auteur: P.J. Meertens
bron:
P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en
de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers
Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van
Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2000 dbnl / erven P.J. Meertens

|
|
| |
Johan de Brune, de Oude
Johan de Brune (1588 - 1658)
499 werd op 29 Mei 1588
te Middelburg geboren uit een familie, die waarschijnlijk van
Vlaamse afkomst was. Zijn vader werd al in 1579 ouderling van de Hervormde kerk
in de Zeeuwse hoofdstad: misschien behoorde hij met zijn gezin tot de talrijke
emigranten, die al vóór de val van Antwerpen de
Vlaamse handelssteden verlieten en naar Zeeland trokken. In 1606 werd de
achttienjarige Johan te Leiden in de faculteit der rechten
ingeschreven. Na de voltooiing van zijn studie vestigde hij zich in zijn
vaderstad, waar hij de verdere duur van zijn leven zou blijven. Pas in 1617
werd hij beëdigd als advocaat bij het Hof van Holland. In de voorafgaande
jaren, die hij ambteloos doorbracht, zal hij ruimschoots gelegenheid hebben
gehad om de dorst naar kennis, die hem eigen was, te stillen. Dat hij bijna tot
zijn dertigste jaar ambteloos kon blijven, wijst er op, dat zijn vader in meer
of minder goede doen verkeerde.
Tot 1634 oefende hij te Middelburg de advocatuur uit; eerst in zijn
zes-en-veertigste levensjaar kwam hij als raad in de vroedschap. Vier jaar
later werd hij griffier van de Rekenkamer, in 1644 secretaris van de Staten, en
in 1649 raadpensionaris van Zeeland, wat hij negen jaar lang, tot aan zijn
dood, gebleven is.
De Brune is driemaal getrouwd geweest; in 1619 met
Maria Roels, dochter van een Middelburgse
geneesheer en kleindochter van de eerste raadpensionaris van Zeeland,
Christoffel Roels. Na de vroege dood van
deze vrouw hertrouwde hij in 1624 met
Catharina de Vroe, een Middelburgse
burgemeestersdochter, die hem in 1625 en in 1628 een zoon schonk. Beiden
stierven in 1649 op drie-en-twintigjarige en twintigjarige leeftijd in dezelfde
maand. Toen hem eind 1655 of begin 1656 ook zijn tweede vrouw ontviel, besloot
de kinderloze weduwnaar om nogmaals in het huwelijk te treden. In 1656 trouwde
hij
Maria le Sage, de weduwe van een broer van
Catharina de Vroe. Reeds twee jaar later, op 7 November 1658, stierf hij zelf
en werd bij zijn zoons in de Nieuwe Kerk te Middelburg begraven.
Als regent is De Brune, zomin als zijn voorgangers en zijn opvolgers
in de zeventiende eeuw, een man van betekenis geweest. Niet als zodanig, maar
uitsluitend als schrijver is zijn naam in onze geestesgeschiedenis blijven
voortleven als vertegenwoordiger van de Zeeuwse letterkunde van onze Gouden
Eeuw, als hoedanig hij, zowel wat zijn letterkundige betekenis als zijn
populariteit betreft, onmiddellijk na zijn landgenoot
Cats komt te staan.
| |
Theologisch-filologische werken
Het werk van
Johan de Brune vertoont het beeld van een
veelzijdig man met een humanistisch georiënteerde belangstelling, die naar
vele zijden van het leven uitgaat. De theoloog en de letterkundige uiten zich
in de vertaling van de ‘Proverbia, of, de Spreucken van Salomon’ (1619)
500, waarmee hij in zijn
één-en-dertigste levensjaar als schrijver debuteerde. Deze
overzetting, onmiddellijk uit de Hebreeuwse grondtekst, | | | | was
hoewel bestemd voor het grote publiek, tegelijk als een pleidooi bedoeld voor
de studie van de taal, die De Brune in het voetspoor van
Abraham van der Myl als de moeder van alle
talen beschouwde. In dezelfde lijn liggen een, waarschijnlijk kort daarop
ondernomen vertaling van het boek Prediker, die nooit uitgegeven is
501, en zijn overzetting van de ‘CL. Davids Psalmen’ (1644)
502 en van ‘Salomons Hoogh-lied’ (1647)
503. Zijn Psalmvertaling is een van de vele vergeefse
pogingen die in de zeventiende eeuw zijn ondernomen om de vertaling van Datheen
door een andere te vervangen. Die van De Brune was niet ten onrechte tot
mislukken gedoemd: de nauwgezette filoloog immers, die zich zo letterlijk
mogelijk aan de grondtekst wilde houden, stond de dichter in de weg, en zo
ontstond een vertaling, die bij gebrek aan rijm zowel als aan rhythme alle
voorwaarden miste om ingang te vinden bij een publiek, dat terecht meer op
stichting en welluidendheid dan op filologische nauwkeurigheid en
wetenschappelijke verdiensten lette
504. In zijn
vertaling van het Hooglied moet men wellicht een uiting zien van De Brune's
piëtistische neigingen, maar dan slechts wat de keus van het onderwerp
betreft, want in tegenstelling tot bv. Udemans heeft hij zich beperkt tot een
zuiver historisch-filologisch onderzoek van de tekst, zonder daarin ook maar
enige geestelijke toepassing te betrekken.
Zuiver stichtelijk van inhoud is het ‘Hemels-feest’ (1621)
505, een uitvoerig gedicht dat de lof van het
Heilig Avondmaal bezingt, het goddelijk geheimenis dat God vooral aan de
‘cleyn en slechte lien’ die de kerk plegen te bezoeken, geopenbaard
heeft. De groten der aarde leven in zonde en ongerechtigheid voort, wat eenmaal
hun verderf zal worden, maar die klein geacht worden in de ogen der wereld zijn
groot voor God, omdat zij zijn geboden volgen. We vinden in dit in
alexandrijnen geschreven gedicht nauwelijks iets terug van die pittige,
kernachtige, samengedrongen stijl, die we in De Brune's latere werk zo zullen
bewonderen. Al kan moeilijk van navolging worden gesproken, de invloed van
Cats' oudste gedichten is in het ‘Hemels-feest’ met weinig moeite
aan te wijzen.
| |
Grond-steenen
Hoezeer De Brune's proza boven zijn poëzie staat, blijkt al
dadelijk wanneer men dit gedicht vergelijkt met de nog in hetzelfde jaar
verschenen ‘Grond-steenen van een vaste regieringe’
506. Al bevat deze verhandeling verscheidene zwakke passages, in een
nog ongeoefende stijl geschreven, daarnaast staan vele vlot en levendig
geschreven bladzijden, die bewijzen hoezeer De Brune een scherp waarnemer was
van het eigenaardige en ingewikkelde samenstel van de menselijke geest. In het
jaar, waarin het Bestand een einde zou nemen, en de oorlog tegen Spanje zou
worden voortgezet, zet hij in dit betoog zijn denkbeelden uiteen over de
regeringsvorm van de staat, en verbindt daaraan een aansporing tot
eensgezindheid, nu de jonge Republiek opnieuw bedreigd wordt. Als enig leidend
beginsel ziet hij, Calvinist in hart en nieren, het richtsnoer van de Heilige
Schrift. In de heersende kerkstrijd staat hij onvoorwaardelijk aan de zijde van
de Contra-Remonstranten, maar zijn geest is onafhankelijk genoeg om, waar hij
die aantrof, de oprechtheid van de tegenstander en de geveinsdheid van de
partijgenoot te signaleren. Onpartijdigheid van oordeel is zeker een van de
meest typerende eigenschappen van De Brune, die in zijn werk tot uiting komt in
een felle verontwaardiging over alle schijn in het leven, over geveinsdheid en
een zekere soort van vrijdenkerij, die in wezen niets anders dan bekrompenheid
is
507. De
waarheid | | | | en oprechtheid gaan hem boven al. ‘Daer de
waerheid is’, schrijft hij in het ‘Bancket-werck’, ‘al waer 't oock in een
Turck of Tarter, daer moet zy gelieft, en op haer schoonsten dagh gestelt
werden. Veel teere zieltjes zijn schouw van een Paeps of Arminiaens boeck te
handelen: maer in die leeme en verachte hutjens, woonen oock Goden: ghelijck de
Philosoof sprack. Dat onze passien niemand onbezuyst op 't lijf en loopen: maer
laet ons de honingh-rate zoecken, tot binnen in de kele van de leeuw’
508.
Uit al het werk van De Brune spreekt het piëtistisch karakter
van zijn geloofsleven. Zijn lofdicht op de ‘Balsem Gileads’ (1622) van
Willem Teelinck
509 doet hem kennen als een
geestverwant van deze vader van het Zeeuwse Piëtisme, die sinds 1613 als
predikant in Middelburg stond. Op stellige wijze keert hij zich tegen de
verwereldsing van het leven, zoals hij die onder alle standen van de
maatschappij meer en meer baan ziet breken. Met Huygens en Hondius maakt hij de
modezucht belachelijk; in een van de weinige lofdichten die we van hem kennen,
geschreven voor het ‘Costelick mal’ (1623)
510, maakt de felle
verontwaardiging hem welsprekender dan hij doorgaans in zijn verzen pleegt te
zijn. Dobbelspel en dans keurt hij met nadruk af
511. De
eigenaardige vermenging van het triviale met het geestelijke, o.a. ter
aanduiding van de nietswaardigheid van de mens en het menselijk lichaam, vindt
men bij De Brune evenzeer als bij andere Piëtisten
512. Piëtistisch
is tenslotte ook zijn beklemtoning van de droefheid die naar God is en die
‘een on-berouwelicke beteringhe ter zalicheyd uyt-werckt’
513. Aan de andere
kant is hij een te nuchter man om de misbruiken, waartoe het ascetisch
Piëtisme zou leiden, niet op te merken en te veroordelen
514, wat hij ook
ten opzichte van de rigoureuze Sabbatsviering en het gebruik van de tale
Kanaäns doet
515. En al spreekt hij
ergens over ‘'t Pausdoms dicke nacht’
516 en over
‘d'afgodische Papisten’
517, in
vergelijking tot zijn calvinistische tijdgenoten zijn dergelijke uitingen
schaars en zachtzinnig te noemen
518.
Zo treedt de figuur van deze regent-auteur ons uit zijn werk tegemoet als een
oprecht belijder van een rechtzinnig, piëtistisch getint Calvinisme, dat
genoeg van de geest van het Humanisme in zich heeft opgenomen om ook
andersdenkenden recht te laten weervaren, en te eerlijk is om blind te zijn
voor de zonden en tekortkomingen in eigen kring.
| |
Emblemata
Met de bundel ‘Emblemata of Zinne-werck’ (1624)
519 offerde De Brune aan een literaire mode van
zijn dagen, waarin o.a. Cats hem al was voorgegaan. Evenals bij deze andere
Middelburgse dichter overwoekert ook bij hem het stichtelijk-moraliserende
element het literaire, dat naar de achtergrond wordt geschoven. De sierlijk
getekende prenten van Adriaen van de Venne,
Willem van de Passe en andere kunstenaars
zijn voor hem, naar de wijze der emblemata-dichters, slechts een aanleiding om
er bepaalde gedachten aan vast te knopen. Na het achtregelige onderschrift op
rijm volgt de ‘wt-breydinghe’ in proza, vele bladzijden lang, die
hier en daar door verzen van ongelijk formaat wordt afgewisseld. In dit alles
krijgt De Brune volop de gelegenheid, enerzijds om zijn moralistische
levensopvattingen uiteen te zetten, anderzijds om zijn rijke en veelzijdige
kennis van klassieke en moderne schrijvers te pas te brengen. Vergelijkt men De
Brune's emblemata met die van Cats, dan is wel het meest kenmerkende
onderscheid dat de eerste veel geleerder en moeilijker van stijl zijn dan de
laatste. De Brune heeft er nooit naar gestreefd, een schrijver voor het volk in
zijn brede laag te zijn, maar zich in zijn schrijven altijd afgestemd op een
lezerskring van een meer dan middelmatige eruditie.
| | | | ‘Verbeteringhe van verscheijden feijlen onser
eeuwe’ was naar de bewoordingen van het titelblad, het doel dat De Brune
zich met het schrijven van zijn ‘Emblemata’ voor ogen had gesteld. Hij was niet
de enige die het verdroot met de toenemende voorspoed en welvaart in het
volksleven ook de tuchteloosheid, de tweedracht, de weeldezucht en allerlei
andere ondeugden te zien opkomen. Zolang de jonge Republiek moest vechten voor
haar bestaan, hadden haar burgers in eenvoud en eendracht met elkaar verkeerd,
daartoe door de nood gedwongen. Zodra was de overwinning niet behaald of de
weeldezucht nam zienderogen toe, en wie schouder aan schouder in het vuur
hadden gestaan, keerden zich verwoed tegen elkaar toen van de
gemeenschappelijke vijand geen gevaar meer dreigde. Oprecht vaderlander als De
Brune was, moest deze gang van zaken hem verdrieten, nog afgezien van het feit
dat hij ze als Christen moest veroordelen en bestrijden. Met lede ogen heeft
hij de kerkelijke twisten aangezien, waarvan de herinnering hem nog zo vers in
het geheugen lag. ‘Wie en ziet oock noch niet’, zo luidt zijn
rhetorische vraag, ‘de schandelicke lid-teeckens (en God gheve, dat de
roove nu van de wonde ghevallen zy) van het staet-lichaem, daer van wy ons
verblijden levendige leden te zijn? hoe verre zijn wy van een al-ghemeyn
bloed-bat, van een onderlinge vleeschslachtinghe geweest? en waerom doch? als
om de bittere partyschap, en een deel breyn-ziecke hoofden, die liever hadden
gezien de om-keeringhe van onze staet, als de uyt-keeringe van hare vervuylde
mage te verlaten’
520. In
lyrische bewoordingen is zijn lof van de eendracht gesteld: ‘Gheluckighe
dan, en dry-dubbel gheluckige eenigheyd, dochter der godvruchtigheyd, zuster
der gherechtigheyd, moeder van alle voor-spoed en wel-varen! door de welcke het
ghene swack is, wert sterck ghemaeckt; het ghene in ghevaer is, verzekert; het
ghene slaef-dienstigh is, in vryheyd gestelt wert: eenigheyd, deur welcke niet
alleenelick groote dinghen behouden, maer oock de alder-kleynste groot werden:
eenigheyd, door welcke de menschen van verscheyden aerd, en ghelegentheyd, in
eene genegentheyd en wille vereenight werden, de burghers ghelijck als broeders
en bloed-vrienden, en de stad ghelijck als een huysghezin gemaeckt wert:
eenigheyd, on-waerdeerlicke schat, waer door de steden in rijckdom bloeyen, tot
groot-achtinghe verheven, en in grooter weerdigheyd behouden werden. Derhalven
weerde burghers, en land-ghenooten, elck een biede de hand, elck een brenge
steenen aen, om een eeuwigen tempel voor deze hemelsche vrouwe op te richten.
Den hemel ghebied ons zulcks, de nood prickelt ons, en de vruchten nooden ons
daer toe. Geen rijcke of land en isser oyt vergaen, daer de eenigheyd
ongheschonden is ghebleven: gheen en isser oyt verwoest, dan daer on-eenigheyd
voorghegaen is’
521. De Brune weeft
hier voort aan het weefsel, dat hij in de ‘Grond-steenen’ had opgezet. Zo er onder de
Zeeuwse auteurs van zijn tijd één goed patriot is geweest, dan
was hij het. ‘Heyligh vader-lant’, noemt hij het in de opdracht van
dit werk, ‘herberghe van Gods kercke, kleyn begrijp des weerelds, roem
des aerdbodems, Ceres paradijs, pryeel der Veld-goddinnen, Pomonas genughte,
Neptuni verlustinghe, queeckerije der rechter Zee-kinderen, hooghe schole van
Mars, voester der beleeftheyt, baer-moeder van groote verstanden, wt-vinster
van alle konsten, duysent-vryersche maecht, teghen-ghewicht der koninckrijcken,
jae van alle staten des weerelds’
522.
Hier ontmoeten de Renaissance en het Calvinisme elkaar: de Renaissance, die de
nationale gevoelens versterkt en verdiept had, het Calvinisme, dat onder alle
nationale goederen er geen zo hoog stelde als Gods kerk. De Brune's leven
beweegt zich tussen de polen van zijn geloof | | | | en zijn
staatsburgerschap, en zo ziet hij het vaderland eerst en vooral als de
schuilplaats van de ware kerk
523. ‘Den rechten dienst van God, de vryheyt van ons lant’,
in deze regel uit het motto-vers van de ‘Grond-steenen’
524 heeft hij in één adem zijn beide idealen
genoemd.
In hetzelfde jaar 1634, waarin hij als raad van Middelburg zijn
ambtelijke loopbaan begon, schreef hij een Latijnse inleiding voor de op
initiatief van de Staten uitgegeven herdruk van
Eyndius' ‘Chronicon Zelandiae’
525 en een lofdicht in zijn moedertaal voor de
tweede uitgave van de ‘Oude chronijcke ende historien van Zeelandt’ van
Jan Reygersberch
526. Beide getuigen van zijn belangstelling in de geschiedenis
527. In Eyndius waardeert hij de historieschrijver van nieuwere
opvattingen, die niet - als
Reygersberch - klakkeloos overschrijft wat
anderen vóór hem hebben geschreven, hoe dwaas het ook mag zijn,
maar die met een kritische blik de mededelingen van zijn voorgangers bekijkt en
het geloofwaardige van het ongeloofwaardige schift. Zowel de Latijnse opdracht
aan de Staten van Zeeland, tevens inleiding op het werk van Eyndius, als het
Nederlandse gedicht op de Zeeuwse wapenspreuk voorin Reygersberchs kroniek,
zijn een aanwijzing voor De Brune's Zeeuwse gevoelens
528.
| |
Nieuwe wyn in oude le'er-zacken
De verzameling van ruim zeven duizend berijmde spreekwoorden, die De
Brune in 1636 onder de titel ‘Nieuwe wyn in oude le'er-zacken’
529 uitgaf, is niet alleen als een intermezzo in
zijn werk te beschouwen, evenmin als alleen maar een tijdverdrijf, en nog
minder als een offer aan een literair modegenre, dat sinds de Renaissance
populair was geworden
530. Hoezeer De Brune in spreuken en spreekwoorden levenslang een meer
dan oppervlakkige belangstelling heeft gehad, blijkt wanneer men de lijst van
zijn werken met enige opmerkzaamheid beschouwt. Zijn debuut was een
gecommentarieerde vertaling van Salomo's spreuken, en in bijna al zijn volgende
boeken heeft hij aan de spreekwoordenschat van vroeger en later tijd, van eigen
en vreemde bodem een ruime plaats ingeruimd. Ook in dit opzicht sluit De Brune
zich nauw aan bij Cats, wiens ‘Spieghel van den ouden ende nieuwen tijdt’ (1632)
vier jaar vóór De Brune's spreekwoordenverzameling verschenen
was. Het pregnante, dat het spreekwoord eigen is, moest De Brune, die altijd
naar een kernachtige, bondige stijl heeft gestreefd, bijzonder liggen. De
bedoeling die hij met het uitgeven van dit boekje had, was o.a. dat de
Nederlanders hun spreekwoordenrijkdom met die van andere volken zouden
verrijken, al wijst hij er in het voorbericht met nadruk op, dat vele
zegswijzen te zeer aan de karaktertrekken van het volk, dat ze bezigt,
herinneren dan dat men ze zo zou kunnen vertalen, dat ze niets van hun waarde
verliezen. Vooral in zijn ‘Bancket-werck’ - eigenlijk een verzameling van
gecommentarieerde spreekwoorden - heeft De Brune gelegenheid gekregen nog
honderden ten dele weer andere spreekwoorden en zegswijzen in zijn tekst in te
lassen.
| |
Siel-gerechten
De ‘Siel-gerechten’ (1632)
531 sluiten zich nauw bij de ‘Emblemata’ aan. Behoudens de platen, die in deze
nieuwe bundel ontbreken, bezit dit boek geheel en al het
stichtelijk-didactische onderhoudende karakter van een emblemata-bundel. Het
stichtelijke element is nu echter op de voorgrond gekomen ten koste van het
anekdotische. In de beeldende stijl herkent men nog duidelijker de auteur van
het ‘Bancket-werck’, die zonder omwegen tot de kern der
dingen gaat, recht op zijn doel af. De ‘schotelen, die in dit
| | | | schrift, als een monsterken, aengerecht werden’, zoals De
Brune ze met een zinspeling op de titel noemt, houden korte bespiegelingen in
over een kleine tachtig onderwerpen, in hoofdzaak uit het gebied der zedeleer:
‘meest korte en af-gebrokene in-vallen’, noemt hun schrijver ze
zelf, ‘maer die op den aessem passen van kort-borstighe menschen,
ghelijck-er vele ghevonden werden’
532. In de herdruk
van 1660 volgt achter iedere prozatekst een ‘naerdere bedenckinge,
dienende tot bancket’ op het voorafgaande zielgerecht, die in een aantal
tweeregelige berijmde spreuken eenvoudige volkswijsheid ten beste geven. Ook
hier blijkt de prozaschrijver ver boven de dichter te staan.
| |
Bancket-werck
Tegen het eind van zijn leven heeft De Brune de kroon op zijn werk
gezet door het schrijven van zijn tweedelige ‘Bancket-werck van goede gedachten’ (1657 - 1660)
533. Al een kwarteeuw tevoren had
hij, in de inleiding van zijn ‘Siel-gerechten’ (1632), de verschijning van dit
boek aangekondigd; klaarblijkelijk is hij er dus heel lang mee bezig geweest.
Hij vergelijkt zich daar met een winkelier, die ‘als met kleyne
saussierkens’ de smaak van het publiek heeft willen toetsen, en nu,
‘ghelijck achter den toogh’ staat te luisteren ‘wat danck de
weerd behaelen zoude, indien hy zijn gasten met een grooter bancquet vertoeven
zoude’
534.
Deze vergelijking ging overigens niet in alle opzichten op, want het
banket, dat De Brune zijn klanten voorzette, liep niet over van zoetheid. Als
in al zijn vroeger werk, maar in 't bijzonder in de ‘Emblemata’,
heeft hij vooral in dit zijn laatste boek zijn vermanende stem doen horen tegen
de geest van zijn eeuw. Tegen alle zonden die de Heidelbergse catechismus van
Zondag tot Zondag opsomt, heeft de oude man zijn stem verheven, vermanend en
bedreigend, maar bovenal opwekkend tot bekering. Wel is zijn scherpste wapen de
spot - en de spot van een wijze en gerijpte grijsaard kan scherp zijn! - maar
meermalen is de droefheid om het verval, dat hij overal om zich heen ziet, hem
te machtig en geeft hij alleen maar uiting aan zijn teleurstelling over een zo
groot zedenbederf. Somber is zijn klacht over de predikanten van zijn dagen,
zij die geroepen zijn om ook in hun leven een richtsnoer te zijn voor de
gemeente, maar die integendeel, de goede niet te na gesproken, ergernis en
opspraak verwekken. Maar in hoger mate nog dan de kansel wekt 's lands
raadzaal, het ‘hof’, zijn ergernis als broednest van slaafse
hovelingen, ‘het rampzaligh ghebroed van loftuyters en
flicke-floyers’
535,
over wier afzichtelijk bedrijf hij zijn verontwaardiging herhaaldelijk en op
ondubbelzinnige wijze uit. Democraat als De Brune was, moest dit onmannelijke
gevlei en gekonkel hem wel diep verachtelijk voorkomen, wat ook daaruit blijkt
dat hij telkens weer op dit onderwerp terugkomt
536.
In zijn dikwijls sombere kijk op de maatschappij doet De Brune aan
zijn iets oudere tijdgenoot
Petrus Hondius denken. Ook bij De Brune
vinden we die philippica's tegen de ‘vleeschelicke liefde’, die
spot met de verliefdheid der jongeren en de dwaasheden der verliefden, die
verachting voor de ‘Venus-verckens’, die zich tomeloos aan het
genot van hun zinnelijke lusten overgeven. Het ‘Tafereel van de liefde’ uit de ‘Zeeusche Nachtegael’ is de prélude op het
koraal, waarvoor in de ‘Emblemata’ en de
‘Siel-gerechten’ alle registers worden opengetrokken. Zijn
bestrijding van de excessen der liefde en haar donkere zijde neemt meermalen
het karakter aan van een aanval op de vrouw en het huwelijk zonder meer. In de
vrouw ziet hij vooral de typische vrouwelijke ondeugden: grilligheid,
heerszucht, lege ijdelheid, snapzucht en trouwlust
537 al | | | | erkent
hij daarnaast dat zij meer dan de man voorbeschikt is tot een Christelijke
levenswandel
538. Van het huwelijk zegt
hij niet veel goeds, vooral in zijn ‘Bancket-werck’
539, maar in de
‘Emblemata’ heeft hij tot twee keer toe het huwelijk verheerlijkt
540 en was De Brune niet
zelf drie keer getrouwd? Dezelfde lange lijst van menselijke zonden en
tekortkomingen, waartegen de zwartgallige predikant van Terneuzen op ongezouten
wijze zijn waarschuwende en vermanende stem verheft, vinden we in de boeken van
De Brune terug, maar terecht merkt zijn biograaf op, dat de subjectieve en
overdreven beschouwingen over de geest der eeuw, in de trant als De Brune ze
gaf, ons meer de persoonlijke geaardheid van de aanklager van het ware karakter
van zijn tijd en zijn omgeving doen kennen
541. Bovendien leren we er
uit, dat De Brune een waardig vertegenwoordiger was van de
didactisch-moralistische neigingen, die ons volk van oudsher eigen zijn
geweest.
| |
De Brune naast Cats en Huygens
Een vergelijking van De Brune met Cats dringt zich als het ware op
aan wie bedenkt dat deze beide Zeeuwen, die nagenoeg in hetzelfde jaar geboren
waren, beiden schreven en dichtten, beiden Calvinist en Piëtist waren en
beiden het raadpensionarisambt bekleedden, de een in Zeeland, de ander in
Holland. Voor deze vergelijking is nog te meer reden omdat De Brune er
kennelijk naar gestreefd heeft, ‘het licht der Zeeuwen, de arts-vader van
onze poëten’
542 na te
volgen; al in de ‘Zeeusche Nachtegael’ merkt hij op, dat zijn
nieuwgeboren Muze ‘geen meerder hooveerdy en heeft, als dat sy den
artsch-vader van onse Zeeusche poëten, niet alleen tot een vader, maer een
lieftallighe vriend heeft’
543.
Een verschilpunt, dat niet alleen maar de uiterlijke vorm betreft,
ligt in de verschillende materie waarvan deze beide Zeeuwen zich bedienen om
hun gedachten te uiten. Cats hanteert bij voorkeur en nagenoeg uitsluitend de
poëzie. De Brune heeft weliswaar ook heel wat aan elkaar gerijmd, maar met
een haast opzettelijk schijnende achteloosheid, en terwijl hij zijn gebonden
stijl meer en meer verwaarloosd heeft, wordt zijn proza steeds meer verzorgd en
vervolmaakt
544. De Klassieken, Cicero en
vooral
Seneca, zijn hem tot voorbeeld geweest;
van hen heeft hij de sierlijke eenvoud geleerd waardoor zijn stijl zich van
zovelen onder zijn schrijvende tijdgenoten gunstig onderscheidt. ‘Een
fraeye tael dringht in als stael’
545,
en De Brune wilde ‘indringen’ in het gemoed van zijn lezers.
Terwijl hij enerzijds streeft naar een zodanig duidelijke vorm, dat elke lezer
hem zou kunnen verstaan, weet hij anderzijds zijn stijl te behoeden voor
alledaagsheid en trivialiteit - wat van Cats nu juist niet gezegd kan worden.
Zijn proza, dat het meest aan de poëtische stijl van
Huygens doet denken, is krachtig en
gespierd. ‘Een mannelicke tale moet kort en geschort wezen, met woorden,
die klem en naer-druck hebben’
546. Met Huygens
heeft hij de puntigheid van uitdrukking gemeen, die het werk van de heer van
Zuylichem na drie eeuwen nog zijn frisheid en originaliteit deed behouden, en
die om dezelfde redenen ook De Brune's proza nog lezenswaard maakt. Vergeleken
bij deze pittige aforismen doen de ellenlange uitweidingen van Cats ons flauw
en verbleekt aan.
Tussen de algemene strekking van De Brune's werk en dat van Cats
bestaat in feite geen verschil. Beiden streven eenzelfde doel na: hun
landgenoten te doordringen van de grondwaarheden der Christelijke geloofs- en
wereldbeschouwing, en hen in de geest van deze leer op te voeden tot het
Christelijke burgerschap. Beider werk bedoelt een spiegel te zijn, waarin de
mens zijn eigen geschonden gelaat zal kunnen her- | | | | kennen, om door
deze zelfherkenning tot zelfopvoeding te komen. Opbouwend en onderwijzend staat
de inhoud bij hen voorop: de vorm is bijzaak, al streeft De Brune steeds naar
verbetering van zijn stijl. Het zijn juist deze literaire aspiraties, die aan
zijn werk een aanmerkelijk minder grote populariteit hebben geschonken dan aan
dat van Cats. Cats stelde zich volkomen in op de weinig diepzinnige, vooral
visueel aangelegde geest van zijn lezers; hij wist dat beelden, aan het
huiselijk leven ontleend, aan de ons omringende natuur ontnomen, tot de lezers
zouden spreken, en dat de abstractie aan hun aandacht zou ontgaan. De Brune
daarentegen zocht meer het wezen der dingen dan de uiterlijke
verschijningsvormen, waarin deze zich openbaren. Het noodzakelijke gevolg van
deze min of meer filosofische instelling was, dat de grote massa hem niet
altijd in zijn gedachtengang heeft kunnen volgen. Het kernachtige van zijn
betoogtrant, dat vooral in het ‘Bancket-werck’ zo op de voorgrond
staat, verleent aan zijn stijl een onmiskenbare bekoring, waarbij de dikwijls
zo laag-bij-de-grondse rijmelarij van Cats onbeholpen aandoet. Het was echter
tegelijk de oorzaak, dat het gewone volk liever naar het doorzichtiger werk van
Cats greep, dat generlei inspanning van de geest vereiste, dan naar de zoveel
diepzinniger boeken van De Brune. Wat deze daardoor aan populariteit bij zijn
tijdgenoten inboette, vergoedt het nageslacht hem met zijn grotere
waardering.
Cats heeft de lof, hem in de ‘Zeeusche Nachtegael’ door
De Brune toegebracht, in een lofdicht voor het eerste deel van het
‘Bancket-werck’
547 en in een lijkdicht, dat voor het
tweede deel is geplaatst
548, vergolden. Overigens blijkt nergens uit, dat deze beide Zeeuwen
elkaar gekend hebben, al ligt het voor de hand dat zij elkaar
vóór Cats' vertrek naar Dordrecht herhaaldelijk ontmoet zullen
hebben, sinds 1620, toen De Brune diaken werd, ook in de kerkeraad. Het zou de
moeite waard zijn, iets te weten over de omgang tussen deze twee zo verwante
geesten, maar we zijn slechts op gissingen aangewezen. Iets meer weten we over
zijn relaties tot
Huygens. De Brune schreef in 1622 een
lofdicht voor het ‘Costelick mal’
549, klaarblijkelijk had hij toen al kennis gemaakt met de jonge
dichter, die weldra zou blijken in menig opzicht zijn geestverwant te zijn
550. In 1644,
bijna een kwarteeuw later, zond hij hem met een begeleidende brief zijn
Psalmvertaling toe
551, waarover zij
in briefwisseling geraakten. Op
Huygens' instigatie begon De Brune dadelijk
na de verschijning aan een tweede uitgave te werken, die hij al het volgende
jaar aan Huygens ter beoordeling toezond, maar die niettemin pas in 1650 het
licht zag
552. Toen
Huygens hem in 1655 de herdruk van zijn ‘Momenta desultoria’ toezond, kondigde De Brune in
zijn bedankbrief de verschijning van zijn ‘Bancket-werck’ aan
553. Eerst anderhalf jaar later kon hij zijn
belofte gestand doen
554 en Huygens een
exemplaar van het boek zenden, waarvoor deze oude vriend een sonnet en een
epigram had gedicht. Beide Christen-Humanisten moesten zich tot elkaar
aangetrokken gevoelen; wie hun denkrichting vergelijkt, zoals die in hun werk
tot uiting komt, ontwaart nauwelijks enig verschil. Maar ook bij Huygens
vergeleken blijft de figuur van De Brune, als bij Cats, in de schaduw; als
kunstenaar is hij stellig zijn mindere. Huygens' verzen staan niet alleen ver
boven die van De Brune, wat voor deze trouwens geen blaam behoeft in te houden,
maar ook de eigenschappen van De Brune's proza staan ver achter bij die van
Huygens' poëzie. De Brune's stijl mag pittig zijn, hij mist het
pétillante dat Huygens' verzen eigen is, de verrassende wendingen, de
geestige woordspelingen, de keurigheid van zegging, die bij Huygens nooit tot
lager peil dan het meer dan middelmatige daalt. | | | | ‘Koper om goud’ is dan misschien wat te
sterk uitgedrukt, zilver om goud was de ruil van het
‘Bancket-werck’ tegen de ‘Momenta desultoria’ stellig wel.
Men mag aannemen dat De Brune Huygens maar sporadisch ontmoet heeft
in zijn leven, zoals ook Cats na diens vertrek uit Middelburg. Ofschoon zijn
ambt hem in later jaren, als secretaris der Staten, later als raadpensionaris,
meermalen naar Holland zal hebben gevoerd, heeft hij het grootste deel van zijn
leven rustig in Middelburg doorgebracht. Daar heeft hij, nauwelijks
van de Leidse hogeschool teruggekeerd, Gomarus ontmoet, die er van 1611 tot
1614 predikant was, en die jaren na zijn vertrek, als hoogleraar te Groningen,
hem zijn verhandeling ‘De evangelio Matthaei quanam lingua sit scriptum’
(1627)
555 zou opdragen. Langer
heeft hij er
Willem Teelinck gekend, met wie hij negen
jaar in de kerkeraad heeft gezeten, en ook Herman Faukeel, op wie hij een
grafschrift dichtte
556. Ook met de predikant-astronoom
Philips Lansbergen was hij bevriend, zoals
uit een lofdicht op een van Lansbergens boeken blijkt
557. Maar zijn meeste vrienden zal De Brune onder de
Middelburgse regentenstand hebben gevonden, waartoe hij weliswaar niet
krachtens geboorte behoorde - het beroep van zijn vader is ons onbekend
558 -
maar waarin hij door zijn huwelijk zowel als door zijn ambten volledig werd
opgenomen. Zijn zwager
Willem Roels, raad en schepen van
Middelburg, later president bij het Hof van Vlaanderen, heeft hij geestig
getekend in de ‘Domburghs-reyse’
559.
Aan
Steven Cornelisz. Tenys, lid van
gecommitteerde raden en raad van de admiraliteit, een huisvriend al van De
Brune's ouders, en de voogd van zijn tweede vrouw, droeg hij zijn
‘Emblemata’ op, aan diens schoonzoon
Johan de Knuyt, representant van de Eerste
Edele van Zeeland, zijn ‘Nieuwe wyn in oude le'er-zacken’. Voor het eerste
deel van zijn ‘Bancket-werck’ - zijn oudere werk is zonder
lofdichten verschenen - schreven
Willem Quirynsen, de rijke en invloedrijke
burgemeester van Middelburg, een kleinzoon van de stichter van het huis
‘De Gouden Sonne’,
Johannes Wilmerdonx, rector van de Latijnse
school, de advocaat-fiscaal Cornelis Boey, de Haagse fiscaal van de Hoge
Krijgsraad
Pieter van Gelre, de conrector van de
Latijnse school Izaak van Hoornbeek, met
Cats en Huygens lofdichten, voor het tweede
deel de Delftse predikant Volkerus ab Oosterwijck (1603 - 1675), de schrijver
van ‘Gezangen op het Hooglied’ (1655) en andere
stichtelijke werken, een ons onbekende C. Keizer en tenslotte nogmaals Cats.
Ook met de dertig jaar jongere medicus-theoloog
Johannes de Mey (1617 - 1678), sinds 1649
predikant te Middelburg, ging hij vriendschappelijk om; dit mogen we althans
hieruit opmaken, dat deze in zijn ‘Hand-boeck der spreucken Salomons’ (1657) een
zestigtal door De Brune berijmde spreuken - over 't algemeen erbarmelijk van
stijl - opnam
560.
Als een Christen-moralist en -Humanist heeft Von Winning ons het
beeld van deze regent getekend. Het Christelijke element staat in deze
kenschetsing voorop; het humanistische in zijn persoonlijkheid staat op het
tweede plan. De wijsheid en de wetenschap der Klassieken heeft De Brune, kind
van zijn tijd en van de maatschappelijke klasse, waarin hij was geboren, zich
geheel eigen en vertrouwd gemaakt; men kan zelfs zeggen dat ze met zijn leven
vergroeid is. Maar deze wijsheid is voor hem nooit het laatste woord, en nooit
ook heeft zij in zichzelf haar rechtvaardiging. Alleen in het licht van het
Christendom komt zij tot haar recht, alleen in dit schijnsel bezit zij waarde
en betekenis. Zo was, als voor Cats, voor Huygens, voor
Vondel, voor al onze zeventiende-eeuwse
| | | | Christen-dichters, die de invloed van het Humanisme hebben
ondergaan, ook voor De Brune het Christendom in laatste instantie het enige
richtsnoer van zijn leven; de wijsheid van het Humanisme kon daar gloed en
glans aan verlenen en het zelfs verrijken en verheffen, maar nooit kon het het
fundament zijn, waarop het gebouwd was.
|
499Zie over hem: De la Rue, blz. 41 - 46;
Nagtglas, I, blz. 86; N.N.B.W., IV, kol. 333 (W. Zuidema); C.H.O.M. von
Winning, Johan de Brune de oude. Een Zeeuwsche Christen-moralist en Humanist
uit de zeventiende eeuw (Groningen - Den Haag, 1921). - Na de vrij recente
monografie van Von Winning kon ik aan deze auteur een beknopter bespreking
wijden dan waarop zijn betekenis hem recht geeft.
500Proverbia, of, de Spreucken van Salomon: nu
eerst uyt de Hebreeusche in onze Neder-duytsche tale over-gheset ende in alle
duystere plaetsen uyt-gheleght ende ver-klaert door Johannem de Brune J.C. Tot
Middelburgh, by
Simon Moulert, boeckver-cooper woonende op
den Dam, by de oude Beurse anno 1619 (XVI, 238 blzn.; 8vo). - Het boek is
opgedragen aan de Middelburgse kerkeraad.
501Vgl. Emblemata (Amsterdam, 1624), blz. 301:
‘De stoffe van dit zinnebeeld is geleent, uyt het elfde capittel van den
Predicker: dien ick (God willende) onlangs zal in 't licht brengen, nieuwelicks
van my, uyt den Hebreeuschen oorsprongh over-ghestelt, en in alle duystere
plaetsen, naer mijn geringe moghelickheyd, uyt-geleght en
verklaert’.
502De CL. Davids Psalmen, uyt de Hebreeusche in de
Nederlantsche tale van woord tot woord over-geset ende met de nieuwe
oversettinge des Bybels over-een-komende. Door mr. I. de Brune, secretaris van
de Ed. Moghende Heeren Staaten 's Lands ende graeflijckheyts van Zeelandt. By
Zacharias ende
Michiel Roman, boeckvercoopers woonende op
den Burcht inden vergulden Bybel anno 1644. Met privilegie, voor 13 iaren (350
ongen. blzn.; 8vo). - Deze vertaling is door De Brune opgedragen aan de
Staten-Generaal. - Herdruk: Amsterdam, 1650.
503Salomons Hoogh-lied, met verklaringhe van de
historische ende letterlicke zin: tot ontdeckinghe van vele duysterheden en
zwarigheden. Door Ioh. de Brune, secretaris van de Ed. Mogh. Heeren Staten van
Zeelandt. Te Middelburgh, by Anthony de Later, ordinaris stadts drucker. 1647
(XII, 96 blzn.; 12mo).
504Vgl. over De Brune's Psalmvertaling: Von
Winning, t.a.p., blz. 171 - 176. -
Voetius roemde deze vertaling als de beste
die hij kende: ‘Sed nunc omnes omnium inventiones superavit nova,
ingeniosa, et erudita idustria ampliss. consultiss. et multiplici eruditione
excultissimi viri D. Johannis de Brune illustr. Zelandiae ordd. syndici, qui
purum putum textum sacrum ex hebraeo fideliter expressum, numeris tamen
adstrictum, et cantui ecclesiastico adaptatum dedit’. -
Gisb. Voetius, Exercitia et bibliotheca
studiosi theologiae 2 (Ultrajecti, 1651), p. 529. - De herdruk van
1650 is rhythmischer, maar niettemin nog verre van dichterlijk.
505Hemels-feest, ofte god-vruchtighe roeringhen,
in-ghevallen by ghelegentheyt van de betrachtinghe van Christi heylighe
maeltijdt. Spe et metu. Tot Middelburgh, ghedruckt by
Hans vander Hellen. 1621 (XVI blzn. 8vo)
(Nat. Bibl., 's-Gravenhage).
506De grond-steenen van een vaste regieringe,
gheleyt end uytgestelt tot bericht end nuttigheyt van alle goede vaderlanders.
Door J.D.B.J.C. Spe et metu. Tot Middelburgh, gedruckt by Hans van der Hellen,
voor
Jan Pieterssen van de Venne, wonende op
den hoeck van de nieuwe Burse 1621 (XVI, 192 blzn.; 8vo). - De Brune droeg dit
boek op ‘Aende Ver-eenighde Nederlanden’. - Herdruk: Gorinchem,
1661.
507Vgl.Von Winning, t.a.p., blz. 46.
508Bancket-werck van goede gedachten, I
(Middelburgh, 1657), no. CXLVII.
509Aen mr. Willem Teellinck, ghetrouwe man Gods,
ende ware bedienaer van sijn ghemeente, op dit selve bouck. - Willem Teellinck,
Balsem Gileads (Middelburgh, 1622), blz. *** 4 r° - v°. - Ook in de
Zeeusche Nachtegael, III, blz. 48 - 50.
510Aen den hoogh-gheleerden heer
Constantin Huygens, op het uyt-gheven van
syn Costelick mal, ende Haeghsche Voor-hout. - Constantin Huygens, 't Costelick
mal (Middelburgh, 1622), blz. * 3 r° - v°.
511Vgl. Von Winning, t.a.p., blz. 62.
513Vgl. t.a.p., blz. 56-57.
514Vgl. t.a.p., blz. 59-60.
516In zijn op blz. 314 te noemen grafschrift op
Faukeel.
517Grond-steenen, t.a.p., blz. 98.
518Vgl. Von Winning, t.a.p., blz. 48 - 50.
519Iohannis de Brunes I. C. Emblemata of
zinne-werck voorghestelt, in beelden, ghedichten, en breeder uijt-legginghen,
tot uijt-druckinghe, en verbeteringh van verscheijden feijlen onser eeuwe.
t'Amsterdam bij
Jan Evertsen Kloppenburch, boeckverkooper
op 't water inden vergulden Bybel, teghen over de Kooren-marckt. Anno 1624 (X,
360 blzn.; 4to). - Het boek is opgedragen aan
Steven Tenys, gecommitteerde raad van de
Staten van Zeeland en van de admiraliteit. - Herdrukken: Amsterdam, 1661;
Amsterdam, z. j. (1688?).
520Emblemata, t.a.p., blz. 49.
522Grond-steenen, t.a.p., blz. * 2 r°. -
Vgl. zijn lofrede op de Nederlandse taal in het Bancket-werck, t.a.p., II, no.
CCCLXXXIII, waarin o.a.: ‘Maer dit staet my diep, in 't hooft gheprent,
dat onze Nederlandsche gheen talen en hoeft te wijcken, om 't ghe-wighte van de
hooghste afbeeldinghen, en ziel-driften, te vatten en te dragen’.
523Vgl. nog: ‘U meyn' ick heerlick
vader-landt, die vernoemt sijt de woon-plaetse end' de herberge van de
ghereformeerde kercke te wesen’. - Grond-steenen, t.a.p., blz.
93.
524T.a.p., blz. * v°. - Vgl. Von Winning,
t.a.p., blz. 125.
525Ad nobilissimos potentissimosque Zelandiae
ordines. - Iacobus Eyndius, Chronici Zelandiae libri duo (Middelburgi, 1634),
p. ):( 2 r° - 3 v°.
526Luctor et emergo. Zeeland spreeckt. - Jan van
Reygersbergh, De oude chronijcke ende historien van Zeelandt. Van nieuws met
eenighe byvoechsels mitsgaders met de figueren der graeven van Zeelandt
vermeerdert (Middelburch, 1634), blz. ** 3 r° - v°. Hetzelfde gedicht
is nog eens op blz. 355 afgedrukt. De ‘byvoechsels’, die aan De
Brune zijn toegeschreven, zijn zoals Von Winning, t.a.p., blz. 128 - 130 heeft
aangetoond, niet van hem; althans één ervan is van de drukker
Adriaen Roman, een broer van de
uitgever.
527Vgl. Von Winning, t.a.p., blz. 127 -
135.
528In tegenstelling tot Cats spreekt
De Brune in zijn werken betrekkelijk
zelden over Zeeland. Ik tekende aan: ‘Al warens' (t.w. de modefatten)
oock soo swart als d'Arne-muydsche keeten’ (t.w. de zoutketen) (Lofdicht
voor 't Costelick mal, t.a.p., blz. * 3 v°). - ‘d'Abdyesche
onruste’ (Emblemata, t.a.p., blz. * 2 v°). -
‘verghelijckt maer eens de moeder-stad van Zeeland met haer kloeckste
dochter, die de Flesse draeght’ (t.a.p., blz. 201). - ‘die
ongheluckigh is, alwaer hy in het kloeckste schip, zal tusschen Vlissinghen, en
Breskens verdrincken’ (Bankket-werk (1660), II, blz. 188, no. CCLXXXV). -
‘Een fraeye vrouw moet hebben een Neerlands lijf; een Engelands
aengezichte; een Brabands tonghe; een Hollands herte; ick voegh-er by een
Zeeuwsch verstand; zonder Italien hier te kennen’ (t.a.p., II, blz. 281,
no. CDLIII). Verder is de ‘Domburghs-reyse’ in de Zeeusche
Nachtegael, t.a.p., I, blz. 79 - 82, geheel doordrongen van de locale
sfeer.
529J. de Brunes Nieuwe wyn in oude le'er-zacken.
Bewijzende in spreeck-woorden, 't vernuft der menschen, ende 't gheluck van
onze Nederlandsche taele. Tot Middelburgh, by
Zacharias Roman, boeckvercooper, op den
Burght, inden Vergulden Bybel, anno 1636 (XXIV, 504 blzn.; 12mo). - Het boekje
is opgedragen aan
Johan de Knuyt, vertegenwoordiger van de
Eerste Edele van Zeeland.
530Vgl. Von Winning, t.a.p., blz. 114 -
115.
531Joh. de Brunes Siel-gerechten, toe-gemaeckt met
hemelsche speceryen, gehaelt uyt de kostelicke winckel der Goddelicke
schriften. Spe et metu. Tot Middelburch, by Zacharias Roman, boeck-vercooper,
wonende op den Burcht, inden Vergulden Bybel, anno 1632 (XVI, 160 blzn.; 8vo)
(Stadsbibliotheek, Haarlem). - Herdruk: Joh. de Brunes Ziel-gerechten...
Vermeerdert met Geestelijck bancket-werk... (Leeuwarden, 1660). - Deze herdruk
is opgedragen aan de Prinses van Oranje. - Van der Aa, B, blz. 465, noemt een
druk van 1643, De la Rue, t.a.p. een van 1644. Ik zocht naar beide
tevergeefs.
533Bancket-werck van goede gedachten: door d'heer
mr.
Johan de Brune, raed pensionaris der Ed.
M. Heeren Staten van Zeelandt. Spe & metu. Tot Middelburgh ghedruckt by
Jaques Fierens, inde Globe, 1657. Met
privilegie voor 15 jaren (XVI, 496 blzn.; 8vo). - Lofdichten van
Cats, Huygens, W. Quirinus,
C. Boey, P. van Gelre,
Joan Wilmerdonx en
Izaak van Hoornbeek gaan het boek vooraf,
waarin ook het portret van de schrijver is opgenomen. - Herdruk: Het eerste
deel van ‘t Bankket-werk van goede gedachten, door d'heer mr. Johan de
Brune, raad-penzionaris der Ed. Mog. Heeren Staten van Zeelandt. Met een
gemeyne bladwijser achter het tweede deel. Spe & metu. Tot Middelburgh,
gedruckt by Jaques Fierens, inde Globe. 1660. Met privilegie van 15 jaren (XVI,
496 blzn.). - Het tweede deel van 't Bankket-werk van goede gedachten, door
d’heer mr. Johan de Brune, raad-penzionaris der Ed. Mog. Heeren Staten
van Zeelandt Spe & metu. Tot Middelburgh, gedruckt by Jaques Fierens, inde
Globe. 1660. Met privilegie voor 15 jaren (XXIV, 496 blzn.; 8vo). - Het eerste
deel bevat dezelfde lofdichten als de eerste druk; alleen is het lofdicht van
Wilmerdonx tussen die van Quirynsen en Boey geplaatst. - Het tweede deel bevat
lofdichten van Volkerus ab Oosterwijck,
C. Keizer en Cats en wordt besloten door
een uitvoerige bladwijzer van de beide delen (blz. 439 - 495). In mijn bezit is
een ex., dat de eerste druk van de beide dln bevat, waarachter een
‘Appendix’ van 48 blz. met 92 ‘gedachten’ is gebonden.
Zie: P.J. Meertens, Een onbekend ‘appendix’ op het
‘Bancket-werck’ van Johan de Brune (Het Boek, 13 (1924), blz. 262 -
263). - Een titeluitgave van het eerste deel uit Amsterdam, 1699, waarin
ditzelfde appendix als tweede deel is opgenomen, is eigendom van dr. J.F.
Buisman Jr. te Hoogeveen. Zie: J.F. Buisman Jr., Het appendix op De Brune's
Banketwerk (Het Boek, 15 (1926), blz. 121.
534Siel-gerechten (1632). t.a.p., blz. A 3 v°
- A 4 r°.
535Bancket-werck, I, t.a.p., no. CCXXIX.
536Vgl. Von Winning, t.a.p., blz.
71.
542Emblemata, t.a.p., blz. 284.
543Zeeusche Nachtegael, I, blz. 48; vgl. I, blz.
56, 60.
544Vgl. Over De Brune's stijl Von Winning,
t.a.p., hfdst. IV, met vele voorbeelden.
545Bancket-werck, t.a.p., II, no. CDXII.
546T.a.p., II, no. CDXLIX.
547Op het Bancket-werck vanden hoogh-geleerden
groot achtbaren heer
Johannes de Brune, raet-pensionaris
vande Ed Mog. Heeren Staten van Zeelandt. - Bancket-werck, t.a.p., I,
blz.. .. 4 r°.
548Aen-spraecke, aen den overleden heer mr.
Johan de Brune, voor desen raet-pensionaris vande Ed. Mogende Heeren Staten van
Zeelandt. - Bankket-werk, t.a.p., II,
blz. .. ... . 4
v°.
549Aan den hoogh-gheleerden heer Constantin
Huygens, op het uyt-gheven van syn Costelick mal, ende Haegsche Voor-hout. -
Constantin Huygens, 't Costelick mal (Middelburgh, 1622), blz. * 3 r° -
v°.
550Huygens was in Januari 1621 als
gezantschapssecretaris met
Jacob Schotte meegegaan naar Engeland; het
gezantschap trachtte van
Jacobus I hulp te verkrijgen voor zijn
schoonzoon
Frederik V van Bohemen.
551De briefwisseling van Constantijn Huygens (1608
- 1687), uitgegeven door J.A. Worp, t.a.p., IV. blz. 22.
552T.a.p., IV, blz. 203 - 204.
553T.a.p., V, blz. 247. - ‘Zoo ick
eerstdaeghs een drucker vinden kan’, schrijft De Brune uit Middelburg, 6
December 1655, ‘ick zal my quyten, koper om goud weder-ghevende, χρυσεα χαλκειων. 'T zal echter bynae denzelven titel hebben en de naem van
sprongh-gedachten’.
555De evangelio Matthaei, quanam lingua sit
scriptum, dissertatio ejusdem: clariss. ac consultiss. viro, D. Johanni
Brunaeo, J. U. doctori, & senatori Middelburgensi, in perpetuum, amicitiae
mutuae, monumentum, dedicata. - In: Franciscus Gomarus, Examen controversiarum,
de genealogia Christi (Groningae, 1627), p. 58.
556Graf-schrift, D. Hermann. Faukeel. - Hermannus
Faukeel, Bruylofts-liet, ter eeren Jesu Christi (Middelburgh, 1628), blz. M
v°.
557Aen de heer Philips van Lansberge; over zijne
Bedenckinghen, op den daghe-lijckschen ende jaerlijckschen loop des
aerdt-cloots. - Philippus Lansbergius, Bedenckinghen, op den daghelijckschen,
ende jaerlijckschen loop vanden aerdt-cloot (Middelburgh, 1629), blz. ** 2
r° - v°.
558De oude Johan de Brune zat tussen 1579 en 1594
vijfmaal als ouderling in de kerkeraad der Nederl. Hervormde gemeente.
559Zeeusche Nachtegael, I, blz. 79 - 82.
560Volgen in ordre alle de keur-spreucken van
Salomon, die in dit handt-boeck verklaert zijn, in rijm ghestelt, door den
erntfesten, hoogh-geleerden ende seer voorsie-nighen heer mr. Joannes de Brune
pensionaris vande Edl. Mog. Heeren Staten van Zeelandt. - Joannes de Mey, Het
hand-boeck der spreucken Salomons (Middelburgh, 1657), blz. § 7 r° -
§ 10 v°.
|
|