auteur: P.J. Meertens
bron:
P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en
de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers
Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van
Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2000 dbnl / erven P.J. Meertens

|
|
| |
Het Tafereel van Sinne-mal
Een afzonderlijke en uitvoeriger bespreking eist het werk van
Adriaen van de Venne, dat met afzonderlijk titelblad en paginering aan de
‘Zeeusche Nachtegael’ werd toegevoegd: het ‘Tafereel van Sinne-mal’
164. De uitgever verzoekt de ‘soet vermaeck-soeckende
lesers’ het bij de ‘Nachtegael’ te laten inbinden,
‘overmits het als een werck is, ende van 't ander ontleent’, en ook
de dichter zelf is, in alle bescheidenheid, van oordeel ‘dattet niet
qualijck soud passen dit werck by de Nachtegael te vougen’. Dat het er
afzonderlijk werd bijgevoegd vindt zijn oorzaak alleen in het feit, dat hetgeen
Van de Venne in portefeuille had liggen, te veel was om verspreid over de drie
delen te worden opgenomen - eigenlijk maar over twee, want godsdienstige
gedichten treft men in de poëzie van deze zwierige kunstenaar niet
aan.
| | | |
De ‘Middelburchsche lauwer-hof, ofte rust-plaetse, van Mercurius,
ende des selfs aenspraecke tot alle const-beminders’
165, waarmee de
bundel opent, is eigenlijk een aanprijzing van de winkel der Van de Vennes, die
Mercurius in de mond wordt gelegd. Uit Duitsland, waar op het ogenblik de
oorlog woedt, heeft hij zich naar Zeeland begeven, en terwijl hij op een
herdersstel een lied zat te zingen, heeft Vrouw Echo de Zeeuwse nimfen gewekt,
die hem gesmeekt hebben om in Zeeland te blijven. Weldra echter jaagt Neptunus
hem op,
Want als de water-godt, mijn wesen heeft gekent,
Soo heeft hy sich terstont, tot mywaerts toegewent;
Met ysselick ghesicht, en vreesselick gheklater,
Drong hy met groot gebruys, door 't soute golven-water.
Sijn lichaem was beschuymt: zijn paerden staecken op
Haer slymich-gladde-lijf, en hart geschubde cop.
Des grysaerts groot gevolgh, de trytons met haer schelpen,
Die quamen opgerust, om haren vooghd te helpen:
Sy guysden met de vloet, en spëitten met een vlucht,
En sloeghen na my toe, met vreesselick gherucht
166,
en aldus weer opgedreven daalt de god ditmaal te Middelburg neer,
waar hij in een lommerrijke tuin in het midden van de stad een beeld van
zichzelf weet opgericht. Daar houdt hij nu zijn hof, in die bloementuin waar
schaduwrijke priëlen verkoeling schenken, wanneer de zon op het hoogst
staat, en in de boekdrukkerij, daaraan palend, waar de schilderkunst hoog wordt
gehouden en de drukpers kunsten en wetenschappen beide tot gemeengoed der
burgerij maakt. Daar ontmoeten de Zeeuwse dichters elkaar:
Schotte,
Van Beaumont,
Cats,
Hoffer,
Van Borsselen,
Johanna Coomans,
De Brune,
Luyt,
Peutemans,
Hobius en anderen, die de tijd niet
toelaat te noemen. Als inleiding tot de bundel is dit vers volkomen geslaagd,
wat ook van de opzet geldt. Van de Venne heeft fantasie, hij weet een bepaald
gegeven sierlijk te hanteren en uit te werken, hij gebruikt de motieven van de
mythologie, die hem als Renaissance-kunstenaar welvertrouwd waren, zonder die
overladenheid die ze bij andere dichters meermalen ongenietbaar maakt, en
tenslotte geeft hij ook als dichter van hetzelfde scherpe waarnemingsvermogen
blijk, dat hem als schilder en tekenaar tot een der belangrijkste figuren uit
onze schilderkunst van het eerste kwart der eeuw maakt.
Van geheel andere aard is het tweede gedicht uit de bundel, de
‘Uytroep ofte boel-coop, van malle-pracht’
167, een opsomming van
al de onderdelen van het toilet der zeventiende-eeuwse pronkers en pronksters,
en tegelijk een stil maar veelzeggend verwijt aan de overdreven opgevoerde
weeldezucht in de mode van mannen zowel als van vrouwen. Met dit gedicht
schaart Van de Venne zich aan de zijde van de jonge Huygens, al is het dan met
minder talent. Aan diens ‘Voorhout’
168,
maar vooral aan Cats' ‘Galathea’ herinnert het ‘
Minne-mall van Dicke Leendert, en Lijsje Teunis, met ioncker
Maerten’
169, een dialoog tussen een jong boertje en een
boerinnetje met als derde, en spelbreker, een hoofse jonker uit de stad.
Evenals Cats stelt Van de Venne land en stad scherp tegenover elkaar, wat ten
gunste van het land uitvalt: Lijsje Teunis laat zich door de mooie woorden van
jonker Maerten niet verleiden, maar geeft tenslotte toch de voorkeur aan haar
boerse vrijer. Deze samenspraak, die alleen wat te lang en hier en daar, als
bijna al het werk van Van de Venne, wat gekunsteld van taal is uitgevallen, is
niettemin een van de levendigste en vlotst geschreven stukken uit de bundel.
Deze eigenschappen heeft het | | | | gemeen met het ‘Boertich liedt van Hollandts Trijntje, en Zeeuwse
Leunis’
170, te zingen op de
wijze van Cats' ‘Ons ghespeel wil enckel trouwen’
171, en geheel in de trant van Cats' arcadische gedichten geschreven. Te
Rijswijk is een heel gezelschap boeren bij elkaar; er wordt
kaartgespeeld en gedobbeld, gegeten en gedronken, en ondertussen maakt Zeeuwse
Leunis, die op de een of andere wijze in deze troep terecht is gekomen, het hof
aan het mooie Trijntje. Leunis heeft geen kans bij haar, maar als hij
teleurgesteld naar de Haagse kermis trekt, om daar zijn zinnen te verzetten,
haalt een gezelschap jonge vrijsters hem in en doet hem opeens zijn leed
vergeten. Zeeuwse Leunis krijgt van de Hollandse meisjes met dat al geen
hoogte.
In de beschrijving van het schransende en dobbelende
boerengezelschap is iets, dat aan Bredero's ‘Kluchtigh boeren geselschap’ doet denken, waarop
het wel geïnspireerd zal zijn. Het ‘Sinnighe slypers-liedt’
172 herinnert daar nog sterker aan, omdat het op dezelfde wijs
gezongen dient te worden. Van de Venne heeft overigens alleen de vorm aan
Bredero ontleend voor dit lied, waarin hij de scharenslijp sprekende
invoert:
Ick slijpe schaer, en mess' van alderhande sné,
En beytels, en bylen, en ander tuyghje mé;
Siet! hoe ick trap en tré:
't Is om de cost van mijn begost,
De prent, die hij er bij tekende, vertoont de man temidden van al de
klanten, waarvan hij in zijn lied melding maakt: kameniertjes, naaisters en
breisters, schilders, plaatsnijders, boetseerders, barbiers en alle mogelijke
ambachtslieden; zelfs de hannekemaaier ontbreekt niet in dit bonte gezelschap.
Op de monoloog van de scharenslijp volgen antwoordliederen van de vrouwelijke
en de mannelijke omstanders
173.
Het eerste is op de wijs van Hoofts ‘Vluchtighe nymphe’ te zingen:
Kluchtige slyper, aerdigh gast
Wy zijn byster wel gepast
Want, ghy weet met slypery
Strijckende-praet te brengen by.
Maar hoe ken je, vragen ze hem, onze gedachten zo goed? En zijn wij
werkelijk wel zo geslepen, als je denkt? Schimpende slijper, schaam je wat, ons
tere vrouwen, die levenslang in de macht der mannen verkeren, zo te
beschimpen.
Veynsende wiggel wapper mont,
Maecket toch niet al te bont;
Laet u lippen niet ontglippen
Eenigh vrouwen-roem, off schandt,
Blijvende eer is waerdigh pandt.
En de mannelijke omstanders zijn al evenmin tevreden: ze hebben de
indruk dat hij het met de waarheid niet te nauw neemt, maar de
‘Aen-spraecke tot alle onghesleepen luyden’
174herinnert er
beiden, mannen en vrouwen aan, dat al het gepraat van de slijper voor
‘enckel jock, en boertigh spel’ te houden is; niemand behoeft er
zich aan te storen.
De ‘Boersche eyer-clacht’
175 is de lange alleenspraak van een boer, die met een mand eieren
in de modder uitgegleden, nu als Perette uit
La Fontaine's bekende fabel opsomt, wat men
zoal van de gebroken | | | | eieren had kunnen maken. De ‘Zeeusche mossel-man’
176 en het ‘Mossel-mans korde-wagen-liedt’
177 bezingen de lof
van dit bij uitstek Zeeuwse gerecht. Door en door Catsiaans is ‘Vorsse-mossels eyghen-schap, gheduydet op de ghelijckenisse der
menschen seden, en leven’
178, terwijl de
‘Sinnighe neep-kluytjes, waer in spreuckscher wijse wert aen
ghewesen door verscheyden persoonen, den loop des levens’
179 aan
Roemer Visscher herinneren, maar ook aan de
‘Grillen’ van Simon van Beaumont en Huygens'
puntdichten. Het zijn ruim zeventig zevenregelige gedichtjes, waarin Van de
Venne aan zijn observaties van jonge Gijsje en kleine Lijsje, van Elske Mors,
jonker Puyck, trage Fop en tal van andere al of niet aan de werkelijkheid
ontleende figuren opmerkingen over het menselijk leven in 't algemeen
vastknoopt. Op zichzelf beschouwd zijn deze korte, dikwijls pittige rijmen niet
onverdienstelijk, maar hun dichter heeft dit tegen, dat men ze nu eenmaal
moeilijk op zichzelf kan beschouwen en een vergelijking met grotere
woordkunstenaars dan hij was nu eenmaal in zijn nadeel moet uitvallen. Hoezeer
hij er intussen althans naar streefde om een grote rijmvaardigheid te krijgen,
blijkt nog eens uit het laatste gedicht van de bundel, de lijst van het ‘Tafereel, genaemt Sinne-bommeken’
180, een soort van
revue van al de personen, die in de voorafgaande gedichten zijn opgetreden en
die nu tezamen een rondedans maken op de muziek van de speelman.
Als de Mey staet voor de deur,
Ionc en out verrect zijn beyne,
Die des winters voll' getreur
Cropen by de trirom treyne;
Maar ook komt in dit lied tot uiting, hoezeer dit streven maar al te
dikwijls tot gewrongenheid en duisterheid moest leiden. Van de Venne
overschatte zijn talent, toen hij in dezelfde trant wilde dichten als Bredero
en Huygens, dichters van onvergelijkelijk groter formaat dan hij was. Wat bij
hen natuurlijk klonk, werd bij hem tot gekunsteldheid; wat bij hen rijkdom was,
werd bij hem tot pronkzucht en overladenheid, dezelfde eigenschappen die ook
Van de Venne's schilderijen menigmaal ontsieren.
|
164Tafereel van Sinne-mal: waer in verscheyden
verthooninghen werden aenghewesen, met poëtische vermaeckelijcke, ende
leersame sinne - dichten, en sang - liedekens. Gemeynsaem by een gevought, ende
verciert met verscheyden copere platen. Door A.V. Venne. Tot Middelburgh,
ghedruckt by
Jan Pietersz vande Venne, cunst ende boeck
- vercooper, woonende op den hoeck vande nieuwe beurse, inde Schildery -
winckel, anno 1623 (VIII, 114 blzn.; 4to). - Herdrukken (achter die van de
Zeeusche Nachtegael): Rotterdam, 1632; Amsterdam, 1633; Amsterdam,
1651.
168Hij noemt dit boek op het eind van dit lied,
blz. 56. - Van de Venne had zowel voor het ‘Voor-hout’ als voor het
‘Costelick mal’, die beide in 1622 bij zijn broer verschenen, een
prent getekend, en bleef sindsdien met Huygens in relatie. In 1634 zond hij hem
zijn ‘Sinne-vonck’ (Worp, Briefwisseling van Const. Huygens,
t.a.p., I, no. 892), het jaar daarop zijn ‘Tafereel van de belacchende
werelt’ (t.a.p., II. no. 1193), beide met een begeleidende brief.
169Tafereel van Sinne-mal, t.a.p., blz. 11 - 57. -
Het lied is opgedragen aan
Jacob de Gheyn (1565 - 1629), de bekende
schilder - graveur.
171Jacob Cats, Maechden-plicht, t.a.p., blz.
93.
172Tafereel van Sinne-mal, t.a.p., blz. 75 - 80. -
Het behoort tot een groep liederen (blz. 73 - 84) die onder de verzameltitel
‘Sinnighe Zeeusche slyper’ zijn opgedragen aan
Magdalena van de Passe (± 1598 -
1638), de enige dochter van de bekende plaatsnijder
Chrispijn van de Passe, ± 1560 te
Arnemuiden geboren, maar al vroeg naar elders verhuisd en in 1639 te Utrecht
overleden. Magdalena hanteerde evenals haar vader en eveneens met veel talent
de graveerstift. Vgl. Nagtglas, II, blz. 346 - 348; N.N.B.W., V, kol. 454 - 455
(J.M. Blok).
173Tafereel van Sinne-mal, blz. 80 - 82.
175T.a.p., blz. 85 - 93. - Het is opgedragen aan
Michel le Blon(d) (1587 - 1656), de bekende
graveur.
176T.a.p., blz. 95 - 96. - Het is met de volgende
liederen (blz. 96 - 99) opgedragen aan
Pieter van Meldert (vgl.
hiervóór, blz. 235).
179T.a.p., blz. 101 - 109. - Het is opgedragen aan
Willem Jacobsz. Delff (1580 - 1638), de
bekende graveur en een van Van de Venne's kunstvrienden.
180T.a.p., blz. 111 - 114.
|
|