auteur: P.J. Meertens
bron:
P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en
de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers
Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van
Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2000 dbnl / erven P.J. Meertens

|
|
| |
Jacob Cats
In het middelpunt van het letterkundige leven in Zeeland uit het
eerste kwart van onze Gouden Eeuw staat de figuur van Jacob Cats (1577 - 1660)
194.
Over geen andere dichter uit heel onze zeventiende-eeuwse letterkunde lopen de
meningen zozeer uiteen. ‘Bewundert viel, und viel gescholten’, als
verder in onze letterkunde alleen maar Bilderdijk ten deel is gevallen, is hij
alleen om die reden al steeds opnieuw de moeite van een opzettelijke
bestudering waard. Een objectief oordeel over hem uit te spreken is nauwelijks
mogelijk, omdat zijn werk enkele eeuwen lang een buitengewoon grote plaats
heeft ingenomen in het kultuurbezit van ons voorgeslacht. Daardoor vormt dit
dan ook niet alleen, als bv. dat van zijn geestverwant Huygens, een hoofdstuk
uit onze literatuurgeschiedenis, maar bovendien een deel van de hele
Nederlandse beschavingsgeschiedenis. Het standpunt, dat we ten opzichte van
Cats innemen, is afhankelijk van onze houding tegenover het verleden van ons
volk en in 't algemeen tegenover de structuur van de Nederlandse volksziel. Dit
maakt een beschouwing van het werk van Cats even aantrekkelijk als moeilijk, en
verklaart waarom elke nieuwe beschouwing voor- en tegenstanders vindt.
| |
Afkomst en levensloop tot 1623
Het geslacht Cats was afkomstig uit Brouwershaven of
uit de omgeving van deze plaats
195.
De stamreeks der familie
196 klimt niet verder op dan tot het begin der zestiende eeuw en
vangt aan met de grootvader van de dichter,
Cornelis Cornelisz. Cats, die in 1536
meestoofmeester was te Brouwershaven. Uit zijn huwelijk met Lide N.N.
197 werden drie kinderen geboren: Adriaen Cornelisz., Salome
198 en Matthijs
199.
Adriaen Cornelisz. Cats
200, omstreeks 1535 te Brouwershaven geboren en aldaar tussen
5 October 1599 en l Februari 1600 overleden, schijnt aanvankelijk biersteker te
zijn geweest. Tussen 1568 en 1595 was hij herhaaldelijk schepen, in 1598 en
1599 burgemeester, in 1572 thesaurier en landmeester van Sint-Jakobs
Klein-Nieuwlandpolder, in 1573 kerkmeester, in 1583 accijnsenaar, tussen
1571 en 1595 herhaaldelijk weesmeester en in 1589 onderdijkgraaf der zes
nieuwbedijkte landen. Dat hij zowel vóór als na 1577 in de
vroedschap zat bewijst dat hij, aanvankelijk Roomsgezind, na de overgang van
Schouwen en Duiveland mee overgegaan is naar de nieuwe religie, althans voor de
schijn. Vele aanzienlijken immers bleven ook hier het oude geloof getrouw.
Adriaen Cats is twee keer gehuwd geweest. Uit zijn eerste huwelijk
met
Leenken Breijde
201 werden vier
kinderen geboren: een zoon Cornelis
202, twee
dochters, waarvan er een Quirina
203 heette, en, op 10 November 1577, Jacob.
Anderhalf jaar na de geboorte van dit jongste kind overleed de moeder, op 13
Mei 1579. De vader, ‘noch gesont en van bequame jaaren’
204,
hertrouwde (vóór Maart 1583) met
Jolente de Grande
205,
‘een hupse vrouw uyt Walslant’, ‘een hantsaam wijf en oock
van edel bloet, maar door de krijg berooft van al haar ouders goet’. Voor
de vier halve wezen, die aan haar opvoeding werden toevertrouwd, was zij een
moeder, maar niettemin vonden een kinderloze oom en tante
206 het veiliger, de kinderen aan de invloed van
deze buitenlandse vrouw uit een Rooms land te onttrekken, en zo verliet Jacob
al vroeg het ouderlijk | | | | huis. Uit het tweede huwelijk van zijn
vader werden nogmaals vier kinderen geboren, drie zoons
207 en een dochter Leenken,
‘een schoone maagt’.
Jacob zelf werd al vroeg, op kosten van zijn oom, naar de Latijnse
school te Zieriksee gezonden. Aanvankelijk was dit hem ‘een droevig
leven’, en het eerste jaar voerde hij, naar zijn eigen getuigenis, weinig
of niets uit. Hij kwam er in de kost bij de rector
Dirck Kemp, een eigenaardig man, die met
zichzelf en zijn onderwijs bijzonder ingenomen was, bovendien ‘gansch
kluchtig in manieren’, waarvan
Cats een voorbeeld noemt. Zijn vrouw had
een dienstbode, die zich geen maagd meer kon noemen, en die 's nachts,
‘als vrouw en meester sliep’, in de kamer van de kostjongens kwam.
Jacob was nog te jong om mee te doen aan de ‘losse praat’ - want
erger dingen gebeurden er niet - maar niettemin werd in deze jaren de kiem
gelegd van zijn zinnelijk karakter, de bron van een levenslange strijd. Nog als
grijsaard van twee en tachtig klaagt hij:
Ick voele menigmaal noch in mijn zinnen komen
Dat ick van dese stof ter loops heb ingenomen:
Het kruyt dat niet en deugt, indien het veylig wast,
Word ongevoelig groot en staat ten lesten vast.
We mogen aannemen dat Cats tussen zijn elfde en zijn veertiende jaar
in Zieriksee is geweest
208. In deze tijd valt zijn
eerste jeugdverliefdheid, die weliswaar maar ‘kinderwerck’ was,
maar zijn jonge leven toch onrustig maakte. Tante kwam er achter en ‘ging
geweldig af’, en Jacob, altijd voor goede woorden vatbaar, gaf zijn
‘grillen’ op. In Zieriksee ook maakte ‘een eerbaar jongeling,
uyt Brabant daar gekomen’, hem bekend met de dichtkunst, waarop hij zich
weldra eveneens begon toe te leggen, eerst ‘in Roomsche taal’ en
vervolgens, toen hij daarvan de smaak verloren had, ‘in de Zeeusche
taal’.
Vier jaar bleef hij op de Latijnse school; toen verliet hij,
waarschijnlijk dus in 1591 of 1592, Zieriksee en Zeeland metterwoon, en vertrok
naar Leiden. Naar Schouwen is hij niet meer teruggekeerd, behalve voor een
kortstondig verblijf, maar levenslang heeft hij de herinnering aan
Brouwershaven en Zieriksee in zich levend gehouden. Zijn ‘Ouderdom, Buyten-leven en Hof-gedachten, op
Sorgh-vliet’ (1656), het werk dat hij tegen zijn tachtigste jaar
schrijft, is aan de overheid van beide steden opgedragen
209. Met zijn Brouwershavense familie is hij altijd in contact
gebleven, met zijn broers en zusters en hun kinderen, met zijn achterneef Jacob
Hobius, met een achternichtje dat hij aan een bruidschat hielp
210. Veel later nog interesseert hij zich voor zijn achterneef
Hobius van der Vorm (1628 - 1700)
211. Met tal van leden van Schouwse families, uit de geslachten
Teelinck, Hoffer, Boy en andere, heeft hij betrekkingen onderhouden.
Te Leiden kwam de jonge Jacob in huis bij
‘seecker deftig man van Leuven daar gekomen’, een ontwikkeld man,
die
Aristoteles' ‘Organen’ las. Het ging hier al precies zo als bij
rector Kemp: de huisvrouw nam op zekere dag een dienstmeisje, dat al de zes
studenten, die bij haar in de kost lagen, het hoofd op hol bracht, wat hun
studie nu juist niet ten goede kwam. Uitvoerig heeft Cats in zijn
levensbeschrijving verteld, in welke moeilijkheden dit ‘titsig
dier’ hem, buiten zijn en haar schuld, heeft gebracht, en hoe hij een
tijdlang geducht in angst heeft gezeten voor een hem opgedrongen en allerminst
gewenst vaderschap. Het onmiddellijke gevolg daarvan was, dat hij voorlopig
geen ‘witte kappen’ meer wilde zien.
| | | | Cats heeft zich klaarblijkelijk niet dadelijk na zijn
komst in Leiden laten inschrijven. Eerst op 12 Augustus 1593 vinden
we hem als
Jacobus Breide Brouwershavius in het album
studiosorum ingeschreven in de literaire faculteit
212. Het is opmerkelijk dat hij niet de
familienaam van zijn vader, maar die van zijn moeder gebruikt, al was dit in de
zeventiende eeuw lang niet ongewoon, vooral wanneer de familie van de moeder
aanzienlijker was dan die van de vader. Het laatste kan ook hier het geval zijn
geweest; de Breydes behoorden althans tot de notabele families van
Brouwershaven, maar ook kan de minder goede verstandhouding van
Adriaen Cats met de kinderen uit zijn
eerste huwelijk hierop invloed hebben gehad. Mogelijk heeft ook dankbaarheid
jegens de tante, die zich in Zieriksee liefdevol over de moederloze jongen had
ontfermd, hem er toe gedreven om haar naam aan te nemen.
In de jaren die
Cats in Leiden heeft doorgebracht vond hij
daar o.a. Simon en
Apollonius Schotte uit Middelburg en
Theobald de Hubert,
Petrus Gruterus, Johan en Willem Teelinck,
allen uit Zieriksee. Enkele van deze Zeeuwse tijdgenoten zullen we
in zijn later leven meermalen ontmoeten. Het enige dat Cats van zijn studie
vertelt, is dat hij Grieks leerde van
Jan Cornelisz. van Gessel (1550? - 1627)
213, die zich als particulier leraar in Leiden had
gevestigd, en dat hij in deze taal dadelijk verzen begon te schrijven.
Waarschijnlijk heeft Cats na een literaire propaedeuse verder rechten
gestudeerd. Hij heeft deze studie niet in Leiden voltooid, maar in Orleans,
ofschoon hij, volgens de bewoordingen van zijn autobiografie, vooraf
klaarblijkelijk aan verscheidene dispuut - colleges heeft deelgenomen.
En na ick van myn doen veel preuven had gegeven,
Scheyd' ick van Leyden af, en reysde uyt het lant,
Op dat een vreemde kust mogt wetten mijn verstant,
In Orleans, destijds nog altijd drukbezocht door wie zich in het
burgerlijk recht wilden bekwamen, ging het met Cats al net zo als in Zieriksee
en in Leiden: ook hier deed de vrouw een aanval op de wetenschap. Aanvankelijk
alleen met de bedoeling om goed Frans te leren spreken - hij verzekert het ons
zelf - verspilde hij veel tijd ‘bij juffers van de stadt’, maar van
het een kwam het ander:
De kennis wies gestaâg, en mits de soete praat,
Soo hielt men menig maal wel niet de regte maat,
Een van de Orleanse meisjes beviel hem boven alle andere, en weldra
bleek ze bereid om de jonge jurist als zijn wettige vrouw naar zijn vaderland
te vergezellen. Maar nog juist op tijd bedacht Cats, die zijn verstand nooit
door zijn gevoelens heeft laten overheersen, dat zijn vader hem bij zijn
vertrek op het hart had gebonden om toch alleen terug te keren. En gelukkig
kòn hij nog alleen terug:
Als ick de reis begon, toen was mijn lichaam kuys,
En ick brogt wederom gesonde leden t'huys.
Dat ick by vrouwen sogt, en was maar om te praten,
In eerbaar onderhout daar by heb ick 't gelaten.
In 1598 heeft Cats Orleans bezocht. De 2de Juni werd hij als
Jacobus Felinus Brouwershavenensis
ingeschreven in de Natio Germanica
214, Van
examens of een promotie maakt noch het archief van de senaat, noch dat van de
genoemde natie melding, maar uit zijn autobiografie weten we, dat hij er tot
doctor in het Romeins recht gepromoveerd is
215. Zijn ver- | | | | blijf schijnt er van vrij lange duur te zijn
geweest, en het afscheid van de stad, waaraan hij zoveel zoete herinneringen
meenam, kostte hem moeite. ‘Overstort met ongemeene rou’, waaraan
hij in klaagliederen uiting gaf, vertrok hij naar Parijs. Graag had hij nog
verder willen trekken, naar Toskane, misschien zelfs naarRome,
maar de vrienden in Holland vonden dat het nu tijd werd om huiswaarts te keren.
Zijn verblijf in Parijs is klaarblijkelijk maar van heel korte duur geweest,
want eind Juli vinden we hem alweer bij een promotie in Leiden als opponent
216.
Cats begon zijn juridische loopbaan in Den
Haag, waar hij zich bij de ervaren procureur Cornelis van der Pol in de
advocatuur bekwaamde. Na korte tijd begon hij al zelf te pleiten, en
ziedaar:
Godt gaf dat my voor eerst bequame stofte gaven
De stadt van Zierickzee, en oock mijn Brouwershaven.
De praktijk nam met de dag toe
217, en waarschijnlijk ook al
uit hoofde daarvan vond Cats zichzelf zo langzamerhand ‘bequaam oock tot
een wettig trouwen’. De toekomstige mevrouw Cats was zelfs al gevonden,
toen God tussenbeide kwam. De derdedaagse koorts overviel hem, en alle
middelen, ter bestrijding ondernomen, bleken tevergeefs; alleen verandering van
lucht zou, naar het oordeel der medici, kunnen baten. Een hele zomer bracht
Cats dientengevolge in Engeland door, o.a. in Cambridge
en Oxford. Hier kwam hij in aanraking met het Puritanisme; hij
hoorde er
Perkins en waarschijnlijk ook Hall, maar
van zijn koortsen genas hij niet. Toen het winter werd en de pest in vele
steden uitbrak, keerde hij naar Holland terug en vatte de praktijk weer op. De
succesvolle verdediging van een jongeman, die om zijn vader te verdedigen
iemand had doodgeschoten, bezorgde hem veel roem, maar zijn ziekte wilde niet
genezen, al volgde hij ook ieders raadgevingen op. Te Brouwershaven bij een van
zijn broers logerend, werd hij eindelijk door een oude alchemist genezen
218.
Bevrijd van ziekte en kwaal, dacht hij er over om zijn toch wel
enigszins verwaarloosde praktijk in Den Haag weer op te nemen, toen zijn vriend
Apollonius Schotte, pensionaris van
Middelburg, hem aanried zich eveneens in Zeelands hoofdstad te vestigen, waar
voor een jong advocaat toekomst was. De commissievaart, die in deze jaren uit
de Zeeuwse havens druk werd gedreven, gaf voortdurend aanleiding tot
geschillen, waarin het Admiraliteitscollege te Middelburg moest beslechten. Zo
ontstond bij deze vrij plotselinge toename van processen al spoedig een tekort
aan procureurs, waarin Schotte, die wegens zijn benoeming tot pensionaris in
1602 zijn eigen praktijk had moeten opgeven, voorzag door enkele jonge juristen
naar Middelburg te halen.
Simon van Beaumont was een van hen, Cats
een andere. Nadat hij in 1603 te Leiden zijn theses exercitii gratia had
verdedigd, kwam hij nog in hetzelfde jaar ‘tot Middelburg (z)ijn
woonplaats nederslaan’. Zowel
Cats, die juist zes en twintig was
geworden, als de enkele jaren oudere Van Beaumont werden nog vóór
zij zich als poorter hadden laten inschrijven, door Wet en Raad tot
stadsadvocaat aangesteld (13 December 1603), een bewijs van de welkome
ontvangst, die hun in Zeelands hoofdstad ten deel viel, maar tegelijk van hun
goede naam als jurist, die hun reeds was vooruitgevlogen.
Cats kreeg in Middelburg al spoedig een drukke praktijk, naar het
schijnt echter meer als procureur dan als stadsadvocaat
219. In hoofdzaak heeft hij zich aan handelsgeschillen gewijd,
en tot dat doel introduceerde Schotte hem bij de voornaamste kooplieden van de
stad, in de eerste plaats waarschijnlijk bij
Pieter de Moucheron, een oudere broeder
van Balthasar, | | | | en als deze een handig en ervaren koopman. In zijn
huis in de Lange Noordstraat (L. no. 131)
220, dat
van binnen een aanzienlijker indruk maakte dan het uitwendig voorkomen zou doen
vermoeden, nam Cats zijn intrek.
Onder de Middelburgse handelshuizen stond dat van
Balthasar de Moucheron in 1603 nog steeds
vooraan, al was het hoofd zelf reeds in 1599 naar Vere getrokken, en nam Pieter
de zaken waar. Bij hem woonde Cats gelukkig en tevreden, zich verheugend in de
vriendschap van zijn nieuwe stadgenoten en in het gelukkig en trots bezit van
een groeiende praktijk:
Mijn huys wierd veel besogt, ook luyden van den Staat,
En wijser als ick was, versogten mijnen raat.
Nog in hetzelfde jaar kwam echter de katastrofe over het huis De
Moucheron. Balthasar vertrok met de noorderzon, en zijn broer wist niet beter
te doen dan zijn voorbeeld te volgen, zodat Cats zich opeens beroofd zag van
huiselijk verkeer. Meer dan ooit kwam het hem wenselijk voor, naar een vrouw te
gaan omzien. Van wat hem daarbij overkwam vertelt hij slechts één
enkel geval: de bekende ontmoeting met een meisje in de Franse kerk, op wie hij
op het eerste gezicht verliefd wordt, maar met wie hij tenslotte aarzelt om te
trouwen wegens het faillissement van haar vader. Het vertrek van het meisje
naar Amsterdam maakte de beslissing, die een scheiding inhield, gemakkelijker.
De weinig idealistische afloop van deze strijd tussen liefde en
carrière, door Cats met grote openhartigheid verteld, is hem o.a. door
Busken Huet hevig kwalijk genomen.
In hetzelfde Amsterdam vond Cats tenslotte zijn vrouw.
Op 26 April 1605 huwde hij er met
Elisabeth van Valckenburgh
221, een rijk en bovendien
een mooi meisje, nauwelijks twee jaar jonger dan hijzelf. Op 29 Mei werd het
huwelijk door ds. Helmichius bevestigd.
Cats beschrijft zijn vrouw als ‘een
vrouw van sneêg vernuft en geestig in manieren’, die voor haar
tijdverdrijf geen ‘romansche grillen’ maar
Plutarchus las, en bovenal de Bijbel.
Waarschijnlijk is zij het geweest, die Cats tot de kerk heeft gebracht: eerst
in het voorjaar van 1607 werd hij aangenomen als lidmaat van de Hervormde
gemeente. Klaarblijkelijk hield dit verband met de aanstaande geboorte van zijn
eerste kind, die in September plaatsvond. Het was een zoon, die Johannes werd
genoemd, de eerste van een zevental kinderen, alle te
Middelburg geboren tussen 1607 en 1618. Van zijn drie zonen heeft
Cats er niet één volwassen zien worden, de oudste stierf als
tienjarige knaap, toen hij juist zover was ‘dat hy oock met verstant
geleerde boecken las’, de beide andere, Jacobus en Cornelis, stierven in
hun prille jeugd. Na Johannes werd in Juni 1609 een dochter, Anna geboren, die
in 1630 met
Cornelis van Aerssen van Wernhout trouwde.
Twee andere dochtertjes, die na Anna kwamen, Helene en Elisabeth, stierven kort
na de geboorte; het jongste kind, dat weer Elisabeth werd genoemd, bleef in
leven en werd in 1636 de vrouw van
Cornelis Musch, de bekende griffier van de
Staten-Generaal.
Op het eind van 1611 gaf Cats zijn rechtspraktijk op, en werd boer
222. Deze omkeer in zijn leven was indirect het gevolg van het
sluiten van het Bestand. Tijdens de oorlogsjaren waren voor strategische
doeleinden in Zeeuws-Vlaanderen tal van landerijen geïnundeerd, die, nu de
reden van hun inundatie verdwenen was, weer drooggelegd konden worden. Tezamen
met zijn broer Cornelis
223 nam Cats aan
deze bedijkingen deel, en de winst bleef niet uit: één enkele
oogst betaalde soms het hele land. | | | | In 1614 bouwden zij even buiten Groede een hofstede,
nog als de Catshoeve bekend, met haar reusachtige palmbomen, waarvan de
overlevering wil dat Cats ze geplant heeft. In 1616 was hij kerkmeester in
Groede; het voor hem gereserveerde gestoelte in het Hervormde kerkgebouw draagt
nog zijn naam en zijn wapen
224. Een en ander wijst er op, dat Cats in deze
jaren metterwoon in Zeeuws-Vlaanderen gevestigd was. Niettemin bewoonde hij
tevens in Middelburg het huis van
Pieter de Moucheron, dat hij kort na zijn
huwelijk had gekocht, evenals het buitengoed Munnikenhof, aan de Seisweg
onder Grijpskerke gelegen. Dit huis, dat vroeger een zomerverblijf
van de Middelburgse abten was geweest, en later eveneens aan de Moucherons had
toebehoord, werd nu het zomerverblijf van Cats en zijn gezin. In de laatste
jaren van het Bestand schijnt deze weer uitsluitend op Walcheren
te hebben gewoond; in September 1619 wordt hij als ouderling in de kerkeraad
gekozen, waar hij echter klaarblijkelijk geen rol heeft gespeeld, aangezien de
kerkeraadsnotulen zijn naam maar zelden noemen
225.
Met kennelijk behagen denkt Cats in later jaren aan zijn leven op
Munnikenhof terug:
Ick had een buytenhuys niet verre van de stadt,
Daar ick en mijn gesin een wijl in stilte sat.
Ick was veel op het land, of in het huys gedoocken.
Ick liet van enckel moes my veeltijts spijse koocken;
Ick schoude stadts gewoel, en koos het eensaam velt,
Want daar was toen ter tijt mijn wesen naar gestelt
226.
In deze landelijke omgeving begon hij weer te dichten, wat hij na
zijn verblijf te Orleans niet meer gedaan schijnt te hebben. Maar de man van
veertig, gerijpt door het leven en bittere levenservaringen, was een ander dan
de student van twintig, die in een hem vreemde taal aan de teleurstelling over
een ongelukkige liefde uiting gaf, en al was de erotische poëzie hem ook
nu nog niet vreemd, daarnaast had hij zich tot ernstiger onderwerpen
gewend:
Ick las, ick dicht', ick schreef, ick maackte zinnebeelden,
Terwijl mijn kleyne jeugt ontrent de boomen speelden:
Hier uyt quam Dafnus voort, die Els en Galathé
Ging raden van de stadt en tot het witte vee
227.
Hier ook ontstonden de ‘Self-stryt’, het ‘Tooneel der mannelicke achtbaerheyt’ en het
‘Houwelyck’. Maar ‘aartsche vreugt en kan
niet lange dueren’: als in 1621 het Bestand eindigt, worden de pas
bedijkte landen in Zeeuws-Vlaanderen doorgestoken en al het schone land loopt
onder. Het weinige dat Cats nog overbleef, werd tot overmaat van ramp verbeurd
verklaard door de Staat, en een langdurig proces, dat over drie rechtbanken
liep, bezorgde hem veel vervelende beslommeringen en kostte hem flink geld.
Toen werd hem, nog in hetzelfde jaar, het professoraat in het burgerlijk recht
aan de Leidse hogeschool aangeboden, waar door het aftreden van prof.
Bronckhorst een vacature was ontstaan
228, en
tegelijkertijd het pensionarisschap van Middelburg. Uit Cats' autobiografie
blijkt, dat vooral zijn vrouw en ‘al het naaste bloet’ hem
aangeraden hebben, in Middelburg te blijven, waartoe hij dan ook besloten
heeft. Op 30 October 1621 aanvaardde hij zijn nieuwe werkkring
229. Een
sinecure was dit pensionarisschap, dat hij met
Simon van Beaumont deelde, stellig niet, in
de jaren dat Middelburg op het toppunt van zijn bloei stond, en het zal wel
overeenkomstig de waarheid zijn, als hij zegt: | | | |
Ick heb in dit gewoel een ruymen tijt versleten;
En broot van luyen aart en heb ick noyt gegeten.
Geheele dagen lang, tot aan den swarten nacht,
Heb ick in diep gepeys al dickmaal doorgebragt
230.
Alleen slaat het begrip ‘een ruymen tijt’ niet op zijn
pensionarisambt, want dat heeft hij maar anderhalf jaar bekleed. Al het
volgende jaar toch werd hem, ‘gansch buyten (z)ijn beleyt, ja sonder
vriendenhulp’, dezelfde betrekking in Dordrecht aangeboden
231, en ofschoon hij, ‘lief-getal aan al de
Zeeusche steden’, tot zijn laatste dag in Zeeland had willen blijven
232, gaf hij aan de roepstem van Hollands eerste
stad gehoor. Niet zonder strijd overigens: zowel hijzelf als zijn vrouw gingen
niet graag uit de stad weg, waar al hun kinderen geboren waren en ze zich een
brede vriendenkring hadden verworven. Ook Wet en Raad van Middelburg deden
moeite, om hun eerste dienaar te behouden.
Ick was toen, naar mij docht, in Zeelant vast gezeten,
Oock wou mijn egemaal van geen vertrecken weten,
In stad had ick een huys, en buyten, op het lant
Een woning wel gebouwt, en boomgaarts net geplant.
De kennis die ick had nu lange my verkregen,
Quam meê in dit geval mijn zinnen hier bewegen.
Ick had' er menig vriendt en veel naer eygen wensch,
En daar ick komen sou en kend ick niet een mensch.
De kinders die ick had, die waaren daar geboren,
En 't regt daar uyt ontstaan dat scheen haar dan verlooren.
In 't korte, mijn gesin scheen vast daar op te staan,
Dat ver het beste was uyt Zeelandt niet te gaan
233.
‘Deftig volck’ en predikanten wezen hem er echter op,
dat het klaarblijkelijk Gods wil was, dat
Cats naar Dordrecht zou trekken
234, en onder
vasten en bidden kwam hij tot de overtuiging dat hij inderdaad moest gaan. De
laatste Maart 1623 legde hij zijn ambt neer. Wet en Raad vereerden hem met
‘eene silvere schaele of maeltijt ter discretie van dheeren
burgemeesters’
235. Het huis in de Noordstraat en de
Munnikenhof werden verkocht; Cats wilde voortaan met zijn hele persoon en
zonder terug te zien bij de Dordtenaren leven
236. In de eerste dagen van
Juni verliet hij Middelburg en Zeeland voorgoed.
| |
De Middelburgse vriendenkring
Cats en zijn vrouw zijn in Middelburg het middelpunt
geweest van een wijde vriendenkring. Sinds 1610 woonde er Elisabeths jongste
zuster
Susanna van Valckenburgh, die in dat jaar
getrouwd was met mr.
Fabiaen de Vliet (1582 - 1634)
237. Waarschijnlijk
op aanraden van Cats, die toen juist zijn rechtspraktijk neerlegde, had deze
zich na zijn huwelijk in de Zeeuwse hoofdstad gevestigd, waar hij weldra in de
aanzienlijkste kringen werd opgenomen. Van 1619 tot 1623 zaten de beide zwagers
samen in de kerkeraad, Cats als ouderling, De Vliet als diaken. Bij de doop van
hun oudste dochtertje, op 8 Januari 1616, was Elisabeth van Valckenburgh
getuige, bij de doop van een jonger dochtertje, op 8 October 1617, testeerde
Cats. De verhouding tussen de zwagers
schijnt overigens niet zo heel goed te zijn geweest: uit Cats' brieven weten
we, dat hij aan De Vliet weifelzucht inzake de bedijkingen verweet
238.
Dit verhinderde intussen niet dat, toen in Maart 1624 weer een zoontje werd
geboren in het gezin der De Vliets, dit naar zijn oom Jacob werd genoemd. De
| | | | 24ste Maart kwam hij expres voor de doop van zijn petekind uit
Dordrecht over. Bij de doop van hun eerste zoontje Johannes
239, 20
April 1622, was
Johannes van der Meersche getuige, de
rentmeester - generaal van Zeeland, die met zijn vrouw, de dichteres
Johanna Coomans, tot Cats' huisvrienden
behoorde. Huisvrienden waren ook de ridder
Pieter Courten(1581 - 1630) en zijn vrouw
Hortensia del Prado († 1627)
240, die vier huizen verder in de Lange Noordstraat ‘het
Grote Huis’ (L. no. 127) bewoonden, waarvan Cats de tuin bezongen
heeft:
Ick weet een weerde vrouw hier binnen dese mueren,
Een licht, en gulde krans van onse na-gebueren,
Die voert een eygen naem genomen vanden hof,
En daerin scheptse vreucht, niet sonder haren lof:
Daer heeftse menich fruyt uyt alle vreemde landen,
Daer menich aerd-gewas van alle verre stranden,
Daer bloemen sonder naem, daer ongepersten wijn,
Gelijcker dickmael koomt gedreven vanden Rijn;
Daer speelt het geestich nat met hondert water-sprongen,
Daer teelt de gulle visch, de herten krijgen jongen:
Wat dienter veel geseyt? daer is een volle schat;
Een wout, een open velt, te midden inde stadt
241.
Van de predikanten kende hij
Willem Teelinck waarschijnlijk al van hun
gemeenschappelijke Leidse studentenjaren af, maar pas in Middelburg zullen zij
elkaar als geestverwanten op het terrein van het geestelijk leven gevonden
hebben. De lofdichten die Cats op de ‘Balsem Gileads voor Zions
wonde’ (1622) en, nadat hij al naar Dordrecht was vertrokken, op het
‘Noodwendigh vertoogh’ (1627) schreef, geven van deze
geestverwantschap blijk. Ook met
Antonius Walaeus stond hij op voet van
vriendschap; toen Walaeus' zoon Johannes de verzamelde theologische werken van
zijn vader uitgaf, droeg hij die aan Cats op
242. De
geleerde emeritus-predikant van Goes,
Philips Lansbergen, die in 1614 te
Middelburg kwam wonen, spreekt hij, in een van de drie lofdichten, die hij op
zijn boeken schreef, met ‘lieve vrient’ aan
243.
Gerson Panneel (1575 - 1636), die van 1604
tot 1615 predikant te Grijpskerke was, zal zeker meermalen op de Munnikenhof te
gast zijn geweest. Te Middelburg beroepen - misschien door toedoen van Cats? -
werd hij diens buurman in de Lange Noordstraat (L. no. 132), maar we vinden in
Cats' werken nergens de naam van deze predikant genoemd. Een dochter van hem
trouwde met de Middelburgse schoolmeester
Johannes de Swaef, die een van zijn
vertalingen aan Cats opdroeg. Zijn broer
Samuel de Swaef, eveneens schoolmeester,
droeg een van zijn ‘proef-stucken’ van calligrafie (1619?) aan hem
op. Cats schreef een vierregelig rijm voor dit boek. In zijn ‘Gedichten
van verscheijde poëten’ (1620), een andere proeve van
schoonschrijfkunst, nam De Swaef drie gedichten van de vereerde meester op, en
voor diens ‘Sinn'- en minne-beelden’ schreef hij een lofdicht.
Hetzelfde deden o.a. de rector van de Latijnse school
Justus Liraeus
244, de jonge stadsdokter
Leonard Peutemans en de jonge advocaat en
notaris
Jacob Luyt, ons beiden als medewerker van de
‘Zeeusche Nachtegael’ bekend, en de Engelsman
Josuah Sylvester (1573 - 1618), van 1613 tot
zijn dood secretaris van de Company of Merchant Adventurers te Middel- | | | | burg, een
vurig Puritein, die misschien de Engelse vertaling van de ‘Sinn'- en
minne-beelden’ heeft bewerkt
245. De
veronderstelling ligt voor de hand dat ook zij tot Cats' vriendenkring hebben
behoord. Zijn ambt bracht hem in aanraking met de leden van de Middelburgse
magistratuur: met Simon van Beaumont, zijn ambtgenoot in engere
zin, die een epithalamium op zijn bruiloft dichtte
246, met
Apollonius Schotte, op wiens aanraden hij
naar Middelburg was gekomen, maar die al in 1610 naar Den
Haag was verhuisd, met diens beide halfbroeders Simon en Jacob. Met de
laatste zat hij als ouderling in de kerkeraad, evenals met de eerder genoemde
Pieter Courten en met
Eewoud Teelinck, de piëtistische
ontvanger-generaal van Zeeland. In de laatste jaren van zijn verblijf te
Middelburg heeft hij er ook de jonge, sinds 1617 in zijn geboortestad
gevestigde advocaat
Johan de Brune gekend.
Van al deze vrienden moesten Cats en zijn vrouw bij hun vertrek naar
Dordrecht afscheid nemen. Het was mee een reden geweest om het vererende
aanzoek van de Dordtse magistraat niet aanstonds en zonder meer te aanvaarden.
Met velen van hen zal hij betrekkingen onderhouden hebben, al weten we dat met
zekerheid maar van enkelen, toevallig allen Zeeuwen buiten Middelburg
woonachtig: de Zierikseese burgemeester
Adriaen Hoffer, die een verre neef was van
Cats, de Zierikseese predikant
Godefridus Udemans en diens neef, de
Veerse dichter
Cornelis Udemans.
| |
Cats als emblemata-dichter
Cats' loopbaan als dichter is pas in 1618, in zijn
één-en-veertigste levensjaar, begonnen. Wat hij
vóór zijn veertigste jaar heeft gedicht, zijn Zierikseese verzen,
eerst in het Latijn, later in de ‘Zeeusche tael’, zijn Griekse
verzen uit de jaren toen hij in Leiden de lessen van Gesselius
volgde, zijn Franse erotische klaagliederen uit Orleans, dit alles is
waarschijnlijk verloren gegaan; vermoedelijk heeft Cats ze zelf vernietigd.
Behalve in de ‘Maechden-plicht’, waarvan hij uitdrukkelijk
verzekert dat het al vrij oud was toen het in druk verscheen, vinden we alleen
in het eerste deel van de ‘Sinn'- en minne-beelden’ (1618) iets van
zijn jeugdwerk terug
247, maar welke
fragmenten daartoe behoren valt met geen mogelijkheid uit te maken.
De beide gedichten, waarmee Cats als dichter debuteert, de ‘Sinn' en minne-beelden’ en de ‘Maechden-plicht’, behoren alle twee tot de
emblemata-literatuur. Sinds de Italiaanse jurist
Alciati (1492 - 1550) met zijn posthuum
verschenen bundel ‘Emblemata’ (1551) een literatuurgenre had
geschapen, dat zich tot diep in de achttiende eeuw zou handhaven, was een
stroom van emblematabundels over de Westeuropese letterkunde uitgestort.
Alciati had aan het begrip emblema een nieuwe inhoud gegeven; voortaan betekent
het een zinnebeeldige prent, waaraan een verklaring in verzen is toegevoegd.
Het genre gaf volop gelegenheid om aan didactische neigingen, de mens
ingeboren, te voldoen, en bijna zonder uitzondering bezitten de
emblematabundels dan ook een didactische of stichtelijke strekking. Ontstaan
als vrucht van de Renaissance vertoont deze literatuursoort vooral in de oudste
periode alle kenmerken van de stroming, die het geestesleven van Westeuropa zo
grondig had vernieuwd. De mythologie van Grieken en Romeinen neemt er een ruime
plaats in, het Klassicisme viert er hoogtij, en de zinnelijke liefde, met
sanctie van Amor of Cupido, is er het meest geliefde, nooit genoeg bezongen
onderwerp. Eerst in de zeventiende eeuw maakt de emblemata-literatuur te onzent
zich van deze mythologisch-klassicistische strekking vrij, om in plaats van de
goden en godinnen van de Olympos het Nederlandse volk van burgers, boeren en
vissers uit te beelden. De ‘Sinnepoppen’ (1614) van
Roemer Visscher is de eerste Nederlandse
emblematabundel, waarin die realistische tendenz duidelijk te onderkennen valt
en het mytholo- | | | | gische element vrijwel op de achtergrond is
gedrongen. Het moraliserende karakter, dat het genre eigen was, bleef evenwel
ook in deze nieuwe fase ten volle behouden; bij alle samenstellers van
emblematabundels uit de zeventiende en de achttiende eeuw vinden we de
strekking, de emblemata zo uit te leggen dat ze altijd weer een levensles
inhouden, vermanen tot de deugd, afschrikken van de zonde en opwekken tot een
gelovig en godvruchtig leven.
‘De warachtighe fabulen der dieren’ (1567) van
Eduard de Dene is de oudste oorspronkelijke
Nederlandse emblemataverzameling. Toen Cats begon te publiceren, waren
schrijvers als
Coornhert, Heinsius, Roemer Visscher en Pers
hem hierin al voorgegaan; ook
Vondel, die het jaar tevoren zijn ‘Vorsteliicke warande der dieren’ (1617) had
geschreven. Het waren dan ook allerminst ongebaande wegen die Cats betrad;
nieuw was alleen de wijze waarop hij het genre toepaste. Vooral de
‘Sinn'- en minne-beelden’ immers zijn een welgeslaagde poging om de
emblemata-literatuur te verenigen met de liefdeslyriek. Het tekent Cats, die
een praktisch man was, en die daarom voor het onderwerp dat meer dan enig ander
de belangstelling van de massa weet te wekken, de liefde, de vorm zocht die
destijds in de mode was, terwijl hij door de gelukkige vereniging van twee
kunsten, de teken - en de dichtkunst, een dubbele kans maakte om populair te
worden.
Bovendien is Cats de eerste Nederlander geweest, die aan het embleem
een wetenschappelijke inhoud heeft gegeven
248. Zowel zijn ‘Sinn'- en minne-beelden’ als zijn
‘Maechden-plicht’ maken in alle opzichten een wetenschappelijke
indruk. Beide bevatten naast de Nederlandse tekst een Latijnse vertaling -
tenzij men moet aannemen dat Cats eerst de Latijnse verzen heeft gedicht en ze
daarna in het Nederlands heeft vertaald. In de ‘Sinn'- en
minne-beelden’ gaat een Latijnse voorrede aan de Nederlandse vooraf, en
de onderschriften in deze bundel zijn alle in het Latijn gesteld. Dat naast de
Nederlandse en Latijnse verzen een vierregelige Franse berijmde samenvatting
van deze is opgenomen, is tot daar aan toe; de lezers van Cats' boeken zullen
voor het merendeel ook wel Frans gekend hebben. Latijn daarentegen verstonden
lang niet allen, al waren in Cats' dagen meer categorieën deze taal
machtig dan thans het geval is. Het is opmerkelijk dat de man, die voorbestemd
was om twee eeuwen en langer de volksschrijver bij uitstek te blijven, zijn
letterkundige loopbaan begon met werken, die het volk maar voor de helft kon
verstaan, en levenslang zijn zucht naar geleerdheid in zijn boeken heeft
uitgeleefd, vooral door het opnemen van vele aanhalingen uit andere schrijvers.
Opmerkelijk, maar meer voor de tijd dan voor de dichter. Cats wist dat hij in
de eerste plaats schreef voor een volk, dat opgegroeid was in de geest van
Renaissance en Humanisme, en dat bij de Klassieken in de leer was geweest. De
kring van hen, die Latijn konden lezen, was destijds relatief zeker
aanmerkelijk groter dan in onze tijd, en zelfs onder de Zeeuwse jongemeisjes
aan wie hij zijn eerste boek opdroeg, zullen er geweest zijn die het van de
eerste tot de laatste bladzijde hebben kunnen lezen en verstaan. Niettemin
heeft Cats zich gaandeweg meer tot de volkstaal beperkt; al in zijn derde boek,
de ‘Self-stryt’ (1620), vinden we geen ander Latijn
dan in de marges, en dan nog uitsluitend in aan Latijnse schrijvers ontleende
citaten. Hetzelfde geldt van het ‘Tooneel van de mannelicke achtbaerheyt’ (1622),
behalve dat daar achteraan enkele citaten in de oorspronkelijke Latijnse tekst
(met vertaling) zijn opgenomen. In het ‘Houwelyck’ (1625) gaat hij op dezelfde wijze te
werk.
Gezien deze feiten wekt het de indruk dat Cats zich pas na de
verschijning van zijn eerste bundels bewust is geworden van zijn talent als
| | | | volksdichter. De tweestrijd tussen de geleerde Klassicist, die de
rijke overvloed van zijn kennis en eruditie ten toon wilde spreiden, en de
gemoedelijke dichter van didactische poëzie, die met zijn werk wilde leren
en stichten, is ten gunste van het ‘volkse’ element beslist, zoals
kort daarop, wanneer hem tegelijkertijd de leerstoel voor het burgerlijk recht
aan de Leidse universiteit en het pensionarisschap van Middelburg worden
aangeboden, de geleerde nogmaals het onderspit moet delven, ditmaal voor de
staatsman. Men vraagt zich af, terugziende op zijn leven, of Cats toch niet
verkeerd heeft gekozen, of hij als hoogleraar en schrijver van
wetenschappelijke werken niet beter tot zijn recht zou zijn gekomen dan als de
zwakke raadpensionaris, zoals hij in onze politieke geschiedenis voortleeft.
Minder gemakkelijk te beantwoorden is die andere vraag, of de geleerde Cats
belangrijker voor ons volksleven was geworden dan de volksdichter het is
geweest. In het vervolg van deze beschouwing komt ze nader ter sprake.
| |
Sinn'- en minne- beelden
Behalve door zijn wetenschappelijk karakter onderscheidde de
emblematabundel, waarmee Cats zijn dichterloopbaan begon, zich ook hierin van
zijn voorgangers, dat hij aanmerkelijk omvangrijker was dan dergelijke bundels
tot dusver plachten te zijn. Hij bestond dan ook uit drie delen, samengevat
onder de titel ‘Silenus Alcibiadis, sive Proteus’
249 of de Nederlandse ondertitel ‘Sinn'- en minne-beelden’
250. Elk deel bevat bijschriften in het Nederlands, het Latijn
en het Frans bij één en vijftig emblemen
251, door
J. Swelinck gegraveerd naar tekeningen van
Adriaen van de Venne. Achtereenvolgens heeft
Cats in de drie delen dezelfde prenten
uitgelegd als zinnebeelden op de liefde, op maatschappelijke toestanden en
verhoudingen en op het godsdienstige. Het eerste deel, dat uit de ‘blinde
jonckheyt’ van de dichter dateert, is speciaal voor de jeugd geschreven,
het tweede voor de mannelijke leeftijd, het derde voor de ouderdom. Of met
andere woorden: in het eerste deel is ‘den kinderlycken Minne-god’,
in het tweede ‘de Recht-maticheyt’ en in het derde ‘de
Gods-diensticheyt’ drager van Cats' beschouwingen. Is deze onderscheiding
in drieën, die men in de ‘Zeeusche Nachtegael’ zal terugvinden, en die door
Derudder vergeleken is met een triptiek, niet een voortzetting van de
rederijkersonderscheiding ‘int amoureuse’, ‘int vroede’
en ‘int sotte’, zij het dan ook met een verschuiving van de
motieven?
Er is enige scherpzinnigheid en veel verbeeldingskracht toe nodig,
om telkens uit eenzelfde prentje drie geheel verschillende zedelessen te
trekken, en daarbij nooit gezocht te zijn. Cats is in deze moeilijke opgave
geslaagd. De muis die van het spek eet en dientengevolge in de val raakt
(embleem XI) is als de minnaar die neemt en genomen wordt, als ‘jonge
luyden, de welcke soo saen zy haer hant de placke ontogen hebben, ghemeenlijck
terstont in alle wulpsheydt uytbersten’ en als de zondaar die terstond de
straf ontvangt voor zijn boze werken. De papegaai die, gevangen in zijn kooi,
niettemin opgewekt rondspringt en naar hartelust schreeuwt (embleem XIII) is
het beeld van de minnaar, verheugd ‘in liefden-dwanck’ te zijn
gekomen, dat van de mens die hoge eer en staat zoekt, en dientengevolge
zelfbeheersing moet beoefenen en zich ‘in dwanck’ moet begeven, en
tenslotte dat van de Christen die pas waarlijk vrij is wanneer hij Gods
gevangene is geworden. De schildpad (embleem XIV) is de verliefde, die nimmer
bevrijd raakt van ‘Venus wreede banden’, de mens ‘wiens schat
leydt in den geest’ en die daarom voor dief noch moordenaar behoeft te
vrezen, en de zondaar die de last van | | | | zijn zonden altijd met zich
meedraagt. De weerhaan (embleem XXVIII) herinnert aan de minnaar die met zijn
geliefde meedraait en alles doet wat zij maar wil, vervolgens aan de mens die
zich aanpast aan de omstandigheden en van de nood een deugd maakt, en tenslotte
aan de mens die rust noch duur heeft aleer hij ‘den streeck van Gods
ghebodt’ heeft gevonden.
De drie trappen van het leven, waarop Cats de mens zijn loopbaan op
aarde ziet volbrengen, zijn dus achtereenvolgens zijn verhouding tot de andere
sekse, tot de maatschappij en tot God. Deze drie liggen niet in een gelijk
vlak, maar vormen wel degelijk een trap, die de mens uit de aardse staat,
waarin het leven hem gebonden houdt, opvoert tot de hemel. De scala van Cats is
een verburgerlijkte transcriptie van de drie trappen van het mystieke leven,
zoals de mysticus
Ruusbroec die enkele eeuwen tevoren in het
Soniënbos had aanschouwd. Er is in zekere zin een parallel tussen het
werkende, schouwende en innige leven enerzijds en het liefde- , het burgerlijke
en het godsdienstige leven anderzijds. De jonge, nog onvolgroeide mens zoekt in
de eerste plaats zichzelf, en wordt gedreven door de drang, zijn leven te
behouden, wat hij in de voortplanting van zijn geslacht poogt te bereiken. Tot
rijper jaren gekomen voelt hij zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de
maatschappij, waarvan hij deel uitmaakt; van individu is hij opgegroeid tot
sociaal mens. Maar eerst dan kan een leven als voltooid worden beschouwd, als
de ziel zich tot zijn Oorsprong heeft gewend en zichzelf wil verliezen om op te
gaan in God. De eerste en de tweede trap van Cats' levensscala zijn al evenmin
minderwaardig als het werkende en het schouwende leven het bij Ruusbroec zijn;
alleen is het leven met deze twee nog niet tot zijn hoogste mogelijkheden
gekomen. Zo kunnen we de driedelige indeling van de ‘Sinn'- en
minne-beelden’ evenals trouwens die van de ‘Zeeusche
Nachtegael’ als een moderne transcriptie van Ruusbroecs mystieke trias
zien, in een tijd toen nuchtere zakelijkheid geen plaats liet voor mystieke
meditatie.
Wie Cats intussen enkel en alleen als de nuchtere man van de
praktijk zou beschouwen, doet hem toch onrecht. Een praktisch man was hij
zeker, en niet alleen als schrijver, maar niettemin neemt de bespiegeling in
zijn stelsel een grote, om niet te zeggen een overwegende plaats in. Cats is
nooit bij de werkelijkheid blijven staan; nooit is deze voor hem doel in
zichzelf geweest, nooit heeft hij er mee willen volstaan, alleen maar te
beschrijven en zijn indrukken weer te geven van hetgeen zijn ogen aanschouwden.
Al het zicht- en tastbare, al het vergankelijke is voor hem altijd weer een
gelijkenis geweest, zinnebeeld van een hogere waarheid, die achter de
werkelijkheid verscholen ligt. Eerst als drager van een eeuwige waarheid krijgt
de uiterlijke verschijningsvorm der dingen zijn betekenis. Dit standpunt
verklaart Cats' voorliefde voor het embleem, dat immers a.h.w. uitnoodt tot
allegoriseren en symboliseren. Al in de titel van zijn boek, ‘Silenus Alcibiadis’, heeft hij deze tendenz willen
aanduiden. Cats heeft nl. zijn titel ontleend aan een van de bekendste passages
van
Erasmus' ‘Adagia’, de ‘Sileni Alcibiadis’, waarmee de derde centuria van
de derde chiliade van deze spreekwoordenverzameling aanvangt
252. Met de Silenus van Alcibiades bedoelt Erasmus Socrates,
afstotend lelijk als een sileen, maar achter zijn afschrikwekkend masker een
schat van deugden, van wijsheid en inzicht verbergend. Zoals
Plato ons zijn leermeester in de dialoog
‘Alcibiades’ heeft uitgebeeld, zo ook wil de emblematabundel van
Cats zijn: in schijn onaanzienlijk, om niet te zeggen lelijk, maar wie door de
schijn heen weet te zien, zal er schatten van wijsheid kunnen vinden. Men moet
hierbij twee dingen in het oog houden: in de eerste plaats dat dit
onaanzienlijke uiterlijk niet op de typografische ver- | | | | zorging van
het boek slaat, want die laat nu juist niets te wensen over, maar op de
eenvoudige, om niet te zeggen kinderachtige vorm van de emblematabundel, die
eigenlijk toch maar een prentenboek voor grote mensen scheen. En in de tweede
plaats dat Cats' aanprijzing van zijn eigen werk bewijst, hoe weinig deze man
zich individueel kunstenaar voelde, en hoezeer hij zich steeds, zij het dan
aanvankelijk onbewust, als een volksdichter heeft beschouwd, een vertolker van
volkswijsheid, en als zodanig ongevoelig voor eventuele verwijten van
zelfingenomenheid.
Ook de ondertitel ‘Proteus’ kan Cats aan Erasmus'
‘Adagia’ ontleend hebben
253. De herder van
Poseidoons robben bezat, naar Homerus ons vertelt, de gave der voorspelling,
wanneer men hem tot spreken dwong. Om zich daaraan te onttrekken nam hij
telkens een andere gedaante aan, en zo kon Cats deze mythologische figuur best
gebruiken ter aanduiding van het zich eveneens steeds maar weer metamorfoserend
embleem, dat nu eens het beeld van de aardse liefde, dan weer dat van de
burgerplicht of van het geestelijk leven kon zijn.
In een uitvoerige voorrede - ze telt veertien bladzijden - heeft
Cats uiteengezet wat het embleem zijns
inziens is. ‘Soo my yemant vraeght wat emblemata in der daet zyn?
dien sal ick antwoorden, dattet zyn stomme beelden, ende nochtans sprekende:
gheringhe saken, ende niet-te-min van gewichte: belachelycke dinghen, ende
nochtans niet sonder wijsheyt: In de welcke men de goede zeden als met vinghers
wysen, ende met handen tasten can, in de welcke (seg ick) men gemeenlyck altyt
meer leest, alsser staet: ende noch meer denckt, alsmen siet: geen onbequaemen
middel (naer ons ghevoelen) om alle leersame verstanden, met een sekere
vermakelyckheyt, in te leyden ende als uyt te locken, tot veelderley goede
bedenckinghen, yder na syn ghelegentheyt; hebbende in sick een verholen cracht
van behendighe bestraffinge der innerlycker gebreken van yder mensche,
dwinghende dickwils (al-hoe-wel sonder schamperheyt, ende alleenlyck int gemeen
daer heenen geset) by gelegentheyt van de voorgestelde beelden ende de corte
uytlegginge daer by ghevought, den genen, die sick by ghevolghe van dien op syn
zeer voelt gheraect te zyn, al stil-swyghende, en in syn eenicheyt,
schaemt-root te werden; siende syn innerlijcke feylen, uytterlijcken
voor-gestelt, ende hem selven, of ten deele ofte in 't geheel levendich
af-ghemaelt. Om welcke redenen wille wy niet ongevoughelijck en hebben geacht,
naer te volgen het ghevoelen der gener, die emblemata, in onse tale
sinne-beelden meynen ghenoemt te moeten werden: ofte, om datmen door het
uytterlijcke beelt eenen innerlijcken sin te kennen is gevende, ende dat
mitsdien, niet soo seer het beelt, als den sin, uyt het beelt ontstaende,
bedenckelijck is, ofte, om dat dese maniere van schryven, boven andere,
sonderlinghe de sinnen der menschen is af-beeldende, ende voor ooghen
stellende; werdende daerom, als by uytnementheyt, sinne-beelden, ofte
der sinnen af-beeldinge genaemt’
254.
Het citaat is wat lang, maar het geeft de bedoelingen van de
schrijver duidelijk weer, en tegelijk is het een voorbeeld van de
breedsprakigheid, die Cats levenslang eigen zou blijven. Met diezelfde
breedsprakigheid weidt hij in het vervolg van deze inleiding nog over dit
stichtelijke karakter van de emblemata uit. Ik heb, zegt hij, door op het
titelblad de minnegod af te beelden, omzwermd door een schaar van jongelui, met
opzet de jeugdige lezers, die al schrikken wanneer ze een stichtelijk opschrift
van een boek zien, willen misleiden, en hun de indruk willen geven alsof achter
dit aanlokkelijke titelblad ‘niet anders als een enkel prieel der minnen
en ware schuylende’. Maar wie met deze verwachting het | | | | boek
gaat lezen, zal bedrogen uitkomen, want na de eerste emblemata, die niet anders
schijnen te zijn ‘als soo wat schielijcke in-vallen van belachelijcke
minne-beelden’, zal het blijken dat diezelfde beelden een nieuwe
betekenis krijgen, eerst, in het tweede deel, ‘tot een borgerlijcke
berichtinge’, straks, in het derde deel, ‘tot een stichtelijcke
bedenckinge’. Zo tracht Cats, uitgaande van het beginsel dat het doel de
middelen heiligt, ‘de ghemoederen van soodanige meepsche lesers, die
gheen vaste spijse en connen verdraghen, met een geoorloft, ia vriendelijck,
bedroch eyntelijck wech te leyden, ende te vervoeren daer de selve, ten eersten
ingange, noyt en hadden ghemeynt te comen’
255. De wereld
wil bedrogen worden, maar ‘God gave dat de saken altyt soo mochten
uyt-vallen dat den genen die bedroghen wert, meer voordeels uyt het bedrogh,
als den bedriegher selfs, quame te trecken; ghelyck wy hier verhopen ende
vastelyck (door Gods ghenade) vertrouwen, te sullen gheschieden’
256. Voor wie uit godsdienstig
oogpunt bezwaar zou maken tegen deze zinnebeeldige toepassing van het embleem,
‘als gheen exempel hebbende in de Heylighe Schrift’, merkt Cats
terecht op dat de Bijbel vol staat met zinnebeelden. Wat zijn al de schaduwen
van de Joodse godsdienst anders geweest als enkel zinnebeelden,
voorafschaduwingen van Christus en zijn rijk? Wat anders waren de gezichten der
profeten, het Hooglied van Salomo, de Openbaring van
Johannes?
257 Aldus verdedigt Cats niet zonder vuur en als een handig
advocaat zijn neiging, in zinnebeelden de verborgen zin der dingen te
openbaren, en aan het slot van zijn lange voorrede verklaart hij, dat door Gods
genade bij het schrijven van dit boek het vaste voornemen in hem is ontstaan
‘om met alle mogelijcke neersticheyt, dagelijcx soo lancx soo meer, te
trachten tot veranderinghe ende vernieuwinghe onses ghemoets ende levens in
Iesu Christo’
258. De ware volksdichter schrijft ook tot eigen stichting en
lering.
De fijnzinnige literair-historicus Koopmans, die aan de ‘Sinn'- en minne-beelden’ een uitvoerige
beschouwing heeft gewijd
259, heeft de nadruk gelegd op
het vergeestelijkte karakter van dit werk, zoals trouwens van al wat Cats
geschreven heeft. We komen op Koopmans' beschouwingen terug, wanneer we
aanstonds een algemene karakteristiek van Cats zullen trachten te geven. In
deze emblematabundel heeft hij op zinvolle wijze de tegenstelling tussen aardse
en hemelse liefde aan éénzelfde beeld getoond. De zinnelijke
liefde verglijdt a.h.w. onmerkbaar in de liefde tot God; zo blijft immers ook
de mens, die zijn aardse tochten loutert tot hemelse begeerten, naar het
lichaam dezelfde die hij was; hij verandert alleen innerlijk. In alles wat Cats
geschreven heeft, is dit hem voor ogen blijven staan.
In een vrij uitvoerig gedicht heeft de schrijver zijn eerste boek
opgedragen ‘aen de Zeeusche ionck-vrouwen’. Bij monde van Amor
spreekt hij hierin over het intellectuele tekort van de Zeeuwen, die in
vergelijking met de Hollanders een pover figuur slaan, en hij stelt het voor
alsof de god der Liefde hem dit dichtwerk heeft ontfutseld om het aan de druk
prijs te geven. Maar Venus' kind heeft zichzelf daarmee bedrogen, want het
boek, dat hij stal, is geen minnedicht, zoals het op het eerste gezicht lijkt,
maar iets heel anders: een afbeelding van 's mensen leven, waarin het spel der
liefde maar de eerste fase is. Het gedicht is vooral typerend voor het Zeeuwse
karakter van Cats' werk
260.
Bijwijze van bladvulling staan achter elk der drie delen van de
‘Sinn'- en minne-beelden’ nog enkele losse gedichten - misschien
ook, geheel of ten dele, jeugdwerk? - o.a. ‘Cupido wech-gheloopen, ende
verloren’
261, dat grotendeels aan
Moschus is ontleend, het bekende ‘Har- | | | | ders-liet’ (‘Phyllis, met
haer met-ghesellen’)
262 en het ‘Kinder-spel gheduyt tot
sinne-beelden, ende leere der zeden’
263, bij de plaat van de spelende kinderen in de Middelburgse Abdij,
dat later, herzien en uitgebreid, in het ‘Houwelyck’ werd opgenomen. Het
‘Harders-liet’, in trochaeën geschreven, is een van die
arcadische liederen die met de ‘Harders-clachte’ uit de ‘Maechden-plicht’ tot het beste behoren wat
Cats ooit heeft geschreven. Het
herderinnetje Phyllis, die met haar vriendinnen van ‘de Vlaemsche
stellen’ is gekomen, ‘daermen daeghlijcx damt en dijckt’ en
de schaapherders op de vlucht jaagt, heeft zich met haar kudde tussen
Arnemuiden en Vere gelegerd, en beklaagt daar, vroeg in de morgen, haar droevig
lot, dat haar wreed gescheiden heeft van Thyrsis, ‘hare ziel en
leven’, die zijn kudden naar de streek van Domburg heeft
gevoerd, omdat ze op dezelfde plaats geen voedsel genoeg konden vinden. Daar
heeft hij een ander meisje, Amaryllis, met steedse aard en manieren,
liefgekregen en is zijn jeugdliefde vergeten. Bitter is de klacht van de
versmade Phyllis, die een dringend beroep op Thyrsis doet om toch tot zijn
eerste liefde terug te keren:
Thyrsi wy zijn beyde Zeeuwen,
(Al was Vlaend'ren ons vertreck
't Was noch onder t' Zeeusche reck)
Laet dien slimmen hoop al schreuwen,
Wy zijn rondt, en daer toe goet,
Dats van oudts een Zeeus gemoet.
Laet ons in die rontheyt blyven,
Rontheyt dient wel totte min,
Beter als dien slimmen sin,
Laet ons 't saem' ons schaepkens dryven,
In u ionckheyt waerje mijn,
Waerom soujet nu niet zijn?
264
In een lied als dit is Cats bijzonder op dreef. Als men de
arcadische namen wegdenkt en er Zeeuwse boerennamen voor in de plaats stelt
265, dan heeft men een realistisch en tegelijk idyllisch genrebeeldje,
dat tot het beste behoort wat in onze taal op dit gebied werd gedicht. De
‘Vlaemsche stellen, daermen daeghlijcx damt en dijckt’, zodat de
herders er de wijk moeten nemen, zullen zeker in het Land van Kadzand gelegen
hebben, waar Cats zelf een dergenen was, die water tot land maakten. Daar moet
hij, ronddwalend over zijn bezittingen, de halfvolwassen boerenkinderen bij de
kudden hebben gezien, en in zijn onder invloed van de Renaissance voor
arcadische motieven toch al ontvankelijke geest moet op deze wandelingen dit
lied en de ‘Harders-clachte’ ontstaan zijn, half arcadische
fantasie, half realistische beschrijvingskunst, half goedmoedige raillerie met
de ongelukkige liefde van een boerinnetje, half heimwee naar het simpele en
eenvoudige leven der landbewoners, dat aan de intellectuele stedeling was
ontzegd.
| |
Maechden-plicht
De aanleiding tot het schrijven van Cats' tweede boek
266
was vrij toevallig. Een gesprek met
Anna Roemers Visscher
267 over de vraag, hoe een
maagd zich in de liefde moet gedragen, en waar de grenzen der eerbaarheid
lagen, herinnerde hem er aan, dat hij hetzelfde onderwerp al eens eerder,
‘tot oeffening' des gheests’, in een gedicht had behandeld.
‘Begraven onder 't stoff bevochten vande motten’ vond hij het in
een | | | | hoek liggen. Verlucht met etsen van
Adriaen van de Venne verscheen het eveneens
nog in 1618 onder de titel ‘Maechden-plicht ofte ampt der
ionck-vrouwen’
268, met een opdrachtgedicht aan
de inspiratrix, dat haar lof uitvoerig bezingt en tegelijk de aanleiding tot
het uitgeven van dit boek mededeelt.
Cats opent het met een ‘Wapen-schilt alle eerbare maechden
toe-ghe-eyghent’, een uitlegging van de prent aan de keerzijde van het
titelblad, waarop twee engeltjes een wapenschild omhooghouden dat ‘een
druyven-tros, met koelen dauw behanghen’ vertoont. Het beeld van de
ongerepte, nog door geen mensenhand beroerde druiventros als symbool van de
maagd is zo doorzichtig, dat het geen uitlegging behoeft
269.
De wijze lessen, die Cats aan zijn jonge vriendinnen heeft willen
geven, zijn in de vorm van een samenspraak tussen Anna en Phyllis gesteld.
Terwijl Phyllis, ‘groen van jeught’, het jonge meisje personifieert
dat ‘in minnen stelt haer meeste vreught; doch vol van onbedachte waen,
mist nu en dan de rechte baen’, is Anna, ‘rijper van
verstant’, de meer ervaren jonkvrouw die haar vriendin waarschuwt voor de
gevaren, die haar dreigen. Phyllis vindt de maagdom maar ‘een lastich
pack, dat niet en baert als onghemack’ en wil er dan ook wel van afkomen.
Als een meisje achttien jaar is, en de huik van haar moeder haar past,
ontbreekt haar iets. En aangezien haar vader dat niet schijnt te willen zien,
zal Phyllis zichzelf maar een lief zoeken. Anna protesteert tegen deze
vrijmoedigheid: het is het werk der ouders, een man te zoeken voor haar
dochter, en als die niet zien wat haar ontbreekt, moet ze er hun maar over
aanspreken. Van al te toeschietelijke meisjes zijn de vrijers trouwens niet
gediend; een jongen wil moeite doen om zijn meisje te krijgen:
Door moeyte smaect het minnen-spel,
En 't weyg'ren vougt de meyskens wel;
Doet van de minn' vier, pijl, en pijn,
De minn' en sal gheen minne zijn.
In deze trant zetten de meisjes hun gesprek voort: Phyllis aldoor
geneigd om zonder enige terughoudendheid van haar gevoelens blijk te geven en
de minnaars in de armen te vliegen, Anna steeds tot ingetogenheid en reserve
vermanend en met zoveel klem van redenen, dat Phyllis zich tenslotte schijnt te
onderwerpen aan de argumenten van de zoveel verstandiger Anna, die haar naam
natuurlijk ter ere van
Anna Roemers Visscher draagt. Aangezien
elk woord en wederwoord eindigt met een vergelijking, doorgaans aan de natuur
ontleend, was het voor Adriaen van de Venne en andere kunstenaars mogelijk,
deze levendige en vlotte dialoog op passende wijze te illustreren.
De dialoogvorm, die we ook in later werk van Cats zullen aantreffen
270, was in de zestiende en de
zeventiende eeuw in vele landen in trek, allereerst in Italië, maar ook
daarbuiten,
Lucianus en
Athenaeus, maar ook
Augustinus waren de klassieke voorbeelden
van deze stijlvorm, Erasmus' ‘Colloquia’ een der beste specimina van het genre.
De Nederlandse letterkunde der Middeleeuwen bezit verscheidene in dialoogvorm
geschreven dicht - en prozawerken met een didactisch-moraliserend karakter: de
‘Lucidarius’,
Maerlants Martijnzangen,
Boendale's ‘Jans teestye’ en de ‘Melibeus’, de ‘Disputacie van Rogiere ende van Janne’, ‘Seneka leren’, de ‘Dialogus of twisprake tusschen den wisen coninck Salomon ende
Marcolphus’ en andere. De Italiaanse letterkunde bezit de ‘Trattenimenti’ (1587) van
Bargagli († 1612), de Franse de
‘Jeux de l'incognu’ (1630) van
Adrien de Cramail (1588 - 1642), de Duitse
| | | | de ‘
Frauenzimmer-Gesprächspiele’ (1642 - 1649)
van Harsdörfer (1607 - 1658); zo was het allerminst een nieuw
procédé dat Cats in deze emblematabundel toepaste. Ook hierin
volgde hij het voetspoor van zijn voorgangers, dat hij de dialoog dienstbaar
maakte aan de paedagogische doeleinden, die hij bij het schrijven van zijn boek
nastreefde.
| |
Harders-clachte
Achter de ‘Maechden-plicht’ heeft
Cats een van zijn meestgeslaagde gedichten
opgenomen, de pastorale ‘Harders-clachte’
271, die hij opdroeg ‘aen de eerbare, seden-rijcke,
segen-rijcke jonc-vrou
Catharina van Muylwijck’
272. Bovenaan het gedicht is de Munnikenhof afgebeeld met
zijn gestileerde tuin; rechts van het huis zit de herder Daphnis bij zijn
kudde. De arme bloed uit zijn droefheid over de houding van de herderin
Galathea, die niets meer van haar boerse minnaar wil weten, sinds ze kennis
maakte met ‘de quanten van de stadt’. Met nadruk waarschuwt hij
haar voor het steedse schijngeluk en stelt haar de zoetheden van het onbedorven
landleven voor ogen. Aldus offerde Cats ten tweeden male aan de mode van zijn
tijd, de landelijke onschuld in schrille tegenstelling af te schilderen tot de
onrust en de verwarring van het stadsleven. Het gedicht is een tegenhanger van
het ‘Harders-liet’, waarin het herderinnetje de
versmade en treurende was, wat in de arcadische poëzie zeker een minder
gebruikelijk motief is. Door deze rol thans aan Daphnis toe te delen heeft Cats
zowel de hoffelijkheid als de traditie meer recht gedaan.
Er is naast dit ‘Harders-liet’ onder Cats' gedichten
geen ander te vinden waarin de lokale sfeer met zo sprekende kleuren is
aangebracht. Met als middelpunt zijn eigen buitenhuis ‘int gheweste van
Grijpskerck’, dat hij met zijn boomgaard en zijn doolhof in enkele
trekken vluchtig aanduidt, heeft Cats het Walcherse landschap zo uitvoerig
beschreven als men maar mag verwachten van een dichter uit de periode
vóór Rousseau de natuur ontdekt had. Het begint al dadelijk met
de beschrijving van de Meinacht met de alomme stilte, slechts doorbroken door
het gezang van de nachtegaal. Alles ligt in diepe rust, alleen Daphnis kan de
slaap niet vinden, en dwalend in het licht van de zilveren maan komt hij bij de
Munnikenhof:
Daer een houve staet gheboort
Met haer boomgaert zuyt en noort,
En den dool-hoff in het west,
Daer het freuyt is alder-best;
Staender neghen, en daer by
Is ter zijden aff een kant
Dicht met dooren-haegh beplant
273.
Hier is al aanstonds de realist aan het woord, die zich in Cats
nooit verloochend heeft. En zogoed als zich de gunstige eigenschappen van zijn
stijl en woordkunst in dit gedicht openbaren, vinden we er ook al de ongunstige
elementen in, waarom de literatuurwetenschap van onze tijd zijn werk pleegt aan
te vallen: zijn langdradige, breed uitgesponnen beschrijvingen en monologen,
zijn eindeloze herhalingen van beginwoorden (al dadelijk in de beschrijving van
Galathea's karakter, waarin vijftien op elkaar volgende regels met
‘somtijts’ beginnen), zijn tekort aan karakterisering, wat een
overladen opeenhoping van attributen niet kan verbergen, en tenslotte ook zijn
trivialiteit. Op de andere schaal van de balans liggen dan zijn vlotte
monologen, de aardig getekende beschrijvingen als | | | | van de stadse
jeugd, die zich aan het strand van Walcheren vermaakt, en de breed uitgesponnen
maar overigens rake tegenstelling tussen het land en de stad. En Cats mag dan
niet sterk zijn in het karakteriseren van mensen en situaties, hij mag dan
niet, als
Huygens, met één enkel
woord, één enkele penstreek een beeld weten op te roepen, toch
heeft hij zijn ogen en zijn oren de kost gegeven. Daphnis heeft alleen zijn
naam met de herders van het oude Hellas en Latium gemeen, overigens is ook hij
in alle opzichten een Zeeuwse boerenjongen, zo uit de klei getrokken. Hij is
lomp en onbehouwen, maar weet drommels goed dat hij, als het er op aankomt,
vrij wat meer mans is dan de stadse jonkers, die de boerenmeisjes het hoofd op
hol brengen, maar haar straks vergooien. Hoezeer is die boerenjongen, van het
slag als Cats er dagelijks moet hebben ontmoet, in Grijpskerke of
in de Groe, zich bewust van zijn waarde als boer, en hoe scherp
ziet hij de leegheid, de holheid, de voosheid van het steedse gedoe tegenover
de oprechte en eerlijke eenvoud en degelijkheid van het land.
Een klacht als deze ‘Harders-clachte’, waaraan Cats in de uitgebreide
herdruk
274 nog een veel algemenere
strekking heeft gegeven, moet men zien tegen de achtergrond van de tijd, die de
tegenstelling tussen land en stad, nog zo betrekkelijk kort geleden ontstaan,
bewust onderging. De afstammelingen der oude boerengeslachten, sinds enkele
jaren naar de stad getrokken, klommen er tengevolge van de economische
bloeiperiode, waarvan Cats trouwens zelf de vruchten rijkelijk plukte, in korte
tijd en snel op de maatschappelijke ladder omhoog, waarna ze zich haastten om
hun afkomst te verloochenen. De ‘nieuwe rijken’ van de zeventiende
eeuw deden al niet veel anders dan die van de twintigste eeuw;
algemeen-menselijke eigenschappen zijn doorgaans maar weinig onderhevig aan de
wisselingen van de tijd. En was Cats in zekere zin niet zelf een van degenen,
die aan hun afkomst ontgroeid waren? Zijn voorouders, althans die in rechte
lijn, mogen dan voor zover we weten geen boeren zijn geweest, het
zestiende-eeuwse Brouwershaven behoorde destijds nog ten volle tot die
landstadjes, waarvan het agrarisch karakter nog lang niet was uitgewist, en
veilig mogen we aannemen dat de jonge Jacob tussen boeren is opgegroeid. Is het
dan te verwonderen dat Cats juist in een gedicht als deze
‘Harders-clachte’ en in het soortgelijke ‘Harders-liet’
welsprekend wordt, dat hij juist in deze arcadische gedichten op zijn best is?
Het bloed kruipt immers altijd, waar het niet gaan kan?
| |
Aenmerckinghe op de tegenwoordige steert-sterre
In het begin van 1619 gaf Cats een kort gelegenheidsgeschrift uit,
een bundeltje van twintig bladzijden druks: ‘Aenmerckinghe op de tegenwoordige steert-sterre’
275, gedeeltelijk op rijm,
gedeeltelijk in proza geschreven, alles zonder naam van de dichter. Het boekje
begint met een ‘Bedenckinghe by gheleghentheyt van de jegenwoordighe
steert - sterre, op de vergaderinghe van de huydendaechsche synode’
276 en bevat verder een
‘Tsamen-sprake nopende de ieghenwoordighe steert-sterre’. Op deze
twee gedichten volgt een ‘Naerder op-merckinge over de cometen ende
andere teykens des hemels’ in proza, terwijl een berijmde
‘Nieuwe-iaer-gifte aen den leser’
277 het geschrift besluit. In de samenspraak en de nadere
opmerking zet
Cats zijn opvattingen over kometen en andere
hemeltekenen uiteen; het zijn volgens hem ‘waerschouwers van den
ghenadighen God, die ons sijne straffe niet over den hals en placht te senden,
dan naer duydelicke ende clare voorvermaninghe van de selve’
278,
maar wat ze betekenen is alleen bekend aan God en aan wie het geopenbaard is.
Ongeveer in gelijke: | | | | bewoordingen spreekt Reyn-hart in de
berijmde dialoog tot Wel-hem en Gheen-aert, die hem naar zijn mening
dienaangaande gevraagd hebben.
Alleen het eerste en het laatste gedicht zijn, in het derde deel van
de ‘Zeeusche Nachtegael’, herdrukt; doordat Cats ze
daar met zijn naam ondertekende, kennen we hem als de schrijver van dit
geschrift, onder zijn vele werken een eenling, maar als lectuur voor het volk
overigens daarbij geheel aansluitend.
Cats is de enige Nederlandse dichter van een zeker formaat, die aan
de Dordtse synode zijn poëtische aandacht heeft gewijd, behalve in dit
boekje ook nog in het ‘Lof-ghedicht op de ghedenck-weerdighe Nationale
synode, ghehouden tot Dordrecht, anno 1618 ende 1619’, dat eveneens in de
‘Zeeusche Nachtegael’ is opgenomen
279. Ook in het laatstgenoemde lied, waarin hij nog het minst vaag is,
houdt hij zich toch enigszins op de vlakte wat zijn houding in de kerkestrijd
betreft. Hij heeft de volste eerbied en bewondering voor het werk van de
synode, maar allereerst omdat ze ‘de Nederlantsche kerck van wrevel -
moet bevrijt’
280. Hij is vol lof
voor de wijsheid en de vroomheid van haar leden, maar nergens zegt hij met
zoveel woorden, dat hij de veroordeling van de Arminianen door deze synode
hoopt en verwacht. Calvinisten als Kuyper
281 en Postmus
282 lezen uit dit
gedicht Cats' rechtzinnigheid af, maar men moet tussen de regels door kunnen
lezen, om dit er uit te halen. Er behoeft ten aanzien van Cats' orthodoxie in
theologisch opzicht niet de minste twijfel te bestaan, maar een partijman is
hij nooit geweest, in de partijtwisten heeft hij zich nooit gemengd, en onder
de vele tienduizenden verzen, die hij ons heeft nagelaten, is er geen enkel te
vinden waarin hij voor of tegen de een of andere partij in kerk of staat partij
kiest
283. De
‘Aenmerckinghe’ behoort dan ook niet te staan in de lange reeks van
doorgaans heftige schotschriften, die ter gelegenheid van de synode het licht
zagen en beurtelings het standpunt van Arminianen en Gomaristen aanvielen of
verdedigden. Het boekje handelt in de eerste plaats over de komeet van 1618;
wat het over de kerkelijke twisten vertelt is in alle opzichten bijzaak.
| |
Self-stryt
In 1620 verscheen de ‘Self-stryt’
284, een lange dialoog tussen Joseph en
Potiphars huisvrouw Sephyra, waarvoor Cats de gegevens ontleende aan het
bekende verhaal uit Genesis, aan
Flavius Josephus, maar vooral aan zijn eigen
verbeeldingskracht. De strijd tussen het vlees en de geest is het thema, waarop
hij van alle zijden het licht van zijn scherpzinnige ethische, godsdienstige,
maatschappelijke en ook juridische beschouwingen laat schijnen, om dan
tenslotte zich te scharen aan de zijde van de kuise Joseph en stelling te nemen
tegen Potiphars huisvrouw, die het toegeven aan 's mensen immers aangeboren
zinnelijke lusten met grote welsprekendheid en keur van argumenten verdedigt.
Wie hier het voor en het tegen van beide standpunten beurtelings hoort
verdedigen en aanvallen, krijgt een indruk van de handigheid, de gevatheid en
de strijdvaardigheid waarvan Cats' pleidooien blijk moeten hebben gegeven.
In een woord vooraf ‘aen den recht-sinnigen leser’ wijst
hij er op, hoe de strijd tussen Joseph en Sephyra de zelfstrijd van ieder mens
is. Augustinus heeft naar waarheid gezegd, dat het menselijk leven het midden
houdt tussen de staat der engelen en der redeloze dieren. Laat de mens zich
door de invallen van zijn vlees vervoeren, dan wordt hij als de dieren op het
veld, maar overwint hij de lusten van zijn vlees, dan verheft hij zich tot de
heerlijkheid der engelen. Dit is de strijd die niet van ons aflaat zolang wij
onszelf niet verlaten. ‘Twee heyr-crachten staen binnen ons | | | |
tegen den anderen gekant, tusschen de welcke som-wijlen crachtige velt-slagen;
dickmael vinnige schermutsingen, nimmermeer gesetten vrede ghevonden
wert’. Zo heeft de mens, naar het woord van Job, een gedurige strijd op
aarde.
Hoe wij ons in deze strijd te gedragen hebben, zet Cats met de
uitvoerigheid, hem eigen, uiteen. Twee dingen hebben we daarbij nodig: kennis
van de vijand en wapenen om hem te bestrijden. ‘Wat het eerste point, te
weten de kennisse onses vyants, belangt, dient voor eerst ernstelijck
over-woghen dat het vlees met sijn mede-helpers, vry geen katte en is (soomen
seyt) om sonder hantschoenen ghevangen te werden; de oorloghe, die het selvige
ons aen-doet, gheen krijch daermen (gelijck 'tspreekwoort is) met blauwe
erweten schiet’
285. Die het
vlees onderschatten, dwalen dan ook geducht, want de verdorven aard van onze
ziel kan zich, evenals haar meester, wel in een engel des lichts
veranderen.
Alhoewel de strijd tussen geest en zinnen in elk mens wordt
gestreden, en dus ook in Joseph alleen is uitgevochten, zijn hier de
‘wulpsche invallen des vleesches’ niet ook aan hem, maar aan
Sephyra toegeschreven, omdat de Bijbel Joseph afbeeldt als ‘een spieghel
der eerbaerheyt ende onthoudinge’. ‘Evenwel nochtans om den aert
van den Self-strijt wat naerder by te comen, soo hebben wy aen het eynde
van dese bedenckinge onsen Joseph voor - gestelt (doch in sijn eenicheyt, ende
in het aff-wesen sijner vrouwen) als off hy soo eenigen strijt ende swacheden
des vleesches in hem hadde gevoelt,... niet meenende den heylighen man
eenichsins te cort ghedaen te hebben... jae in teghen-deel van dien, achten hem
dies te meer eere ghegeven te hebben, als oordeelende sijn overwinninghe, naer
voor - gaenden strijt, des te heerlijcker te wesen’. Waar de Bijbel
hierin geen uitsluitsel geeft, beroept Cats zich op Hieronymus die, met andere
kerkvaders, aannam ‘datter jae self-strijt in hem zy geweest, doch met
uyt-nemende crachten van teghen-weer’, en het wonder van de drie
jongelingen in de brandende oven minder vreemd achtte dan ‘dit
wonder-stuck, te weten, dat die wonderbare jongh-man van de onkuyssche ende
geyle vrouwe wel by de tasseelen is aen-gegrepen, doch evenwel niet en heeft
connen op-gehouden werden, maer sijn kleet verlatende, is haer ontvloden’
286. In Sephyra
heeft Cats willen uitbeelden ‘de wanschapen in-vallen die onse verdorven
aert op gelijcke gelegentheden, tot vorderinge sijnes voor-nemens, soude mogen
te berde brengen’, als een afschrikwekkend voorbeeld. De lezer ergere
zich niet aan de woorden, die hij haar in de mond legt: wie zich de vijand als
te zwak en gering voorstelt, wordt bij het eerste treffen al verslagen. Ook de
Bijbel voegt het gesprek en de zegtrant doorgaans naar de aard en gelegenheid
van degene, die spreekt, en men moet dit gedicht dan ook evenzo beschouwen als
men het dergelijke Bijbelplaatsen doet. ‘Hier is een hoff daer lelyen en
distelen, daer vergiff-wortelen ende ghenees-cruyden, daer alssem ende
honich-korven niet verre van den anderen staen. De reden-cavelaers loeren dat
strijdighe dinghen, d'een teghen d'ander ghestelt, meer uyt-muyten.
D'ervarentheydt thoont dat het vier in de gestrengste coude meerder hitte
geeft; de hoveniers bewijsen dat rooselaer by ajuyn, loock, ende andere
stinckende cruyden op een en het selve cruyt-bedde geplant zijnde, roosen van
uyt-nemender reucke voort-brengt: insgelijcx dat bitter uytte schouwe genomen,
geleyt en gespreyt ontrent den wijngaert, menichte van soete druyven
veroor-saeckt. Int corte, wat kalck werter heet, als door cout water? wat
dadel-boom verheft sich, als door ghewichte? wat driakel isser crachtich, als
daer slanghe-vlees en adderen-vergiff in vermengt is? Siet, vrienden, tisser
alsoo met ons ghestelt, dat de weertste deuchden, selfs van onse snootste
ghebreken, moeten gheholpen werden’
287.
| | | | Opmerkelijk is tenslotte de rechtvaardiging van de
poëtische vorm, die
Cats ook aan dit onderwerp heeft gegeven:
‘Want ghelijck het gheluyt door de engte van eenich trompet ofte
schalmeye veel scherper uyt-schettert, als off het in de opene lucht los daer
henen wierde uyt-gheblasen: soo dunckt ons dat soodanighe beweeghelijcke
in-vallen, ghedwonghen ende ghedronghen zijnde in de nauwe reghels der
dicht-conste, met meerder cracht uyt-bersten, ende dieper dringen in de ooren
ende gemoederen van de toehoorders ende lesers, dan off de selve met een wye
ende ongedwonge maniere van schrijven daer henen ware gestelt’
288.
Aan het eigenlijke gedicht gaat nog een ‘Veld-teycken, alle
eerbare ionghe-luyden toe-eeyghent’
289 vooraf, een tegenhanger van het wapenschild, dat Cats aan de
‘Maechden-plicht’ vooraf had laten gaan. Had hij
voor de maagden de met koele dauw bewaasde druiventros als symbool gekozen,
voor de jongemannen koos hij de hermelijn, die door een wal van modder en mest
omringd, liever de dood verkiest dan dat hij zijn witte vacht zou besmeuren.
Dit is het beeld van Jozef, voor wie ‘de bloem van sijne jeucht’
niet zo zoet is als een zuiver hart en een reine ziel, die als midden in het
vuur niet verbrandt en daarmee groter moed aan de dag legt dan wie een stad
inneemt.
Het is niet wel doenlijk een enigszins uitvoerig overzicht te geven
van de inhoud van het gedicht, dat immers eigenlijk niet anders is dan een
aaneenschakeling van argumenten pro en contra het toegeven aan zinnelusten.
Elke handeling in dit drama-in-zakformaat ontbreekt, de plaats van handeling
blijft het gehele gedicht door dezelfde. Cats heeft zich vermeid in het
uitdenken van steeds weer nieuwe beweeggronden om het standpunt van Joseph en
zijn meesteresse beurtelings te verdedigen en aan te vallen, met een
uitvoerigheid en een spitsvondigheid, die herinneren aan de scholastieke
haarkloverijen van enkele geslachten terug, en die schril afsteken tegen de
sobere bewoordingen van het Bijbelverhaal. Cats' motieven, die we met opzet
hebben afgeschreven in zijn eigen woorden, zijn zeker zuiver geweest, maar het
resultaat is een smakeloze weergave van een urenlang gesprek tussen een
wereldwijze jongeman en een wulpse vrouw, die letterlijk geen middel onbeproefd
laat om hem tot geslachtsgemeenschap te verleiden, en als zij tenslotte al haar
pogingen mislukt ziet, in een paroxisme van redeloze woede vervalt. Men vraagt
zich af, of Cats in dit gedicht niet het tegendeel bereikt heeft van wat zijn
bedoeling was. Maar ook als dit zo was, dan nog kan men het Kalff nazeggen, dat
indien hier schuld is, deze meer ten laste van de lezers dan van de dichter
komt
290. Evenals in de ‘Sinn'- en minne-beelden’ heeft het zinnelijke
element ook in de ‘Self-stryt’ alleen dit doel, de onderdrukking van
het zinneleven te poneren als de onafwijsbare plicht van de Christen. De strijd
tussen Joseph en Sephyra, de worsteling tussen kuisheid en onkuisheid, is de
strijd die zich in elk mensenleven voltrekt, dat zich niet weerloos overgeeft
aan de drang der zinnen. Het as de strijd van Augustinus en van Tolstoj; het is
ook de strijd geweest waaruit Cats als overwinnaar tevoorschijn is gekomen.
Nooit zou hij in deze trant de dialoog tussen de kuise Joseph en de wulpse
Sephyra geschreven kunnen hebben, als hij deze opstand van de zinnen tegen de
geest niet in zijn eigen leven doorleden had.
In aesthetisch opzicht treft Cats dit verwijt, dat de beide
hoofdpersonen van zijn gedicht als menselijke figuren door en door onreëel
zijn. Elk van de twee belichaamt een gedachte; in de inleiding toont hij
trouwens zelf zich deze tekortkoming bewust te zijn geweest. Derudder, die Cats
graag naast de grote schrijvers der wereldletterkunde plaatst, heeft opgemerkt
| | | | dat hetzelfde verwijt geldt voor een
Racine of een
Molière en voor alle dramaturgen,
die personen scheppen om aan bepaalde ideeën een tastbare vorm te geven
291. Zeker was
Cats realist, maar nooit in deze zin dat de beschrijving van een werkelijkheid
voor hem een doel in zichzelf was. Hij was het slechts in zoverre als het
realisme niet in strijd kwam met de denkbeelden, die hij wilde propageren. Cats
heeft nooit de bedoeling gehad, men kan dat niet genoeg herhalen, een
kunstenaar te zijn; stichting en moralisatie waren zijn doel, niet de
schoonheid. Voor stichting en moralisatie moesten de eisen der aesthetica
onvoorwaardelijk en geheel naar de achtergrond wijken. Dat doen ze dan ook in
deze ‘Self-stryt’.
Met afzonderlijk titelblad, maar doorlopende paginering heeft Cats
aan dit gedicht een ‘Sinne-beelt’ toegevoegd, ‘openende de
heymemsse ende rechten aert des Christelijcken Self-stryts’
292, waarin de karnton als symbool van de wedergeboren mens wordt
gesteld. De kracht, die in de karn woelt, is de strijd tussen goed en kwaad in
het mensenhart, de room is de geest, de schrale wei de lust. Cats droeg dit
korte gedicht op aan zijn vriendin Johanna Coomans; de opdracht getuigt op
ondubbelzinnige wijze van de bewondering en de vriendschap, die hij voor deze
Middelburgse dichteres gevoelde
293.
Is de ‘Self-stryt’ een geheel oorspronkelijk werk? Deze
vraag rijst op, wanneer we bedenken dat
Josuah Sylvester, een van Cats'
Middelburgse vrienden, onder de titel ‘Automachia, or the self-conflict of a Christian’
(1607)
294een Latijns traktaat van George Goodwin heeft vertaald. Van het
originele werk is geen exemplaar bekend, van de vertaling maar
één, die op het ogenblik voor ons onbereikbaar is, zodat een
vergelijking tussen Cats' ‘Self-stryt’ en de
‘Automachia’ voorlopig niet mogelijk is. Cats heeft Sylvester
gekend, zoals blijkt uit een lofdicht van deze Engelsman voor de ‘Sinn'-
en minne-beelden’; hij heeft naar alle waarschijnlijkheid dus ook zijn
werk gekend, en de overeenkomst tussen de titels is te opmerkelijk, dan dat men
aan toeval zou kunnen denken. Of, en indien ja, in hoeverre er overeenkomst is
tussen beide werken blijft vooralsnog dus een open vraag.
Met de Verloren Zoon, en de in haar kuisheid belaagde Susanna
behoort de figuur van Jacobs liefste zoon tot de drie Bijbelse onderwerpen, die
het grote répertoire van het zestiende-eeuwse drama in Westeuropa
vrijwel beheersen
295. Een groot aantal
toneelstukken legt daarvan tot diep in de zeventiende eeuw getuigenis af. In
ons land hebben zowel Grotius als
Vondel de lotgevallen van Josef
gedramatiseerd, zoals vóór hen Crocus (1536),
Macropedius (1547) en
Schonaeus (1592) hadden gedaan. Heeft Cats
deze Latijnse schooldrama's gekend en zijn ze van invloed geweest op zijn eigen
dialoog? Zo moeilijk als het in het algemeen is om invloeden in de literatuur
aan te wijzen, zo moeilijk is dit in dit bijzondere geval, aangezien alle
dichters over dit onderwerp naar dezelfde bronnen teruggrijpen, het verhaal
uit Genesis en dat van Flavius Josephus. Vooral in het spel van
de Amsterdamse rector
Cornelius Crocus (geb. 1500) vindt men
herhaaldelijk regels, waarvan Cats zo al niet een letterlijke vertaling, dan
toch een parafrase geeft, maar de overeenkomst is met dat al niet in die mate
opvallend, dat men het werk van Crocus als een der onmiddellijke voorbeelden
zou mogen beschouwen, waarnaar Cats heeft gewerkt.
Twintig jaar na Cats heeft
Vondel de zelfstrijd van Josef tot het
middelpunt gemaakt van zijn ‘Joseph in Egypten’ (1640). Ook bij Vondel is de
huisvrouw van Potiphar, die hier Jempsar heet, meer een begrip dan een levend
mens. Overigens valt een vergelijking tussen beide werken in alle opzichten in
Cats' nadeel uit. Vondels Jempsar is een wellustige | | | | vrouw, maar
Cats' Sephyra is geil en wulps. Jempsar is tenslotte een vrouw met hartstocht,
al is ze dan niet in alle opzichten een aannemelijke figuur - misschien omdat
Vondel dit soort vrouwen niet uit ervaring kende? - maar Sephyra wekt als
verstoten en diepgegriefde courtisane meer ons medelijden dan onze verachting
op, en in zoverre beantwoordt de uitbeelding van deze vrouwenfiguur zeker niet
aan Cats' bedoelingen. Vondels Joseph is een kuise jongeman; die van Cats heeft
bij al zijn kuisheid toch meer weg van een handig advocaat en zelfs van een
ietwat benepen traditionalist. Hij bestrijdt immers niet zozeer het overspel op
zichzelf als wel het overspel van de vrouw, getuige zijn niet al te gelukkige
uitlating tegen Sephyra:
Heeft Godt het manne-volck een voor-recht toe-ghestaen,
De reden wijstet uyt, ten gaet geen vrouwen aen
296.
Duidelijker dan een lang betoog demonstreert deze enkele zin de
grote afstand tussen
Cats en Vondel. Een zo zuiver
verstandelijke overweging, de neerslag van de moraal der zeventiende-eeuwse
burgerij, is bij Vondel ondenkbaar. Maar daarom is Cats dan ook onze
populairste volksdichter geworden, en bleef Vondels populariteit een ideaal,
dat na drie eeuwen nog even onbereikbaar ver blijkt te zijn als het tijdens 's
dichters leven was.
| |
Tooneel van de mannelicke achtbaerheyt
In 1622 volgde het ‘Tooneel van de mannelicke
achtbaerheyt’
297, een gedicht van betrekkelijk
beperkte omvang, waarvoor Cats de stof ontleende aan het eerste hoofdstuk van
het Oudtestamentische boek Esther. In dialoogvorm overweegt het het pro en
contra van de houding der koningin Vasthi, die weigerde zich te onderwerpen aan
het onterende bevel van koning Assueros om zich op een feestmaal aan de gasten
en het volk te vertonen, en daarom door haar man verstoten werd. Tegenover
Charsena, die het standpunt van de koningin verdedigt, staat Menuchan dat van
de koning voor. Het vonnis, dat Assueros tenslotte velt, houdt tevens voor alle
vrouwen de vermaning in om hun mannen onvoorwaardelijk te gehoorzamen.
Onder de grotere dichtwerken van Cats is dit zeker het minst
geslaagde. Het Bijbelverhaal bood hem weinig of geen gelegenheid tot
uitweidingen, die aan het vlakke en eentonige van zijn uiteenzettingen enige
kleur hadden kunnen geven. Groter bezwaar was echter dat het oordeel van
Assuerus klaarblijkelijk niet geheel in overeenstemming was met zijn eigen
zienswijze, en hij persoonlijk zeker aan de zijde van Vasthi en Charsena zou
hebben gestaan, had niet de onfeilbaarheid en goddelijkheid der Heilige Schrift
hem gedwongen het oordeel van Assuerus en de zienswijze van Menuchan te
aanvaarden
298. Daardoor kregen zijn bechouwingen iets
tweeslachtigs. Anders dan in de ‘Sinn en minne-beelden’ en in de ‘Self-stryt’, waar zonde tegen deugd, duister
tegenover licht werd gesteld, is hier slechts sprake van een lange reeks van
plichten, alleen met deze tegenstelling dat een deel daarvan de man, een ander
deel de vrouw geldt. Bij monde van Charsena vermaant Cats de mannen, ‘hoe
sy haer macht ontrent de vrouwen hebben aen te legghen, hoe die met
bescheydenheyt te gebieden, niet onbillicx te vergen, hare achtsaemheyt niet te
misbruycken, de mis-slagen der vrouwen met ten hartsten uyt te wetten, de
huysselicke geschillen niet lichtelick met een derde ghemeen te maken, en int
korte met wijsheyt by haer te woonen, mitsgaders de | | | | selve als den
krancksten vate eere gevende, na de leere des Apostels’
299. De ‘mannelicke achtbaerheyt’,
de waardigheid van de man moet echter boven alles gaan, en de man moet er zelfs
het liefste wat hij heeft aan kunnen opofferen, zoals koning Assuerus heeft
gedaan. De vrouwen moeten ‘hare mannen onderdanich zijn als den heere, in
alle dingen’
300; en aldus luidt
dan ook het vonnis over Vasthi, dat tegelijk een ‘eeuwighe
huys-keure’ voor alle vrouwen is, en dat met deze regels eindigt:
Wy willen dat de man sal volle macht ghebruycken,
Wy willen dat het wijf sal swijghen ende duycken;
Dat is het oude recht, de gront van echte min,
Tis reden dat de man zy voocht in sijn ghesin
301.
Ons, mensen uit een tijd waarin de verhoudingen zo heel anders zijn
dan in het oude Israël, is het al heel moeilijk, zo niet onmogelijk om het
standpunt van de schrijver van het boek Esther te waarderen, en zo kunnen we
Cats in dit gedicht alleen maar als een slecht officier van justitie zien, die
met een overvloed van spitsvondige redeneringen de schuld van de verdachte
aannemelijk poogt te maken voor de rechtbank, die straks het vonnis moet
wijzen, maar die in zijn requisitoir geen enkel zakelijk feit weet te noemen.
Men vraagt zich dan ook af, wat Cats met dit boek mag hebben voorgehad? De
inleiding maakt ons dienaangaande niet wijzer. Het titelblad deelt ons mee, dat
het geschreven werd ‘tot verbeteringe van de huys-gebreken deser
eeuwe’ - alsof de ongehoorzaamheid der vrouwen aan hun mannen een van de
ergste volkszonden van onze Gouden Eeuw was! In geen enkel ander van zijn
werken heeft Cats ook de bestrijding van één enkele zonde
ondernomen, zoals hij hier doet; de algemene strekking van zijn gedichten is,
de zonde in haar afzichtelijkheid in haar volle omvang te ontdekken, en
daardoor op te wekken tot godsvrucht. Daarvan vinden we in dit ‘Tooneel
van de mannelicke achtbaerheyt’ geen spoor. Waar zoveel duisternis heerst
heeft elke gissing recht van bestaan, maar veiliger is wellicht, zich van alle
veronderstellingen te onthouden en te volstaan met de vaststelling dat Cats in
dit gedicht zowel wat het gegeven als de strekking betreft een weinig gelukkige
hand heeft gehad. Dit heeft niet verhinderd dat het al het jaar na zijn
verschijning herdrukt werd en ook later herhaaldelijk ter perse werd gelegd, al
is het, naar het aantal drukken gemeten, onder Cats' oudere werken zijn minst
populaire geweest. Maar wie zal zeggen of de oorzaken van deze betrekkelijke
impopulariteit geen geheel andere zijn geweest dan onze aesthetische
bezwaren?
In 1623 vertrok Cats naar Dordrecht. Slechts toevallige
omstandigheden leidden er toe dat dit vertrek nagenoeg samenviel met de
verschijning van de ‘Zeeusche Nachtegael’, de bundel waarin de Zeeuwse
dichters met de stukken bewezen, hoeveel ze aan Cats, hun stilzwijgend erkende
leider, te danken hadden. Daardoor werd dit boek als het ware het symbolische
afscheidsgeschenk dat Zeeland aan zijn populairste dichter meegaf, toen deze
zijn geboorteland voorgoed verliet.
| |
Houwelyck
Twee jaar na zijn vertrek naar Dordrecht zag, maar nog bij de
drukkerij van
Jan Pietersz. van de Venne, het ‘Houwelyck’
302 het licht. Cats heeft dit uitvoerige werk, dat ongeveer 800
bladzijden telt, nog grotendeels, zo niet geheel, in Middelburg geschreven; het
behoort dus tot de werken uit zijn Zeeuwse periode. Bovendien sluit het deze
af; pas in 1632 verscheen Cats' volgende boek, de ‘Spiegel van den ouden
en nieuwen tijdt’
303.
| | | | Het ‘Houwelyck’ is in zes boeken
ingedeeld, waarvan elk een der stadia behandelt van het leven der vrouw,
achtereenvolgens als maagd, vrijster, bruid, vrouw, moeder en weduwe. Op het
titelblad heeft
Adriaen van de Venne deze stadia als een
levenstrap afgebeeld, ‘in ghedaente van een heuvel, rijsende aende eene
ende dalende aende andere sijde, met byvoughsel van ses paer menschen, die den
berch, elck te sijner plaetsen, over wedersijden bewandelen’
304, en hij vergelijkt dit met de zes dagen van de week, die
door de rustdag besloten worden als het leven door het graf. Aanvankelijk had
Cats het werk in vier delen beschreven als de vier jaargetijden van het
menselijk leven; wellicht heeft hij op verzoek van de Van de Venne's er als
voorwerk de beschrijving van het maagden- en vrijstersleven bijgevoegd. Deze
beide worden dan ook door Adriaen van de Venne ingeleid: pas in het derde deel
richt Cats zelf zich met een woord vooraf tot de lezers
305. Bovendien heeft Cats goedgevonden dat het boek geopend
werd met het ‘Kinder-spel’ uit de ‘Sinn'- en
minne-beelden’
306
in een uitgebreide revisie, ‘wesende als de morghen - stont oft voorspel
vanden eersten dach in dese weke, om alsoo het leven des menschen in sijn volle
rondde te vertoonen.’
307.
Het ‘Kinder-spel’
308, een van de bekendste gedichten van Cats, is door Van de Venne
geïllustreerd met een prent waarop de talentvolle kunstenaar een aantal
spelende kinderen op een ruim plein (maar ditmaal niet, als in de ‘Sinn'-
en minne-beelden’, de Middelburgse Abdij) heeft afgebeeld. Maar Cats zou
Cats niet zijn, als hij in dit simpele kinderspel niet heel wat meer zou zien
dan de oppervlakkige toeschouwer; immers:
Dit spel, al schijntet sonder sin,
Dat heeft een kleyne weerelt in;
De weerelt en haer gans gestel
En is maer enckel Kinder-spel
309,
en aldus is elk spelend kind hem het beeld van een volwassene. Het
geblinddoekte jongetje is als de vrijer, die eerst wanneer hij niet meer mag
grijpen ziet wat hij gegrepen heeft, en dat dan voor altijd moet houden.
Hoevelen zijn niet als het kind dat zijn stokpaard berijdt, of dat zich
vrijwillig gevangen geeft, zijn ook zij niet het beeld van zo menig volwassene?
De meisjes die touwtjespringen leren ons, op de juiste tijd te letten, de
steltenlopers zijn ‘rechte beelden vande waen’. Vergankelijk als de
zeepbel is het leven, de vlieger, die omlaag valt wanneer hij te hoog gaat en
het touw breekt, is het beeld van de eerzuchtige, de hoepel dat ‘van
yemant die sijn leven lang alleen maer gaet sijn ouden gang’. De jongen
die op zijn hoofd staat is als wij die ‘van geest berooft, in d'aerde
wroeten mettet hooft, en geven aen het hoochste goet schier niet als 't hol van
onsen voet’. Wanneer Christus uit het kinderspel lering trok
310, waarom zouden wij het dan te gering achten?
‘Wech-wyser ten houwelick wt den dool-hof der
kalver-liefde’ is de titel die Cats aan de eerste beide delen,
‘Maeght’ en ‘Vryster’, heeft gegeven. Het eerste is niet veel
anders dan een omwerking van de ‘Maechden-plicht’
311. Het
‘maeghde-wapen’ is hier een bloem in de knop; de dichterlijke
uitwerking is geheel in dezelfde geest gehouden als die van het vroeger gekozen
symbool. Even grote overeenkomst vertoont de samenspraak tussen Anna en Phyllis
met die, welke
Cats dezelfde jonge vrouwen in de
‘Maechden-plicht’ in de mond had gelegd. Ook nu weer is Phyllis het
onervaren minzieke jongemeisje en Anna de rijpere maagd, die haar waarschuwt
voor de gevaren van de liefde. Het ‘vryster-wapen’ is een
druiventros, en het gelijknamige gedicht is een omwerking | | | | van het
wapen-schilt uit de ‘Maechden-plicht’. De vrijsters die hier aan
het woord zijn heten nu Rosette en Sibille. De jonggetrouwde Sibille wijst haar
onervaren vriendin, die aan de vooravond van haar huwelijk staat, terecht over
haar verkeerde en dwaze denkbeelden over het huwelijk en de mannen, en leert
haar hoe een jonge vrouw zich moet gedragen, wil zij de gunsten der mannen
verwerven.
Met het derde deel begint eerst het eigenlijke werk. Het boek
‘Bruyt’ heeft de ondertitel: ‘eerste deel van
't Christelick huys-wyf’, en zowel dit deel als de drie volgende beginnen
telkens met een nieuw titelblad, wat bij de eerste beide niet het geval was.
Pas nu komt ook Cats zelf in de voorrede aan het woord om de bedoelingen, die
bij het schrijven van dit boek bij hem voorzaten, aan zijn lezers uit te
leggen. ‘T'is (mijns oordeels)’, zegt hij, ‘niet min
wijselijck, als warachtelijck gheseyt, dat de staet des huwelicx is een smisse
van menschen, een gront-steen van steden, ende een queeckerye van hooge
regieringhe; dien volghende dat aen het goet ofte quaet beleydt vanden selven
hangt niet alleenlijck de ruste ende onruste van yeder huys-ghesin int
bysonder, maer selfs de wel en qualick stant soo van Godes kercke, als vande
saecken des lants int ghemeen’
312. Citaten uit
Plato,
Arnisaeus,
Montaigne,
Tacitus,
Bodinus en
Brisson lichten deze stelling toe. De grote
betekenis van het huwelijk heeft Cats op het denkbeeld gebracht, ‘datter
wel yet, ten goede van onse lants-lieden soude konnen werden bygebracht, waer
door man en wijf vry wat gevouchelijcker byden anderen souden konnen woonen,
ende by gevolghe de geheele huys-houdinghe in beter wesen soude konnen worden
ghebracht’
313. Wanneer op een
tijd een bepaalde ziekte heerst, zoeken de artsen naar middelen juist tegen die
kwaal; nu ‘verscheyden huyselicke ongemacken’ zich voordoen, is de
tijd gekomen om na te sporen wat in vorige tijden in verre landen, maar niet
minder wat in deze tijd en bij naburige volken over het huwelijk gezegd is,
waar Cats zijn eigen ondervindingen, ‘sulcx als wy uyt eygen ervarentheyt
by gelegentheyt van verscheyde onse bedieninghen derhalven hadden waer
genomen’, bij heeft gevoegd. Zijn werk is vooreerst en in 't bijzonder
tot de vrouwen gericht, zoals de titel al uitwijst; ook de apostels Petrus en
Paulus hebben immers hun vermaningen over het huwelijk vooral tot de vrouwen
gesproken
314; en wijst niet een woord als het Latijnse matrimonium uit, dat de
Romeinen het huwelijk in de eerste plaats als een aangelegenheid van de vrouw
zagen? De reden daarvan zal uit het werk zelf blijken.
Aangezien Cats zich tot de vrouwen wendt met dit boek, heeft hij het
ook ‘gheschickt ende aengeleyt naer gelegentheyt ende de smaecke der
vrouwen’, en het daarom ook in ‘onse Nederlantsche tale’
geschreven, met een beroep op het buitenland, waar het gebruik van de landstaal
in de literatuur ook meer en meer in zwang komt. Het werd door hem in dichtvorm
geschreven, omdat dat gemakkelijker in het gehoor blijft hangen: hiervoor kan
hij zich zelfs een aantal Bijbelboeken tot voorbeeld stellen. Verder heeft hij
terwille van de variatie hier en daar ‘ghedenck-weerdige
geschiedenissen’ of ‘aengename gelijckenissen’ in zijn betoog
gelast. De schilderkunst is de pen te hulp geschoten, ‘so vermits de
selve altijt maechschap heeft gerekent met de dicht - kunste; als om by wijlen
dieper inbeeldinge op sonderlinge gelegentheden inden leser te
verwecken’. En tenslotte heeft hij getracht om overal te gebruiken
‘een effenbare, eenvoudige, ronde en gans gemeene maniere van seggen, de
selve meest overal ghelijck makende met onse dagelicksche maniere van spreken,
daerin alle duysterheyt (so veel ons doenlick is geweest) schouwende; behoudens
daer wy, om der eerbaerheyt wille, willens ende wetens somtijts de schaduwe
hebben gesocht’
315.
| | | | Voordat na dit artistieke programma het eigenlijke
werk begint, komt nog een ‘Korte afbeeldinge eenes rechten
huys-vaders’
316 en als pendant daarvan een ‘Vrouwen-voordicht, alle ware
huys-moeders toe-ge-eygent’
317. Het eerste van deze beide kortere gedichten is belangrijk,
niet zozeer om de uiteenzetting van de plichten, die de man als hoofd van het
gezin heeft te vervullen, als wel om de daaropvolgende principiële
beschouwingen van het dichterschap. Voor een Christen-dichter als Cats was, is
alle individuele verdienste uitgesloten. Wat de dichter bezit, heeft hij uit
God, wat hij leert, is uit Gods Woord.
Doch wat ick schrijve, wat ick doe,
My koomt geen danck of eere toe,
Maer soo misschien een Christen siel
Dit Huys-wijf oyt in handen viel,
Die sich daer yet te goede las,
Of eenich seer daer uyt genas,
Die slae doch noyt het oogh op my;
Of yemant anders, wie het sy,
Tis God die sin en herte leyt,
En tot een beter toe-bereyt;
Tis Godes woort, daer ick den gront
Van alle goede plichten vont,
Geen mensch en sie op menschen meer,
Wat goet is, daelt ons vanden Heer
318.
In overeenstemming daarmee is hetgeen hierop onmiddellijk volgt: de
uitdrukkelijke verklaring dat Cats niet alleen anderen, maar in de eerste
plaats zichzelf vermaant, en de mededeling dat een onbekend beginsel hem tot
het schrijven van dit boek heeft aangezet en onder het schrijven
dóór hem voortdurend heeft aangespoord om het werk voort te
zetten. Als hij sliep, was het of iemand tot hem sprak: Sta op, waartoe zo lang
gerust? Het dichten heeft al meerder lust!
Int korte, tis van hooger hant,
En niet door mijn gering verstant,
Dat ick dit aende weerelt schank,
En soo verdien' ick geenen danck;
Maer hy die my den geest ontstack,
En als een moet int herte sprack,
Dat is de Vader van het licht...
319
En daarom begint het eigenlijke gedicht dan ook niet met een aanroep
tot de Muze, maar - als bij
Du Bartas - met een bede tot God:
Oneyndelick begin, wiens onbegrepe wesen
Is in het groote bouck van alle ding te lesen,
Die eenmael, door het Woort, en uyt een enckel niet
Hebst in het licht gebracht al wat het ooge siet;
Die eerst het soet behulp hebst aen den man gegeven,
Om, tot gemeenen troost, bij een te mogen leven,
En, tot een meerder gunst, tot beyden hebst geseyt:
Wort door een vruchtbaer saet op aerden uyt-gebreydt;
Tot dy is ons gebedt; laet heden rijcke stralen,
Laet even dijnen geest in desen boesem dalen:
Op dat ick, met bescheyt, en door een soet ghedicht,
En my, en al het volck mach leeren haeren plicht
320.
| | | | Dadelijk daarop volgt een aanspraak tot de
jonkvrouwen, om wier onervarenheid de dichter het heeft bestaan, ‘noch
eenmael Zeeusch ghedicht te storten uytte pen’
321. En dan
begint de eindeloze stroom van duizenden en nog eens duizenden alexandrijnen te
vloeien, waarin Cats al zijn overstelpend veelzijdige kennis en zijn
levenswijsheid heeft uitgestort.
Het boek ‘Bruyt’ beschrijft alles wat een jonge vrouw
voor haar huwelijk dient te weten, haar gedragingen ten opzichte van haar
verloofde, haar plichten, ook haar rechten; het leert haar hoe de man moet
zijn, met wie zij mag trouwen, en op welke eigenschappen zij moet letten. Het
huwelijk is immers een zaak voor het leven; ziekte, krankzinnigheid, misdaad,
verbanning, niets vermag het te verbreken, tenzij de dood. Daarom dient de
bruid zich terdege tot het huwelijk voor te bereiden, door God te bidden om
wijsheid, en door ziel en lichaam rein te houden. Van meer direct praktische
aard zijn de opmerkingen en raadgevingen ten aanzien van voogden en
huwelijksgiften. Huwelijkse voorwaarden vinden in Cats een beslist
tegenstander. Hij spreekt over de verschillende gebruiken bij verloving en
huwelijk, de betekenis van de ring, van de juwelen, diamant, koraal, parel,
robijn, saffier, esmerald, agaath en amethist, die elk hun eigen verborgen zin
bezitten. Maar ook spoort hij aan tot eenvoud; ringen maken het huwelijk niet,
en geen sieraad der vrouw is schoner dan haar eerbaarheid. De verloofde vrouw
vermijde feesten en allerlei gewoel, zij moet een afgezonderd leven leiden, al
haar gedachten moeten gericht zijn op haar toekomstige huwelijk en het huis,
dat ze zich met haar bruidegom zal bouwen. Met een aan de praktijk ontleend
voorbeeld toont hij aan, dat het huwelijk als gesloten is te achten, zodra het
voor de kerkelijke en de wereldlijke overheid gesloten is (dus voordat
eventueel de conceptie heeft plaatsgevonden). Bruiloftsfeesten moeten matig
zijn en mogen in geen geval door allerlei ruwe en heidense gebruiken ontwijd
worden. De krans, waarmee de bruid gekroond wordt, heeft tweeërlei
betekenis: hij is tegelijk symbool van het offer, dat de bruid brengt, en
beloning voor haar deugdzaamheid. En elk huwelijk dient met een gebed tot God
begonnen te worden.
De voorrede van het vierde deel, ‘Vrouwe’, is tot de bruiloftsgasten gericht.
Terwijl de bruid nog in haar bruidsvertrek toeft, onderhoudt de dichter de
bruiloftsgasten over enkele dingen, die verband houden met de tijd en de
gelegenheid. Hij weerlegt de mening, door sommigen aangehangen, als zou het
huwelijk strijdig zijn met een gerust en godzalig leven, en hij weidt daarna
uit over gelukkige en ongelukkige huwelijken en over de plichten die zowel de
man als de vrouw in het huwelijk te vervullen hebben.
De beschrijving van de vrouw als ‘Christelick huys-wyf’
neemt een veel ruimer plaats in het ‘Houwelyck’ in dan die van de bruid, de moeder en
de weduwe. In de huisvrouw toch heeft Cats samengevat al wat toch het huwelijk
in engere zin behoort, en wanneer men het ‘Houwelyck’ een
wellevenskunst wil noemen, dan geldt deze kwalificatie vooral voor dit boek,
waarin het hele huwelijks- en gezinsleven besproken wordt. Uitvoerig spreekt
Cats er over de verdeling van de huiselijke
plichten tussen man en vrouw, over de twisten die oprijzen tussen
jonggetrouwden, over de werkzaamheden die de vrouw al of niet passen, over
goede en boze, over haatdragende - ‘vrouwen haet gaet boven maet!’
- en vredelievende vrouwen, en hij waarschuwt, nuchter als hij is, tegen al te
grote zindelijkheid, zuinigheid en andere vrouwelijke ondeugden, die de
harmonie in het huwelijk in gevaar kunnen brengen. Hij leert de vrouw dat ze de
vrienden van haar man meer achting dient te bewijzen dan haar eigen
bloedverwanten, hij leert de mannen hetzelfde te doen ten opzichte van de
vrienden | | | | en de familie van hun vrouwen, en bedenk eens wat er aan
ruzie en ongenoegen voorkomen zou zijn, als deze wijze raad beter verstaan was!
Hij leert de vrouw hoe ze met een driftige man moet omspringen, en hoe ze in 't
algemeen elke man naar zijn eigen aard moet behandelen. De man leert hij, wat
deze aan zijn vrouw verschuldigd is, en ook dat is niet weinig. Hij vermaant
haar, haar schoonmoeder te eren, hij wijst haar zelfs hoe ze in bed moet
liggen. Hij haalt voorbeelden aan van wijze vrouwen, van vrouwen die een
bijzonder talent hadden als vredestichtster, maar ook merkt hij op dat de vrouw
minder goed ‘letter-werck’ tot stand kan brengen als de man.
Anna Maria van Schurman is de uitzondering,
die deze regel moet bevestigen; immers:
Al worter altemets een kloucke maecht gevonden,
Een bloeme, soomen seyt, en maeckt geen roose-krans,
Een snare geen gespel, een vryster geenen dans.
God heeft dan aende man een hooger aert gegeven,
En aan het wijf gelast om onder hem te leven
322.
Daarvan getuigt immers ook de dierenwereld, ja zelfs de
plantenwereld geeft er blijk van:
Want alsmen man en wijf hier onderscheyden kan,
Soo vintmen noyt het wijf soo krachtig als de man,
De man heeft meerder kracht in alle medecijnen,
Voor pest en heete korts, voor alderhande pijnen;
Siet wat een selsaem ding! de reden heeft beseft,
Dat over al de man het wijfjen overtreft
323.
Aldus populariseert Cats, die in menig opzicht nog een Middeleeuwer
is, de natuurbeschouwing van een
Plinius. Aan deze natuurkundige ontleent
hij ook, dat edelstenen van mannelijk beginsel helderder schitteren dan die van
vrouwelijk beginsel, en dat de kompasnaald alleen reageert wanneer hij met een
mannelijke zeilsteen wordt aangestreken. Zo toont zelfs de levenloze natuur de
superioriteit van de man boven de vrouw.
Maar daaruit vloeit dan ook voort, dat de man in de vrouw altijd de
zwakkere moet zien, met wie hij geduld moet hebben. Het volk zegt dat een vrouw
veel gebreken heeft, maar wij mannen, veeleisend als we zijn, maken het haar
dan ook wel erg moeilijk. En is onze wens, een volmaakte vrouw te vinden,
eigenlijk niet heel onredelijk? Want hoe onvolmaakt zijn ook wij mannen niet,
hoe moeilijk maken we het onze vrouwen niet vaak, wat een ellendig leven hebben
ze soms! Niettemin mag dat geen aanleiding voor de vrouw zijn, om van haar man
weg te lopen, zelfs niet om buitenshuis haar beklag over hem te doen. Alleen
als alle andere middelen gefaald hebben, mag de verwaarloosde, mishandelde,
bedrogen vrouw aan een vriend haar nood klagen. Want ook hier is Cats'
standpunt niet, dat de man uitsluitend de rechten, de vrouw alleen de plichten
heeft; wèl is de verhouding, waarin ze tot elkaar staan, ongelijk, maar
de man heeft evenzeer zijn verplichtingen ten opzichte van de vrouw als
omgekeerd. Met nadruk wijst hij er op, dat de man zijn vrouw niet mag
verwaarlozen, dat zijn plaats niet bij zijn vrienden in de kroeg is, maar in
zijn huis, dat het verbod van echtbreuk voor hem niets minder geldt dan voor
haar. Wat morele verplichtingen betreft, zijn zij volkomen gelijk, en wat de
man van zijn vrouw eist, kan zij van hem vergen.
Wanneer hij op het chapiter van de gastvrijheid, van gastwetten en
tafelmanieren, van spijzen en dranken komt, herinnert hij aan de rijkdom van de
vrije Nederlanden, waar al ‘wat naer of verre wast, wat uytter
| | | | aerde groeyt’ in de havens binnenvalt. Ons land brengt niet
veel voort, geen wijnen, geen vijgen, geen zuidvruchten, geen suikerriet, geen
Indische specerijen, geen Chinees porselein, geen koper, ijzer of staal, geen
zijde of bont, geen goud of tin, en toch ontbreekt ons niets van al deze
schatten.
Bedenckt dit, Zeeusche jeucht, en weeghtet int bysonder;
Al wat u lant besit, dat is een eygen wonder;
In alle rijck gewas sijn uwe velden schrael,
Ghy noch, die niet en hebt, die hebtet altemael
324.
Ja, het is een rijk volk, waarvoor Cats zijn verzen schrijft, een
volk dat aan niets gebrek heeft, en waar men in de kast van een schippersvrouw
of bij een bootsgezel het fijnste Chinese porselein kan aantreffen. Met
begrijpelijke voldoening somt hij al die rijkdommen op, waarmee hij immers zo
van nabij bekend is en die hij stuk voor stuk ook in zijn eigen huis zal hebben
gehad. Moeten we er hem een verwijt van maken, hem beschuldigen van
zelfgenoegzaamheid? Maar zal die zelfgenoegzaamheid niet een karaktertrek zijn
geweest van een belangrijk deel van ons zeventiende-eeuwse voorgeslacht, van
heel de koopmansstand, die steeds maar rijker werd, van heel het intellect ook,
dat zich bewust was hoe rijk en hoe machtig de Republiek in korte jaren was
geworden? En in elk geval laat Cats op deze opsomming van Hollands rijkdommen
onmiddellijk de aansporing volgen om ze met mate te gebruiken, ze te zien als
door God geschonken, en er daarom vooral ook mededeelzaam mee te zijn jegens de
minder welgestelden.
Wanneer Cats over de kleinigheden van een huishouding begint te
praten, voert hij zijn vrouw sprekende in, en uit haar mond horen we, waarop
een vrouw dient te letten bij het huren van haar dienstpersoneel, en hoe ze
verder met meiden en knechts dient om te gaan, uit haar mond horen we ook de
wijze waarschuwing, dat een vrouw geen mooi dienstmeisje in huis moet nemen,
ingeval haar man wat verliefderig is aangelegd.
Een feminist als zijn Dordtse vriend
Van Beverwijck is Cats allerminst, maar
nog veel minder een verachter van de vrouw. Hij spreekt het in zijn goed ronde
taal onomwonden uit, dat de vrouw er niet alleen is om bij de man in bed te
slapen; haar plaats is niet alleen bij de wieg en in de keuken. Een man dient
zich in alle omstandigheden van het leven door zijn vrouw te laten raden, hij
moet haar zo al niet in alles, dan toch in vele dingen raadplegen, hij mag haar
raad niet in de wind slaan. En al is de vrouw er in de eerste plaats voor haar
man en haar kinderen, ook daarbuiten kan haar hand nog werk vinden, zelfs op de
berg der Muzen, zoals het voorbeeld van Johanna Coomans aantoont. Maar vooral
het voorbeeld van zijn andere Middelburgse vriendin,
Hortensia del Prado, de eigenares van de
prachtige tuin die aan de zijne grensde, is daar om de vrouwen aan te sporen,
de verzorging van de tuin op zich te nemen, het planten van bloemen en kruiden,
en dan vooral van geneeskrachtige kruiden, in de opsomming en beschrijving
waarvan Cats, met zijn grote belangstelling voor alles wat het leven der natuur
betreft
325, zich uitvoerig
vermeit.
De vrouw als moeder behandelt hij in het volgende, vijfde deel.
‘Wat ick bidden mach, gunstige leser’, zo vangt hij de inleiding op
dit boek aan, ‘staet wat stille; tis noodich datje uwe vuyle schoenen
hier wat uyt doet, immers de voeten een weynich kuyst, al eer in te gaen tot
onse beste ende binnenste camer: ghy sijt hier in het rijck der vrouwen, daer
wel somwijlen yet sulcx plach te geschieden’
326. En hij vertelt ons verder, hoe hij de pen al in de hand had
genomen ‘om voorts te varen tot sulx als ick oordeelde nu te moeten
volghen, t'welck was de by-een-komste | | | | van man ende vrouwe’,
toen de gedachte bij hem opkwam ‘dat alle schriften niet van alle
menschen met een ende het selve oogh-merck en worden gelesen, ende dien
volgende dat de verhandelinghe van dit ghedeelte ontwijffelick sal hebben uyt
te staen alderley, niet alleenlick verschillende, maer oock strydighe
oordeelen’. Daarin heeft hij zich - de geschiedenis onzer letterkunde
heeft het bewezen - niet vergist. Het is voor Cats geen beletsel geweest om
toch over dit hachelijke onderwerp te schrijven. ‘Als ick daer tegen
began te overwegen’, aldus licht hij zijn besluit toe, ‘dat ick uyt
een goet gemoet, ende met anders geen voornemen als om met vermaecklickheyt te
stichten, hadde aengevangen onse lantslieden te vertoonen de ware ghestalte
beyde van een recht-schapen wijf ende moeder; so en conde ick
mijn selven niet laten voorstaen, oock de vrienden (wekker oordeel en raet ick
hier in gebruyckte) niet inbeelden, dat ick den verstandighen leser in eenigher
maten soude voldoen, indien ick het eyghen hooft-stuck, dat beyde wijf ende
moeder maeckt, tusschen de tanden hielt’
327. Bindende
voorschriften ‘ten aensiene vande by-wooninghe van gehouwde lieden’
te geven bedoelt hij allerminst; zijn doel is alleen, uit de leer van hen, die
zich verstaan op de aangelegenheden der natuur, de getrouwden aan te zeggen wat
in deze gelegenheid hetzij aan de vrucht, hetzij aan de ouders, ofwel aan
beiden, ten goede zou kunnen komen, alles echter met dien verstande dat ieder
naar eigen oordeel daarmee zal kunnen handelen.
Uitvoerig - Cats is doorgaans uitvoerig - verdedigt hij het feit dat
hij ook ‘het werck des huwelicx’ in engere zin in zijn gedicht
betrokken heeft. Bijna allen toch, die het welzijn van hun naaste op het oog
hebben, klagen als uit één mond zowel over de onregelmatigheden,
die daarbij plaatsvinden, als over de vele onheilen die er uit ontstaan. De
opvoeding van het kind begint immers al bij de ‘versamelinghe der
ouders’, en het zou dus ongemotiveerd zijn om deze belangrijke
aangelegenheid te verzwijgen. Daar komt nog bij dat ook Gods Woord zelf er op
tal van plaatsen over spreekt. Daarom vond de dichter het nuttig, ‘tselve
aen onse lantslieden, als inde schemeringhe der eerbaerheyt, in eeniger mate te
laten sien’
328. Sommigen
zullen hem dit kwalijk nemen, maar het zal uit onverstand zijn; immers,
vervolgt hij, ‘wy en schrijven noch tot oneerlickheyt, noch tot
geckernye; maer tot stichtinghe; en dat heuselick, immers soo verre onse swacke
penne in de Nederlantsche tale heeft connen toe-reycken... Tis wel soo dat
onbescheydelick yet te segghen dwalinghe can veroorsaecken, maer 'tis niet min
de waerheyt dat onwijs stille-swijghen de menschen laet opten dool-wech daerse
sijn. Tis daerom beter (mijns oordeels) voor eenmael wat beschaemtelijx te
schrijven, als even-staegh veel schandelickheden te laten geschieden’
329. Degenen die ‘dese gheheymenisse’ nog
niet aangaat, laten dit deel liever ongelezen; alle boeken staan niet altijd en
voor alle mensen open. (Dat is, tussen haakjes, wat naïef van Cats.) De
Christen evenwel behoort de in- en uitgang van zijn leven te verstaan; hoe kan
hij anders met David zijn hart tot God verheffen en spreken: ‘Ick dancke
u daer voor dat ick wonderbaerlick ghemaeckt ben!’
330 Verzoekt ook Maria niet, wanneer de engel Gabriël haar de
geboorte van de Zaligmaker aankondigt, met een heilige vrijmoedigheid om nadere
onderrichting in dat groot en goddelijk geheim? Waarom is ‘het ghewach
van huwelicksche saecken ende de voort-teelinghe des menschelicken
geslachtes’ in de mond der mensen zo aanstotelijk geworden, als het niet
is ‘om der ontucht ende dertelheyts wille, die daerin veeltijts wert
gebruyckt, en vermits elck een van ons daer van schier anders niet en spreeckt
als in ydelheyt, ende tot geckernye, | | | | ende niet in sedicheyt ende
met rechte eerbiedinghe, ghelijck in soo een wonderstucken ende goddelicken
geheym behoorde te geschieden’
331. Niet het
spreken over deze dingen, maar alleen het misbruik in het spreken behoort uit
de mond der Christenen te worden geweerd.
Hoe kan men, wanneer men dit gelezen heeft, Cats nog zinnelijkheid,
laat staan wulpsheid verwijten? Geen verwijt onder de vele, die hem voor en na
door onze literair-historici gemaakt zijn, is ongerijmder dan dit. Er zou een
lange rij van zeventiende-eeuwse auteurs, tijdgenoten van Cats, op te sommen
zijn die als auteurs van grof-zinnelijke literatuur te boek staan, en die
daarover niettemin door het nageslacht nooit lastig zijn gevallen. Men zal
hiertegen inbrengen, dat het verwijt aan
Cats niet zijn zinnelijkheid alleen
betreft, maar de vereniging van het sensuele met het stichtelijke. Maar is,
voor wie lezen kan, juist een uiteenzetting als de zoëven aangehaalde niet
het bewijs, dat Cats met grote schroom spreekt over dingen, waarover men in het
dagelijks leven bij voorkeur niet pleegt te spreken? Ook hij had daarover het
stilzwijgen kunnen bewaren, hij heeft daar zelfs over gedacht, maar juist omdat
hij van zichzelf wist, dat hij de zinnelijke neigingen, die de mens aangeboren
zijn, zo beheerste als men van een gezond mens maar kan verwachten, heeft hij
het gewaagd om dit gevaarlijke terrein te betreden. De lange inleiding, die
daaraan voorafgaat, is het bewijs dat Cats volkomen oprecht, om niet te zeggen
argeloos was toen hij over dit hachelijke onderwerp schreef. Theoretisch is er
nog deze andere mogelijkheid, dat hij een huichelaar was, maar wat men hem ook
ooit heeft verweten, nooit heeft hem de beschuldiging van een onkuis of
zedeloos leven getroffen. En pleit ook zijn lange weduwnaarschap niet voor het
tegendeel?
De moeder ziet Cats als de herfst, het jaargetijde waarin de druif
begint te zwellen en de wijngaard moet worden gestut, en de jonge takken, zwaar
van vruchten overneigen, de tijd van de oogst. De vrouw, die in het huwelijk
haar bestemming vond, brengt kinderen voort en vervult daardoor de goddelijke
natuurwet. Zowel inzake het voortbrengen als de opvoeding van de kinderen geeft
hij tal van aanwijzingen, die hem doen kennen, ook hier weer, als een
zedemeester en een paedagoog die ernst maakt met zijn onderwerp. Wie leest hoe
bedachtzaam Cats over het echtelijke leven spreekt, hoe hij voor allerlei
gelegenheden en tijden onthouding voorschrijft, kortom ook hierin geheel en al
de piëtistische richting van zijn dagen blijkt te volgen, verwondert er
zich opnieuw over dat men hem heeft durven verwijten, de zeden van zijn volk te
hebben bedorven. Het tegendeel is waar. Met aan de natuur ontleende voorbeelden
toont hij aan hoe verwoestend de kracht der zinnelijkheid is. Waarschuwend is
zijn vermaan, dat ook een echtpaar overspel kan bedrijven, en hij weet dat de
geslachtsdaad geen werk is van het lichaam alleen.
Vele en velerlei zijn de raadgevingen, die de dichter aan de
aanstaande moeders geeft. Hij weidt uit over minnedranken, aan het bestaan
waarvan hij niet meer gelooft, en uitvoerig spreekt hij over de dikwijls
zonderlinge lusten van zwangere vrouwen. Ernstig vermaant hij de moeders, haar
kinderen zelf te zogen, en ingeval ze daartoe niet in staat zijn, geeft hij
aanwijzingen voor het zoeken van een min. Maar ook heeft hij woorden van troost
voor de kinderlozen: God weet wat hij met haar voorheeft. Tenslotte spreekt hij
over de opvoeding, die in de eerste levensjaren bij de moeder berust. Hoevelen
zijn er niet, die allerlei beuzelarijen nalopen, maar dit allerbelangrijkste
werk verwaarlozen, waar toch de toekomst van een mens van afhangt? De moeder
moet het jonge kind in het rechte spoor leiden, zij moet het deugden aan - en
ondeugden afleren, allereerst | | | | door het zelf in het goede voor te
gaan. Kennis is de grootste schat, die de mens zich kan verwerven;
onvervreemdbaar, wordt ze overal in aanzien gehouden. De ouders moeten ook de
aard van elk van hun kinderen onderkennen en daarnaar handelen. Het onderwijs
dient spelende gegeven te worden; vooral op het onderricht in talen, waaronder
het Latijn in de eerste plaats, moet de nadruk worden gelegd.
Het zesde en laatste deel, ‘Weduwe’, is in twee stukken gedeeld; het eerste
bespreekt de ‘bedaechde huys-moeder’, het tweede de
‘weduwe’. Cats heeft het opgedragen aan de jeugd. Waarom juist aan
de jongeren? ‘De dagelicksche ervarentheyt (God betert)’, schrijft
hij, ‘leert ons datter vele onder den volcke oiren hebben juyst gelijck
sekere doghen, die mits het neder-hanghen der selver van onderen open, van
boven ghesloten sijn, ende mitsdien meerder bequaemheyt hebben om t'ontfanghen
het getuyt dat van beneden, als dat van boven koomt. Vele, seg ick, (ghelijck
de menschen vander aerden aerds sijn,) hooren merckelick liever beyde spreken
en schrijven van een jonghe vrouwe, als van een bedaeghde
huys-moeder, en noch liever van een blyde bruyt, als van een
bedruckte weduwe, en dit selve, gunstige leser, heeft my doen vermoeden
dat het laetste deel deses wercx (schoon het vanden ouderdom is handelende) wel
langst van allen nieu soude moghen blijven, ten ware saecke dat hier in het
beginsel de ionckheyt ten volle werde onder-recht ende krachtelick over-tuyght,
dat even dit leste deel hen ten hoochsten is raeckende, ende dat mitsdien het
selve, niet min als de andere stucken, by henlieden ghelesen behoort te
worden’
332.
Hij herinnert zich de wens, hem en zijn bruid in hun bruidsdagen door een van
zijn vrienden toegewenst, ‘dat (z)ij te samen out ende leelick mochten
worden’, een wens die, ofschoon wat eigenaardig uitgedrukt, ‘van
goede en nutte bedenckinghe’ is.
Nimmer hebben de heidenen minder op heidense wijze gesproken dan
toen ze het overdenken van de dood tot de hoogste wijsheid hebben gerekend.
‘Leert ons bedencken dat wy sterven moeten op dat wy verstandigh
worden’, bidt Mozes
333. Niemand
ter wereld kan iemand beter leren leven dan die hem wel leert sterven; voor wie
de vergankelijkheid van het leven verstaat moet dit immers een krachtig middel
zijn om, door Gods genade, zijn behoud elders en buiten zichzelf te zoeken, en
alzo op te stijgen tot de Eersteling uit de doden, onze Zaligmaker die machtig
is onze vernederde lichamen een andere gestalte te geven en aan zijn
verheerlijkt lichaam gelijk te maken.
De dood kan ons op alle plaatsen bespringen; daarom moet een
Christen een stervend leven leiden. Immers, hoe meer iemand aan zichzelf
afsterft, hoe meer hij Gode begint te leven. Allerminst bedoelt Cats ‘de
jonge sielen met een geduerigen praem van doot-schrick in onruste te
houden’; integendeel, wij weten ‘dat de sterf-cunste, crachtelick
en Christelick gheoeffent sijnde, niet alleenlick die angstighe vreese des
doots machtich is wech te drijven; maer selfs een troostelicke
vermaeckelickheyt eyndelick in onse herten te connen uyt-wercken’.
‘Doet hier’, vermaant hij, ‘gelijck de kinderen met de byen
handelen alsse met de selve spelen willen, sy treckense eerst den angel uyt, en
daer naer en hebbenser niet als vermaeck van, hoe seer sy mette selve oock
suckelen en sollen. De prickel des doots is de sonde; ontbloot haer maer alleen
van dat wapen; het gevaer, en met eenen de schrick, sal ophouden’
334. Hij die gezegd heeft: ‘Ick ben de wech, de waerheyt ende
het leven’, kan ons van de zonde reinigen en toont ons de weg ten leven.
Hij doet wel, die dagelijks zichzelf onderzoekt, ‘om te letten ofmen
vande menschen comende niet minder mensche en is gheworden, ten eynde om alsoo
in sijn camer weder- | | | | om te vinden het gene misschien daer buyten is
verloren’
335. Wie
dit betracht, kan het voor zeker houden dat God zijn gebrekkige dienst, zo die
oprecht is, in genade zal aanzien, en rustig zal hij het einde van zijn leven
tegemoetgaan, vast vertrouwend dat geen enkele wijze van sterven kwaad of
nadelig kan zijn.
De gouden zon daalt naar de kim; de groene jaren, de frisse jeugd
zijn heen, en van al 's werelds vreugde blijft niets over dan droeve
nagedachten. Het enige waarover de ziel zich thans kan verblijden is ‘een
soet gepeys van wel-besteden tijt’
336. Heel de natuur
wijst ons naar de dood; waarom zou de mens er dan voor vrezen? Al naarmate het
lichaam zwakker en krachtelozer wordt, moet de ziel in kracht toenemen; immers,
kort is het leven hier op aarde, maar eeuwig leeft de ziel. Het sterven is een
klein verlies; een beter leven, een eeuwig heil staat de vrome te wachten.
De ouderdom vooral moet een voorbereiding zijn voor de dood. Het
huwelijk moet in deze fase van het leven alleen nog een zielsverwantschap zijn;
nu zijn er hoger dingen dan ‘sotte minne-praet’. Als de vogel
phoenix die uit zijn as herrijst, als de slang die uit zijn oude vel kruipt,
moet de mens zijn die sterven gaat. Een voor een ziet hij zich ontvallen wie
hem lief waren: de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen.
Tegen twee zonden, oude vrouwen eigen, waarschuwt Cats: loslippigheid en gierigheid. De jurist spreekt in hem, wanneer hij over
testamenten begint te spreken en in deze materie vele goede raadgevingen
uitdeelt.
Een oud man is als een kaars die uitgaat, na zijn plicht te hebben
vervuld. Toegerust tot het stervensuur, spreekt hij zijn vrouw aan, herinnert
haar aan het lief en leed dat hun beider gemeenschappelijk deel is geweest, en
neemt afscheid van haar. Zijn kinderen vermaant hij, en met een gebed op de
lippen blaast hij tenslotte de laatste adem uit.
Nu blijft de vrouw als weduwe achter. Weduwen zijn als bloemen, die
afgesneden werden van hun stengel om in een vaas te worden overgezet; nimmer
herkrijgen ze hun vorige bloei terug. Met grote nadruk waarschuwt Cats vooral
de jonge weduwen. Hoe teer is vrouwen - eer! Tenslotte spreekt hij over het
sluiten van een tweede huwelijk, dat hij alleen aan jonge vrouwen toestaat. Een
reeks van goede raadgevingen over dit precaire onderwerp besluit het zesde en
laatste boek van het ‘Houwelyck’
337.
Zowel de ‘Maechden-plicht’ als de ‘Self-stryt’ en het ‘Tooneel van de mannelicke achtbaerheyt’ zijn in
zekere zin als voorstudies op het ‘Houwelyck’ te beschouwen. De
‘Maechden-plicht’ is in het eerste boek geheel verwerkt, de strijd
tussen ziel en zinnen komt in het ‘Houwelyck’ herhaaldelijk ter
sprake, en voor de heerschappij van de man boven de vrouw voert het gedicht
één lang pleidooi. Van zijn eerste boek af heeft Cats het
zedelijke leven, culminerend in het huwelijksleven, in het middelpunt van zijn
werk gesteld. Voor de Calvinist, die Cats was, betekende het huwelijk immers de
grondslag van geheel het mensenleven. ‘Een smisse van menschen, een
gront-steen van steden, ende een queeckerye van hooge regieringhe’, noemt
hij het, ‘dien volghende dat aen het goet ofte quaet beleydt vanden
selven hangt niet alleenlijck de ruste ende onruste van yeder huys-ghesin int
bysonder, maer selfs de wel en qualick stant soo van Godes kercke, als vande
saecken des lants int ghemeen’
338. Voor dit oordeel kon hij zich zelfs op de Staat van
Plato beroepen: overigens niet het enige
voorbeeld van overeenstemming tussen Hellas' | | | | grootste wijsgeer en
de hervormer van Genève. Een boek te schrijven over het Christelijk
huwelijk, de onderlinge verhouding van man en vrouw, moest dus wel deel
uitmaken van het sociale programma van een dichter, die zich tot taak had
gesteld om zijn medeburgers de weg der deugden aan te wijzen.
Bovendien moet dit onderwerp voor
Cats aantrekkelijk zijn geweest, omdat het
hem gelegenheid gaf, de strijd tussen de geest en de stof, tussen de
onsterfelijke ziel en het sterfelijke lichaam uit te beelden. Hoewel het
huwelijk, door God zelf in het Paradijs ingesteld, in alle opzichten geoorloofd
is, aldus Cats, is het tegelijk een onuitputtelijke bron van zonden, een
oorzaak van immer dreigende zondeval. Deze tweespalt, die ook het onderwerp was
van de ‘Self-stryt’, kon Cats in dit zoveel grotere gedicht nog
veel breedvoeriger ontwikkelen, en dankbaar heeft hij die gelegenheid
aangegrepen. Wat
Vondel bedoelde, toen hij schreef dat
engelsheid en diersheid beide in de mens zich ondereenmengen, heeft Cats nooit
in een zo dichterlijke vorm onder woorden kunnen brengen, maar stellig heeft
ook hij dit doorvoeld.
Wie de motieven nagaat, die Cats er toe gebracht kunnen hebben om
dit onderwerp ter hand te nemen, dient zich ook de vraag te stellen, of
één van deze niet wellicht het verval van het huwelijk geweest
kan zijn. Dit is echter onwaarschijnlijk, omdat Cats daarop nergens in zijn
werk, ook niet in de inleidingen, de nadruk legt. Wel zou
Willem Teelinck twee jaar na de
verschijning van het ‘Houwelyck’ klagen: ‘Hoe wort oock het
houwelijck mishandelt’, en dat met voorbeelden demonstreren
339, maar zijn klacht zal men meer op rekening van
piëtistisch rigorisme moeten stellen dan van feiten, die ze zouden
rechtvaardigen. Hiervoor pleit te meer, dat men bij andere moralisten uit deze
tijd tevergeefs naar soortgelijke klachten zoekt. Elke generatie herhaalt de
klachten over zedenbederf en weeldezucht, over gebrek aan eenvoud en
godsdienst, over onopvoedbare kinderen en brutale dienstboden, die enkele
tientallen jaren vroeger door het vorige geslacht zijn aangeheven. Maar ook
verwijst elke generatie naar de onmiddellijk aan haar voorafgaande als naar een
lichtend voorbeeld. Het is niet alleen gebrek aan historisch inzicht, dat tot
deze misvatting leidt, maar zeker ook de behoefte om het verleden te prijzen,
die de mens als ingeschapen schijnt. Het pleit voor Cats dat deze trek in zijn
werk geen overwegende plaats inneemt, wat men van een moralist toch zou mogen
verwachten. Cats is geen laudator temporis acti; daarvoor was hij te nuchter,
daarvoor kende hij het wezen van de zonde te goed als een kracht, die uit het
mensenhart zelf voortkomt en die onafhankelijk van plaats en tijd onder alle
omstandigheden even verwoestend te werk gaat. Men vindt bij hem dan ook nergens
de traditionele klachten over het toenemend zedenbederf, waaraan moralisten
zich te buiten plegen te gaan. De taak, die hij voor ogen ziet, ligt elders;
het is: het huwelijk aan te passen aan het maatschappelijke stelsel, dat in het
zeventiende-eeuwse Holland en Zeeland op Christelijke grondslagen gefundeerd
was. Wanneer men de vraagpunten beschouwt, die op de synodale vergaderingen van
de zestiende eeuw ter sprake kwamen, zal men bemerken dat een aantal daarvan
een grondige bespreking hebben gevonden in de werken van
Cats
340. Van de maatschappelijke vraagstukken, waarmee de calvinistische
synoden zich bezighouden, is er geen dat zozeer telkens opnieuw de aandacht
heeft als het huwelijk. Er blijken met betrekking tot het echtelijke leven
allerlei vragen op te rijzen, waarop predikanten of kerkeraden geen antwoord
weten te geven, en waarover de hogere kerkvergaderingen dus moeten beslissen.
Wat moet een man doen, wiens | | | | huisvrouw hem niet wil volgen bij
zijn vertrek naar een andere stad? Wanneer mag een weduwe hertrouwen? Mag een
overspelige man de vrouw trouwen, met wie hij overspel heeft bedreven? Mag een
man de weduwe van zijn broer trouwen? Op iedere synode duiken dergelijke vragen
opnieuw op, vragen waarop de jonge hervormde kerk, die de eeuwenoude traditie
van het Roomse kerkgezag miste, een antwoord diende te geven. Een groot aantal
van deze problemen, die soms heel eenvoudig, maar meermalen vrij ingewikkeld
waren, vindt men in het werk van Cats behandeld, in 't bijzonder in het
‘Houwelyck’ en de ‘Trouringh’
341. En terwijl de synodale opzieners zich met een
machtsspreuk van de hun opgelegde taak konden afmaken, heeft Cats het voor en
het tegen van elk probleem zo omstandig behandeld, dat ook de eenvoudigen van
geest zijn betoog konden vatten. Zeker mag men de grote opgang, die zijn
gedichten hebben gemaakt, voor een deel hieruit verklaren. En even zeker is,
dat Cats hierdoor een opvoedkundige taak heeft verricht, die men niet licht kan
overschatten.
Scheld Cats vrij een praatvaar - het woord is hem uitentreuren naar
het hoofd geworpen! - maar geef toe dat hij een verstandig, wijs man is, rijk
aan ervaring, een kenner van de wereld en van de mikrokosmos, die mens heet.
Het huwelijksleven, het verkeer van man en vrouw onderling en in hun gezin, hun
omgang met de kinderen en het dienstpersoneel, hun houding tegenover de
vrienden des huizes en de gasten, dat alles bevat talloos veel aanleidingen om
zich te vergissen, om ontactvol op te treden, om juist het tegenovergestelde te
doen van wat in een bepaalde situatie vereist wordt. Het boek van Cats is de
wellevenskunst, die in alle moeilijke gevallen de uitweg wijst, in alle
twijfelachtige omstandigheden raad geeft. Het is geen boek voor hen, die zich
eigen wetten scheppen, geen boek voor de kunstenaars der Renaissance, maar een
boek voor eenvoudige burgers, die op de grondslag van hun calvinistische
levensbeschouwing hun leven opbouwen in trouwe dienst aan de maatschappij. Het
is een boek voor die ‘kleyne luyden’, die tenslotte het ferment der
samenleving zijn, de brede massa, die geschiedenis maakt. Het strekt zijn
belangstelling niet alleen over de mannen uit, maar ook over de vrouwen, de
kinderen, de dienstknechten. Het denkt aan allen en aan alles, het is in de
volste zin van het woord een gezinsboek. Het geeft antwoord op alle vragen van
het leven van iedere dag, het bevat raadgevingen voor alle denkbare gedachten.
Het beschrijft even nauwgezet en uitvoerig de inhoud van de huisapotheek als de
inventaris van de porseleinkast. En temidden van al deze aardse beslommeringen
verliest het ook het geestelijke element niet uit het oog: het geeft gebeden
voor de bruid, eer ze slapen gaat, en voor de stervende mens, en achter alles
wat de mens doet en verricht staat de dreigende gestalte van de dood. Niet
minder dan de ‘vier utersten’ bij onze middeleeuwse moralisten
heeft de gedachte aan dood en sterven in het werk van Cats altijd een grote
plaats ingenomen.
Er zijn geen aanwijzingen dat Cats voor zijn
‘Houwelyck’, zowel wat de conceptie als de uitwerking van het
gedicht betreft, directe voorbeelden voor ogen heeft gehad. Wel zijn er enkele
letterkundige werken, die wat de aard van het behandelde onderwerp betreft er
zich nauw bij aansluiten. Juist een eeuw vroeger had
Erasmus, toen al in zijn laatste
levensjaren, zijn ‘Christiani matrimonii institutio’ (1526)
geschreven, dat hij later nog door de ‘Vidua Christiana’ (1529) liet volgen. Cats heeft
vooral het eerste werk ijverig geraadpleegd en met volle instemming er vele
uitspraken uit overgenomen, zonder Erasmus' verhandeling overigens na te
volgen. Het verschil in godsdienstige overtuiging, dat hen scheidde,
| | | | behoefde geen verschil in standpunt ten opzichte van het huwelijk
in te sluiten. Beiden hebben de fundamenten van het Christelijk huwelijk in de
Bijbel gezocht, en op grond daarvan de regels vastgesteld, waarnaar de vrouw
zich in alle stadia van het huwelijksleven dient te gedragen. Cats heeft op het
‘Houwelyck’ de ‘Trou-ringh’ (1637) laten volgen, waarin
hij aangeeft aan welke eisen het huwelijk moet beantwoorden en op welke
grondslag het moet worden gesloten, een onderwerp dat Erasmus al eveneens in
zijn eerstgenoemde traktaat had besproken. Met hem heeft Cats ook dit gemeen,
dat hij zijn theoretische uiteenzettingen toelicht met illustratieve
intermezzo's; bij Erasmus zijn dit anekdoten, aan het dagelijkse leven
ontleend, bij Cats doorgaans verhalen, die de wereldletterkunde hem aan de hand
deed.
Wat aard en strekking van de ‘Trou-ringh’ - en dus ook
van het ‘Houwelyck’ - betreft, heeft Busken Huet dit gedicht
vergeleken met de ‘Minnenloep’ van
Dirc Potter
342. Meer recht heeft een vergelijking met het ‘Pegasides pleyn, ende den Lusthof der maeghden’
(1582 - 1583) van de Brusselse edelman
Jan Baptista Houwaert
343, dat Te Winkel dan ook terecht een voorloper van het
‘Houwelyck’ noemt. Het is onzeker of Cats dit uitvoerige werk - het
telt acht en vijftig duizend verzen - heeft gekend; hij noemt het nergens en
haalt het ook niet aan, en evenmin zijn er plaatsen aan te wijzen, die er
kennelijk aan ontleend zijn. Maar aangezien ook Houwaert zijn gedicht voor
jonge vrouwen schreef, en met nog veel groter uitvoerigheid en breedsprakigheid
over liefde en huwelijk en alles wat daarmee samenhangt heeft geschreven, vindt
men in beide werken veel overeenkomstige feiten genoemd. Ook Houwaert laat
achtereenvolgens maagden, getrouwde vrouwen en weduwen de revue passeren - wat
overigens weinig opmerkelijk is - ook hij heeft in zijn gedicht een aantal
vertellingen gevlochten, en ook zijn werk tenslotte heeft een opgang gemaakt,
die alleen hierin van Cats' populariteit verschilt, dat ze veel kortstondiger
is geweest.
Tenslotte moet nog gewezen worden op een theologisch boek van de
Engelse Puritein
William Perkins (1558 - 1602): ‘Christian oeconomie: or, a short survey of the right manner of
erecting and ordering a familie’, dat als ‘Oeconomia Christiana’ ook in het Latijn werd
vertaald
344. Perkins wijdt hoofdstukken aan het huwelijk, de samen-leving
van man en vrouw, de echtscheiding, de man, de vrouw, de ouders, de vader, de
moeder, enz. Men mag aannemen dat Cats ook dit boek heeft gekend, al noemt hij
het nergens in zijn ‘Houwelyck’, noch elders.
In haar studie over
Petrarca's invloed in de Nederlandse
letterkunde heeft Catharina Ypes er op gewezen, dat de indeling van het
‘Houwelyck’ trekken gemeen heeft met de manier, waarop Cats het
Petrarciaanse triomfmotief toepast. Zijn de ‘Sinn'- en
minne-beelden’ een trionfo d'amore, de ‘Self-stryt’ kan men
zien als een trionfo della castità. In het ‘Houwelyck’
vormen de hoofdpersonen van elk der hoofdstukken een opeenvolgende reeks
centrale figuren, fasen van het leven der vrouw, waarin achtereenvolgens de
kuisheid, de liefde, de tijd, de dood en de eeuwigheid triomferen
345. Het is een getuigenis van de
logische opbouw van Cats' werken; men kan er van overtuigd zijn, dat het schema
opgezet en uitgewerkt was, voordat hij de eerste letter op het papier zette.
Bovendien is het een der bewijzen, hoezeer ook deze calvinistische dichter
onder de invloed der Renaissance stond.
Eerst in de ‘Trou-ringh’ komen Cats' vertellersgaven ten
volle tot hun recht, maar ook in het ‘Houwelyck’ vinden we al menig
voorbeeld van zijn vlotte en levendige vertelkunst. In ‘Vryster’
heeft hij de vertelling | | | | ingelast van de smid, die de minnaar van
zijn dochter, een student, denkt te kunnen dwingen om het verleide meisje te
trouwen; de geleerde jongeman zet echter achter zijn handtekening op de hem
afgedwongen trouwbelofte vi coactus, en zo blijkt de vader tenslotte
toch nog te zijn beetgenomen. In ‘Bruyt’ vinden we het verhaal van
Rosette en Galant, ontleend aan de ‘Thrésor d'histoires admirables
et mémorables de nostre temps’ (1610) van
Simon Goulart († 1628). Een Frans
edelman zet zijn zuster met haar verleider op een onbewoond eiland, waar de
vrouw een kind ter wereld brengt, achtereenvolgens het kind en de vader door de
dood verliest en eerst na vele ontberingen door een passerend schip wordt
opgenomen. Moraal: meisjes, laat je niet verleiden! Aan de vrij recente
‘Observationes de pactis antenuptialibus’ (1620) van de Hollandse
jurist
Cornelis van Nieustad (1549 - 1606) is het
(in het boek ‘Bruyt’ opgenomen) verhaal ontleend van de bruid en de
bruidegom, die op hun huwelijksdag verdronken, wat aanleiding geeft tot twee
juridische vragen: ten eerste of het huwelijk als voltrokken moet worden
beschouwd, en ten tweede wie de erfgenamen zijn. In ‘Vrouwe’ is het
wat zoetelijk-sentimentele verhaal opgenomen, eveneens uit Goulart, van de
herder Celadon, die zich vrijwillig in gevangenschap begeeft om zijn door
zeerovers weggevoerde Galathee toch maar niet te moeten verlaten. In hetzelfde
boek vinden we nog enkele andere vertellingen: van de Trojaanse vrouwen, die de
schepen van hun mannen in brand steken om hen van het steeds maar weer verder
trekken af te houden; van de man die zijn op overspel betrapte vrouw vergeving
schenkt, maar die, als hij zich aan dezelfde zonde heeft schuldig gemaakt, door
haar eigen hand op het schavot wordt onthoofd - het verhaal is ontleend aan de
‘Histoires des troubles de Hongarie’, een ons
verder onbekende bron - ; van de pasgetrouwde vrouw - naar de overlevering wil
een Middelburgse - die na een echtelijke ruzie door het raam het huis ontvlucht
en als ze berouwvol terug wil keren, door haar man gedwongen wordt om langs
dezelfde weg weer naar binnen te klimmen; van de ridder uit Schotland, die het
stugge verzet van zijn vrouw, onwillig om zijn vrienden gastvrij te ontvangen,
breekt door, vrij Spartaans, haar arm te breken, en die maar tegelijk bij de
chirurg een abonnement wil nemen - Cats heeft het verhaal ‘laest, daer
(hij) was gescheept met soete reys - gesellen’, horen vertellen - ; van
de Griekse koning Philopoemenes die, bij een van zijn edelen te gast genood,
door de gastvrouw voor een knecht wordt aangezien en aan het houthakken wordt
gezet; Cats vond het zowel in ‘De legibus connubialibus et de opere maritali’
(1574) van Tiraquellus (± 1480 - 1558) als in de ‘Civile conversazione’ van de Italiaanse jurist
Guazzo (± 1531 - 1593). In ‘Moeder’ is het levendig vertelde
verhaal opgenomen van het kind, dat door wolven werd opgevoed; ook dit
ontleende Cats aan Goulart. In deze illustratieve vertellingen toont hij zijn
meesterschap als verteller, vooral wanneer hij zich kan laten gaan in
beschrijvingen. Met een enkel trekje duidt hij een situatie aan, met een enkel
woord roept hij een beeld op. De breedsprakigheid, die hem elders niet vreemd
is, weet hij hier te vermijden; het is alsof hij zelf, met zijn lezers,
nieuwsgierig is naar de afloop en zich naar het einde haast. En dat doet ook nu
nog de lezer, die al bladerende in zijn versmade
Cats op een van deze verhalen is gestuit
en tot lezen is gekomen: hij scheidt er niet mee uit voor hij aan de laatste
regel toe is.
| |
Het Zeeuwse element bij Cats
Het Zeeuwse element is, zoals uit het voorafgaande al bleek, vooral
in Cats' oudste werken, in Zeeland geschreven en allereerst voor de Zeeuwen
| | | | bestemd, sterk aanwezig. De ‘Sinn'- en minne-beelden’ zijn opgedragen
‘aen de Zeeusche jonc-vrouwen’, het ‘Zeeus, en soet
gheslacht’, waaraan Cupido ‘in ronde Zeeusche tael’ vertelt
wat er zoal in de liefde omgaat. De opdracht is grotendeels een verwijt aan de
Zeeuwen, omdat zij de dichtkunst niet in waarde houden. In het eerste deel van
deze trilogie wordt een Vlissings trouwgeval aangehaald
346. In het ‘Harders-liet’ heeft Phyllis haar schapen
‘tusschen Armuy en der Veer’ op het gors ‘datmen hiet ten
Halven-crijt’ gedreven, terwijl Thyrsis zijn kudden ‘by
Domburgh’ weidde, waar hij tot groot verdriet van Phyllis zijn landelijke
onschuld verloren heeft. Is 't niet Domburg, vraagt ze,
Ist niet Domburgh, daer het meeste
Volck, van al dees dertel steen,
Heel de somer coomt ghereen?
't Is daer kermis, 't is daer feeste,
Soo langh' als het waghen-rat,
Niet te diep en snijt int nat.
. . . . . . . . . . . . . . . . . .
't Is te Domburgh in de duynen,
Daermen wentelt in het zant,
Daer soo menich dertel quant,
Achter haghen, achter thuynen,
Doet, dat ick niet segghen derff,
Dickwils op eens anders kerff
347.
Bij het ‘Kinder-spel’, achter het tweede deel, tekende
Adriaen van de Venne de bekende plaat,
waarop hij de Middelburgse Abdij afbeeldde
348.
In de ‘Maechden-plicht’ noemt Anna onder de dingen, die
een maagd niet passen, o.a. ‘na Domburgh veel ghery’
349,
alweer met een zinspeling op het spelerijden, waarvan op Walcheren Domburg nog
altijd het einddoel is. De ‘Harders-clachte’, die dit gedicht besluit, is
evenals het zojuist genoemde ‘Harders-liet’ in Walcheren gelocaliseerd.
‘Int gheweste van Grijpskerck’ klaagt Daphnis over zijn Galathea,
die ‘in de velden van Dijshouck’ haar kudde weidt, het meisje aan
wie hij eertijds zoveel blijken van zijn liefde heeft geschonken:
‘vruchten van ons eyghen lant, eygen queecksel, eyghen goet, hier in
Zee-lant uyt-ghebroet. Dan van Souburgh een meloen, off van Botting' een
cappoen; dan een wafel diep gheruyt, ... in mijn snuytdouck vast geknoopt, die
te Domburgh was ghemaeckt’
350, maar die nu
niets meer wil weten van haar boerse vrijer, die ‘mette versche wey,
mette soete zeeusche mé’ zo tevreden is als met kostelijke
wijn.
Ook het laatste werk, dat Cats in Zeeland schreef, het ‘Houwelyck’, bevat tal van aanwijzingen voor het
locaal-patriotisme dat hem eigen was. Uitdrukkelijk noemt hij het nog, hoewel
hij bij de verschijning al lang en breed in Dordrecht woonde, een
‘Zeeusch ghedicht’
351,
en ook uit menige andere plaats blijkt dat hij bij het schrijven van dit
moralistische werk allereerst aan zijn Zeeuwen heeft gedacht
352. De stof
voor de verhalen en anekdoten, die hier en daar zijn ingevoegd, ontleende hij,
wanneer het pas gaf, aan voorvallen die in zijn eigen omgeving plaats hadden
gevonden. Zo zullen alle Middelburgers geweten hebben, dat de jonggetrouwde
vrouw, die van haar man door het raam wegliep en langs dezelfde weg moest
binnenkomen
353,
een juffrouw
Van der Stringe was
354. Ook de
aanvallige Lycoris, ‘vermaert in al de Zeeusche steden’, die bij
Arnemuiden door het ijs zakte en door de knappe Elpenor werd gered
355, was in Zeeland met naam en toenaam
bekend
356, en Cats behoefde in deze gevallen niet de
literatuur te hulp te roepen om een interessant trouwgeval te plaatsen tegen
| | | | de achtergrond van de eertijds rijke, maar sindsdien geheel
vervallen koopstad, waarvan hij de bloei en de ondergang in de aanhef van zijn
verhaal in korte trekken tekent. Ook de ‘Eerlijcke vryagie’ in de
‘Spiegel van den ouden ende nieuwen tijdt’, het verhaal van de
‘Ridder uyt het Britten-landt’ die ‘niet verre buyten
Zierickzee’ het oud-Zeeuwse volksgebruik van het in-zee-dragen zag
357, de geschiedenis van een gierige oude vrijster uit
Zieriksee
358 en het lied ‘Op seker vreemt geval, in de stadt van
Ziericzee in onsen tijdt gebeurt’
359 gaan
klaarblijkelijk op aan Cats bekende voorvallen terug.
Ook de taal van zijn gedichten vertoont in zijn eerste periode
Zeeuwse eigenaardigheden. In zijn ‘Tachtigh-jarige bedenckingen’ vertelt hij, dat hij
‘somtijds Zeeus en somtijds Hollants’ schreef, maar juister is dat
hij tot omstreeks 1623 Zeeuws en daarna Hollands heeft geschreven, zij het dan
ook met behoud van enkele Zeeuwse taalparticularismen. Nog in zijn
‘Houwelyck’ schrijft hij:
Misschien off ick het volck moch trecken door de smaeck
Off van het Zeeusche rijm, off van de ronde spraeck
360.
Levenslang heeft hij zich streng gehouden aan de regels, die in het
Zeeuws voor e en o golden
361, maar alleen in zijn Zeeuwse tijd gebruikt hij den in de
eerste naamval en het enclitische -dij . Zeeuwse woorden uit de oudste
periode vervangt hij in de herdrukken door Hollandse equivalenten of hij werkt
ze weg
362; de vormen du en
dyn, waarvoor men in Zeeland nog lang een zekere voorkeur heeft
gehouden, heeft hij in zijn Hollandse periode nagenoeg niet meer gebruikt
(behalve in de aanspraak tot God) en ze in de herdrukken of omwerkingen van
zijn gedichten vervangen door ghij en u(w).
| |
Zijn bronnen
De wetenschappelijke zin, die Cats kenmerkt, uit zich o.m. hierin,
dat hij in de marge naast zijn gedichten, onderaan de bladzijden of elders een
groot aantal schrijvers uit oudere en nieuwere tijden aanhaalt tot versterking
van zijn betoog. Ook wanneer men in aanmerking neemt, dat hij een aantal
citaten niet rechtstreeks aan de bronnen heeft ontleend, maar uit bloemlezingen
en citatenverzamelingen als het ‘Florilegium magnum seu Polyanthea’ (1624) van
Janus Gruterus (1560 - 1627) of de ‘Axiomata politica, oeconomica, ecclesiastica et
historica’ (1602 - 1604) van de Duitse polyhistor
Gregorius Richter (1560 - 1624)
363, ook dan
nog geven de vele honderden aanhalingen blijk van een meer dan alledaagse
belezenheid en een belangstelling voor onderwerpen van de meest uiteenlopende
aard, die in de zeventiende eeuw nog geen veelweterij behoefde te heten.
Tot zijn voornaamste bronnen behoorde in de eerste plaats de Bijbel,
die met de Apocryfe boeken talloze malen wordt aangehaald. Onmiddellijk daarop
volgen, wat de frequentie in het citeren betreft, de klassieke auteurs van
Hellas en vooral die van Rome. Van de Griekse auteurs leveren
Homerus,
Hesiodus,
Euripides,
Herodotus,
Aristoteles,
Menander,
Polybius,
Plutarchus,
Stobaeus,
Philostratus en vooral
Plato hem herhaaldelijk citaten, die
doorgaans echter in het Latijn worden aangehaald. Veel ontleent hij ook aan de
schrijvers uit het gouden tijdperk der Romeinse geschiedenis:
Lucretius,
Ovidius,
Virgilius,
Horatius,
Cicero,
Livius,
Catullus,
Propertius,
Sallustius,
Egnatius,
Varro en
Cato; veel ook aan de auteurs uit het
zilveren tijdperk van Rome's letterkunde:
Persius,
Juvenalis,
Martialis,
Petronius,
Lucanus,
Tacitus,
Suetonius,
Valerius Maximus,
Seneca,
Plinius, en aan die van de latere
Latiniteit:
Apuleius,
Lactantius,
Aurelius Victor,
Ausonius, | | | |
Claudianus,
Macrobius,
Innocentius,
Athanasius,
Procopius,
Boetius en
Cassiodorus. Van de Kerkvaders citeert hij
naast
Hilarius en
Bernard van Clairvaux vooral
Augustinus herhaaldelijk. Zijn aanhaling
uit de ‘Imitatio’ werd in ander verband al genoemd.
Andere Middeleeuwers, die hij citeert, zijn de Italiaanse schrijvers
Antonius Panormita (1393 - 1471; ‘Hermaphroditus’),
Johannes Jovianus Pontanus (1426 - 1503;
‘De amore conjugali’) en
Petrarca, maar de meeste aanhalingen zijn
uit zestiende-eeuwse schrijvers of tijdgenoten van
Cats. Onder de letterkundige schrijvers,
die hij aanhaalt, zijn
Heinsius en
Petrus Hondius,
Montaigne,
Ariosto,
Thomas More,
Du Bartas en de Geneefse predikant
Simon Goulart (†1628), aan wiens
‘Thrésor d'histoires admirables et mémorables de
nostre temps’ (1610) hij vooral voor zijn ‘Houwelyck’
en zijn ‘Trou-ringh’ veel ontleend heeft. Van de theologen noemt
hij o.a.
Luther,
Calvijn,
Beza,
Melanchthon,
Peter Viret (1511 - 1571), de reformator
van Lausanne,
Pierre du Molin (Petrus Molinaeus, 1568 -
1658),
Willem Teelinck en vooral ook de
calvinistische Leidse hoogleraar
André Rivet (1572 - 1651).
Eenzijdig gericht is zijn theologische belangstelling echter allerminst, zoals
trouwens al bleek uit zijn aanhalingen uit voorreformatorische theologen. Ook
schrijvers als de hofprediker van Karel V, de Spaanse moralist Antonio de
Guevara († 1544) of de Engelse filosoof Lord Bacon citeert hij met
instemming, zij het dan ook niet in strikt-theologische zaken. Het Engelse
Puritanisme en Piëtisme is vertegenwoordigd door schrijvers als
Henry Smith (1550? - 1591; ‘A preparative to marriage’, 1591), de
‘silvertongued Smith’,
Thomas Gataker (1574 - 1654; ‘Duties of marriage’), de door Cats hoog vereerde
Joseph Hall (1574 - 1656; ‘Quo vadis?’ 1617) en
William Gouge (1578 - 1653; ‘Treatise of domestical duties’2,
1626).
Een grote plaats nemen natuurlijk ook de juristen in. Herhaaldelijk
citeert hij o.a. de Duitsers
Andreas Gail (1525 - 1587),
Philippus Camerarius (1537 - 1624; ‘Opera horarum subcisivarum’, 1591),
Petrus Heigius (Peter Heige, 1558 - 1599; ‘Quaestiones juris tam civilis quam Saxonici’, 1601
- 1609) en
Christophorus Besold (1577 - 1640), de
Fransen
André Tiraqueau (Andreas Tiraquellus, ± 1480 - 1558;
‘De legibus connubialibus et de opere maritali’,
1574),
Jean Bodin (Johannes Bodinus, † 1596), en
Barnabas Brisson (1531 - 1591; ‘De veteri ritu nuptiarum et jure connubiorum’), en
de Nederlanders
Joost de Damhouder (1507 - 1581),
Cornelis van Nieustad (Neostadius, 1549 - 1606; ‘De pactis antenuptialibus rerum judicatarum
observationes’, 1594) en
Grotius.
De historici, die Cats aanhaalt, zijn vooral Fransen, o.a.
Théodore Agrippe d'Aubigné
(1552 - 1630; ‘Histoire universelle’, 1620),
Rudolf Bouthrays (Rodolphus Botherius, ± 1552 -
1630; ‘De rebus in Gallia et tote pene orbe gestis, ab anno 1594 ad
annum 1610’, 1610),
Jacobus Augustus Thuanus (1553 - 1617), de
Jezuïet
Julius Caesar Boulenger (1558 - 1628;
‘Historiarum sui temporis libri XIII, ab anno 1560 ad annum
1610’, 1619) en
Pierre Matthieu (1563 - 1621; ‘Histoire de France: 1598 - 1604’ (1606); ‘Tablettes de la vie et de la mort’). Hij verwijst
naar de geograaf
Abraham Ortelius (1527 - 1598), de wis- en
natuurkundigen
Willebrord Snellius (1580 - 1626) en
Philips Lansbergen. Van de
natuuronderzoekers noemt hij de Zierikseeënaar
Levinus Lemnius, de Fransman
Guillaume Rondelet (1507 - 1556; ‘De piscibus marinis’, 1554),
Conrad Gesner (1516 - 1565), de
‘Duitse Plinius’, en de Napolitaanse mathematicus-astroloog
Johannes Baptista de la Porta (†
1615). Van de nieuwere medici tenslotte citeert hij
Laurent Joubert (1529 - 1583; ‘Erreurs populaires au fait de la médecine et
régime de santé’, 1578), Rodericus | | | | a
Castro, een Joods geneeskundige uit Portugal († 1627; ‘Opus de universa muliebrium morborum medicina’,
1599) en herhaaldelijk de Duitse filosoof-medicus
Henning Arnisaeus († 1636; ‘De jure connubiorum’ ± 1613).
Alhoewel deze opsomming alleen de schrijvers noemt, die Cats het
meest aanhaalt in zijn werken, is ze op geen stukken na volledig, vooral ook
omdat ze zich in hoofdzaak beperkt tot de werken uit Cats' Zeeuwse periode
364. Maar hoe onvolledig,
ze is lang genoeg om aan te tonen dat Cats een belezen man was, die zich bij
voorkeur niet met gestolen veren placht te tooien, maar er prijs op stelde zijn
bronnen te noemen. De zorgvuldigheid, waarmee hij dit doet, kenmerkt de
geleerde Klassicist. Een zekere trek om zijn belezenheid en geleerdheid te
laten uitkomen, valt hierin niet te miskennen, maar ook in dit opzicht handelde
Cats geheel en al in de geest van zijn tijd en volgens de traditie van de
zeventiende-eeuwse geleerden.
| |
De vrouw bij Cats
Geen ander dichter onder zijn tijdgenoten heeft aan de vrouw een zo
ruime en eervolle plaats ingeruimd in zijn werken als Cats, en in hoogachting
en eerbied voor haar doet hij voor niemand onder
365. Maar niet alleen
de abstractie vrouw heeft hij geëerd en bezongen; een
Anna Roemers
366, een Johanna Coomans
367, een
Hortensia del Prado
368, een
Anna Maria van Schurman
369 zijn beurtelings het voorwerp van zijn vriendschap
en zijn verering geweest, om alleen die vrouwen te noemen die hij al in zijn
Zeeuwse tijd heeft gekend. Hoe hartelijk zijn ook de betuigingen van liefde en
genegenheid die hij tot zijn eigen vrouw richt
370, en
hoezeer maakt zijn droefheid over haar vroege dood de indruk van ongeveinsdheid
371.
Met dat al is Cats - het bleek al bij de bespreking van zijn werken
- het tegendeel van een feminist. Hoe hoog hij de vrouw ook stelt, voor de
renaissancistische gelijkstelling van man en vrouw is in zijn calvinistische
wereldbeschouwing volstrekt geen plaats. Een pleidooi als dat van Johanna
Hobius
372 en dat van
Pieter van Gelre
373, twee Zeeuwse gewestgenoten waarvan de eerste nog wel een
achternichtje van hem was, heeft hij stellig verworpen, zoals hij ook het
standpunt van zijn vriend Johan van Beverwijkck
374 niet deelde. Waardering van de vrouw hield voor zijn gevoel
allerminst erkenning in van vermeende rechten, die haar door de Heilige Schrift
ontzegd worden. Terwille van de man was de vrouw geschapen, hem tot een hulpe,
en daaraan konden ook de grootste zieleadel en de hoogste kundigheden niets
verhelpen.
Maeckt tusschen man en wijf, ick bidde, maeckt verschil.
Dat al de vrouwen zijn, is om der mannen wil
375.
In deze taal kan men zich niet vergissen, en evenmin in regels als
de volgende, uit het ‘Houwelyck’:
Ick wil in alle ding de menschen doen beseffen,
Dat mannen over al de wijven overtreffen;
Dat meest in alle ding, ook schoon het niet en leeft,
Al wat een man gelijckt, een hooger wesen heeft
376.
Men doet
Cats onrecht als men hem in deze dingen
misverstaat. Wie het in dit opzicht niet met hem eens is, moet in de eerste
plaats bedenken dat hij hier slechts uitspreekt wat het overgrote deel van zijn
generatie en nog tal van generaties na hem als een dogma hebben aangenomen.
Maar bovendien zijn we intussen al weer over het standpunt heen, dat volstrekte
gelijkheid opeiste voor man en vrouw. De wetenschap heeft | | | | ons
geleerd, dat deze gelijkheid een fictie is, waandenkbeeld van een tijdperk dat
de democratische gedachte ad absurdum wilde doorvoeren op alle terreinen van
het leven. In onze ogen heeft Cats meer gelijk dan hij het enkele tientallen
jaren tevoren had, al zullen we hem zeker niet nazeggen, dat de vrouw slechts
terwille van de man geschapen is. Hem treft dan ook meer het verwijt van een te
grote openhartigheid dan van onwaarheid.
| |
Zijn geloofsleven
Het is moeilijk, zich een oordeel te vormen over Cats' persoonlijk
geloofsleven, vooral ook omdat we daarvoor nagenoeg alleen op zijn verzen zijn
aangewezen. Voor zover we kunnen nagaan heeft in zijn leven nooit die bekering,
die ommekeer plaatsgevonden, die voor het leven van alle groten onder de
Christenen kenmerkend is. Het schijnt dat zijn vrouw hem tot de kerk heeft
gebracht, maar nergens blijkt dat zijn standpunt ten opzichte van het geloof
vóór zijn huwelijk anders geweest is dan het daarna was. Voor
zover we zijn leven kunnen overzien, heeft hij als een Christen geleefd en is
hij als een Christen gestorven, en was zijn geloofsbeschouwing die van de
Hollandse Calvinist van zijn dagen. Dat de calvinistische theoloog
André Rivet zijn autoriteit in
geloofszaken en theologische kwesties was
377, is slechts een der aanwijzingen voor de gegrondheid van deze
opvatting.
Zelfs Busken Huet heeft van Cats moeten getuigen, dat hij overal in
zijn werken zichzelf is, zich geeft gelijk hij is en voor niet meer dan hij is
378. Met een
grote openhartigheid heeft hij steeds gesproken over zijn zinnelijke
aanvechtingen, zijn strijd tegen het vlees, zijn toegeven aan de zonde in daden
en gedachten. Een heilige was hij ongetwijfeld niet, maar hij heeft er zich ook
nooit voor uitgegeven. Daarentegen heeft hij nooit een compromis met de zonde
gesloten; eerlijk heeft hij de strijd aanvaard, en hij weet het niet aan eigen
verdienste te danken, wanneer hij in deze moeilijke strijd niet bezweken is.
Bitter heeft hij de ‘selfstrijt aan het eigen vlees ervaren’. Is
het billijk, hem zijn eerlijkheid en openhartigheid te verwijten, waar zoveel
anderen zwijgen of huichelen?
| |
Strijd tussen geest en zinnen
Wie het gehele omvangrijke werk van Cats overziet, van zijn ‘Sinn' - en minnebeelden’ tot het gebed dat hij
zich, veertig jaar later, op zijn sterfbed heeft doen voorlezen, vindt als de
meest wezenlijke trek van al die duizenden en nog eens duizenden alexandrijnen
de strijd tussen de zinnen en de geest. In de ‘Self-stryt’ heeft dit onderwerp, dat men het
probleem der mensheid zou kunnen noemen, zijn meest onmiddellijke uitdrukking
gekregen, maar men vindt het evengoed in het ‘Houwelyck’, in de ‘Trou-ringh’, in de gedichten van zijn ouderdom.
Cats' Piëtisme is niet zo nadrukkelijk in zijn werk tot uiting gekomen als
dat bij andere auteurs het geval is geweest, maar hierin is hij zeker
Piëtist, dat zijn woorden één aanhoudende opwekking zijn tot
loutering van de zinnenlust. Om de gevaren der zinnelijkheid in al hun
naaktheid te tonen, meet hij ze zo breed uit, dat men in de verleiding komt,
hem van een zekere voorkeur voor sexualia te verdenken. Koopmans, die Cats
kende als weinigen, heeft bij dat uitpluizen van zonde en wellust gedacht aan
‘de wilskracht der zelf-analyse’
379, en deze gedachte is wel erg verleidelijk.
Zoals Cats zichzelf beproefde, beproefde hij anderen, ja, eigenlijk het hele
Nederlandse volk dat zijn boeken las zoals het nooit die van een ander
schrijver vóór of na hem gedaan heeft. Dat lezen is zeker niet
altijd met reine be- | | | | doelingen gebeurd, maar mag men dat Cats
verwijten? Zijn sterke neiging tot zinnelijkheid is niet zo uitzonderlijk als
zedemeesters dat wel doen voorkomen, en na wat Kalff daarover aan de hand van
de stukken heeft opgemerkt, kan men Cats bezwaarlijk nog langer voor de voeten
werpen, dat hij ooit en ergens de bedoeling heeft gehad, zinnenprikkelende
lectuur te schrijven
380.
Hervorming van de maatschappij door heiliging van het
huwelijksleven, en als voorwaarde daartoe de strijd van elk mens afzonderlijk
tegen de brand der zinnen, dit en niets anders is het doel geweest, dat Cats
zich in zijn schrijven voor ogen heeft gehouden. Zelfs zijn arcadische
poëzie heeft geen andere bedoeling; ze is niet, als bij zovele dichters in
dit genre, een verheerlijking van het landleven ten koste van de stad, een
heimwee naar verloren, maar heftig begeerde schoonheid en geluk, maar bij Cats
verscherpt de tegenstelling stad en land zich tot het dilemma zonde en
loutering. Zowel in het ‘Harders-liet’ als in de ‘Harders-clachte’ klaagt de ene geliefde over de
andere, omdat deze in de strikken der zonde is geraakt. Heel het werk van Cats
is één lang aangehouden en helaas weinig gevarieerde wekroep tot
loutering. Zijn speeltuig, de boerse vedel, heeft maar één snaar,
maar die éne snaar heeft hij niet zonder een zekere virtuositeit
bespeeld. Geen ander dichter vóór en na hem uit onze letterkunde
heeft een zo hoog staatsambt bekleed als hij, maar wie de weerslag van het
staatkundige leven uit onze Gouden Eeuw in de poëzie wil beluisteren, moet
elke andere dichter opslaan dan Cats.
Cats is dan ook in de eerste plaats Christen, en dan pas dichter
381. Nog juister gezegd: hij is eigenlijk
alleen Christen-moralist en Christen-prediker, en dichter omdat hij als zodanig
met het meeste succes de massa kon bereiken. Er is over dit punt al genoeg
gezegd, ook in de voorafgaande bladzijden, zodat we er niet nogmaals bij
behoeven stil te staan. Alleen kan in dit verband nog gewezen worden op de
nadruk, die hij telkens weer op het gebedsleven legt. Het gebed is voor hem het
begin en het einde van alle belangrijke handelingen in het leven. Wanneer de
jonggetrouwde vrouw zich tot de liefde gaat stellen, vermaant hij haar,
vóór alles tot God te gaan in het gebed:
God is de rechte born, de gront van echte min,
In hem alleen zy hier en elders u begin
382,
en wanneer tenslotte het huwelijk voltrokken is, en bruid en
bruidegom zich uit het rumoer van de bruiloft in hun slaapvertrek
teruggetrokken hebben, richten ze weer eerst een gebed tot God, die ook van hun
samenleven het begin moet zijn
383.
Zo wijst Cats herhaaldelijk op de betekenis van het gebed
384, en wie zonder
vooroordeel zijn werken leest, moet de overtuiging krijgen dat hij uit ervaring
sprak, toen hij tegen het einde van zijn lange leven getuigde, ‘dat het
goet is geduurende het beste deel onses levens, niet anders te lieven dan Godt,
en alle dingen in, of om Godt’
385.
Met het klimmen van zijn jaren gaat de gedachte aan dood en sterven
en aan het hiernamaals hem meer en meer bezighouden. Zoals in de opgang van
zijn leven de liefde de centrale figuur is geweest in zijn werk, is het nu de
bleke gestalte van de dood
386. In zijn ‘Doot-kiste voor de levendige’, in zijn ‘Tachtigh-jarige bedenckingen’, ook in de kortere
gedichten die hij in zijn laatste levensjaren heeft geschreven, duikt het beeld
van de man met de zeis telkens weer op, groot en dreigend. Cats is nooit een
hartstochtelijk dichter geweest, maar in de gebeden die zijn autobiografie
besluiten, is het alsof hij met God wil strijden om het behoud | | | |
van zijn ziel. Kalff spreekt van Cats' vrees voor de dood, wat wel enigszins
kras is uitgedrukt. Cats hing ongetwijfeld sterk aan het leven; het had hem
veel goeds gebracht, en levenslang had hij, zonder zich er aan te buiten te
gaan, dat goede weten te waarderen. Maar in de aanhef van het gebed, dat op
zijn sterfbed zou worden voorgelezen, spreekt hij zijn bereidheid duidelijk
uit:
Nu, Godt! ick ben geneyght te gaen op uwe wegen...
387
En wij, die deze regels lezen, hebben geen reden om het tegendeel te
onderstellen.
| |
Piëtistische trek in zijn werk
Bezat
Cats als Zeeuw al een zekere
praedispositie voor het piëtistische, zijn verblijf te Cambridge, het
middelpunt van het Engelse Piëtisme, waar hij Hall en
Perkins aantrof, en in later jaren zijn
omgang met Willem Teelinck zullen wat in hem in aanleg aanwezig was
ongetwijfeld versterkt hebben
388. Teelinck vooral heeft een diepe indruk bij hem
achtergelaten; nog als grijsaard draagt Cats zijn beeld ‘als in (z)ijn
hert geprent’
389. Op Teelincks ‘Balsem Gileads’ (1622) schreef Cats een lofdicht
390, zijn
‘Christelycken leytsman’ (1618) haalt hij in zijn
‘Houwelyck’ met instemming aan
391, zoals
hij het zijn ‘Tydt-winninghe’ (1629) in de
‘Hof-gedachten’ doet
392.
Udemans, die hij ‘van joncx op’
had gekend - van hun Leidse studentenjaren? of leerde Cats hem als jong
predikant in Haamstede kennen bij een van zijn bezoeken aan zijn geboorteland?
- Udemans droeg aan hem zijn ‘Salich nieuwe-iaer’ (1640) op, waarvoor Cats een
lofdicht schreef
393, zoals hij al eerder
voor het ‘Geestelyck roer’ (1638) had gedaan
394. De toon en de inhoud
van deze lofdichten verraden zijn grote sympathie voor deze voorvechters van
het Piëtisme, en evenals zij heeft ook hij de praxis pietatis in zijn
leven en zijn werken tot uiting gebracht. Leer en leven waren ook voor Cats
één; zijn brieven zijn het bewijs hoezeer hij steeds getracht
heeft om beide met elkaar in overeenstemming te brengen
395.
Busken Huet en anderen hebben hem zijn
rijkdom verweten, maar we vragen: heeft de zeventiende eeuw rijkdom ooit
laakbaar geacht? Zij heeft, en ook in dit opzicht was Cats haar spreektrompet,
rijkdommen als een leengoed Gods beschouwd en de rijke als de rentmeester, aan
wie God dit pand heeft toevertrouwd om er in overeenstemming met zijn wil naar
te handelen. Het ‘wee u, gij rijken!’ was in de zeventiende eeuw en
nog lang daarna een volkomen onbekende leuze.
De theologische Piëtisten hebben in Cats een overtuigd
medestander gevonden, en wanneer hun overtuiging op het terrein der moraliteit
hier te lande gemeengoed is geworden van een groot deel van het Nederlandse
volk, is dit niet in de laatste plaats te danken aan het werk van deze Zeeuwse
volksdichter, die de vaak dorre leerstellingen van een Teelinck en een Udemans
met het vlotter en luchtiger gewaad van zijn poëzie bekleedde, en wiens
verzamelde werken men de Boerenbijbel placht te noemen. Zijn
‘Self-stryt’ is de triomf van het geestelijke leven op de
zinnelijkheid, zijn ‘Houwelyck’ het hooglied van de eerbaarheid.
‘Pracht van kleedinghe’
396, zedeloze ontblotingen zoals ‘de groote van het
lant’ die plegen te vertonen
397, vinden
in hem niet minder dan in de Engelse Puriteinen en de Nederlandse
Piëtisten een felle bestrijder. In tegenstelling tot hen heeft Cats echter
nergens zijn calvinistische levensbeschouwing tegenover de Rooms-Katholieke
gesteld, en nergens vindt men in zijn werk die heftige aanvallen op het
Rooms-Katholicisme, en in 't bijzonder | | | | op de Jezuïeten, die
bij zijn tijdgenoten en geestverwanten schering en inslag zijn. Hij haalt niet
alleen de Kerkvaders met een gerust geweten aan, maar ook een laat-middeleeuwse
schrijver als
Thomas a Kempis
398. Men kan hier denken aan de pacifieke gezindheid van Cats, die
het tegendeel was van een heftig man en die alle strijd en twist schuwde, maar
men moet ook niet uit het oog verliezen dat Cats, neef van een provinciaal der
Franciscanerorde, opgegroeid was in een omgeving, die de invloed van de
Hervorming niet of nauwelijks ondergaan had, en dat hij zelf pas tegen zijn
dertigste jaar, toen de aanstaande geboorte van zijn eerste kind dat wenselijk
maakte, belijdenis des geloofs in de Hervormde kerk had afgelegd. Dit alles
behoeft ons weliswaar niet te doen twijfelen aan zijn rechtzinnigheid, maar ten
opzichte van zijn strijdvaardigheid in geloofszaken stemt het ons toch
enigszins sceptisch.
De mystieke trek, die het Piëtisme eigen is, ontbreekt ook bij
Cats niet geheel. De dichter van het aardse leven in al zijn volheid en zijn
veelzijdige rijkdom is tegelijk de dichter van de ‘Lof-sangh op het geestelick houwelick van Godes
sone’, die het laatste hoofdstuk van de ‘Trou-ringh’
vormt: het huwelijk van Christus met zijn kerk. Wanneer de dichter heel de gang
van Christus' Bruidskerk in de loop der eeuwen heeft gevolgd, staat hij aan het
eind persoonlijk voor God op de bergtoppen van Gods heiligheid. Hijzelf is de
bruid geworden, biddende tot Christus:
Koomt ghy als Bruydegom, met onse ziele paren,
En wilt daer uwe kracht en segen openbaren.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Wort een met onse ziel, omhelst u lieve kerck,
En opent uwe bruyt dat hooghste wonder - werck,
Den boesem uwer gunst, den keest van alle saken,
Die ons ellendigh volck alleen kan saligh maken,
Die ons den geest verquickt, ons drenckt met reynen wijn,
En schenckt ons s'hemels vreught daer wy op aerden zijn
399.
| |
Verstechniek
De techniek van het vers van Cats is uiterst eenvoudig. In het
algemeen gebruikt hij het vijfvoetige vers en de alexandrijn, in zijn grote
werken vrijwel uitsluitend de laatste versmaat. Rhythmische vrijheden
veroorlooft hij zich nooit, de caesuur valt altijd in het midden. De versmaat
is bij hem tot een ijzeren harnas geworden. In zijn kortere verzen gebruikt hij
ook wel andere versmaten en rijmschema's dan de alexandrijn, nl. viervoetige
jamben en trochaeën, een enkele keer ook vijf - en zesvoetige jamben. Het
rijm van de alexandrijn is doorgaans parend, een enkele keer gekruist. De
alexandrijn heeft Cats, misschien via Heinsius, van de dichters der vroege
Renaissance overgenomen, die hem op hun beurt aan de Pléiade hadden
ontleend. Men weet dat de ‘Twe-spraack’ (1584) deze versmaat met nadruk had
aanbevolen.
Cats heeft de Nederlandse taal welbewust hooggehouden. Men kan hem
veel verwijten, maar niet dat hij een onverzorgde stijl schrijft. In de
voorrede van het ‘Houwelyck’ zegt hij met zoveel woorden, dat hij
getracht heeft ‘te gebruycken een effenbare, eenvoudige, ronde en gans
gemeene maniere van seggen, de selve meest overal ghelijck makende met onse
dagelicksche maniere van spreken, daerin alle duysterheyt (so veel ons doenlick
is geweest) schouwende’
400. Hij heeft zich bovendien moeite gegeven, zoveel dat
mogelijk was voor de destijds heersende begrippen, zijn poëzie naar vorm
en woordkeus aan te sluiten bij de zeventiende-eeuwse omgangstaal, en daarom
vreemde woorden en ongebruikelijke | | | | zinswendingen vermeden. Zijn
verzen zijn spreekverzen, en hebben hoegenaamd niets van de woordenpracht van
het Renaissance-vers, van de zangerigheid van een Hooft. Cats' stijl is
eenvoudig en natuurlijk, dikwijls, het kan moeilijk ontkend worden, zeurderig
en zonder enig spoor van de pittigheid, die voor het werk van zijn geestverwant
Huygens zo karakteristiek is, maar in zijn
beste momenten niettemin van een stoerheid, die herinnert aan de taal van onze
oud - hollandse scheepsjournalen. Zijn voorkeur voor het Nederlands is in zijn
oudste werk nog niet te bespeuren; de ‘Sinn'- en minne-beelden’ zijn behalve in onze
taal ook in het Latijn en het Frans geschreven, en aan de Nederlandse voorrede
gaat een gelijkluidende Latijnse vooraf. Ook in de ‘Maechden-plicht’ is naast de Nederlandse tekst
de Latijnse vertaling gesteld. Later heeft hij uitsluitend zijn moedertaal
gebruikt, ‘als schrijvende insonderheyt ten dienste onser lantslieden,
gelijck wy bemercken dat by vele van onse nabueren mede hedensdaechs niet
buyten reden wert gepleecht, op dat wy niet en werden beschuldicht, terwijlen
wy alle de werelt soucken wel te doen, ondanckbaer te sijn tegens ons eygen
vaderlant’
401.
| |
Invloeden
Het gebruik van het Nederlands als literaire voertaal was in de
tijd, waarin Cats begon te publiceren, nog vrij ongewoon voor iemand die tot de
geleerdenstand behoorde en zich voor zijn briefwisseling met andere
intellectuelen bij voorkeur van het Latijn placht te bedienen. Een baanbreker
op dit terrein was Cats intussen niet; niemand minder immers dan
Heinsius, die onder zijn tijdgenoten voor
de grootste Nederlandse filoloog gold, was hem hierin voorgegaan. Dit illustere
voorbeeld zal
Cats zeker over zijn schroom hebben
heengeholpen, want zo iemand, dan was deze Leidse geleerde voor hem een
lichtend en leidend voorbeeld. Toen Cats zijn eerste werk uitgaf, had ‘de
Gentsche nachtegael’ reeds, op enkele lofdichten na, al zijn poëzie
in het licht gegeven, en daaronder ook die waardoor hij als Nederlands dichter
naam zou maken. Toen in 1616 zijn ‘Nederduytsche poemata’ verschenen, was Heinsius
een gevierd dichter, en tegelijk de auteur van onze eerste nationale epiek en
onze eerste nationale calvinistische poëzie
402.
Dat ook Cats hem hoogschatte als dichter, blijkt op menige plaats
uit zijn werk. In zijn opdracht voorin de ‘Sinn'- en
minne-beelden’: ‘Aen de Zeeusche ionck-vrouwen’ laat hij
Cupido onder de Hollandse dichters allereerst ‘dien grooten Heyns’
noemen, en onder de lofdichten voor deze bundel staat dat van Heinsius voorop.
Herhaaldelijk noemt hij hem onder zijn bronnen.
Tussen het werk van deze beide dichters, die in theologisch opzicht
geestverwanten waren, bestaat een sterke overeenkomst, die zowel in de vorm als
de inhoud tot uiting komt. Het versrhythme van beiden is gelijk; beiden waren
zuivere Klassicisten en strenge alternisten. De spreekverzen, die voor Cats zo
kenmerkend zijn, vindt men bij Heinsius evenzeer; ook in het lied van ‘de
Gentsche nachtegael’ klinkt weinig van het zangerige, dat de nachtegaal
der wouden horen laat. Heinsius' ‘Pastorael’ (‘Corydon die weyde
schaepen’)
403heeft hetzelfde rijmschema als het
‘Harders-liet’ (‘Phyllis, met haer
met-ghesellen’), de ‘Galathea’ (beide uit de ‘Sinn'- en
minne-beelden’) en het ‘Liet’ (‘Ons gespeel wil enckel
trouwen’) en ‘Teghen-liet’ (uit de
‘Maechden-plicht’). Het zoëven genoemde opdrachtlied ‘Aen de Zeeusche ionck-vrouwen’ (‘Ghy Zeeus,
en soet gheslacht; ghy Venus lants-genooten’) herinnert niet alleen in
zijn aanhef, maar op tal van plaatsen aan het lied dat Heinsius ‘Aen de
| | | | ionckvrouwen van Hollandt’ (‘Ghy liefelick geslacht,
dat Venus heeft gegeven’)
404toezong. Cats'
‘Harders-clachte’ (‘Op een soete meye-nacht’) uit de
‘Maechden-plicht’ heeft hetzelfde rijmschema en rhythme als ‘Het sterf-huys van Cupido’ (‘Gisteren des
avonts laet’)
405; de verzen uit de samenspraak tussen Phyllis en Anna,
uit de ‘Maechden-plicht’, en het ‘Kinder-spel’ uit de
‘Sinn'- en minne-beelden’ zijn geheel en al gelijk van rhythme aan
Heinsius' vertaling van
Theocritus' ‘Adonis' doot’
406 en ‘Cupido honich-dief’
407. De ‘Sinn'- en
minne-beelden’ met hun achtregelige bijschriften komen wat de vorm
betreft geheel overeen met de ‘Emblemata amatoria’ (± 1605) en ‘Het ambacht van Cupido’ (1615). Kortom, er is geen
rijmschema, geen vorm van rhythmiek bij Cats, of men kan ze terugvinden bij
Heinsius. Bij beide dichters treft men ook het vooral voor Cats zo kenmerkende
parallelisme en de neiging om zoveel mogelijk versregels met dezelfde aanhef te
beginnen. Beiden beschouwen het als een dwingende eis, hun uitspraken te staven
met een heirleger van bewijsplaatsen, in hoofdzaak ontleend aan de Heilige
Schrift en de werken der heidense Oudheid en de Christelijke Klassieken, en er
aldus hun lezers steeds weer op te wijzen dat hetgeen zij beweren overeenstemt
met de leringen der hoogste en eeuwig onveranderlijke Wijsheid.
Het Calvinisme, dat het hele werk van Cats doordrenkt en bezield
heeft, drong de geest der Renaissance wel naar de achtergrond, maar bande die
niet zonder meer uit. Niemand ontkomt ooit geheel en al aan de sfeer van de
tijd, waarin hij leeft, en in Cats' mannelijke jaren verkeerde West-europa nog
altijd in de ban van de herleefde invloed der Klassieken. Het verschil tussen
calvinistische dichters als Heinsius, Cats, Huygens,
Revius,
Lodensteyn en
De Decker en Renaissance-dichters als
Hooft en
Bredero is niet daarin gelegen, dat de
eerste groep afzijdig van de Renaissance is blijven staan, terwijl de tweede de
invloeden van deze kultuurstroming op zich heeft laten inwerken, maar hierin,
dat Cats en zijn geestverwanten, hoezeer ook zij onder Renaissance-invloeden
zijn gekomen, de heidense geest van deze geestesrichting bewust hebben
verworpen, om er het Calvinisme tegenover te stellen. Zoals de rederijker
voortdurend Christelijke en heidense elementen op de wonderlijkste wijze door
elkaar mengt, haalt Cats voortdurend Grieken en Romeinen aan als bron van zijn
kennis, tot steun of tot bevestiging van zijn beweringen. Niet omdat hij juist
bij hen alleen deze bewijs- of steunplaatsen vond - hij had ze evengoed uit de
Bijbel en de Christelijke Klassieken kunnen halen, wat hij trouwens
herhaaldelijk doet - maar omdat ook deze klassieke auteurs voor hem gezag
hebben, niet alleen in wetenschappelijk, maar tegelijk in theologisch opzicht,
vooral wanneer het om ethische of moralistische vraagstukken gaat. Wanneer hij
wil aantonen dat zelfs de nacht aan God toegewijd moet zijn, beroept hij zich
niet alleen op een woord uit de Psalmen, maar ook op Hesiodus
408.
De invloed van de klassieke Oudheid op Cats is dan ook niet gering.
Zijn klassieke opvoeding heeft hem vertrouwd gemaakt met de schrijvers van
Hellas, maar vooral van Latium. Griekse citaten zijn zeldzaam in zijn werk,
maar aan de bucolische dichter
Moschus heeft hij - misschien via het
Italiaans van
Tasso? - zijn ‘Cupido wech-gheloopen, ende verloren’
409
ontleend. Latijnse aanhalingen treft men er des te meer aan. De Latijnse
gedichten in zijn eerste werken werden al eerder genoemd; een bevoegd
beoordelaar als Hofman Peerlkamp
410 roemt zijn
stijl. In de lange rij van vertalers en navolgers van Horatius' onsterfelijke
epode ‘Beatus ille’ staat ook de naam van Cats genoemd
411. Het erotische | | | | werk van
Ovidius heeft hij natuurlijk als voorstudie
voor zijn beide huwelijksboeken doorgelezen; in de ‘Trou-ringh’
heeft hij naar alle waarschijnlijkheid twee verhalen aan Ovidius ontleend
412, en
Hofman Peerlkamp noemt de methode en de vorm van Cats geheel en al Ovidiaans
413.
Als zovelen onder zijn tijdgenoten heeft Cats eveneens van zijn
Franse geestverwant
Du Bartas invloed ondergaan
414, hoewel in veel geringer mate dan bv.
Philibert van Borsselen, en door Du Bartas
van de Pléiade. Zo vindt men ook bij hem tal van woordspelingen
415 en samenstellingen
416, die kenmerkend zijn voor
de Franse dichter; een enkele keer een omschrijving als ‘een holle
planck’ voor een schip
417of Phlegeton voor de dood
418. Overigens blijven dat
uitzonderingen bij de volksdichter, die alles wat naar gemaniereerdheid zweemde
uit zijn werk bande.
Geen dichter werkt ooit geheel zelfstandig, maar Cats heeft, voor
zover we dat kunnen nagaan, toch wel heel weinig invloeden ondergaan, met
uitzondering dan van die van Heinsius. Hij heeft zijn eigen wegen bewandeld, al
waren die dan vlak en effen en gemakkelijk te begaan.
| |
De strekking van Cats' dichterschap
Over de betekenis van Cats' dichterschap kan verschil van mening
bestaan, en dat is dan ook in hoge mate het geval, maar omtrent de
psychologische eigenschappen van zijn werk heerst vrijwel een communis opinio.
Hij mag dan onmachtig zijn geweest om, als
Vondel, het menselijk leven en bedrijf in
zijn hoogste hoogte en zijn diepste diepte te vertolken, hij heeft het tot in
zijn schuilhoeken gekend en het in zijn volle breedte beschreven. Toen hij met
publiceren begon was hij al een gerijpt man, die de leerschool van het leven
lang genoeg had doorlopen om er grondig profijt van te trekken. In zijn
maatschappelijk werk en later ook als bedijker had hij gelegenheid gehad om de
mensen in hun bont bedrijf te observeren; hij wist kortom wat er in de wereld
te koop was. Deze mensenkennis wordt getemperd door een hier en daar opduikende
naïveteit, die hem evenwel waarschijnlijk meer in het leven dan in zijn
werk heeft gehinderd en geschaad.
Cats was ook in zoverre de tegenstelling van een dichter, dat hij
een normaal mens was. Alle genialiteit was hem vreemd. Zijn kracht ligt in de
breedte, en daaraan dankt hij dan ook zijn ongeëvenaarde populariteit
onder ons volk. Deze geleerde magistraat was in wezen een volksman, en hij wist
als geen ander wat er in de ziel van de massa leefde. Busken Huet merkt op, en
terecht, dat het voor zijn ‘Spiegel van den ouden ende nieuwen tijdt’
geplaatste motto ‘Hominem pagina nostra sapit’ zou verdienen op de
eerste bladzijde van zijn verzamelde werken gedrukt te staan
419.
Cats' werken zijn, het is al eerder opgemerkt, didactisch en
moraliserend. Didactiek is een der kenmerken van de Nederlandse volksaard, die
Cats ook in dit opzicht niet verloochend heeft. Had hij wat later geleefd,
zeker zou hij meer belangstelling hebben gehad voor het literaire genre, dat
zich zo bij uitstek leent tot didactische experimenten: de fabel, maar in de
eerste helft van de zeventiende eeuw was deze nog weinig in trek
420. Zijn voorkeur voor de allegorie uitte hij dus in zijn
emblematabundels, die in het begin der eeuw als in geen ander land populair
waren
421. Daarbij heeft hij het geluk gehad in de verluchters van
zijn boeken, in de eerste plaats in
Adriaen van de Venne, kunstenaars te
vinden in wie deze zelfde moralistische karaktertrek op de voorgrond
| | | | trad, zodat er een harmonische eenheid is tussen tekst en
illustratie. Een ongeïllustreerde Cats is een onding; de prenten geven er
pas relief aan
422. De ‘Sinn'-
en minne-beelden’, de ‘Maechden-plicht’, de ‘Spiegel
van den ouden ende nieuwen tijdt’, de ‘Hof-gedachten’, de ‘Invallende gedachten op voorvallende
gelegentheden’, de ‘Doot-kiste voor de levendige’ komen pas door de
illustraties tot hun recht.
Cats stond nog geheel op het middeleeuwse standpunt, dat alle kunst
strekkingskunst moest zijn, een standpunt dat trouwens typisch is voor onze
hele letterkunde. Bij het schrijven van zijn werken stond hem tweeërlei
doel voor ogen: opvoeding van de mens en hervorming van de maatschappij. Het
eerste komt zonder uitzondering in al zijn werken tot uiting, het tweede vooral
in zijin grotere gedichten: ‘Houwelyck’ en
‘Trou-ringh’. Onder opvoeding van het individu moet niet in de
eerste plaats een opwekking tot persoonlijke bekering worden verstaan, want al
ontbreekt deze bij
Catsallerminst, ze staat niet op de
voorgrond. Als men nog een motto voor de verzamelde werken van deze dichter zou
mogen plaatsen, zou het niet zijn het Johannitische ‘Bekeert u, want het
koninkrijk der hemelen is nabij’, maar het Ovidiaanse ‘medio tutissimus ibis’. Voorzichtigheid is het
parool van Cats' levenswijsheid. Voorzichtigheid leren de ‘Sinn'- en
minne-beelden’, tot voorzichtigheid vermaant Anna de onbedachtzame
Phyllis, en voorzichtigheid is, als bij
La Fontaine, de moraal van alles waarvan
Cats vertelt. Het ‘gevaarlijk leven’ is voor hem een onbekend
begrip; de vraag is trouwens gerechtigd, of dit woord de stelregel mag zijn van
een dichter, die zich geroepen voelt om een burgerlijke, vroegkapitalistische
maatschappij leiding te geven. Het zou van verregaande onredelijkheid getuigen,
hem te verwijten dat hij aan deze andere mogelijkheid zelfs niet gedacht
heeft.
Het andere doel, dat Cats bij zijn schrijven voor ogen stond, was de
hervorming van de maatschappij. Men zou deze neiging op rekening van
Renaissance-invloeden willen stellen, als de weg, waarlangs Cats dit doel wilde
bereiken, niet een geheel andere was dan die de Renaissance had ingeslagen.
Begon deze de omwenteling van het maatschappelijk leven van boven af, door aan
de schoonheid nieuwe normen te stellen, Cats ving, als practicus, van onder af
aan te bouwen. Voor hem was het huwelijk de grondslag der samenleving, het
fundament waarop staat en maatschappij beide berustten, en dus moest de nieuwe
samenleving op het huwelijk en het gezin gebaseerd zijn. Verrassend was deze
opvatting in het begin der zeventiende eeuw allerminst; ze lag integendeel
geheel en al in de lijn van de tijd, en Cats behoefde zich alleen maar aan te
passen bij wat in de praktijk al bestond of althans bezig was te ontstaan; hij
behoefde maar uit te spreken wat tallozen onder zijn tijdgenoten al onbewust in
praktijk hadden gebracht. De woning als zetel van het gezinsleven, zoals we die
in onze samenleving nog altijd kennen, is een Renaissance-verschijnsel. In de
Middeleeuwen had het liefdeleven zich in het vrije veld afgespeeld; de
Renaissance bracht het binnen de vier muren van het beschuttende huis, en
schiep daarmede het gezinsleven. Sinds de zestiende eeuw behoorde het tot de
taak der vrouw, haar woning zo behaaglijk mogelijk in te richten om de man
binnenshuis te houden. Wat eertijds het privilege van de adel was geweest,
luxe, mooie meubelstukken en ander kostbaar huisraad, werd nu ook het bezit van
de burgerij
423.
Aldus kwam in het vroegkapitalistische Westeuropa het huwelijksleven
meer op de voorgrond dan daarvóór het geval was geweest. Geen
ander volk kende in de zestiende en de zeventiende eeuw echter een zo
ontwikkeld gezinsleven als het onze. Het klimaat van onze landen dwingt
| | | | ons binnenshuis te zoeken wat de natuur ons daarbuiten ontzegt;
het is niet toevallig dat het woord ‘gezellig’ dermate typisch
Hollands is, dat geen andere taal, misschien het Duits met zijn
‘gemütlich’ uitgezonderd, er een equivalent voor heeft. Het
ligt bovendien in de aard van het Nederlandse volk, een kalm en gelijkmatig
geluk te zoeken in de wereld van het alledaagse, het gewone, het huiselijke.
Een volk dat slechts vlakke weilanden kent, van ondiepe sloten doorsneden,
heeft een instinctieve afkeer van al wat boven de middelmaat uitrijst
424, en dat was drie eeuwen
geleden al niet anders dan het nu is. Als de kunst, de poëzie evenzeer als
de schilderkunst, wieken aanschoot om naar verre en steile hoogten haar vlucht
te nemen -
Hadewych,
Vondel,
Rembrandt - ontging ze aan de blikken van
wie haar alleen hadden kunnen volgen, zolang ze op hun eigen terrein, de begane
grond, was gebleven. Wie, innerlijke roeping of onweerstaanbare neiging
volgend, het gelijkvloerse verliet, werd een eenzame figuur temidden van een
geslacht, dat hem niet verstond. Daarvoor is Cats bewaard gebleven. Getuigt dit
van een tekort als kunstenaar, sociaal gezien is het een verdienste, dat hij
nooit heeft willen uitreiken boven het bevattingsvermogen van de brede massa
van zijn land - en tijdgenoten. Ook niet wat zijn onderwerpen betreft. Het
huiselijke was zijn element, daarin was hij meester als geen ander. In het
middelpunt van zijn omvangrijk werk staat dan ook het tweetal boeken, dat hij
aan het huwelijk wijdde en dat deze maatschappelijke instelling, de hoeksteen
van het sociale leven, van alle zijden belicht en verklaart.
In zijn magistrale rede over het Calvinisme en de kunst
425 heeft Kuyper Cats als de dichter van het alledaagse,
huiselijke leven getekend, en er daarbij op gewezen dat hij juist als Calvinist
voor heel het leven in zijn volle omvang en in alle schakeringen belangstelling
moest hebben. In geen ander van zijn grote gedichten heeft hij zozeer de
gelegenheid gekregen om van zijn liefde voor het huiselijke, het alledaagse,
het kleine, blijk te geven als in het ‘Houwelyck’. Kalff roept in
dit verband herinneringen op aan de bezemsteel van
Gerard Dou
426, en inderdaad is er op het eerste
gezicht aanleiding om de liefdevolle aandacht van de schilder voor zijn
alledaagse, om niet te zeggen triviale object op één lijn te
stellen met de toegewijde zorg van de dichter, om geen enkel détail van
hetgeen hij wil beschrijven over te slaan. Maar er bestaat nu eenmaal een
wezensonderscheid tussen schilderkunst en letterkunde, en wat in de
schilderkunst meermalen werken van grote schoonheid deed ontstaan, wekt in de
literatuur alleen maar onze wrevel op. Huizinga heeft in zijn ‘Herfsttij der Middeleeuwen’
427 op dit kenmerkende onderscheid de aandacht gevestigd. De
ongebreidelde uitwerking der détails, die bv. onze vijftiende-eeuwse
schilders eigen is, vindt haar begrenzing in de dwang der dimensiën. Voor
de dichter bestaat echter geen andere begrenzing dan die hij zichzelf oplegt.
En zelftucht is nu eenmaal geen in het oog vallende eigenschap van onze
laat-middeleeuwse letterkundigen, voor wie de atrofiëring der gedachte
karakteristiek is. Het werk van Cats is in dit opzicht nog volkomen middeleeuws
van karakter. Ook hij denkt in gezichtsvoorstellingen, en tracht elke abstracte
gedachte in een concreet beeld vast te leggen. Vandaar zijn eindeloze
opsommingen, zijn uitvoerigheid in het beschrijven van gebeurtenissen en
situaties, zijn uitspinnen van gedachten tot in de minutieuste détails.
Wat in aesthetisch opzicht een ernstig tekort was in zijn werk, heeft er mede
toe bijgedragen om Cats tot de populairste van al onze zeventiende-eeuwse
dichters te maken.
| | | | | |
Cats als dichter
Cats heeft het ons wel moeilijk gemaakt, hem als dichter te
verdedigen, door een exuberantie van verzen, waarmee onder zijn tijdgenoten
alleen Vondel en Huygens zich met hem konden vergelijken. Had hij minder, veel
minder geschreven, waarschijnlijk was zijn naam als dichter groter geweest.
Kenden we hem alleen als de auteur van liederen als het ‘Gedicht op de gelegenheit van staet’ (‘Zeehelden, wacker volck’), het tafereel der
‘Wonderen, door God aan Hollant verleent’, de
pastorales uit zijn oudste werken, enkele verhalen uit het ‘Houwelyck’ en de ‘Trou-ringh’, zeker zou zijn reputatie er bij onze
literair - historici beter zijn afgekomen dan nu het geval is. Toch zou Cats,
gesteld al dat hij had kunnen voorzien hoe hard en bitter het nageslacht over
hem zou oordelen, niet anders gewild hebben dan hij gedaan heeft, omdat hij pas
in de tweede plaats dichter was. Hij was het tegendeel van de door rijm en
rhythme bezetene, van een door de godheid bezielde
428, het tegendeel
van dichters als Hooft, Bredero en Vondel, ja als dichter eigenlijk met geen
ander onder zijn tijdgenoten te vergelijken. In Cats toch is zo niets aanwezig
van het zelfbewustzijn, het besef van het dichterschap, het gevoel van in dit
opzicht uitverkoren te zijn, dat min of meer bewust of onbewust in ieder
dichter aanwezig is. Cats wilde alleen maar moralist zijn, hij wilde zijn volk
opvoeden, stichten en leiden. Rijm en rhythme dienden hem daarbij tot welkom
hulpmiddel om de massa te bereiken; ze vervullen in Cats' werk vrijwel dezelfde
functie als in de middeleeuwse leerdichten.
Als dichter heeft Cats meer slechte dan goede eigenschappen. Ze zijn
zo eindeloos herhaald, dat we er thans niet lang bij stil behoeven te staan.
‘Er is een Hollandsch dichter’, zegt Potgieter
429, ‘wiens verzen hunne eigenaardige beeldtenis vinden in de
spiegelgladde oppervlakte van eene onzer vaarten, effen in bijna alle wind en
wêer, door geenen voorjaarszucht tot darteler golfslag gespoord, door
geenen najaarsstorm in brandend schuim op den oever gejaagd; een water in
één woord, dat schier geene andere beweging kent dan die der
groeve, door de trekschuit bij het heên en weêr varen voor een
oogenblik gegraven; dan de blinkende bellen, die hare roerpen rijzen doet; dan
de kringen, welke de lijn van 't jagertje vormt’. Die dichter is Cats, en
het beeld is onaanvechtbaar, in zoverre het een globale indruk van zijn
poëzie bedoelt te geven. Hij is langdradig, zijn realisme slaat meermalen
over in grofheid en platheid, zijn beelden zijn dikwijls weinig dichterlijk, om
niet te zeggen in strijd met de elementairste begrippen van de poëzie.
Prinsen
430 eerst, daarna Walch
431 hebben het verhaal van zijn tanden aangehaald, om dit nog eens te
accentueren; men kan tegenover hun hoonlach Cats moeilijk in bescherming nemen.
Dat is inderdaad Cats op zijn onbenulligst, en wanneer we zouden wensen dat
deze dichter minder gedicht had, denken we wel het eerst aan de verzen van zijn
ouderdom, waarin ook dit citaat te vinden is. Cats is altijd een praatvaar
geweest, en met het klimmen van zijn jaren is dat er niet beter op geworden.
Derudder heeft gewezen op het onpersoonlijke karakter van zijn poëzie. Als
hij over zichzelf spreekt, is dat alleen om aan zijn morele prediking het gezag
van zijn ondervinding toe te voegen. ‘Il a sacrifié sa
personnalité pour se faire l'homme de sa nation, le Néerlandais
pieux, actif, respectable’
432. Dat is niet
alleen vriendelijk gezegd, maar er zit zelfs een kern van waarheid in. De
‘allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’
behoeven we bij Cats niet te zoeken. Zijn kunst is altijd volkskunst, is altijd
een poging om in de taal van de menigte uit te drukken wat er in het hart der
menigte leeft, met de stem van de man die, door opvoeding en aanleg daartoe
voorbereid, het vermogen heeft om daaraan | | | | vorm en gestalte te
geven, en de menigte, terwijl hij zich tot haar tolk maakt, tegelijk boven
zichzelf uit te heffen. Cats vertegenwoordigde deze menigte niet als de
grootste gemene deler van haar deugden en fouten, maar als haar ideale
gestalte, niet zoals ze in werkelijkheid is, maar zoals hij zou wensen dat ze
werd. Zo stelde hij, al schrijvende in de geest van het volk, zich tegelijk
boven het volk, om het tot een gids te zijn. Het Nederlandse volk heeft hem als
haar gids en leidsman aangenomen; het heeft zijn stem als die van zichzelf
herkend. In hem vond het de man, die zijn taal sprak, die dacht in zijn
gedachtensfeer, die redeneerde in zijn redeneertrant.
Groot noemen we hen, die heenwijzen naar lichtende verschieten, die
baanbrekers zijn van nieuwere tijden, de herauten van de toekomst, de te vroeg
geborenen, zij die hun tijd vooruit zijn. Tot hen heeft
Cats in geen enkel opzicht behoord. Een
groot man is hij dan ook allerminst; allerminst is hij een figuur van het
eerste plan. Maar op het tweede plan, waar in het pantheon van ons volk zijn
plaats is, komt hij volkomen tot zijn recht als vertegenwoordiger van het volk
en de tijd, waarvan hij deel uitmaakte: het calvinistische Holland en Zeeland
uit de bloeitijd van onze Gouden Eeuw. Dat hij nog lang na zijn dood gelezen en
vereerd is, is zijns ondanks; het bewijst niet zijn grootheid, nog veel minder
de profetische gaven van zijn dichterschap, maar alleen dat het tijdvak, dat op
onze Gouden Eeuw volgde, in geestelijk opzicht niet verder is gekomen, althans
wat de brede massa van burgerij en boeren betreft.
Het vonnis, door Busken Huet over Cats geveld
433, is dan ook niet alleen
hard, maar bovendien onrechtvaardig, omdat het oorzaak en gevolg verwisselt.
‘Al hetgeen er onhebbelijks wezen mag in onzen landaard’, zegt onze
grootste criticus vóór '80, ‘is weleer vleesch geworden in
den persoon van Jacob Cats. Deze godvreezende moneymaker is de
inkarnatie geweest van den Nederlandschen daemon. Met zijne door en door
laaghartige moraal, zijne leuterlievende vroomheid en keutelachtige
poëzie, heeft hij onnoemelijk veel kwaad gesticht. Zijne populariteit is
een nationale ramp geweest. De verbeelding onzer jeugd heeft hij bezoedeld met
zijne kwans - wijs zedelijke, doch in den grond der zaak wellustige verhalen,
zijne speelsche lessen... Zijne geschriften zijn alleen daarom hier te lande
een tweede bijbel geworden, omdat hij onder een schijn van vroomheid en in de
taal der godsdienst ons volk gestijfd en aangemoedigd heeft in al zijne
hoofdgebreken. De val onzer nationaliteit moet niet het minst hieraan worden
toegeschreven, dat Cats er in geslaagd is het nederlandsch karakter te
herscheppen naar zijn eigen beeld. Hij heeft een wawelend en geniepig volk van
ons gemaakt, heeft onzen smaak bedorven, heeft onzen kunstzin uitgedoofd, heeft
geen hoogere eerzucht bij ons gewekt dan om, met Gods naam op de lippen en eene
aalmoes in de uitgestrekte hand, te sterven als millionair. Een engelsch koning
heeft hem vruchteloos in den adelstand zoeken te verheffen: de nieuwbakken
ridder is tot zijn jongsten snik een zeeuwsche poldergast gebleven...’
434. Zoveel woorden,
zoveel onbillijkheden. Busken Huet bewijst Cats te veel eer, wanneer hij hem
toeschrijft, het Nederlandse volkskarakter te hebben omgevormd naar zijn eigen
beeld. Cats is niet de schepper van de Nederlandse volksaard, maar daarvan
zelf, als wij allen, een schepping. Hij is de spiegel, die slechts reflecteren
kan, niet het beeld, dat in dit spiegelglas weerkaatst wordt. Hij is het
instrument, niet de werktuigkundige die het hanteert. In zijn werken zien we
het beeld van onze zeventiende-eeuwse samenleving, en dan niet in haar hoogste
en edelste uitingen, maar wel in haar meest normale, om niet te zeggen
alledaagse vormen, maar die dan ook in hun | | | | volledigheid. Aan die
samenleving moderne maatstaven aan te leggen getuigt slechts van gebrek aan
historisch inzicht en zin voor de werkelijkheid. Wie Cats veroordeelt,
veroordeelt hem in het geslacht, waaruit hij is voortgekomen, temidden waarvan
hij heeft geleefd en gewerkt en waarvan hij meer dan enig ander dichter de
woordvoerder is geworden. Cats is een historische verschijning, die slechts
door een komplex van toevallige omstandigheden nog lang is blijven nalichten.
En terwijl de liederen van Bredero, de reien van
Vondel, de sonnetten van
Revius en
Dullaert ons na drie eeuwen nog ontroeren,
meer en dieper dan ze het de grote massa van de tijdgenoten dezer dichters
gedaan zullen hebben, zijn de alexandrijnen van Cats voor ons weinig meer dan
een historisch document, zo men wil een historische curiositeit geworden.
Toch was Cats óók dichter, en in zijn al te omvangrijk
werk is meer dan één fragment of gedicht, dat dit bewijst. Zijn
talent als verhalend dichter kwam al ter sprake. Het genre is eenvoudig en
stelt aan de dichter geen hoge eisen, maar Cats is er onnavolgbaar in. Bij
gelegenheid kan hij ook een stoer en krachtig lied schrijven als het
‘Gedicht, op de gelegentheydt van staet, ter tijdt de wijt-vermaerde
heldt,
Marten Harpertsen Tromp, admirael ter zee
was ghemaeckt’
435.
Hoe fors is al dadelijk de aanhef:
Zee-helden, wacker volck, peck-broecken, rappe gasten,
Op, ruckt nu wederom de vlaggen van de masten.
Gaet, jaegt eens op een nieu den Spaengiaert over boort;
En haelt eens wederom dat ghy ter zee verloort.
t Is langh genoegh gegeeut, t is al te langh geslapen;
Koom word eens datje waert, en alsje zijt geschapen,
De zee en haer gevolgh daer zijtge toegewent,
Daer is uw' eygen huys, uw' eygen element.
Al wat op aerden leeft, al wat 'er is geschapen,
Dat kent sijn eygen kracht, en weet sijn eygen wapen.
Ia weet wat hem gemack, of eenigh voordeel doet,
En hoe het na den eysch zijn vyandt krencken moet.
De leeuw vecht met de klauw, de stier gebruyct den horen,
Het peert slaet met den voet, een haen met felle sporen.
De zee is uw geweer, gebruyckt daer u gewelt,
Daer is geen twijffel aen, de Spaengiaert moet gevelt.
De zee die heeft u eerst den vryen hals gegeven;
Den gods - dienst ingevoert, den Spaengiaert uytgedreven.
De zee die heeft u eerst den vyandt leeren slaen:
De zee maeckt u gevreest oock by den Indiaen.
Waarlijk Vondeliaans is het gebed uit het ‘Reys-liet’, dat onder de mengeldichten achter de
‘Klagende Maeghden’ (1633) voorkomt:
O die in uwen throon geseten
Met geene plaets en sijt bepaelt,
En kont ons doen en poogen weten
Hoe verr' ons lijf of herte dwaelt,
Wilt ons met dynen geest geleyden,
In al dat is, of sal gheschien.
Wilt onse saken soo bereyden,
Dat wy oock daer u liefde sien.
Hoe liet ghy eens u gunste smaken,
Doen ghy waert leyder van u volck!
| | | |
Des nachts waert ghy een vyerigh baken
En op den dagh een helle wolck.
En als de Wijse quamen talen
Of God de Soon was in het vleys,
Een sterre met haer gulde stralen,
Die was haer leyts-man op de reys.
U kracht is heden niet vermindert,
U hant is heden niet verkort,
Geef, Heer, dat ons geen quaet en hindert,
Maer op ons doen u segen stort.
Geeft dat wy spoedig weder keeren,
Door uwe geest en gunst verblijt;
Soo sullen wy dijn naem vereeren,
Den ganschen loop van onsen tijt
436.e.
Dat is Cats op zijn best, maar men zou ook kunnen zeggen: de
onbekende Cats. Men zoekt in zijn werk tevergeefs naar een tweede vers of
fragment van gelijke kracht, even eenvoudig en zuiver gevoeld als dit
religieuze lied, dat alleen tegen het einde verslapt. En hoe verdienstelijk
ook, dit ene vers is niet voldoende om Cats' talent als dichter te redden.
Heeft Potgieter hem dan voorgoed zijn plaats aangewezen in onze
letterkunde? De geschiedenis der letterkundige waardering, een nog vrijwel
ongeschreven hoofdstuk in onze literatuurgeschiedenis, maant ons tot
voorzichtigheid. Hoe groot de adoration mutuelle van onze zeventiende - eeuwers
ook geweest mag zijn, er moet toch iets van gemeend zijn geweest, wanneer een
zangerig dichter als
Starter van ‘Catsij soete
stijl’
437 spreekt. Het zou interessant zijn, te weten
hoe dichters als Hooft en
Vondel over zijn werk hebben gedacht, maar
we weten dat niet. Een lofdicht van
Revius prijst zijn ‘Seeusche rondicheyt’ en noemt zijn verzen
‘glad' en gaaf’, wat ons niet bijster veel zegt
438. En dus bestaat zeer wel de mogelijkheid
dat, ondanks de vele drukken en de grote oplagen van Cats' werken, ondanks het
grote aantal navolgers, ondanks de vertalingen, ondanks de pralerige lofdichten
van velen, de beste van onze zeventiende-eeuwse dichters al niet veel anders
over zijn poëzie hebben geoordeeld dan Potgieter het deed en wij het doen
439.
De geschiedenis van Cats' waardering en verguizing gedurende de drie
eeuwen, waarin zijn werk en zijn persoon een niet meer weg te denken deel van
onze kultuur uitmaken, is een merkwaardige bijdrage tot de kennis van het
Nederlandse volkskarakter en zijn schommelingen in de loop der tijden. Dat men
hem boven Vondel stelt, zoals eenmaal - naar een overigens apocryfe anekdote
van Van Lennep wil - de aartsbisschop van Mechelen zou hebben gedaan, is voor
ons gevoel niet meer aan te nemen. En Huygens' grafschrift op de dichter van
zovele werken, ‘daer all de naer-eew een geschall van lof en eer af maken
sal’
440, is als voorspelling onjuist gebleken.
Aarzelend eerst, in de achttiende eeuw, opener in de negentiende, heeft men hem
aangevallen en met nadruk hem de plaats ontzegd, die de traditie hem had
toegewezen. De stemmen der verdedigers, Van Heeckeren, Buitenrust Hettema, Te
Winkel, Smilde, zelfs die van Kuyper hebben niet in die mate overtuigd, dat de
communis opinio zich te zijnen gunste gewend heeft. Een zo volstrekte
verguizing als van Busken Huet wordt in onze dagen nauwelijks meer gedeeld
441, maar niemand zal er meer aan denken om hem een hogere
plaats toe te wijzen dan onder de dichters van het tweede plan
442.
| | | | Kan de Zeeuwse letterkunde van onze Gouden Eeuw er
zich dus niet op beroemen, een der grote dichters van dit tijdvak te hebben
voortgebracht, de lof, het vaderland te zijn geweest van de populairste
dichter, die onze taal ooit heeft gekend, kan men haar bezwaarlijk ontnemen. Is
ook dit niet symbolisch hiervoor, dat de Zeeuwen van oudsher meer tot de
vorming van het Nederlandse volkskarakter hebben bijgedragen dan tot de
Nederlandse kunst?
|
194Zie over hem: De la Rue, blz. 346 - 368, 574;
Nagtglas, I, blz. 109 - 110; N.N.B.W., VI, kol. 279 - 285 (J. Prinsen J.Lz.). -
Een volledige biografie, die aan de eisen der wetenschap voldoet, ontbreekt
nog. Bijdragen daarvoor vindt men allereerst in 's dichters autobiografie: het
‘Twee en tachtig-jarig leven’, dat hij in 1657 voltooide, maar dat
pas in 1700 voor het eerst verschenen is, achterin de verzamelde werken. Verder
zijn te raadplegen: J.H. de Stoppelaar, Jacob Cats te Middelburg (1603 - 1623)
en zijn huis aldaar, ook in betrekking tot de vroegere en latere bewoners
(Middelburg, 1860); J.G. Frederiks, Jacob Cats en zijne omgeving (Oud -
Holland, 7 (1889), blz. 167 - 188, 241 - 265); A. Meerkamp van Embden, Nieuw
gevonden brieven van Jacob Cats en zijne familie (Archief Z.G.d.W., 1927, blz.
40 - 68) en enkele andere hieronder te noemen studies. Het voornaamste wat over
Cats als dichter verschenen is, volgt hier: in chronologische volgorde van
verschijning: Cd. Busken Huet, Jacob Cats (Litterarische fantasien en
kritieken, I (Haarlem, 1868), blz. 42 - 72); J.A.F.L. van Heeckeren, Vader Cats
(Taal en Letteren, 5 (1895), blz. 73 - 106); Gustave Derudder, Etude sur la vie
et les oeuvres de Cats (Calais, 1898) (ook verschenen onder de titel: Un
poète néerlandais. Cats, sa vie et ses oeuvres); G. Kalff, Cats
(De Gids, 1899, III, blz. 387 - 434; IV, blz. 69 - 119) (ook in: Studiën
over Nederlandsche dichters der zeventiende eeuw 2 (Haarlem, 1915),
blz. 125 - 263; afzonderlijke uitgave: Jacob Cats (Haarlem, 1901); F.
Buitenrust Hettema, Een en ander over Jacob Cats (Taal en Letteren, 14 (1904),
blz. 438 - 461) (ook als inleiding voor de bloemlezing: Jacob Cats (Utrecht,
1905)); J. Postmus, Calvinistische vertoogen (Zwolle, 1906), blz. 162 - 274; H.
Janssen Marijnen, Jacob Cats. Een mislukt eerherstel (Studiën, 74 (1910),
blz. 497 - 514); H. Smilde, Jacob Cats in Dordrecht. Leven en werken gedurende
de jaren 1623 - 1636 (Groningen - Batavia, 1938). - In de laatstgenoemde
monografie is de Dordtse periode van Cats, waarin o.a. de Spiegel van den ouden
ende nieuwen tijdt (1632), de Klagende maeghden (1633) en 's Werelts begin,
midden, eynde, besloten in den Trou-ringh, met den proef - steen van den selven
(1637) ontstonden, uitvoerig beschreven. De bekende beschouwingen van Potgieter
over Cats vindt men in zijn Gids - opstel ‘Het Rijks-museum te
Amsterdam’ (De Gids, 1844, II), blz. 394-400 (herdrukt in: Proza, 1837 -
1845 (Haarlem, 1864), II, blz. 126-133). Die van Kuyper in: A. Kuyper, Het
Calvinisme en de kunst (Amsterdam, 1888), blz. 31-39. Uiteraard geven ook de
Nederlandse literatuurgeschiedenissen en de letterkundige handboeken vrij
uitvoerige beschouwingen over Cats' werken. Van deze zijn te noemen: G. Kalff,
Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, IV (Groningen, 1909), blz. 342 -
362, 382 - 386; J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche
letterkunde 2, III (Haarlem, 1923), blz. 327 - 340, 535 - 543; J.
Prinsen J.Lzn., Handboek tot de Nederlandsche letterkundige
geschiedenis 3 ('s-Gravenhage, 1928), blz. 341 - 349; J.L. Walch,
Nieuw handboek tot de Nederlandsche letterkundige geschiedenis ('s-Gravenhage,
1940 - ...), blz. 269 - 283. In 1851 schreef het Zeeuws Genootschap der
Wetenschappen een prijsvraag uit voor een grondig bewerkte levensgeschiedenis
van Cats, waarop evenwel geen enkel antwoord is binnengekomen. Een bibliografie
van Cats' werken ontbreekt nog. De bouwstoffen daarvoor vindt men vooral in de
beschrijving van de door W.C.M. de Jonge van Ellemeet bijeengebrachte en aan de
Maatschappij der Nederl. Letterkunde vermaakte verzameling: Museum
Catsianum 2. 1837 - 1887 ('s-Gravenhage, 1887). Een bibliografie van
hetgeen over Cats geschreven is - een belangrijke bijdrage tot de kennis van de
letterkundige roem - ontbreekt eveneens. Enkele bouwstoffen daarvoor vindt men
genoemd op blz. 392, noot 439. - De door mij bijeengebrachte bouwstoffen voor
een bibliografie sta ik graag af aan wie dit werk zou willen voltooien.
195De naam van de familie zal wel ontleend zijn
aan een huis met het teken Die Catte; vgl. Frederiks, t.a.p., blz. 170.
196Vgl. P.D. de Vos, Kleine bijdrage tot de
kennis van de naaste voorouders en familie van Jacob Cats (Maandblad van het
geneal. - herald. gen. De Nederlandsche Leeuw, 37 (1919), kol. 58 - 60). - Het
wapen van de dichter wijst op nauwe betrekkingen met het geslacht Couwenburch
en met de heerlijkheden Brijdorpe of Klaaskinder - kerke; zijn afkomst was dus
misschien toch niet geheel onaanzienlijk. Wellicht was
Adriaen Cornelis Adriaensz, die in het
begin der zestiende eeuw als ambachtsgerechtigde in Brijdorpe voorkomt, familie
van hem, misschien een broeder van Cornelis Cornelisz. Cats, de grootvader van
de dichter.
197Ze was in 1541 weduwe en woonde nog in
November 1557 in
Brouwershaven; vgl. De Vos, t.a.p., kol.
58.
198Zij trouwde twee keer, eerst met
Jacob Kempe († 1569), daarna met
Gerbrand Gerbrandsz, en stierf te
Brouwershaven in 1571; vgl. De Vos, t.a.p., kol. 58.
199Matthijs Cats studeerde te Leuven, trad
aldaar in de orde der Franciscanen, was achtereenvolgens lector in de theologie
te Leuven, gardiaan van de kloosters van zijn orde te Mechelen en te Leuven, en
werd 6 Maart 1576 tot provinciaal van de Francis - kanerorde gekozen. Hij
overleed echter reeds 8 Augustus 1576 en werd begraven in het koor van de
kloosterkerk te Leuven. Hij wordt geroemd als een ‘vir eximiae pietatis
et eruditionis’. Van hem zijn bekend: Catholica praeceptorum decalogi
elucidatio (Ant - verpiae, 1573; 2de druk, 1576; 3de druk, 1604) en
Institutionis christianae catholica et erudita elucidatio, secundum methodum a
magistro II sententiarum observatam (Ant - verpiae, 1575). Op het titelblad
noemt hij zich beurtelings
Mathias Cats a Brouwershaven en Mathias
Felisius. - Zie over hem: De la Rue, blz. 368 - 370; Nagtglas, I, blz. 109,
212; N.N.B.W., VI, kol. 286 (D.A. Felix); Schmitz, Het aandeel der
Minderbroeders in onze middeleeuwse literatuur, t.a.p., blz. 102.
200Zie over hem: N.N.B.W., VI, kol. 278 - 279
(D.A. Felix).
201Ze was een dochter van
Jacob Jansz. Breijde, brouwer of
biersteker te Brouwershaven, en schepen († 1556).
202Deze, geboren te Brouwershaven omstreeks 1560
en aldaar overleden 26 Juli 1625, was bestemd om de loopbaan van zijn geleerde
oom te volgen en daarom te Dowaai, ‘toen de plaats om haast te zijn
geleert’, bij de Paters Jezuïeten ter school gezonden, maar
‘de quade tijt’ deed hem naar zijn geboorteplaats terugkeren, waar
hij later thesaurier (1589), schepen (sedert 1590) en burgemeester (o.a. in
1602, 1603, enz.) werd. Hij gaf de stoot aan Cats' bedijkingen in
Zeeuws-Vlaanderen. Hij huwde 1°.
Quirina Huijbrechts, dochter van
Huijbrecht Leenaertsz, schepen en
burgemeester van Brouwershaven, waar ze op 15 September 1603 overleed; 2°.
(ondertrouwd te Zieriksee op 2 Mei 1604)
Quirina Jan Leenderts Hollenboom,
geboren te Haamstede, overleden te Brouwershaven op 21 Juli 1639, weduwe van
Jacob Mogge. - Vgl. De Vos, t.a.p., blz.
59; De Vos, De vroedschap van Zierikzee, blz. 286; N.N.B.W., VI, kol. 279 (D.A.
Felix). -
Neeltje Cornelisdr. Cadts, die met
Jan Adriaense Thooftgetrouwd was, uit
welk huwelijk op 9 April 1626 een zoon Adriaen en op 12 December 1627 een
dochter Adriaantje werd geboren, zal een dochter van
Cornelis Cats zijn geweest, en eveneens
Arjaantje Cornelis Cads, die in 1626 als
doopgetuige optreedt (Doopboeken der Ned. Herv. kerk te Brouwershaven). Een
zoon van Cornelis, mr.
Leonard Cats, werd omstreeks 1585 te
Brouwershaven geboren, studeerde te Leiden (ingeschreven 25 Februari 1606),
legde in 1614 de eed als advocaat af voor het Hof van Holland, trouwde in 1617
met
Jacomina van Muylwijk uit Dordrecht,
vestigde zich omstreeks die tijd in Middelburg en werd in 1625 benoemd tot lid
van de Raad van Vlaanderen. Hij overleed te Middelburg in December 1639. Zijn
enig zoontje Cornelis, te Middelburg gedoopt op 14 December 1625, waarbij Jacob
Cats en
Helena Luyck getuigen waren, was reeds
in 1638 overleden. Twee dochters overleefden hem. - Vgl. Frederiks, t.a.p.,
blz. 185 - 186; N.N.B.W., VI, kol. 285 - 286 (D.A. Felix).
203Deze oudere zuster van Jacob bleef
waarschijnlijk (ongehuwd?) te Brouwershaven wonen; zij zal dezelfde zijn die op
28 Mei 1626 met Pieter Hobius getuige was bij de doop van een kind van
Pieter van Borre en
Barbara Wadde, en wederom, op 30 Mei
1627, met ‘de raatsheer mr. Leendert Cadts’ bij de doop van een
dochter van
Geerbrant de Jonge en
Leonora Wadde (Doopboeken der Ned. Herv.
kerk te Brouwershaven).
204Deze en volgende berijmde aanhalingen zijn
uit Cats' Twee en tachtig - jarig leven, in zijn Gedachten op slapeloose
nachten (Alle de wercken, Amsterdam - Utrecht, 1700), blz. 37 - 46.
205Zij was, toen ze trouwde, weduwe van jonkheer
Jan van Heule, en dus klaarblijkelijk
inderdaad van goede familie. Nog in 1603 woonde ze te Brouwershaven.
206Hun namen, die Cats in zijn autobiografie
niet noemt, zijn:
Doen Lenaertsz, schepen van
Brouwershaven, en
Anna Jacobsdr. Breijde, een zuster van
Cats' moeder. - De Vos, t.a.p., kol. 59 - 60, vermeldt een akte van 30 December
1581 uit het weesregister van Brouwershaven, waaruit men de indruk krijgt dat
de verhouding tussen Adriaen en de kinderen uit zijn eerste huwelijk wel wat te
wensen heeft overgelaten.
207Een van hen is Matthijs Cats, van wie op 30
November 1608 te Brouwershaven een dochter Lijsbeth werd gedoopt, waarbij Cats'
vrouw
Elisabeth van Valckenburgh als getuige
stond; een der beide andere heette Salomon. De laatste ging naar Indië,
trad in dienst der O.I.C. en stierf er in 1621.
208Vgl. de opdracht aan de magistraat van
Brouwershaven, vóór: Ouderdom, Buyten - leven, en Hof-gedachten,
op Sorgh-vliet, t.a.p., blz. *** 4 v°.
209Bovendien nog aan die van Middelburg en
Dordrecht.
210Vgl. Meerkamp van Embden, t.a.p., blz. 63 -
65.
211Op 3 Januari 1648 zond hij aan de twintigjarige
Van der Vorm, die op het punt stond om student te worden, een vleiend antwoord
op een aan hem gerichte brief. ‘Non laeto tantum et exultanti’,
schrijft Cats hem, ‘sed stupefacto prorsus animo litteras tuas, mi
cognate, legi. Nescivi Brouwershaviam meam tantum Musarum ac eruditionis
alumnium protulisse, tantum mihi cognatum genuisse’. Vgl. voor deze en
nog een andere brief van Cats, van 9 April 1650: De la Rue, blz. 372 -
373.
212Dat naar alle waarschijnlijkheid Cats hier
wordt bedoeld, blijkt ook daaruit dat er in Brouwershaven geen tijdgenoot van
hem heeft geleefd van deze naam.
213Johannes Cornelius Gesselius was aanvankelijk
rector van de Latijnse school te Amersfoort, maar werd als Rooms - Katholiek
ontslagen. Hij vestigde zich vervolgens in Leiden. Zie over hem: N.N.B.W., VI,
kol. 579 (J.F.M. Sterck). - De bewering van Frederiks, t.a.p., blz. 172 - 173,
en Buitenrust Hettema, Uit alle de wercken, t.a.p., blz. XIII, noot 2, dat Cats
de kluts kwijt is geraakt in deze passage, is onjuist. Cats beweert niet dat
hij in Zieriksee les heeft gehad van Gesselius, maar te Leiden. Een juistere
toedracht van zaken gaf P.G. Witsen Geysbeek, Het leven en de verdiensten van
Jacob Cats (Amsterdam, 1829), blz. 25 - 26, waar Gesselius echter voor Hervormd
wordt gehouden.
214Althans betaalde hij op deze dag de
traditionele kroon (
Jacobus Felinus, Brouwershavenensis, 2
Junij 1598 dedit coronatum). - Livre des procureurs de la Nation Germanique de
l'Université d'Orléans (4e livre, fol. 128). - Mededeling van de
archivaris der Archives départementales van Orleans. - In de
‘Lijst van Nederlanders, studenten te Orleans (1441 - 1602)’,
medegedeeld door J. van Kuyk, t.a.p., komt zijn naam niet voor.
215Twee en tachtig - jarig leven, t.a.p., blz.
39b.
216Op 25 Juli 1598 opponeerde hij er tegen de
theses pro gradu docturae van
Elbertus Sosius, een zoon van de
juridische hoogleraar
Thomas Sosius. - Diarium Everardi
Bronchorstii, l.c., p. 106. Cats komt hier voor als Felinus
Browershavensis.
217Over de aard van zijn praktijk laat Cats zich
niet uit; hij noemt alleen een geval van een van toverij beschuldigde vrouw uit
Goeree, waarvoor zijn hulp werd ingeroepen.
218Vgl. M.A. van Andel, De Zeeuwsche koorts van
Jacob Cats (Nederl. tijdschr. v. geneesk., 69 (1925) IA, blz. 1127 -
1132).
219In deze laatste functie behandelde hij o.a.
een langjarig geschil met Vlissingen over de jurisdictie en het recht van
accijnsheffing in de heerlijkheid van Koudekerke, tot het einde toe met de voor
Middelburg gewenste uitslag. De procedures van deze jaren berustten op het
gemeente - archief. Een jurist had er wellicht gegevens uit kunnen putten voor
een verhandeling over Cats' juridische bekwaamheden. A.G.C. Alsche, Specimen
academicum de Jacobo Catsio, jcto (Lugd. Batav., 1828), heeft deze stukken niet
geraadpleegd.
220Over dit huis in 't bijzonder en het verblijf
van Cats te Middelburg in 't algemeen, vgl. De Stoppelaar, t.a.p.
221Haar ouders,
Jan van Valckenburgh en
Elisabeth Michielsdr. van Vaerlaer,
waren van Antwerpen afkomstig, waar hun dochter in 1579 geboren was. Reeds in
1588 woonden ze in Amsterdam; misschien zijn ze daarheen na de val van de
Scheldestad uitgeweken. In 1605 woonden ze in de Warmoesstraat, dezelfde straat
waar ook
Vondel zijn winkel had; deze kende de
familie Van Valckenburgh dus, en zelfs, mogen we aannemen, vrij goed, aangezien
Jean Michiels van Vaerlaer, een broer
van Cats' schoonmoeder, zijn ‘singulier amy’ en zijn maecenas was,
aan wie hij zijn ‘Pascha’ opdroeg.
222Voor het volgende vgl. Meerkamp van Embden,
t.a.p.
223In later jaren bracht Cornelis zijn broer
Jacob er toe, deel te nemen aan het grootse ondernemen der droogmaking van
Hatfield Chase en Isie of Axholme, waarvan
Cornelis Vermuyden de ziel was en
waaraan Cornelis Cats van het begin af deel had genomen. Ook Cats' zwagers
Lucas, Marcus en
Matheus van Valckenburgh en
Fabiaan de Vliet hadden aandelen in deze
onderneming. Veel genoegen heeft Cats hiervan overigens niet beleefd;
Vermuydens onderneming heeft hem slechts geldelijk verlies en verdriet gekost,
en hem zelfs van oplichting doen beschuldigen. Vgl. hierover: J. Korthals
Altes, Polderland in Engeland (Den Haag, 1924), blz. 79.
224H.Q. Janssen, Groede (Bijdragen tot de
oudheidkunde en geschiedenis, inzonderheid van Zeeuwsch - Vlaanderen, 3
(1858)), blz. 345 - 346.
225Nagtglas, De algemeene kerkeraad, t.a.p.,
blz. 73.
226Twee en tachtig - jarig leven, t.a.p., blz.
44 b.
228‘Geresumeert zijnde de saeck van de
beroepinge van een prof. Institutionum Juris, es voorgeslagen dat men door den
H. Curateurs oft Rentmr. Baersdorp daertoe soude maecken te sonderen den
advocaet Cats van Middelburch in Zeelandt, jegenwoordich zijnde in den Hage,
met aenbiedinge van 800 off 900 guld. jaerlix tot gagie, des soude de negenste
hondert g. wesen extraordinaris’. - Resolutie van Curatoren, in:
Molhuysen, Bronnen, II, blz. 103. - Overigens bevatten deze Bronnen geen nadere
bijzonderheden over de tot
Cats gerichte uitnodiging.
229Kesteloo, Stadsrek., V, blz. 65.
230Twee en tachtig - jarig leven, t.a.p., blz.
45b.
231Vgl. A.H. Kan, Het vertrek van Jacob Cats van
Middelburg naar Dordrecht (Archief Z.G.d.W., 1912, blz. 1 - 26; ook in:
Tijdschr. v. Ned. taal - en letterk., 31 (1912), blz. 7 - 20, maar zonder de
tekst der brieven, waarop dit opstel berust); Smilde, t.a.p., hfdst I: Het
vertrek naar Dordrecht.
232‘Soo schijnt het best te sijn mijn
leven hier te eyndigen’, schrijft hij aan
Adriaen Blijenburg, die in November 1622
naar Middelburg was gegaan om hem tot vertrek naar Dordrecht te bewegen. - Kan,
t.a.p., (Archief), blz. 4.
233Twee en tachtig - jarig leven, t.a.p., blz.
46 a.
234P.G. Witsen Geysbeek, Het leven en de
verdiensten van Jacob Cats (Amsterdam, 1829), blz. 74 - 77, stelt het voor
alsof de steil - rechtzinnige Middelburgse predikanten de soepeler Cats hebben
weggewerkt. Er is voor deze aantijging geen enkele grond.
235De Stoppelaar, t.a.p., blz. 25, uit de
Notulen van Wet en Raad van 13 Mei 1623. - Het blijkt niet, waarvoor de
burgemeesters hebben gekozen.
236‘Ut integer et oculo irretorto (ut
horatiane loquar) apud vos degam’. - Uit een brief aan Adriaen
Blijenburg, bij Kan, t.a.p. (Archief), blz. 24.
237Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 872. - In
1627 verhuisde hij, wegens zijn benoeming tot lid van de Raad en het Leenhof
van Brabant en het land van Over - Maze, naar Den Haag.
238Meerkamp van Embden, t.a.p., blz. 63.
239Vgl. over hem hierna, blz. 367.
240Hortensia del Prado was weduwe van
Jean Fourmenois, toen ze met Pieter
Courten trouwde. Het Rijksmuseum te Amsterdam bezit drie geschilderde
portretten van haar (Catalogus der schilderijen, t.a.p., nos. 970, 972, beide
door
Gortzius Geldorp, en no. 1543, door de
Middelburgse schilder
Salomon Mesdach) en bovendien van haar
eerste en tweede man (nos. 971 en 212) en andere leden der geslachten Del
Prado, Fourmenois en Courten, alle afkomstig van het kasteel Popkensburg en in
1875 door jhr. mr.
Jacob de Witte van Citters aan de Staat
gelegateerd.
241Houwelyck, t.a.p., IV, blz. 123b -
124a.
242Antonius Walaeus, Opera (Lugd. Bat, 1647 -
1648), I, p. * 3 r° - v°. - De jonge Walaeus spreekt van ‘tuus in
parentem nostrum affectus’ en zegt even verder: ‘Scripta quoque
ejus, scimus, aestimare soles & amare’ (p. 3 v°).
243Gedicht, ter eere van den eerwaerden,
hooghgeleerden, en wijtberoemden D. Philips van Lansbergen, op desselfs boeck
van 't gebruyck des astronomischen en geometrischen quadrants. - Philippus
Lansbergius, Verclaringhe van 'tghebruyck des astronomischen ende geometrischen
quadrants (Middelburch, 1620), blz. III - IV. Aenden weerden, eerweerden ende
hoogh - geleerden D. Philips Lansbergen op zijn boeck van 't gebruyck des
astrolabiums. - Philippus Lansbergius, Verclaringhe vande platte sphaere van
Ptolemaeus (Middelburgh, 1628), blz. III
- IV. Aenden weet-gierigen leser op de Bedenckinghen van den weerden
eerweerden ende wijt-vermaerden D.D. Philips Lansberge. - Philippus
Lansbergius, Bedenckinghen, op den daghelijckschen, ende jaerlijckschen loop
vanden aerdt-cloot (Middelburgh, 1629), blz. ** v°.
244Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 80 - 81;
Voegler, t.a.p., blz. 362, 372, 374, 381, 386 - 387. - Hij was een begaafd man
en trok als student al de aandacht van
Scaliger, met wie hij levenslang in
vriendschap verbonden bleef. Van 1598 tot 1630 was hij werkzaam aan de Latijnse
school te Middelburg, eerst als praeceptor, vervolgens als conrector en sinds
1613 als rector. In 1630 werd hij in gelijke functie aan de
Hieronymus - school te Utrecht benoemd,
o.a. op aanbeveling van Cats. Hij stierf in 1646.
245Smilde, t.a.p., blz. 127 - 128.
246Vgl. hierna, blz. 300.
247Sinn'- en minne-beelden, voorrede, blz. ** 3
r°: ‘Der-halven willen wy wel ron-delijck bekennen dat 't eerste
deel van dit bouxken meest is gheweest het uyt-worpsel van onse blinde
jonckheyt, de welcke, door de ghewoonelijcke gheneghentheden van die iaren,
mitsgaders door eenighe lust tot de dicht-conste ghedreven zynde, hadde nu
ende dan soo eenighe minnelijcke Sinne-beelden, dat is, geckelijcke invallen,
daer henen ghestelt; welcke ten dien tyde by ons (als in andere saken als -
doen besich zynde) aen d'een zyde geleyt, ende nu wederom, int door-sien van
eenige oude papieren, ons in de hant ghevallen wesende, hebben, door over-sien van de selve, als in een spieghel, ontdeckt hoedanich den voorigen stant
onser onbesuyselder ionckheyt is gheweest, enz.’
248Derudder heeft hierop al gewezen, l.c., p.
196.
249Silenus Alcibiadis, sive Proteus, vitae humanae
ideam, emblemate trifariam variato, oculis subijciens. Deus nobis haec otia
fecit. Middelburgi, ex officina typographica Johannis Hellenij, anno
M.DC.XVIII. Cum privilegio (XL, 120; 112; 112 blzn.; 4to) (Museum Catsianum,
no. 27). - Vooraf gaan lofdichten van Daniël Heinsius, I. Lyraeus (Justus
Lyraeus, rector van de Latijnse school te Middelburg), L. Peutemans, I. Hobius,
J. F., Iosuah Sylvester (van 1613 - 1618 secretaris van de Company of Merchant
Adventurers te Middelburg),
Anna Roemers, Iac. Luyt en
S. de Swaef. - Herdrukken: Museum
Catsianum, nos. 27 - 52. - Vertaling: t.a.p., no. 53. - Vgl. A.G.C. de Vries,
Nederl. emblemata, nos. 78 - 99.
250Onder deze titel wordt het boek in het vervolg
aangehaald.
251In de herdrukken zijn het er twee en vijftig
geworden.
252De ‘Sileni Alcibiadis’ zijn
meermalen afzonderlijk gedrukt, o.a. met scholia van
Joannes Frobenius (1517). Ook zijn ze in
het Duits en het Spaans vertaald. Opmerkelijk is, dat Cats in zijn voorbericht
nergens de naam van Erasmus noch de ‘Adagia’ noemt. Achtte hij deze
zo algemeen bekend, dat ze te noemen overbodig kon schijnen? Het is nauwelijks
aan te nemen.
253Desiderius Erasmus Roterodamus, Adagiorum
chiliades (Aureliae Allobrogum, 1606), kol. 917.
254Sinn'- en minne-beelden, t.a.p., blz. ** 2
r° - v°.
257Vgl. ook Vondels inleiding op het
‘Pascha’ (1612) en zijn ‘Toneelschilt of pleitrede voor het
tooneelrecht’ (1661), waarin dezelfde opvattingen worden
verdedigd.
258Sinn'- en minne-beelden, t.a.p., blz. *** 4
vº.
259J. Koopmans, Cats' Sinne - en minne - beelden.
- De XXe eeuw, 8 (1902), I, blz. 66 - 101.
260Het kwam in dit verband al eerder ter sprake,
blz. 217 - 218, en zal ook later nog als zodanig worden behandeld, blz.
282.
261Sinn'- en minne-beelden, t.a.p., I, blz. 106
- 108. - Het is, enigszins omgewerkt, onder de titel ‘Cupido verloren en
uytgeroepen’ opgenomen achter de ‘Proteus’ - uitgave van
1627, blz. 49 - 51, en vervolgens in de ‘Galathee’ (1629), blz. 50
- 53. - Bilderdijk schreef in 1776 over deze bewerking een: Dichtkundig
onderzoek van 's heeren Jacob Cats Cupido verloren en uitgeroepen (Taal - en
dichtlievende oefeningen van 't Genoot - schap ‘Kunst wordt door arbeid
verkregen’, 3 (1780), blz. 271 - 302).
262Sinn'- en minne-beelden, t.a.p., I, blz. 109 -
119. - Het is, enigszins omgewerkt en aanmerkelijk uitgebreid, opgenomen achter
de ‘Proteus’ - uitgave van 1627, blz. 34 - 48, en achter de
‘Galathee’ (1629), blz. 26 - 49. De namen Phyllis, Thyrsis,
Amaryllis, Daphnis en Galathee (de beide laatste komen in zijn
‘Harders-clachte’ voor) ontleende Cats aan de bucolische
poëzie: de idyllen van
Theocritus, de eclogen van
Virgilius (vooral de vijfde) en
soortgelijke literatuur.
263Sinn'- en minne-beelden, t.a.p., II, blz. 106 -
111.
264T.a.p., I, blz. 118 - 119.
265Als bv. Pol Faes (blz. 114), een boerenjongen
die Phyllis op de Domburgse paardenmarkt ontmoet, en die in het arcadische
gezelschap van Thyrsis, Phyllis, Amaryllis en Pan ‘met al (zijn) bosch -
gesellen’ wat uit de toon valt. Verderop (blz. 118) ontmoeten we Claes en
Pier.
266Te Winkel bespreekt eerst de
‘Maechden-plicht’ en dan pas de ‘Sinn'- en
minne-beelden’, omdat het eerste boek ouder is dan het tweede (vgl. zijn
Ontwikkelingsgang 2, III, blz. 328 noot, 333 - 334). Dit houdt echter
nog niet in, dat, zoals Te Winkel het wil voorstellen, de
‘Maechden-plicht’ eerder verschenen zou zijn dan de ‘Sinn'-
en minne-beelden’. We houden ons dus aan de traditionele volgorde.
267Het blijkt niet, waar en onder welke
omstandigheden Cats haar heeft leren kennen. Misschien door hun wederzijdse
vriend
Heinsius?
268Maechden-plicht ofte ampt der ionck-vrouwen,
in eerbaer liefde, aen - ghewesen door sinne-beelden. Officium puellarum, in
castis amoribus, emblemate expressum. Tot Middelburgh, ghedruckt by
Hans vander Hellen, wonende op de Merct
inde fransche Galeye. Anno M.DC.XVIII. Cum privilegio (XVI, 92, XX blzn.; 4to)
(Museum Catsianum, no. 54). - Andere drukken: t.a.p., nos. 55 - 66, 34 - 36. -
Vertalingen: t.a.p., nos. 67 - 71. - Een Engelse vertaling van de Latijnse
dialoog tussen Phyllis en Anna (1637), door
Thomas Heywood, noemt Smilde, t.a.p.,
blz. 127. - Vgl. A.G.C. de Vries, Nederl. emblemata, nos. 100 - 109, 85 - 87. -
Het Brits museum te Londen bezit een Hongaarse vertaling van deze dialoog uit
1787: A' férjhez vágyó Fillis és oktató
Anna, lakodalmiversben Lydi Jákóbból (Pesten, 1787). - Van
Jacobus Lydius (± 1610 - 1679),
wiens naam hier wordt genoemd, sinds 1637 predikant te Dordrecht, verscheen in
de uitgaven van 1700 en 1712 van
Cats' verzamelde werken een Latijnse
commentaar op de ‘Monita amoris virginei’, zoals de Latijnse
vertaling van de titel luidt (Alle de wercken (Amsterdam - 's Gravenhage,
1712), I, blz. 161 - 164). -
Janus Gruterus (1560 - 1627) nam de
Latijnse verzen bijna alle over in zijn ‘Florilegium magnum, seu
Polyantheae tomus secundus’ (Argentorati, 1624), p. 146 - 148.
L. Peutemans, Jac. Luyt en J.A.F. (?)
schreven Nederlandse lofdichten voor de ‘Maechden-plicht’, I.
Liraeus, de rector van de Latijnse school te Middelburg, een Latijns gedicht.
De ‘Maechden-plicht’ heeft Cats later in het eerste boek,
‘Maeght’, van zijn ‘Houwe-lyck’ (1625) verwerkt; het is
daarom ook niet in de verzamelde werken opgenomen. In 1627 heeft hij dezelfde
(44) etsen, die in de ‘Maechden-plicht’ zijn afgedrukt, voor zijn
‘Emblemata moralia et aeconomica’ gebruikt. Vgl. voor dit werk
Smilde, t.a.p., blz. 128 - 134. De Franse vertaler Auguste Abadie van de
‘Monita amoris virginei’ noemt in de voorrede van zijn vertaling
(L'amour virginal ou le devoir des jeunes filles... (Paris, 1886), p. XI) een
uitgave van het ‘Officium puellarum in castis amoribus emblematice
expressum’, in duodecimo en oblong-formaat, die ‘vers 1610’
te Parijs zou zijn verschenen, en een ogenschijnlijk nog oudere Franse
vertaling: ‘Le devoir des filles ès chastes amours, exprimé
par emblèmes’. Ik zocht naar deze uitgave(n) tevergeefs, en acht
het waarschijnlijk dat Abadie, althans wat de eerste betreft, een der in het
Museum Catsianum (nos. 57 - 60) beschreven duodecimo - uitgaven bedoelt. Ook is
het mogelijk dat van de ‘Maechden-plicht’ een hier te lande
onbekende Franse vertaling is verschenen.
269Ook voor de ‘Self-stryt’ en het
‘Houwelyck’ heeft Cats later dergelijke wapenschilden ontworpen;
vgl. hierna, blz. 265 en 268. Vgl. ook, blz. 223, het wapenschild van Johanna
Coomans in de ‘Zeeusche Nachtegael’.
270Nl. in de ‘Self-stryt’ (1620) en
in de gesprekken tussen Sophroniscus en Philogamus, die de verhalen van de
‘Trou-ringh’ (1637) afwisselen.
271Maechden-plicht, t.a.p., blz. O r° - P 4
r°.
272Zij is een tweelingzuster van
Jacomina van Muylwijck, die in 1619 met
Cats' neef mr. Leonard Cats trouwde. Catharina trouwde in 1621 met
Frederik Riccen, kastelein van Purmerend,
en overleed al in 1631. Vóór haar huwelijk woonden deze zusters
in Dordrecht, waar Catharina plaatselijke vermaardheid had als dichteres.
Corn. Boey schreef een Latijns lofdicht op
haar, dat opgenomen is in: Jac. Lydius, Vrolicke uren des doodts (Dordrecht,
1640), blz. 302.
273Maechden-plicht, t.a.p., blz. O
v°.
274In 1629 gaf hij het gedicht, omgewerkt en
uitgebreid, afzonderlijk uit onder de titel: Galathee ofte harder minne-klachte
('s Graven-hage, 1629) (62 blzn.; 8vo) (Museum Catsianum, no. 139). - Vgl. voor
deze herdruk Smilde, t.a.p., blz. 134 - 136.
275Aenmerckinghe op de tegenwoordige
steert-sterre, ende den loop deser tijden so hier als in ander landen. Met
aenwijsinge vande rechte wetenschap om alle teykenen des hemels, ende vreemde
gesterten wel ende loffelijck uyt te legghen. Esa. 51. 22. So spreeckt u
heerscher de Heere ende u God die u wreeckt: Siet! ick neme den tuymel-kelck,
met t'samen den droesem des kelcx mijnder grimmicheydt: ghy en sult hem niet
meer drincken (20 blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no. 3003) (Vgl. no. 3004: ex.
zonder approbatie aan de keerzijde van de titel). Andere pamfletten over de
komeet van 1618: Knuttel, nos. 2799 - 2803, 3005.
276Herdrukt, met kleine spellingvarianten, in de
Zeeusche Nachtegael, III, blz. 40 - 41.
277Herdrukt, met kleine spellingvarianten, t.a.p.,
III, blz. 50 - 51.
278Aenmerckinghe, t.a.p., blz. C v°.
279Zeeusche Nachtegael, III, blz. 42 -
45.
281Kuyper, Het Calvinisme en de kunst, t.a.p.,
blz. 31, 83.
282J. Postmus, Calvinistische vertoogen.
Studiën en schetsen (Zwolle, 1906), blz. 205 - 208.
283Terecht schrijft N. G. van Kampen dan ook,
dat Cats, ‘schoon hij zich, als geen godgeleerde van beroep zijnde, aan
de vastgestelde leer der kerke hield’, toch ‘wars van de
kerkgeschillen’ was. - N.G. van Kampen, Vaderlandsche karakterkunde, II
(Haarlem, 1826), blz. 159. - Een anoniem schrijver tekende hiertegen protest
aan in: Iets over het leerstellig geloof van Cats (Nederlandsche stemmen over
godsdienst, staat - , geschied - en letterkunde, 3 (1835), blz. 62 - 63).
Smilde, t.a.p., blz. 299, deelt de opvatting van laatstgenoemde, m.i. zonder
voldoende gronden. Overigens houdt dit niet in, dat Cats geen overtuigd
rechtzinnig Christen zou zijn geweest. Men kan immers goed orthodox en toch
geen partijman zijn, zelfs in een tijd van zo felle beroering op kerkelijk
gebied als de jaren van het Bestand te zien gaven.
284Self-stryt, dat is crachtighe beweginghe van
vlees en gheest, poëtischer wijse verthoont in den persoon ende uytte
gheleghentheyt van Joseph, ten tijde hy by Potiphars huys - vrouwe wiert
versocht tot overspel. Mitsgaders schriftmatighe beschrijvinghe van de
heymenisse ende eygenschap des Christelijcken self-strijts, met corte
verclaringhe op de selve. Door J. Cats. Tot Middelburgh, ghedruckt by Hans van
der Hellen, voor
Jan Pietersz van de Venne, woonende op den
houck van de nieuwe Beurse, in de Schildery - winckel. Anno 1620. Met
privilegie (XXXVI, 120 blzn.; 4to) (Museum Catsianum, no. 72). - Herdrukken:
t.a.p., nos. 72 - 95. - Engelse vertaling: t.a.p., no. 96. - Nog in 1620 werd
het boek vier keer herdrukt. De vierde druk (1628) wordt voorafgegaan door een
‘Korte inleydinghe, aenden weet - gierighen leser’ en drie
‘gheschiedenissen’ in proza en verzen verteld: de zelfstrijd van
een jonge man, die niet weet wie hij uit levensgevaar moet redden, de vrouw die
hij tevergeefs liefheeft, of haar wier liefde bij hem geen gehoor vindt; de
geschiedenis van de Zeeuwse gouverneur en
Karel de Stoute, en het verhaal van Scipio
en de verloofde maagd. Het laatste is een uitwerking van de ‘Aen-spraecke
tot L. Scipio’ uit de Zeeusche Nachtegael, I, blz. 71 - 73. - Vgl.
hiervóór, blz. 230.
288T.a.p., blz. ** 3 vº - ** 4
r°.
289T.a.p., blz. **** 3 rº - **** 4
v°.
290Kalff, Studiën over Nederlandsche
dichters, t.a.p., blz. 254. - Kalff haalt uit J. Westerbaen, Nieuw - avond -
school ('s Gravenhage, 1666), blz. 37 het volgende getuigenis aan: ‘Wie
denckt de woorden nae Die de beroemde Cats de geyle Sephyra Voor haere lusten
in sijn Selfstrijd heeft doen spreecken, Die niet een viertjen in zijn boezem
voelt ontsteeken Of niet een kleyne bres in sijne kuysheyd lijdt, Schoon den
Hebreeuwer knecht daer dapper tegen strijdt’. - Ik wijs verder nog op een
puntdicht van
Jan Vos (Jan Vos, Alle de gedichten
(Amsterdam, 1682), blz. 420), dat kennelijk op de ‘Self-stryt’
slaat: ‘Op zeeker boek, &c. - Hier twisten Jozef en de huisvrouw van
zijn heer. Hy roemt de kuisheidt: maar haar reeden weegen meer. Zoo leert men
door dit boek de breuk der huwlijksbanden. Een boek dat andre brandt, behoort
ook zelf te branden’.
291Derudder, l.c., p. 338.
292Sinne-beelt, de heymenisse ende eyghen-schap
des Christelijcken Self-stryts alle self-strijtbare lesers, door gemeynsame
ghelijckenisse, bescheydentlijcken aen-wijsende. Gunst en cunst-halven
toe-ge-eygent de eerbare, const-rijcke, loff-weerdighe jonc-vrou
Johanna Coomans, weerde huys-vrouwe van
de heer
Iohan van der Meerschen, rentmeester van
de edele ende mogende heeren Staten van Zeelandt. Tot Middelburgh, ghedruckt by
Hans vander Hellen, voor
Jan Pietersen vande Venne, woonende op
den houck van de nieuwe Beurse, inde Schildery-winckel, anno 1620 (blz. 107 -
119).
293Vgl. hiervóór, blz.
224.
294Automachia, or the self - conflict of a
Christian. London, 1607. - Het enig bekende ex. van deze vertaling bevindt zich
in de Huth library. - Zie over Josuah Sylvester: Dictionary of national
biography, LV, p. 260; over
George Goodwin: l.c., XXII, p.
144.
295Vgl. Alexander von Weilen, Der
ägyptische Joseph im Drama des XVI. Jahr - hunderts. Ein Beitrag zur
vergleichenden Litteraturgeschichte (Wien, 1887).
296Self-stryt, t.a.p., blz. 23.
297Tooneel van de mannelicke achtbaerheyt, aen -
gewesen in de voor - sprake, teghen - sprake, ende uyt - sprake, gedaen over de
weygheringhe van de koninginne Vasthi, aen de ghesanten des konincx Assuerus.
Tot verbeteringe van de huys - gebreken deser eeuwe. Tot Middelburgh, gedruckt
by Hans vander Hellen, voor Ian Pietersz van de Venne, woonende op den houck
van de nieuwe Beurse in de Schildery - winckel, anno 1622 (XVI, 80 blzn.; 4to)
(Museum Catsianum, no. 97). - Herdrukken: t.a.p., nos. 98 - 111. - Er gaan geen
lofdichten aan vooraf. Bijwijze van bladvulling volgen op het eigenlijke
gedicht een berijming van een Griekse anekdote: ‘Aller princessen
spiegel, aller vrouwen, spoor’ (blz. H 3 v° - H 4 v°) en enkele
korte prozaverhalen (in Latijnse en Nederlandse tekst) uit Herodotus,
Anthonius Muretus en
Lipsius (blz. I r° - K r°), die
in het gedicht ter sprake zijn gekomen.
298Vgl. de Voor - reden, blz. * 3 v° - * 4
r°, waar hij, om Gods oordeel over Vasthi begrijpelijker en aannemelijker
te maken, verwijst naar
Flavius Josephus, die haar ‘stege
nortsicheyt’ verwijt. Aldus heeft God haar ‘rechtveerdichlick
verworpen, als in sijn sonderling beleyt doorgaens ghewoon zijnde den
hoochmoedigen te vernederen, den nederighen te verheffen; alsooder allenthalven
een wijt verschil is tusschen het gene dat by Gode in sijnen ongrondelicken
raet heymelicken is besloten, ende tusschen het gene dat by menschelicke oogen
opentlicken werd gesien’. - Alles goed en wel, maar over Vasthis karakter
zegt het Bijbelboek niets.
299Tooneel van de mannelicke achtbaerheyt, t.a.p.,
blz. * 2 v° - * 3 r°.
302Houwelyck. Dat is de gansche gelegentheyt des
echten staets. Door I. Cats. Tot Middelburgh, inde druckerye van Jan Pietersz
vande Venne, in sijn leven kunst en bouckdrucker, op den houck vande nieuwe
Beurse inde nieuwe Druckery. Anno 1625. Met privilegie voor 15 jaren (XXXII,
38; X, 68; XXX, 72; XXII, 266; XVI, 72; XX, 76; 40; XXIV blzn.; 4to) (Museum
Catsianum, no. 112). - Herdrukken: t.a.p., nos. 114 - 137. - Deense vertaling:
no. 138.
303In de tussenliggende jaren gaf hij enkele
omwerkingen van vroegere gedichten uit. Vgl. Smilde, t.a.p., hfdst.
V.
304Houwelyck, t.a.p., I, blz. I (*) v°. - De
zes boeken van het ‘Houwelyck’, ‘Maeght’,
‘Vryster’, ‘Bruyt’, ‘Vrouwe’,
‘Moeder’ en ‘Weduwe’, worden als dln. I - VI
aangehaald.
305‘Ons, dat is mijn broeder saliger ende
my, is alleen toe - ghestaen het beleyt van dese lichte peirden: Daer het
aenden man gaet, sal de schrijver selfs tot u spreken’. - T.a.p., I, blz.
I (*) 2 v°.
306Vgl. hiervóór, blz. 258.
307T.a.p., I, blz. I (*) 2 r°.
308T.a.p., I, blz. I (*) 3 r° - I (**) 2
v°.
309T.a.p., I, blz. I (*) 3 v°.
310Vgl. Matth. 11 : 16 - 17 en Lucas 7 :
32.
311De 44 platen uit de
‘Maechden-plicht’ zijn in het ‘Houwelyck’ weggelaten,
maar Cats gebruikte ze in 1627 om er geheel nieuwe bijschriften bij te maken,
die onder de titel ‘Emblemata moralia et aeconomica’ het licht
zagen. Vgl. over dit werk Smilde, t.a.p., blz. 128 - 134.
312Houwelyck, t.a.p., III, blz. * rº.
314Vgl. 1 Petr. 3 : 1; Efes. 5 : 22; Koloss. 3 :
18.
315T.a.p., III, blz. * 2 vº - * 3
r°.
316T.a.p., III, blz. ** rº - ***
rº.
317T.a.p., III, blz. *** 2 rº - *** 4
rº.
318T.a.p., III, blz. ** 3 r°.
319T.a.p., III, blz. ** 4 vº.
320T.a.p., III, blz. 1 rº.
321T.a.p., III, blz. 1 vº.
322T.a.p., IV, blz. 48 r°.
323T.a.p., IV, blz. 51 vº.
324T.a.p., IV, blz. 83 vº.
325Vgl. S. Kalff, Catsiaansche natuurbeschouwing
(De Natuur, 1922, blz. 157 - 158, 189 - 192, 202 - 204).
326Houwelyck, t.a.p., V, blz. 3 *
r°.
328T.a.p., V, blz. 3 * 4°.
329T.a.p., V, blz. 3 ** r°. - Hij beroept
zich hierbij op de uitspraak van Hieronymus: Praestat verecundia parumper quam
causa periclitari.
330Psalm 139 : 13 (in de Statenvertaling vs.
14).
331T.a.p., V, blz. 3 ** v°.
332T.a.p., VI, blz. 4 * r° - v°.
333Psalm 90 : 12 (in de Statenvertaling: Leert
ons alsoo onse dagen tellen, dat wy een wijs herte bekomen).
334T.a.p., VI, blz. 4 ** v° - 4 ** 2
r°.
335T.a.p., VI, blz. 4 ** 2 v°.
337Hierna volgen nog, met afzonderlijke
paginering, de ‘leges connubiales’ van Andreas Tiraquellus, een
uittreksel uit de brief van
Bernardus Silvester: ‘de cura ac
regimine rei familiaris’, een der ‘Epistres dorées’
van Don Antoine de Guevare, en enkele uittreksels uit juridische werken, die
bepaalde passages uit het boek moeten toelichten. -
Andreas Tiraquellus (André Tiraqueau (± 1480 -
1558) is de schrijver o.a. van ‘De legibus connubialibus et de opere
maritali’ (1574), een van de meest gebruikte juridische bronnen van Cats.
Rabelais prijst deze vermaarde Franse
jurist in zijn ‘Pantagruel’ (1533) uitbundig. - Bernardus Silvester
(of
Carnotensis) (begin 11de eeuw), een
Platonisch wijsgeer, schreef een ‘Epistola de modo rei familiaris utilius
gubernandae’, die ook onder de werken van de H. Bernardus is opgenomen. -
Antonio de Guevara (1480 of 1490 - 1545),
een bekend Spaans moralist, schreef o.a. de ‘Epistolas familiares’
(1538), die Cats klaarblijkelijk in een Franse vertaling heeft
gekend.
338Houwelyck, t.a.p., III, blz. * r°. - Vgl.
t.a.p., III, blz. 3 r°:
Peynst vry dat echte trou, en haere vaste banden,
Sijn steunsels voor het huys, zijn stijlen vande landen,
En stutten voor den staet, en stoffe voor de kerck,
En datter vaste gront dient tot een lastich werck.
339Willem Teellinck, Noodwendigh vertoogh
aengaende den tegenwoordigen bedroefden staet van Gods volck (Middelburgh,
1627), blz. 47 - 48.
340De enige, die tot dusver hierop de aandacht
heeft gevestigd, is J.C. van der Does, in stelling XII van zijn academisch
proefschrift: Bijdrage tot de geschiedenis der wording van de anti -
revolutionaire of christelijk - historische staatspartij (Amsterdam, 1925). -
Voor de synodale vergaderingen vgl.: Acta van de Nederlandsche synoden der
zestiende eeuw, verzameld en uitgegeven door F.L. Rutgers (' s - Gravenhage,
1889).
341Vgl. bv. het register van het
‘Houwelyck’ en de ‘Tafel’ van de
‘Trou-ringh’.
342Cd. Busken Huet, Het land van
Rembrand 2, I (Haarlem, 1886), blz. 183. Vgl. Smilde, t.a.p., blz.
203 - 204.
343Vgl. Te Winkel, Ontwikkelingsgang, t.a.p., III,
blz. 41, 352; Smilde, t.a.p., blz. 203 - 205. - Ook ‘La trésor de
la cité des dames’ (± 1406) van
Christine de Pisan en de ‘Champion
des dames’ (± 1485) van
Martin Lefranc (± 1400 - ±
1460) zou men min of meer als voorlopers van het ‘Houwelyck’ kunnen
beschouwen.
344Vgl. Kalff, Studiën 2, t.a.p.,
blz. 219.
345Catharina Ypes, Petrarca in de Nederlandse
letterkunde (Amsterdam, 1934), blz. 165.
346Sinn'- en minne-beelden, t.a.p., I, blz. 92:
Nuper, ubi pelago muris Flissinga resistit, enz. - In het Nederlandse gedicht
wordt de naam van de stad echter niet genoemd. - Vgl. verder nog t.a.p., I,
blz. 4: een Zeeusche maeght En comt niet onghenoot, en gheeft niet
onghevraeght.
347T.a.p., I, blz. 109 - 119; de aangehaalde
versregels staan op blz. 116 - 118.
348T.a.p., II, tussen blz. 106 en 107.
349Maechden-plicht, t.a.p., blz. 66.
350T.a.p., blz. 99. - Vgl. blz. 111: Jonc-vrou,
ick send' u van Grijpskerck Een Harders - clacht, enz.
351Houwelyck, t.a.p., III, blz. 1 v°.
352Vgl. Neen, rouwe Zeeuwen, neen ... (t.a.p.,
III, blz. 6 r°); de ronde Zeeuw t.a.p., blz. 8 r°); Wat gaet de Zeeuwen
aen met Romen aen te spannen? ... in Zeelandt is de bruyt Geen ruyters eyghen
slaef ... (t.a.p., blz. 32 v°); Eyeren met beyeren (segghen de Zeeuwen) is
den huwelicken staet (t.a.p., IV, blz. 15 v°, kanttekening); Al wat tot
liefde dient wordt in het Zeeusche lant Door gunst en soet onthael, niet mette
vuyst geplant (t.a.p., blz. 65 r°); Maer dit is op een Zeeuws ... (t.a.p.,
blz. 77 r°); gelijck als Zeelant doet (t.a.p., blz. 79 v°); Bedenckt
dit, Zeeusche jeucht (t.a.p., blz. 84 v°); de kusten van de Zeeuwen
(t.a.p., blz. 89 r°); In Hollant luytet vreemt, in Zeelant sluytet niet
(t.a.p., blz. 92 r°); Het is een Zeeusche spreuck; ghelijck het oude song
Soo pijpt van eersten af, soo queelt het kleyne jong (t.a.p., blz. 96 r°);
Ten koomt niet over een met onse Zeeusche lucht (t.a.p., blz. 104 v°);
Hoort Zeeuws, en Hollants volck (t.a.p., blz. 110 r°); Ick bid de Zeeusche
jeucht (t.a.p., blz. 112 v°); Van hier dan alle dwang; de Zeeuw is al te
vry (t.a.p.); Maer siet ons Zeeusche jeucht (t.a.p., blz. 120 v°); de
Zeeusche Peerel (
Johanna Coomans) (t.a.p., blz. 121
v°); Ghy leert de Zeeusche kust (t.a.p., blz. 124 r°).
353T.a.p., IV, blz. 56 v° - 58 r°.
354Vgl. de Naamlijst der geborene - gehuwde - en
overledene personen (te) Middelburg, November 1835, blz. 14.
355Trou-ringh, t.a.p., blz. 231 - 244: Liefde
gekocht met gevaer des levens (Liefde - brant wt koude). - De tekenaar tekende
er de stad bij, blz. 231 en 237.
356Volgens de ‘Sleutel op de Burlesque
notulen van Michiel Michielzon’ stamde de vrouw van
Martinus Waeywel, die op het laatst der
zeventiende eeuw pachter van de herberg ‘De Toren’ te Vere was, van
deze Lycoris en Elpenor af. Misschien heeft Cats het verhaal van haar gehoord.
Vgl. Nagtglas, II, blz. 916.
357Spiegel van den ouden ende nieuwen tijdt
(1632), blz. 52 - 56.
358Ouderdom, Buytenleven, en Hof-gedachten (1655),
blz. 211 - 212.
359Doot-kiste voor de levendige (in: Ouderdom,
Buyten-leven, en Hof-gedachten, t.a.p.), blz. 60 - 61.
360Houwelyck, t.a.p., III, blz. 2
r°.
361Vgl. A. Opprel, De zachte en scherpe e en o
bij Cats (Tijdschr. v. Ned. taal- en letterk., 14 (1895), blz. 154 -
167).
362Vgl.:
Dus suldy van den boer in dilve syn geruckt,
Schoon datj' in synen meet noyt peul en hebt gepluckt
(Self-stryt, t.a.p., blz. 73) (ook in de herdrukken van
1621, 1625 en 1628), met:
Dus sult gy van den boer zijn in de sloot geruckt,
Schoon datj' op sijnen gront noit peul en hebt gepluckt
(herdruk van 1634, blz. 73).
363Vgl. Smilde, t.a.p., blz. 141.
364Voor zijn later werk vgl.: J.A. Worp, De
bronnen van den Trou-ringh van Cats (Noord en Zuid, 20 (1897), blz. 39 - 66, en
Smilde, t.a.p., hfdst. VI: De Spiegel van den ouden ende nieuwen tijdt, en
hfdst. VIII: De Trou-ringh met den proef - steen.
365Vgl. Johanna Breevoort, Vader Cats en de
vrouw. Een boek voor gehuwden en voor hen die zich tot het huwelijk bereiden.
Met een inleidend woord van A. Kuyper (Kampen, 1915).
366Houwelyck, t.a.p., IV, blz. 121
r°.
367T.a.p., IV, blz. 121 v°.
368T.a.p., IV, blz. 123 v° - 124
r°.
369T.a.p., IV, blz. 48 r°; Trou-ringh,
t.a.p., blz. **** 3 v° - **** 4 r°, ****** v° - ****** 2 r° -
Anna Maria richtte in 1621 een Latijnse elegie tot Cats, die aanleiding heeft
gegeven tot de dwaze bewering, dat zij op nog geen veertienjarige leeftijd door
hem ten huwelijk zou zijn gevraagd (J. Kok, Vaderlandsch woordenboek, 27
(Amsterdam, 1792), blz. 32). In 1622 schreef zij hem een brief (Opuscula (Lugd.
Bat., 1648), p. 168). Later (in 1632?) dichtte ze een lofdicht ‘Aan de
Musen van mynheer Cats: Op het boeck, geintituleert: Spiegel van den ouden en
nieuwen tijdt, door den auteur selven tot een geschenck aen mij
overgesonden’, naar het hs. in de Nat. Bibl. uitgegeven in: A.M.H. Douma,
Anna Maria van Schurman en de studie der vrouw (Amsterdam, 1924), blz. 76.
Misschien is ook het Franse gedicht, omstreeks 1623, kort na de dood van haar
vader, tot een letterkundige vriend gericht (Douma, t.a.p., blz. 80 - 81), voor
Cats bestemd geweest. Vgl. H.C.M. Ghijsen, Anna Maria van Schurman (De Gids,
1926, I), blz. 387.
370Houwelyck, t.a.p., IV, blz. 88 v°; vgl.
blz. 99 r° - 107 v°, waar Cats zijn vrouw sprekende invoert.
371Twee en tachtig - jarig leven, t.a.p., blz.
47a.
372Johanna Hobius, Het lof der vrouwen
(Amsterdam, 1643).
373Petrus van Gelre, Vrouwenlof (Leyden,
1646).
374Johan van Beverwijck, Van de wtnementheyt des
vrouwelicken geslachts (Dor - drecht, 1639). - Vgl. Smilde, t.a.p., blz. 104 -
105.
375Self-stryt, t.a.p., blz. 33.
376Houwelyck, t.a.p., IV, blz. 47
r°.
377Vgl. Smilde, t.a.p., blz. 211, noot
3.
378Busken Huet, t.a.p., blz. 59.
379J. Koopmans, Jacob Cats (De Nederlandsche
Spectator, 1901), blz. 229.
380Kalff, Studiën 2, t.a.p., blz.
250 - 256. - Vgl. hiervóór, blz. 274. - Vgl. ook nog uit het
‘Noot - wendigh bericht’ vóór het boek
‘Moeder’ in het ‘Houwelyck’, t.a.p., V, blz. 3 **
r°: ‘Vrye woorden van natuerlijcke saecken moghen misschien by een
kittel - achtich breyn verdraeyt werden naer sijne genegentheden, maer een
vroom en eerbaer herte en heefter gheen mis - komen van’. En even verder
(t.a.p.): ‘Tis daerom beter (mijns oordeels) voor eenmael wat
beschaemtelijx te schrijven, als evenstaegh veel schandelickheden te laten
geschieden’. Het eerste citaat is aan
Lipsius, het tweede aan Hieronymus
ontleend.
381Vgl. de uitspraak van Willem de Clercq:
‘Cats was Christen, bevorens dichter te zijn’ (Verhandeling ter
beantwoording der vraag: Welken invloed heeft vreemde letterkunde, inzonderheid
de Italiaansche, Spaansche, Fransche en Duitsche, gehad op de Nederlandsche
taal - en letterkunde, sinds het begin der 15e eeuw tot op onze dagen?
(Amsterdam, 1824), blz. 162.
382Houwelyck, t.a.p., III, blz. 2 r°. - Vgl.
t.a.p., III, blz. 3 r°:
Wel aen dan, weerde maecht, in dit onseecker lot,
En gaet tot geenen man, off gaet tot uwen God,
en wat er verder volgt.
383T.a.p., III, blz. 33 r° - v°.
384Vgl. nog: t.a.p., V, blz. 5, 37 - 38, VI,
voor - reden, blz. 4 ** 2 v° - 4 ** 3 v°.
385Ghedachten op slapeloose nachten (in: Alle de
wercken (Amsterdam en Utrecht, 1700), II), blz. 3.
386Vgl. Derudder, l.c., p. 262; Kalff,
Studiën, t.a.p., blz. 190 - 192.
387Derudder, l.c., p. 361, stelt als Cats'
gedachte voor, dat aangezien wij aan de dood, de onvermijdelijke vijand, zelf
zijn wapenen leveren, wij hem ook zelf kunnen ontwapenen. Deze wapens zijn onze
hartstochten, onze liefde voor de ijdelheden der aarde. Wie deze weet te
overwinnen, voor hem is de dood een bevrijding, het begin van het geluk, de
deur die de hemel opent. Aldus Derudder. Deze zienswijze is echter te
oncalvinistisch, dan dat men ze Cats in de schoenen mag schuiven. Vgl. zijn
beschouwing over Christus' verzoenend sterven in de ‘Lof-sangh op het
geestelick houwelick van Godes sone’ (achterin de Trou-ringh, t.a.p.),
blz. 135; verder in de ‘t'Samen-spraeck tusschen ziel en lichaam’
(in: Ouderdom, Buyten-leven, en Hof-gedachten, t.a.p.), blz. 182 -
183.
388Vgl. voor het volgende Kalff, t.a.p., blz.
176 - 187.
389Tachtigh-jarigh leven (in: Ouderdom,
Buyten-leven, en Hof-gedachten, t.a.p.), blz. 21.
390Ghedicht op het bouck des weerde (sic)
eerweerden ende godsaligen dienaers des woordts mr. Willem Teellinck, ghenaemt
Balsem Gileads voor Zions wonde. - Willem Teellinck, Balsem Gileads
(Middelburgh, 1622), blz. *** 2 v° - *** 3 v°.
391Houwelyck, t.a.p., V, blz. 9, 10.
392Hof-gedachten (in: Ouderdom, Buyten-leven, en
Hof-gedachten, t.a.p.), blz. 15.
393Ghedicht, op het saligh nieuwe - iaer ... -
Godefr. Udemans, Een salich nieuwe - iaer
(Ziericxzee, 1640), blz. ** r° - ** 2 r°.
394Ghedicht op het gheestelijck roer van 't
koopmans-schip, vanden weerden ende eerweerden D. Godefridus Udemans. - Godefr.
Udemans, 't Geestelyck roer van 't coopmans schip (Dordrecht, 1638), blz. (**)
r° - v°. - Udemans citeert de aanhef van Cats' ‘Op de gelegenheid
van staat enz.’ (Zeehelden, wacker volck, enz.) in de tweede druk
van dit boek (Dordrecht, 1640), blz. 543 - 544.
395Vgl. Meerkamp van Embden, t.a.p., blz. 66 - 67,
die op enkele van Cats' karaktertrekken en eigenschappen wijst, die in zijn
brieven tot uiting komen: zijn trouwhartig huwelijksleven, zijn lijdzaamheid
onder tegenspoed, de eenvoudige inrichting van zijn huishouding, zijn
verdraagzaamheid, zijn steunen, zowel moreel als financieel, van
familieleden.
396Vgl. Houwelyck, t.a.p., VI, blz. 4 * 2 r°
- v°.
397Vgl. t.a.p., V, blz. 48 - 50.
398Houwelyck, t.a.p., IV, blz. 54
r°.
399Trou-ringh, t.a.p., ‘Lof-sangh op het
geestelick houwelick van Godes sone’, blz. 133. - Vgl. ook de lofzang op
het hemelse Jeruzalem, in: Houwelyck, t.a.p., VI, blz. 15 - 17, en de
‘t'Samen-spraeck tusschen den geestelicken bruydegom, en desselfs bruyt:
te weten, den Heere Christus, en syn kercke’, in: Klagende maegden
(Dordrecht, 1633), By - voughsel, blz. 22 - 25. Cats gebruikt hierin tal van
beelden, die aan het Hooglied zijn ontleend.
400Houwelyck, t.a.p., III, blz. * 3 r°. -
Vgl. in de voorrede op de Trou-ringh, t.a.p., blz. ***** 2 v°: ‘Mijn
oogh-merck in desen allen is geweest ... de Nederlantsche tale te vercieren, de
Hollantsche gedichten sacht-vloeyende en sonder stoot en stop-woor-den te
maken; ten eynde de selve eenpaerlick en sonder stuyten gelesen mochten
werden’.
401T.a.p., blz. * 2 v°. - Liefde voor de
moedertaal, die zich niet zelden uitte in de vorm van trots daarop, is een
typisch Renaissance - verschijnsel. Bij Cats uit deze trek zich een enkele
keer, zo in een kunststukje in het ‘Houwelyck’ (t.a.p., III, blz.
*** 2 r° - v°); een reeks van vier en dertig opeenvolgende verzen, alle
met dezelfde aanhef en geheel uit éénlettergrepige woorden
opgebouwd. In een randschrift vestigt hij er de aandacht op, als een bewijs van
de kort - en bondigheid van het Nederlands. ‘Ick wenste dat yemant van
hare verachters dit eens poochde na te spelen, selfs in de tale die hem best te
hant mochte wesen, en daer niet door wetende te raecken (gelijck ick oordeele
sulx in andere talen onmoghelick te sijn) dat hy ten minsten van dan voortaen,
in meerder achtinge vande selve wilde spreken, en ghevoelen’.
402W.A.P. Smit, De dichter Revius (Amsterdam,
1928), blz. 50.
403Dan. Heinsius, Nederduytsche poemata
(Amsterdam, 1616), blz. 26 - 33.
405T.a.p., blz. 53 - 54. - Hetzelfde schema en
rhythme vindt men ook in ‘Dominae servitium libertatis summa est’
(blz. 15 - 16).
408Houwelyck, t.a.p., V, blz. 5.
409Vgl. hiervóór, blz. 257.
410P. Hofman Peerlkamp, Liber de vita, doctrina et
facultate neerlandicorum, qui carmina Latina composuerunt 2 (Harlemi,
1838), p. 397 - 400. Vgl. Hoeufft, t.a.p., p. 117 - 118.
411Ouderdom, Buyten - leven, en Hof - gedachten,
t.a.p., blz. 20 - 21.
412Vgl. Smilde, t.a.p., blz. 214, 223.
413Hofman Peerlkamp, l.c., p. 399.
414Hij haalt hem aan in het Houwelyck, t.a.p.,
IV, blz. 130 v°.
415Enkele voorbeelden: Wat eetj' ... aen cost
die tranen cost? (tot de ‘roock - eters’ en ‘taback -
blasers’ (Sinn'- en minne-beelden, t.a.p., I, blz. 119); Nu, schoon ick
niet en droegh den naem van hoogh geleert Noch ben ick by den staet met desen
staet vereert (Twee en tachtig - jarig leven, t.a.p., blz. 46). Vgl. nog: His
vale, mi nepos, et rem nostram cura cum curâ (in een brief uit 1614, bij
Meerkamp van Embden, t.a.p., blz. 58).
416Vgl. Self-stryt, t.a.p., blz. 88, 99;
Houwelyck, t.a.p., IV, blz. 64; Trou-ringh, t.a.p., Lof - sangh op het
geestelick houwelick van Godes sone, blz. 136.
417Houwelyck, t.a.p., V, blz. 37
r°.
419Busken Huet, t.a.p., blz. 50.
420Cats heeft maar zes fabels geschreven, die
opgenomen zijn in zijn Hof - gedachten, t.a.p., blz. 55 - 63. - Zie over deze
‘Leersame fabulen’: J.F. Heijbroek, De fabel. Ontwikkeling van een
literatuursoort in Nederland en in Vlaanderen (Amsterdam, 1941), blz. 92 -
93.
421Vgl. A.G. van Hamel, Zeventiende - eeuwsche
opvattingen en theorieën over litteratuur in Nederland ('s-Gravenhage,
1918), blz. 51.
422Vgl. de opvatting van Van de Venne in diens
‘Zeeusche mey-clacht, ofte schyn-kycker’ (Zeeusche Nachtegael, I,
blz. 55 - 68). Vgl. hiervóór, blz. 235.
423Vgl. Werner Sombart, Luxus und Kapitalismus
(München und Leipzig, 1913), S. 120.
424Vgl. vooral de beschouwingen van Kuyper in
zijn in de volgende noot te noemen rede, en Just Havelaar, Oud - HolIandsche
figuurschilders (Haarlem, 1915), blz. 39.
425A. Kuyper, Het Calvinisme en de kunst
(Amsterdam, 1888).
426Kalff, Geschiedenis der Nederlandsche
letterkunde, t.a.p., IV, blz. 355.
427J. Huizinga, Herfsttij der
Middeleeuwen 3 (Haarlem, 1928), hfdst. XX: Het beeld en het
woord.
428Een plaats als de door Buitenrust Hettema (Uit
alle de wercken van Jacob Cats, t.a.p., blz. IX) aangehaalde uit het Houwelyck,
t.a.p., III, blz. ** 3 v° - ** 4 r°, zou op het tegendeel kunnen
wijzen, maar Cats heeft het hier over de drang tot schrijven, wat hij als een
hem door God opgelegde plicht gevoelde - niet over de drang om verzen te
schrijven, zoals een dichter die nolens volens krijgt.
429E.J. Potgieter, Het Rijksmuseum te Amsterdam
(in: Proza, 1837 - 1845 7 (Haarlem, 1886), blz. 311 - 375), blz.
353.
430J. Prinsen J.Lzn., Handboek tot de
Nederlandsche letterkundige geschiedenis 3 ('s-Gravenhage, 1928), blz.
342 - 343.
431J.L. Walch, Nieuw handboek tot de
Nederlandsche letterkundige geschiedenis ('s-Gravenhage, 1940 - ...), blz.
271.
432Derudder, l.c., p. 461.
433Cd Busken Huet, Litterarische fantasien en
kritieken, I (Haarlem, 1868), blz. 41 - 74.
435Mengelingen, achter de Hoff - gedachten (in:
Ouderdom, Buyten - leven, en Hof - gedachten, t.a.p.), blz. 70 - 71.
436.eKlagende maeghden (Dordrecht, 1633), II,
blz. 170 - 172.
437
Jan Jansz. Starter, Friesche lust - hof
(Amstelredam, 1621), blz. 2.
438Op de wercken van M.H. Jacob Cats. - Jacobus
Revius, Over-ysselsche sangen en dichten, uitgegeven door W.A.P. Smit, II
(Amsterdam, 1935), blz. 63.
439Een bibliografie waaruit het oordeel van
tijdgenoot en nakomeling zou blijken, ontbreekt nog. Bouwstoffen daarvoor vindt
men o.a. in: De la Rue, blz. 346 - 347; Buitenrust Hettema, Uit alle de wercken
van Jacob Cats, t.a.p., blz. V - VIII; Kalff, Studiën over Nederlandsche
dichters 2, t.a.p., blz. 127 - 140, 261 - 263; Te Winkel,
Ontwikkelingsgang 2, t.a.p., III, blz. 543 - 550; Maurits Sabbe,
Brabant in 't verweer (Antwerpen, 1931), blz. 187 - 189; Eug. de Bock. De
populariteit van Cats in Zuid - Nederland (Gedenkboek
A. Vermeylen (z. pl., 1932), blz. 329 -
330); Smilde, t.a.p., blz. 288 - 305. Over zijn invloed op de literatuur van
het buitenland zie men:
Johannes Bolte, Verdeutschungen von Jakob
Cats' Werken (Tijdschr. v. Ned. taal - en letterk., 16 (1897), blz. 241 - 251);
Sophie Schroeter, Jacob Cats' Beziehungen zur deutschen Literatur. I. Die
deutschen Uebertragungen seiner Werke (Heidelberg, 1905); J.E. Gilet, De
Nederlandsche letterkunde in Duitschland in de zeventiende eeuw (Tijdschr. v.
Ned. taal - en letterk., 33 (1914), blz. 1 - 31, vooral blz. 16 - 18); W. de
Hoog, Studiën over de Nederlandsche en Engelsche taal en letterkunde en
haar wederzijdschen invloed (Dordrecht, 1909), II, blz. 62; P.M. den Hoed, Iets
over de cultuur - aanraking van Nederland met Denemarken en Zweden (Haarlem,
1929), blz. 12 - 19.
440
Constantijn Huygens, Gedichten, t.a.p.,
VI (Groningen, 1896), blz. 287.
441Anth. Donker schreef over hem: ‘Het is
diezelfde kwezeligheid die den Nederlander verleidde om blijkens den eerenaam
in den opperkwezelaar Cats een Vader te huldigen’ (De Stem, 15 (1935),
II, blz. 716).
442Vgl. Anton van Duinkerken, Problemen van het
tweede plan (De Gids, 1942, I, blz. 190 - 191).
|
|