft hij een wereldkroniek, ‘Chronica compendiosissima’ (1534)
227 uitgegeven, die als compilatiewerk geen betekenis
bezit voor de historiografie. Ook al omdat Zeeland in dit boek niet opzettelijk
wordt behandeld, maken we er slechts als terloops melding van.
|
197Reygersberch, t.a.p., blz. B r°.
198Men vindt ze opgesomd in: Jan Romein,
Geschiedenis van de Noord-Nederlandsche geschiedschrijving in de Middeleeuwen
(Haarlem, 1932).
199Reygersberch noemt (t.a.p., blz. B r°) als
degenen ‘die gescreven hebben, van die antiquiteyt ende ouderdom des
lants van Zeelandt’ Paulus van Middelburg,
Cornelis Battus,
Johannes Beker Borsalus,
Hugo Bruys,
Hadrianus Cordatus en Hadrianus Barlandus.
- Van dezen is Hugo Bruys een volkomen onbekende figuur. De anderen zijn eerder
ter sprake gekomen.
200De beste en nieuwste uitgave is: Rijmkroniek
van Melis Stoke. Uitgegeven door W.G. Brill (Utrecht, 1885), 2 dln. Een nieuwe
uitgave, bezorgd door G. Stuiveling, is in bewerking. - Over Melis Stoke zie
men verder: Te Winkel, Ontwikkelingsgang 2, I, blz. 508 - 513 en de
aldaar aangehaalde literatuur. Ook Te Winkel wil in Stoke een Zeeuw
zien.
201In het gemeente-archief van Zieriksee berust
een oorkonde met de ondertekening A. (d.i. Amelis) Stoke. De echtheid van dit
stuk, althans van de handtekening, mag echter in twijfel worden getrokken
wanneer men bedenkt dat clerken destijds dergelijke oorkonden niet plachten te
contrasigneren.
202S. Hofker, De taal van
Melis Stoke (Groningen, 1908), blz. 99
vlg.
203Vgl. hiervóór, blz. 35.
204Reygersberch, t.a.p., blz. E
v o.
205Boxhorn, Chroniick, I, blz. 457. - Wat latere
schrijvers over Cornelis Battus hebben beweerd, is uitsluitend aan deze
grotendeels onjuiste mededelingen ontleend.
206H. Kampinga, De opvattingen over onze oudere
vaderlandsche geschiedenis bij de Hollandsche historici der XVIe en XVIIe eeuw
('s-Gravenhage, 1917), blz. 202, n. 7.
207Vgl. hiervóór, blz. 30 -
31.
208Achter Dorpius' Dialogus, in quo Venus et
Cupido omnes adhibent versutias (Lovani, 1514) gevoegd. Ook bij Petrus
Scriverius, Batavia illustrata (Lugd. Bat., 1609), p. 138 - 141.
209Prinsen, Gerardus Geldenhauer Noviomagus,
t.a.p., blz. 19 - 21.
210Vgl. hiervóór, blz. 40 -
41.
211Het origineel berust in de Kon. Bibl. te
Brussel. De vele drukken van dit geschrift zijn beschreven in de B.B., B. 263 -
273; vgl. B. 290, XVI. - Bij Scriverius, Batavia illustrata, l.c., p. 143 -
144.
212Hadrianus Barlandus, Dialogi XLII 2
(Lovanii, 1524). - Deze druk is beschreven in B.B., B 263.
213Vgl. hiervóór, blz. 39 -
40.
214Levinus Lemnius, Occulta naturae miracula
(Antverpiae, 1564), l. IIII, c. II, De Zelandiae insulis (p. 283 r° - 302
r°). Bij
Scriverius, l.c., p. 145 - 167.
215‘Nec ulla res vices rerum humanarum, aut
varios instabilesque motus melius commonstrat, quam Zelandiae insulae’. -
Occulta naturae miracula, l.c., p. 299 v°, aangehaald bij Kampinga, t.a.p.,
blz. 18.
216Zie over hem:
M. Smallegange, Nieuwe Cronyk van
Zeeland, I (Middelburg, 1696), blz. 61; De la Rue, blz. 468 - 470; Nagtglas,
II, blz. 479 - 480. - Over het geslacht Reygersberch: H.C. Rogge, Genealogie
van het geslacht Reigersbergh (De Navorscher, 42 (1892), blz. 136 - 143; vgl.
45 (1895), blz. 140 - 143).
217Dye cronijcke van Zeelandt. Cum gratia &
privilegio. Gheprent Thantwerpen binnen die Camerpoorte inden Mol, by die
Weduwe van Henrick Peetersen, int jaer .M.CCCC. ende .LI. den vijfsten dach van
September (396 blzn.; 4to). De herdrukken van 1634 en 1644 worden hierna
vermeld.
Smallegange heeft het eerste deel van
Reygersberchs ‘Cronijcke’ in zijn ‘Cronyk’ ingelast,
terwijl de eerste dertien hoofdstukken in 1646 nog eens afzonderlijk waren
uitgegeven onder de titel: Beschryvinge van Zee-landt, hare antiquiteyt ofte
ouderdom: mitsgaders de gelegentheyt vande bemuyrde en onbemuyrde steden van
der selver eylanden. Eertijdts beschreven door den Heer Johan Rey[g]ersbergen,
ende daer na vermeerdert door Marcus Ivereus [sic] van
Boxhorn. t'Amsterdam, gedruckt by Jan van
Hilten, boeck-verkooper inde Beurs straet, inde geborduyrde Handt-schoen, anno
1646 (56 blzn.; 8vo). Het werkje verscheen achter het: Tooneel der ghemuurde
ende onghemuurde steden en vlecken, van Hollant en Westvrieslant (Amsterdam,
1646), van
Hadrianus Junius. -
Reygersberch droeg zijn werk op aan
Maximiliaen van Bourgondië, heer van Vere. Jason Pratensis schreef er een
Latijns lofdicht voor.
218Kampinga, t.a.p., blz. 20 - 21.
219In zijn voorrede voor de
‘Rijmkroniek’ van Melis Stoke (Amstelredam, 1591), blz. (:) 3
v° - (:) 4 r°.
220Hollandsche jaar-boeken of rijm-kronijk van
Melis Stoke... door Cornelis van Alkemade (Leyden, 1699), blz. 18, noot.
221Kampinga, t.a.p., blz. l vlg.
222Reygersberch, t.a.p., blz. B 3 v°.
224Kampinga, t.a.p., blz. 196.
225T.a.p., blz. 197 - 198. - Intussen is
Reygersberchs kroniek voor de geschiedenis van Zeeland van 1450 tot 1550,
vooral wat locale bijzonderheden betreft, van grote waarde. Als oog- en
oorgetuige deelt hij over deze jaren een aantal feiten mee, welke men elders
tevergeefs zoekt. Zijn betrekking met Maximiliaen van Bourgondië zal hem
waarschijnlijk de toegang hebben geopend tot het archief van het kasteel
Sandenburg, dat hoezeer in 1505 door brand geteisterd, nog altijd een
verzameling van betekenis bevat. Hieruit zal hij dan zijn berichten over de
oude land- en waterstaat van Zeeland en zijn mededelingen over oude
bedijkingen, overstromingen, enz, geput hebben. De nakomeling onderschrijft
volgaarne het oordeel van Boxhorn: ‘(Deze) Chronijck van Zeelandt ... is
gantsch gebreckelick. Echter nochtans heeft die niet verdient dat al te
schamprich ende spijtich oordeel, dat ... Johan van der Does ... daerover heeft
ghe-streecken, doordien de beuselachtige vertellingen, neffens de rouwe ende
ongeschaafde maniere van schrijven, op de onwetentheijt van die tijden wel mach
geschoven worden’ (Voorrede voor de uitgave van 1644, I, blz. ** 4
r°).
226Vgl. hiervóór, blz. 28.
227Chronica compendiosissima ab exordio mundi
usque ad annum Domini millesimum, quingentesimum, trigesimum quartum: per
venerandum patrem. F. Amandum Zierixcen-sem, ordinis Fratrum Minorum, regularis
observantiae, virum in divinis & humanis rebus peritissimum. Eiusdem
Tractatus de septuaginta hebdomadibus Danielis. Adiecta sunt epistolae duae
Christiani regis Aethiopiae, Davidis, ad Clementem septimum, Rhomanum
pontificem, anno Domini 1533 destinatae, cum articulis quibusdam de fide 6
moribus Aethiopum Christianorum. Aliae quoque tres epistoiae, ex nova maria
Oceani Hispania ad nos transmissae, de fructu mirabili illic surgentis novae
ecclesiae, ex quibus animus Christianus merito debeat laetari. Antverpiae apud
Simonem Cocum, Anno Domini .MCCCCC.XXXIIII., mense Maio (XVI, 256 blzn.; 8vo)
(Nat. Bibl., 's-Gravenhage; Prov. Bibl. v. Zeeland, Middelburg, enz.). -
Beschreven in Nijhoff en Kronenberg, t.a.p., no. 108. In de biografie die
Fr. Titelmannus, de uitgever van dit boek,
van Amandus schreef, somt hij de lijst van diens andere, ongedrukte
verhandelingen op.
|
|