auteur: P.J. Meertens
bron:
P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en
de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers
Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van
Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2000 dbnl / erven P.J. Meertens

|
|
| |
Philibert van Borsselen
Een van de aantrekkelijkste figuren uit de dichterkring rond de
‘Zeeusche Nachtegael’ is zeker wel
Philibert van Borsselen († 1627)
561,
afstammeling uit een der zijtakken van een bekend Zuidbevelands geslacht. Zijn
vader,
Wolfert van Borsselen, was o.a. baljuw van
Goes; uit zijn huwelijk met
Maria van Lier werd, waarschijnlijk tussen
1570 en 1575, de dichter te Goes geboren. Waarschijnlijk is hij de
Philibertus a Borssele Brabantinus, die op 29 Juli 1590 te
Leiden in de faculteit der letteren werd ingeschreven,
al is dat Brabantinus niet geheel duidelijk. In elk geval heeft hij daar
omstreeks deze tijd gestudeerd, klaarblijkelijk ook in de rechten
562. Hij trouwde na zijn
terugkeer in Zeeland met een dochter van de Toolse burgemeester
Cornelis Vermuyden en
Clasina Liens (een zuster van de Zierikseese
dichter
Cornelis Liens), en hertrouwde na haar dood
met
Lucretia van Hertsbeecke uit
Bruinisse. Dit tweede huwelijk vond in 1614 plaats. Van Borsselen
woonde toen te Tolen, waar hij van 1617 tot 1625 met tussenpozen
burgemeester en als zodanig lid van de Staten van Zeeland was. In 1625 werd hij
rentmeester-generaal Beoosten-Schelde, verhuisde daarvoor
naar Zieriksee, maar overleed aldaar al op 17 Januari 1627
563. Adriaen Hoffer, een der andere
medewerkers aan de ‘Zeeusche Nachtegael’, volgde hem als
rentmeester op.
Het oudste werk, dat we van Van Borsselen kennen, is het ‘Dianae lied ter eeren van den edelen heere Iohan van
Duvenvoirde’, dat geplaatst is vóór de ‘Placaten ende ordonnancien op 't stuck vande
wildernissen’ ('s Graven-hage, 1605)
564, van de Leidse hoogleraar Paullus Merula, klaarblijkelijk een
van zijn leermeesters. In dit gedicht voert Van Borsselen de jachtgodin
sprekende in en laat hij haar uiteenzetten, waarom zij de jacht, die eertijds
voor allen open stond, thans slechts aan de adel vergunt, en hoe zij onder deze
Van Duvenvoirde heeft aangesteld tot luitenant-houtvester van Holland en
Westfriesland. De krachtige alexandrijnen, waarin dit lied geschreven is,
verraden reeds de dichter van de ‘Strande’ en de ‘Binckhorst’. Hoe fors zet hij al aanstonds het
vers in met deze regels:
Ick vrouwe van de jacht, godin der groener velden,
De woud-heerschersse maeght, van alle cloecke helden
Op elcken dry-wegh schier met offer-werck vereert:
Die t'menschelick gheslacht heb allereerst geleert
Het eerlick tijd-verdrijf, om sijn verwerde sinnen
Van t'moeylick stadsch-gewoel op 't stille land t'ontwinnen:
Die d'onbedaeghde ieught met een genoeghlick werck
Verwacker t'dom verstant, de teere leden sterck,
T'rap lichaem oeffen' end t'blood' herte gae toerusten,
De wulpsche luyheyd weer', end tem de quade lusten...
Wanneer Van Borsselen dit schrijft is de zeventiende eeuw nauwelijks
begonnen, en een zo vlot en bevallig Renaissance-vers als hij weet te
schrijven, behoort tot de hoge uitzonderingen. Wanneer, zes jaar later, het
| | | | eerste van zijn beide grotere gedichten het licht ziet, blijkt
zijn versificatie nog te hebben gewonnen; het rhythme van zijn verzen is
vloeiender geworden, hun klank welluidender, en Van Borsselen is thans de
dichter, die aanspraak maakt op een plaats in onze letterkunde.
| |
Strande
De ‘Strande’
565 is geïnspireerd door het schelpenkabinet, dat in het
bezit was van Cornelis van Blyenburgh, heer van Dortsmonde
566 en door zijn huwelijk met Martina van Borsselen de zwager van de
dichter. Zijn aanzienlijke verzameling ‘schelpen, kinck-hornen, ende
andere wonderlicke zee schepselen’ is echter niet meer dan het
weefgetouw, waarop Van Borsselen zijn weefsel bewerkt, en zijn gedicht is het
tegenovergestelde van een dorre opsomming van rariteiten: een bezielde
beschrijving van de zee en haar schatten, ‘tot lof van den Schepper aller
dingen’.
Al dadelijk treft de krachtige aanhef, waarin de dichter de zeegod
Neptunus aanroept:
O die langs t' woeste meyr met dijn geschubde peerden
In een blauw coets' omrenst den ronden cloot der eerden,
Vorst des asuren velds, loss' eens den natten toom,
Com spoel dijn souten baerd op desen soeten stroom:
Leg d' elger uyt de hand, end laet d' halfvissche scharen
Met uw' meerminnen schoon hier haren reye paren:
Thoon my dijn rijcken schat, niet t' silver ofte goud
Dat dijn ghelasen huys voor ons verborghen houd
Der gierigaerden wensch, maer t' werc van dijne handen
T'gheen du werpst wijd end breed langs aen de dorre stranden,
Verleen my goeden wind, laet dijner baren schuym
T'wijl ick dijn rijck beseyl, bevochten mijne pluym
567.
Men ziet, het geslacht dat de alexandrijn in zijn nauwsluitende
keurs zou rijgen was nog niet geboren, en Van Borsselen weet de twaalfvoetige
versregels met hun beurtelings staand en slepend rijm nog met die zwierigheid
te hanteren, die de besten onder de rederijkers eigen was. Al direct blijkt
hier ook de invloed van
Du Bartas, in gevoel voor de natuur en
haar schoonheid, en in verrijking van de taal. De derde eigenschap, die het
werk van de Franse dichter en dat van zijn Zeeuwse leerling gemeen heeft, is de
predikersroeping, die al dadelijk krachtig uitkomt in de onmiddellijk op deze
aanhef volgende verzen, een philippica tegen de verdorvenheid van het mensdom,
en met name tegen zijn geldzucht, die echter slechts als aanleiding dienst doet
tot een beschrijving van de zeevaart, die uit gouddorst wordt ondernomen. En nu
zal ook de Muze haar leven wagen ‘in de schoot van een soo nauwen graf,
vier vinghers van de doot’, om te beschrijven wat ‘geen hand so wel
ter pen, geen hersenen soo cloeck, geen tongh soo rijck van tael’ zou
kunnen weergeven? Haar taak bepale zich tot een afschildering van ‘des
oevers roof’, ‘der schelpen schoon cieraat’, om God in zijn
schepping te verheerlijken.
Het begin van het eigenlijke gedicht beschrijft de dieren, de vogels
en de gewassen der zee in het algemeen. Al heeft de wijze God, toen hij de
wereld schiep, elk element zijn plaats aangewezen, toch is er geen strenge
scheiding tussen de vier oerstoffen. Vuur en lucht hebben gemeenschap met
elkaar; wolken drijven in de lucht en de aarde is door water omgeven. De
zeezwaluw en de kiekendief scheren met hun vleugels langs het water, | | | | de zeekat is half vis, half vogel. Aarde en zee kunnen zonder elkaar
niet bestaan, maar ook wordt er niets op de aarde gevonden, wat ook de zee niet
in haar schoot bergt. Zogoed als het ‘aerdsche dal’ heeft het
‘Amphitrijtsche veld’ zijn roos en zijn meloen, zijn dorens en
klissen, zijn alsem, druif en eik. De aarde heeft haar schildpadden, maar voedt
de zee ze niet groter en sterker? Zeehonden zijn verwoeder dan hun naamgenoten
op het land, en schrikkelijker dan het luipaard en de stier zijn hun
evenbeelden in het water. Zelfs ‘een gheschoren Paep, met s' Bisschops
cleed behanghen’ vangt men na een felle storm aan de noorderstranden
568. Geen beemden of
weien, geen lusthoven zijn zo schoon getooid met leliën en goudsbloemen,
met hyacinten en rozen, met anjelieren, lissen en violetten, of ze moeten
onderdoen voor de schoonheid der schelpen, waarbij immers zelfs de
wonderlijkste tulp in het niet verzinkt.
Dan begint de eigenlijke beschrijving van deze schelpen. Uit
Plinius,
Oppianus en
Aelianus en een groot aantal andere meer
of minder bekende klassieke schrijvers over de natuur
569 heeft Van Borsselen zich
de brede kennis verworven, waaruit hij te kust en te keur kan putten, maar ook
het nog betrekkelijk recente ‘Reysbouck’ van
Van Linschoten behoort tot zijn bronnen. Met
behulp van deze gegevens wordt elke schelp uit Blyenburghs verzameling hem
aanleiding tot een beschouwing over het weekdier, dat er in gehuisd heeft, zijn
aard, zijn gewoonten, zijn levenswijze. De zee is hem niet langer het
geheimzinnige element met zijn talloze raadselen; hij kent haar geheimen en
haar betekenis, hij weet haar deel van Gods schepping, en als zodanig voor de
dichter een middel
Om Godt te maken groot door sijne schepsels schoon
End d' werck-man wonderbaer te kennen aen sijn wercken,
Ons tot een onderwijs: want waer wy d' ooghe mercken
Van s' hemels hooghsten sop tot s' aerdrijcx diepsten grond,
Geen dingh so cleyn dat ons niet een'ge leer oorkond
570.
Nimmer verliest Van Borsselen dit beginsel uit het oog. Alles is ten
dienste van de mens geschapen; het komt er slechts op aan om de lering te
vinden die de Schepper in al het geschapene heeft gelegd, soms meer, soms
minder verborgen, maar altijd aanwezig. De paarlemoer, in de diepten der zee
uit een vis geboren, maar bestemd om in het licht van de hemel te schitteren,
leert zij de mens niet om naar zijn ware vaderland te verlangen en, als de
zonnebloem, zich steeds weer te keren tot de goddelijke zon der gerechtigheid?
Zo onderwijzen de purpervissen, die in de winter elkaar mos en zeewier uitdelen
tot wering van de koude, hem in het betrachten der naastenliefde; bovendien is
de purper, die met geweld uit de scherpe keel van deze vis gehaald moet worden,
het beeld van de eer, slechts door arbeid en moeite, met zweet en bloed te
kopen. Zo lief is de kreeft zijn geboorteplaats, dat hij ze nimmer zal
verlaten; hoe dikwijls verjaagd, steeds keert hij weer tot zijn oude huis. Is
het wonder, dat ook de mens zijn vaderland boven alles uitverkoren houdt en
zijn wrede vijand te vuur en te zwaard vervolgt? De stekelkrab, die elk jaar
haar schild afwerpt, is zij niet het beeld van de mens, die het oude kleed van
zijn zonden moet afleggen, om zich te bekleden met het pantser der
gerechtigheid? Het ijzervarken leert de vrome Christen zich in 's werelds
woeste zee te wapenen voor de harde strijd, die hem wacht; de schildpad
verbeeldt hem de spreuk, dat eigen haard goud waard is. Phidias schilderde
Venus met een schildpad onder haar voet, ten teken dat de plaats van deugdzame
vrouwen in haar huis is. Daarentegen is de | | | | zeenetel, die alles
wat hij aanraakt met zijn vergif besmet, het beeld van de boze mens die God
noch gebod vreest. De spons echter, die hoe dikwijls ook afgesneden, telkens
weer aangroeit, leert hem, zijn smarten lijdzaam te verdragen. Welk een
beschamend voorbeeld geeft het bondgenootschap en de onderlinge kameraadschap
van vele zeebewoners aan de liefdeloze mensen, uit wie de hamer van het geloof
nooit ook maar een enkele liefdevonk kon jagen! En ook de strijd om het
bestaan, die de vissen moeten voeren, is een leerschool voor de mens. De
zeeklissen verdorren en sterven, wanneer ze op het droge geraken; evenzo
verdort de mens, die in de warme zon der weelde zit, weldra in deugden, nu de
zoute stromen van harde tegenspoed hem niet meer bespoelen. En evenals de
zilverschelp de schone luister, die zij van de zon ontving, weerkaatst en
daardoor vreugde verwekt, evenzo moet de mens in wie een vonk van het hemelse
licht is ontgloeid, aan anderen mededelen van het schijnsel dat hij heeft
ontvangen.
Maar niet alleen zedelijke lering geeft de vis aan de mens: hij
heeft hem immers ook geleerd zich op een schip aan de wilde golven toe te
vertrouwen, hij heeft hem onderwezen in het gebruik van kabels, roer en zeil.
Zo is de zee hem vertrouwd geworden als het land der ballingschap aan de vrome,
die zich overal en altijd in Gods vrijgeleide weet, voor wie het ganse
Christenrijk één vrije stad is.
Wel saligh sal voorwaer de schipper zijn bevonden,
Die van d' onstuyme zee des weerelds niet wordt verslonden,
Maer wacker in de weer sijn hard-bestormde schip
Door men'gen diepen wiel, end siedend' heeten clip
Voordryvet ende steeds met seyl end riemen pooget,
Met een oprecht gheloof na t' god'lijck baken ooget,
End in 't lest s' hemel-rijcks behouden kust aendoet,
Al waer hy eeuwichlijck ghewint het hooghste goed
571.
Ternauwernood is het duizendste deel van de schatten der zee
opgesomd, maar wie meer bezit brengt het eveneens als een offerande aan God.
Met een gebed aan hem besluit Van Borsselen zijn dichterlijke beschrijving:
Ick bid dy eenigh God, God dryigh in persoonen,
Die voor all' eeuwen hebst te samen willen woonen,
Gelijck van macht end eer, hoe wel een onderscheyd
Sy onder dy, welck doch dijn wesen niet en scheydt:
Die geen beginsel hebst, geen eynde salt ghenaecken,
Die het beginsel bist, end eynd van alle saecken,
Die t' groot Al wt een Niet met een woord hebst ghemaeckt,
Die tot het al te niet na dijn woord weder raeckt
Al voedest end bestierst: Leer' ons de wonder wercken
Van dyne stercke hand recht kennen end bemercken
Aen die dijn groote macht, dijn wijsheyd sonderbaer,
Dijn vaderlijcke liefd, end goedheyd wonderbaer.
Laet elck stuck wercks een boeck end stomme meester wesen
Daer in wy nacht end dagh dijn ware kennis lesen:
Laet dyne schepsels zijn een cromme wendel-trap
Die op dijn hooghe woonst verheff' ons blinden stap,
Een vaste bruggh' om door de grondeloose wielen
Van dijn verholentheyd te leyden onse hielen.
D'wijl ons benevelt oogh heel schemert in dit licht
Ontluyckse door dijn hand end na dijn wond'ren richt,
| | | |
Wt-suyver' onsen geest, dat w' in dijn hooge scholen
Des waerheyds hellen glants aenschouwen onverholen.
Den will', o goede God, du hebst in my gheplant,
Verleen my ooc de daed, ontvonck mijn doof verstand
Met dynen heyl'ghen geest, dat ick dyn lof verconde
Tot aen des werelds eynd, end met een vollen monde
Dijn heerlijckheyd verbreyd', end dyner handen werck
Doe klincken over al door s' hemels hooghe kerck.
Gheef, Heere, dat ick voords mijn leven mach doorbringhen
In d' eer dijns grooten naems op mijn engh riet te singen
572.
Dan richt Van Borsselen zich tot zijn zwager, de ‘Blyenburger
vroom, wiens bidden is gebieden’, en hij verontschuldigt zich over zijn
gering dichttalent:
K'hebb' op 't twee-hoofdigh t' sop in 't droomen noyt
gheslaeft,
Noch wt Castali born mijn dorstigh hert ghelaeft
Om als wt eenen slaep een goed poët te commen,
Hun voeget sulck geluck die op dien bergh geclommen
Ontfingen op haer hooft den groenen lauwer-krans,
Die met de driemael-drie godinnen gaen ten dans.
Ick arme dichter moet mijn gunst voor kunst orbooren
573.
De laatste 200 regels zijn een uitweiding van Horatius'
‘Beatus ille’, en behelzen in het kort hetzelfde
onderwerp, dat Van Borsselen twee jaar later in de ‘Binckhorst’ uitvoeriger zou behandelen: het geluk
en de rust van het landleven. In vogelvlucht tekent hij het leven op het
landgoed van Cornelis van Blyenburgh, benijdenswaardig voor elkeen,
benijdenswaardig ook voor de jonge dichter zelf. In de kracht van zijn jeugd,
nog aan het begin van zijn ambtelijke loopbaan, droomt hij reeds van de tijd,
dat hij al zijn ambten op zij zal kunnen schuiven, en palend aan de Blyenburgh
zich een landgoed stichten, om daar het overschot van zijn jaren in rust en
vrede door te brengen:
God gave, dat ick oyt sulck leven mochte leyden,
De weereld onbekend, end ergens my bereyden
So soeten ballinghschap, verr' wt t' verwert ghejagh
Des ongerusten volcks, end droeven klock-gheslagh
Den vryen adem mocht in t' open veld erlangen,
Voor in een vuyle stad de doode locht te vangen,
End tusschen muyren hoogh te swerven gins end weer,
So soud' ick wel-gherust danck singen God den Heer
574.
| |
Den Binckhorst
De ‘Binckhorst’
575, die
twee jaar na de ‘Strande’ het licht zag, is een uitwerking van het
laatste gedeelte van dit gedicht
576; het heeft evenwel niet het leven
op Blyenburghs landgoed, maar dat op de buitenplaats de Binckhorst, onder
Voorburg
577, tot onderwerp.
De aanhef is geborduurd op het stramien van Horatius' eerste ode,
waarin de veelsoortige verlangens der mensen tegenover het rustige en gelukkige
leven van Maecenas worden gesteld. ‘Trahit sua quemque voluptas’.
Maar hoe gelukkig leeft ook Van Borsselens vriend,
Jacob Snouckaert, ‘van 't borgerlick
gewoel end stadsche lasten vry’
578, als een grootmachtig koning op zijn
Binckhorst, gediend en vereerd door zijn ondergeschikten. Waar het oog zich
wendt, alom ontmoet het vreugde, | | | | want al wat Snouckaerts rijke
geest heeft uitgedacht, heeft zijn hof hem geschonken. Een populierengalerij
beschut hem voor de zomerse zon, een zonnewijzer wijst hem de tijd aan, de
doolhof is met liefelijke kruiden en bloemen beplant. Eigenhandig voert de
landedelman zijn vogels: de brutale eenden en de kippen, de ganzen en de
pauwen, de kalkoenen en de zwanen, terwijl een blauwe wolk van duiven naast hem
neer komt dalen. Ieder jaargetijde heeft zijn eigen bezigheden, zijn eigen
vreugde, zijn eigen bekoring. In de lente snoeit en ent Snouckaert zijn bomen,
en als de knecht de tuin heeft omgespit, strooit hij er zelf het vruchtbare
zaad in uit. En weldra beginnen de bloemen te bloeien in een eindeloze
verscheidenheid van schone kleuren en zoete reuken. Eén enkele windvlaag
in April, en ze liggen afgemaaid van haar stengel neer. Zo leert ook de
geringste bloem uit de hof, dat alle leven een bloem des velds gelijk is, die
in de lente van het leven moet sterven. En wie daarop acht geeft, zal als de
heliotroop de zon, de goddelijke gerechtigheid steeds voor ogen houden, zeker
van zijn hemelse bestemming. Maar ook is het voorjaar de tijd, dat de bijen
druk in de weer zijn, wier kleine maatschappij een beeld is van de grote
mensenwereld, en - verzucht de dichter - mocht zij haar ook een voorbeeld
zijn:
God gave dat den dagh mijns levens waer gecomen
Dat het vereenichd' land uw' wel-geregelt rijck
In wetten, seden, tucht, end orden waer gelijck,
End datmen na de vorm uw's heerschinghs saegh bedijen
Haer nieuw-gevesten stand en vrije heerschappijen:
Ia dat wt cracht des vreeds t' borst-harnas end helmet
Ten strijde langh gebruyckt u wierden voorgeset,
Om uw' soet honigh-werck daer inne te vergaren
579.
En rondwandelend in zijn tuin ziet de meester nu ook hoe de mieren
wat er overbleef van de wintervoorraad in de zon te luchten leggen, hij ziet de
spin haar web weven, waarin de vlieg zich verwart, hij ziet haar gif zuigen uit
dezelfde bloem, waaruit de bij honig puurde, en achter alles schouwt hij de
diepere zin, de lering die God er terwille van de mens heeft ingelegd.
‘Het wilde vrolick lied der snel-gewieckte scharen’ is zijn
morgengroet, die hem van alle zorgen bevrijdt. Zingend stijgt de leeuwerik
hemelwaarts, in snelle vlucht drijft de lichte kievit over het groenbepluimde
veld. De eentonige koekoekszang, het zoete geluid van de putter, het gekweel
der sijsjes, overal klinkt het op, met het wilde gefluit van de spreeuwen, het
hese mussengesjilp, het liefelijke roekoeën der duiven, het luide geschrei
van de reiger, en de klacht van de tortelduif, die
Haers gaykens dood beclaeght hier ende daer alleen
Op eenen dorren tack, end kent geen tweede trouwe,
Maer over d' eerste liefd draeght een gestaeghen rouwe
580,
- een beschamend voorbeeld voor hen, die maar al te gauw een tweede
huwelijk aangaan! Ook kwaakt de naar regen hakende kikker zijn
‘breke-kekexs coaxs’, de fraaigevlekte roerdomp trompet een luid
alarm, de helle krekels sjirpen hees in de priëlen. De ooievaar, uit het
Nijlland teruggekeerd, heeft weer bezit genomen van zijn oude nest, en de
zwaluw, zekere lentebode, scheert onder het zingen van zijn luidschallend lied
over het water.
Weldra staat nu de boomgaard in bloei, en het vee gaat naar de
weiden. Steekt de zomerzon - symbool van het blijde licht der eeuwigheid -
| | | | te fel, dan noden schaduwrijke bomen en priëlen tot rusten,
en in het middaguur doen de landelijke stilte, het gezang van de vogels en het
zachte ruisen van de bomen alle zorgen in een zoete slaap op het koele groene
gras vergeten.
's Zondags na de noen wandelt Snouckaert met een goed vriend naar
Voorburg,
end siet hoe hier end daer
Ten danse sick versaemt der boerscher maechden schaer,
Bruyn van lijf maer gesont, van cleeding slecht maer aerdigh,
Van seden bot maer vry, van leden grof maer vaerdigh,
Vervalschen niet door const t' natuerlick aengesicht,
Het lood-wit vermillioen, al s' hofs blancketsel licht
Is haer gantsch onbekent, t' hayr met een priem te krollen,
D' ooch-brauwen trecken wt, de borsten op te vollen
End slechten t' eng voorhooft haer slechtheyt niet en kent,
Maer soose God eerst schiep sick dragen ongeschent.
Ghy siet hoe cluchtich sy een ronden danse breyen,
Nu voor nu achterwaerts met cleyne sprongskens reyen
Op een maet sonder maet, end singen beurt na beurt
Een vrolick boeren-lied met stemmen ongetreurt.
De vryers sick om strijd beleeft end lustich dragen,
Met luchtich springen elck zijn vrijsters wil behagen:
Want de liefd' allesints haer groote macht bethoont,
End met haer schicht niet meer den slechten cloen verschoont
Dan d' allergrootste vorst, de dorpsche liefd' is lieflick,
Oprecht end ongeveynst, gestadig end gerieflick
End niet als in de stad, waer alleen goet end gelt
Selfs boven d' eerbaerheyt, deuchd, ende wijsheyt geldt
581.
Weer thuisgekomen verkoelt hij zich het verhitte lichaam door een
bad in zijn vijver, zwemt zijn eiland rond en rust dan aan de groene boord van
zijn bron op een zacht kamillenbed. Wanneer de zon in zee is gedaald, begiet
hij de dorstige bloemen en planten, en dan breekt de koele zomeravond aan, met
de pracht van zijn sterrenhemel, waartoe 's mensen geest opstijgt uit de ijdele
zorgen dezer aarde:
S' avonts o wat een vreuchd! de coele lucht te scheppen
End wt het bange huys na t' open veld te reppen
Sijn haestigen voetstap, om den geschickten loop
Des hemels aen te sien end met der sterren hoop
Wt s' aerdrijcks ydel sorch verdwaelt om hooch te stijgen
Sijn innerlicken geest, end alsoo te vercrijgen
Een yverich gemoed, om na dees levens tijd
Te naerderen sijn ziel in s' hemels hooge crijt,
End daer door Gods genaed' een eeuw'ge vreuchd t' oorboren
582.
Als de herfst in het land is gekomen schenkt de boomgaard de oogst,
die de lentebloesems hadden aangezegd. De wijnstok geeft zijn purperen druiven,
de bijenkorf zijn zoetgeurende honig, de vogelslag brengt menige vink, lijster
en snip een haastige dood. Maar 's winters, als de schuur weerklinkt van de
maatslag der dorsvlegels, zoekt Snouckaert zijn heil in de studeerkamer, waar
Gods Woord of andere stichtelijke lectuur hem het pad der deugden wijst, of hij
bezingt, ‘in Latijnsche tael’
583 de lof van het landleven. Van tijd tot tijd komen zijn vrienden
hem opzoeken; soms ook vergeet zijn zwager
584
zijn raadsheerlijke zorgen om zijn ver- | | | | moeide zinnen in de wijde
lucht van de Binckhorst te verpozen, of hij bereidt zijn Haagse vrienden een
gastmaal, waartoe de Binckhorst overvloed van gerechten verstrekt. De
‘ongecochte spijs’
585, die
hun hier wordt voorgezet, is hun vrij wat liever dan de dure gerechten van
Suermonds droeve dis.
Soms ook beklimt Snouckaert zijn toren en aanschouwt van verre
‘al 't s' hofs end stads gewoel’, waar haast ieder ondergaat in de
onreine poel van eerzucht, gierigheid en bedrog, waar het geld koopman is van
recht en eerbaarheid, waar ieder de huik naar de wind hangt, en waar ‘de
wereld recht een werreld bieten magh’. Hij ziet hoe in het Haagse bos de
trotse eik geveld ligt door de noordenwind, terwijl de lage els zijn
grimmigheid wist te ontwijken - ‘alsoo kan t' lijdsaem hert s' nijds
fellen toorn wtstrijcken’. Hij ziet hoe waar nog voor kort het schip met
volle zeilen voer, nu het roekeloze volk op stalen schoenen langs het klare
marmer vliegt, en hij overweegt hoe de wereld aan het ijs gelijk is:
klaar-schijnend en schoon, maar broos.
De rest van het gedicht is een hymne op het landleven in het
algemeen, dat hij in scherpe tegenstelling plaatst met het woelige
stadsbedrijf. Sinds de mensheid tot zonde verviel, is het van kwaad tot erger
gegaan. De wrede oorlog stond uit de afgrond op en dwong de mens, steden te
bouwen, waarin hij zich tegen zijn vijanden kon beschermen. Zeisen, spaden en
kouters werden omgesmeed tot schilden, bekkenelen en scherpe zwaarden. De
akkerbouw raakte in verval, het landvolk werd een buit van de moedwillige
soldaat. Is ook het vruchtbare Nederland, eertijds de parel van alle landen,
niet door het vernielend oorlogsvuur geteisterd, en zijn zijn nering en
welvaart niet ‘verstroeyet end verdreven’? Bijna veertig jaar lang
ziet het zijn velden met vreemd krijgsvolk overdekt, en strekt het de Engelse
en de Franse jeugd tot een leerschool in de krijgskunst. Pest, krijg en duurte,
Gods zwaarste plagen, zijn over het land gekomen, en nog is dit alles
tevergeefs geweest; men wil de vrede nu eenmaal niet. Hoe wijs is Snouckaert
dan geweest, die op het voorbeeld van Romeinse keizers en veldheren het
rumoerige leven van Den Haag vaarwel heeft gezegd, om zijn anker uit te werpen
aan Binckhorsts stille ree. Heeft God ook zelf de eerste mens niet in een
schone lusthof gesteld? Het grafelijk slot, sinds meer dan vier eeuwen bewoond,
en na een brand heerlijk uit zijn as herrezen, is als een klein Paradijs, dat
slechts zijn Eva nog ontbeert om volmaakt te zijn. En weer, als in de
‘Strande’, eindigt Van Borsselen zijn gedicht met de wens, eenmaal
eveneens zulk een leven te mogen leiden. Een wens, die ook nu niet in
vervulling ging
586.
Na de ‘Binckhorst’, die nimmer herdrukt werd, heeft Van
Borsselen nog slechts één keer een gedicht gepubliceerd, het
‘Galm-dicht ofte Minnaers klachte’ dat hij voor de
‘Zeeusche Nachtegael’ (1623) schreef
587.
Wellicht heeft zijn drukke werkkring hem belet zich vaker aan de muze te
wijden, wellicht ook heeft zijn betrekkelijk vroege dood de uitvoering van
grotere plannen verhinderd; het is niet gemakkelijk, het stilzwijgen van een
dichter te verklaren, wanneer men dienaangaande geen uitspraken van hem zelf
tot zijn beschikking heeft. Uit een plaats in de ‘Binckhorst’
schijnt te moeten worden opgemaakt, dat hij het voornemen had
‘d'oorspronck der Nederlansche crijgen te singen in het langh’
588, maar het is bij
hem zomin als bij een der andere dichters van zijn tijd verwezenlijkt.
Intussen is het betrekkelijk weinige, dat we van hem bezitten,
ruimschoots voldoende om hem te leren kennen als een der verdienstelijkste
dichters uit het eerste kwart der zeventiende eeuw, een dichter die, hoezeer
| | | | hij ook beïnvloed is geweest, niettemin oorspronkelijkheid
genoeg bezat, om zichzelf een plaats te verzekeren in onze literatuur, een
plaats die hem door onbekendheid nog steeds, maar ten onrechte, onthouden
is.
Van Borsselen schijnt in Leiden zijn dichterlijke vorming te hebben
gekregen. Is hij werkelijk de Philibertus a Borssele, die in het album
studiosorum wordt genoemd, dan werd hij in hetzelfde jaar en dezelfde faculteit
ingeschreven als de zonen van Janus Dousa, Georgius en Stephanus. Wellicht mede
hierdoor schijnt hij de aandacht te hebben getrokken van de Noordwijkse
dichter-geleerde, die een vriendendicht schreef in het album van Van Borsselen,
‘et genere et literarum gloria adolescentis vere nobilis’
589, dat aldus
eindigt:
Accipe, dulce caput, digitorum signa meorum:
Accipe mansurae pignus amicitae.
Hoc tibi persuadens; nil me nil (pignoris ergò)
Velle minus; maius nec dare posse tibi.
Heeft Van Borsselen bij hem misschien
Spieghel ontmoet? De Amsterdamse dichter,
die in de tweede helft der negentiger jaren de zeven boeken van zijn ‘Hertspiegel’ schreef, zal ongetwijfeld zijn Leidse
vrienden Van Hout en Dousa,
Scaliger en
Lipsius, meermalen bezocht hebben, en het is
niet onwaarschijnlijk, aan te nemen dat de jonge Van Borsselen hem op deze
wijze persoonlijk heeft leren kennen. In elk geval bestaat er tussen zijn werk
en dat van de dichter van Meerhuizen in meer dan één opzicht
overeenkomst, naar de vorm zowel als naar de inhoud. De jambische maatslag, de
gelijke regellengte der verzen en de afwisselende mannelijke en vrouwelijke
rijmen, waarvoor Spieghel in de ‘Twe-spraack’ een pleidooi had gevoerd, en waaraan
de alexandrijnen van zijn ‘Hertspiegel’ voldeden, vindt men alle in
het werk van Van Borsselen weer, en het is niet onwaarschijnlijk dat hij hierin
bij Spieghel in de leer is geweest. De overeenkomst naar de inhoud tussen de
‘Hertspiegel’ en het werk van Van Borsselen is niet zo treffend,
dat van invloed gesproken dient te worden, maar niettemin herinneren tal van
plaatsen zowel in de ‘Binckhorst’ als in de ‘Strande’
ons aan overeenkomstige passages bij Spieghel. Zo de natuurbeschrijving, vooral
in de ‘Binckhorst’, die in de verte doet denken aan Spieghels
beschrijvingen van de ontluikende lente (boek II) en zijn wandeling in de
bloemhof (boek IV).
Door bemiddeling van Van Hout of van
Spieghel kan Van Borsselen ook in contact
zijn gekomen met de dichterkring rond
Carel van Mander, die in 1610 ‘Den Nederduytschen Helicon’ uitgaf bij
Passchier van Wesbusch, dezelfde Haarlemse
uitgever bij wie de eerste druk van de ‘Strande’ is verschenen. Er
is nog een andere reden om te veronderstellen dat hij met deze kring connecties
heeft aangeknoopt. Knuttel heeft nl. het vermoeden geopperd, dat het bekende
gedicht ‘Bauw-heers wel-leven’, dat in de ‘Helicon’ is opgenomen, van Van Borsselen zou
kunnen zijn, vooral op grond van het feit dat er tussen enkele regels uit dit
lied en enkele regels uit de ‘Binckhorst’ een zo grote overeenkomst
is, dat deze niet toevallig kan zijn
590. Nog
groter is die overeenkomst echter tussen dezelfde passage uit ‘Bauw-heers
wel-leven’ en enkele regels uit de vertaling van Horatius' ‘Beatus
ille’ door
Abraham van der Myl, die eveneens tot de
kring van Van Mander behoorde. En nog groter ook die tussen een passus uit de
‘Strande’ en enkele regels uit de vertaling van ‘Den slach van Lepanten’ (1593), eveneens van
Abraham van der Myl
591. Hoe raadselachtig de onderlinge
verhouding tussen Van Borsselen, Van der | | | | Myl en de onbekende
dichter van ‘Bauw-heers wel-leven’ ook mag zijn, dat er op de een
of andere wijze een relatie tussen hen heeft bestaan, is zeker. Ook blijkt
hieruit, dat Van Borsselen op Van der Myl plagiaat heeft gepleegd, wat destijds
minder zwaar werd aangerekend dan tegenwoordig
592, en wat hij
zelfs als een hulde aan Van der Myl kan hebben bedoeld. In dit licht beschouwd
ligt het voor de hand, in deze Vlissingse predikant-dichter de man te zien, die
Van Borsselen in de kring van Van Mander geïntroduceerd heeft.
Meer dan van deze kring, met inbegrip van Spieghel, heeft Van
Borsselen echter de invloed ondergaan van
Du Bartas
593. Dat de jonge Zeeuwse
dichter het werk van de calvinistische Pléiade-dichter door en door
gekend heeft, is aan geen twijfel onderhevig voor wie beider werk zelfs maar
doorgebladerd heeft. Geen andere Hollandse of Zeeuwse dichter heeft Du Bartas
zozeer nagevolgd, geen ander is zo doordrongen geweest van de mentaliteit die
uit zijn ‘Sepmaines’ spreekt. Talrijk zijn de punten van
overeenkomst tussen beide dichters, al is van slaafse navolging bij Van
Borsselen maar zelden sprake: bijna zonder uitzondering heeft hij tegenover
zijn illustere voorbeeld een vrij grote zelfstandigheid weten te bewaren. Zo
vindt al dadelijk de aanhef van de ‘Strande’ zijn voorbeeld in het
begin van de ‘Sepmaines’ (1re jour), al heeft Van Borsselen ook aan
het begin van de 5me jour enkele motieven en zinswendingen ontleend. De bekende
‘Eloge de la vie rustique’, die de 3me jour besluit (‘O trois
et quatre fois bienheureux qui s'esloigne’), en die Du Bartas samenstelde
uit motieven, aan
Virgilius' tweede ‘Georgicon’ (‘O fortunatos nimium’,
enz.; vs. 458 vlg.), Horatius' ‘Beatus ille’ en Seneca's ‘Hippolytus’ ontleend, is door Van Borsselen vrij
gevolgd en op verscheidene plaatsen letterlijk vertaald in de
‘Strande’
594. Vooral de 5me
jour, de beschrijving van de schepping der vogels en der vissen, heeft tal van
motieven geleverd aan Van Borsselen, zowel voor zijn ‘Strande’ als
voor de ‘Binckhorst’, o.a. de romantische beschrijving van het
gedrag der ouderlievende ooievaars en dat van de kraanvogels in hun strijd
tegen de pygmaeën, die van het ‘wonderlijc vischken’ remora,
dat ook in de felste storm een schip kan vastzetten, of de vergelijking tussen
het land en de zee, of de beschrijving van de gouddorst der mensen
595. Soms is de navolging vrijwel woordelijk, als in de
passages waarin Van Borsselen de verderfelijke macht van het goud afschildert
of het gezang van de leeuwerik onomatopaeïsch tracht weer te geven. In de
meeste gevallen beperkt de ontlening zich echter maar tot enkele regels, tot
het overnemen van een beeld, van een zinswending, van een in een bepaald
verband eigenaardig of kenmerkend adjectief of ander woord
596.
Alhoewel hij de in 1609 verschenen vertaling van de ‘Première sepmaine’ van
Van Liefvelt uiteraard gekend kan hebben,
mag men aannemen dat hij er voor zijn ontleningen in geen enkel opzicht enig
gebruik van heeft gemaakt. De stroeve alexandrijnen van Van Liefvelt, die nog
al te veel van de refereinen der rederijkerij in zich dragen, hebben weinig
gemeen met de vlotte verzen van Van Borsselen. Ook in de woordkeus valt niet de
minste overeenkomst te bespeuren
597 en men kan dan ook veilig aannemen, dat hij Du Bartas in de
oorspronkelijke tekst heeft gelezen.
Van de beide grote gedichten die Van Borsselen ons heeft nagelaten,
staat de ‘Strande’ wat dichterlijkheid van beschrijving en
compositie betreft boven de ‘Binckhorst’. Men behoeft Knuttel nog
niet toe te geven, dat de ‘Strande’ zelfs boven de
‘Sepmaines’ zou staan
598 om toch te
erkennen dat het onder het betrekkelijk weinige, ons door Van Borsselen
nagelaten, wat dichterlijke kwaliteiten betreft bovenaan staat. | | | | In de beschrijving van de schelpen in hun
veelkleurige, dikwijls bizarre pracht, kon Van Borsselen zich geheel laten
gaan. Elke schelp, die hij uit de collectie van Van Blyenburgh in zijn handen
neemt, roept een beeld op voor zijn geest, dat dikwijls nauwelijks verband
houdt met het voorwerp in kwestie. Deze regent was een man met een dichterlijke
fantasie en een speelse geest. Wel keert hij telkens weer tot de schelpen
terug, maar even dikwijls dwaalt hij van zijn onderwerp af om zich te vermeien
in zijn invallende gedachten, die soms de mens betreffen - en dan is ook deze
Zeeuw moralist - , maar dikwijls ook de natuur, de dieren en de vogels en de
kleurige pracht van de bloemen. Hij verdiept zich met liefdevolle toewijding in
de wonderlijke sprookjeswereld van de zee, waar tritons op hun kromme horens
blazen, en waar, diep op de bodem van het water, de schelpen overvloediger zijn
dan de sterren aan de lucht. Of hij beschrijft, met een gloed en een kracht die
zo vroeg in de zeventiende eeuw nog tot de hoge uitzonderingen behoren, het
geweld van de stormbewogen zee rond het krakende schip:
De golven peersigh-wit nu s' hemels voute treffen
End met haer hoogen rug het bevend hout opheffen,
Nu storten steijl om leegh tot in der hellen poort,
De zee met vele zeen bestoockt het hoogher boord,
Der taeckelen ghehuyl, 't ghecrack der steyler masten,
T' getrommel van het den, des spriets gebogen lasten
End 't hart-neckigh gheroep met allen niet wtrecht,
Het schip blijft even vast betoovert end ghehecht
599.
Er is in het werk van Van Borsselen een zwierigheid, die ons te meer
treft en verrast omdat zijn beide grote gedichten tot de oudste letterkundige
werken van de Gouden Eeuw behoren, en samenvallen met de vroegste gedichten van
Vondel en
Hooft. Van Borsselen heeft geen andere
leermeesters kunnen hebben dan de dichters der Vroeg-renaissance, Van Mander,
Van Hout,
Van der Noot, en die van de
Pléiade, Du Bartas voorop. Maar hoeveel vloeiender en losser stromen
zijn alexandrijnen al dan de toch altijd nog wat onwennige en stroeve jamben
van Van Mander. Van Mander is kernachtiger, ook schilderachtiger - daar was hij
trouwens schilder voor - maar het vers van Van Borsselen is vlotter en
natuurlijker, minder gewrongen dan dat van de dichters rond de
‘Helicon’, die kennelijk nog moeten worstelen met de stugge stof.
Van Borsselen heeft van hun pioniersarbeid al profijt kunnen trekken, en hij
heeft deze kans niet verzuimd.
De ‘Binckhorst’ is in onze letterkunde het oudste
hofdicht, op zijn minst acht jaar ouder dan de eerste uitgave van Hondius'
‘Moufe-schans’. Pas veertig jaar later zetten
‘Hofwijck’ en ‘Ockenburgh’ de lange rij van hofdichten in, die
tot diep in de achttiende eeuw onze letterkunde goeddeels zouden typeren, en
waarin in allerlei toonaarden, maar overigens met weinig variatie, de leuze
‘Beatus ille’ telkens weer zou worden aangeheven. De
‘Binckhorst’ is al dadelijk tegelijk een van de verdienstelijkste
specimina die het genre heeft voortgebracht. In tegenstelling vooral met de
achttiende-eeuwers, voor het merendeel van wie de hofdichten trouwens niet veel
meer waren dan een bewieroking van de eigenaars en bewoners der bezongen
buitenplaatsen, heeft Van Borsselen allereerst oog voor het buitenleven zelf.
Hij ziet de natuur, zoals die zich in de gang van de jaargetijden aan ons
openbaart, en al wandelende over de Binckhorst vermeit hij zich in de
schoonheid der bloemen en der kruiden. Van de Renaissance, klaarblijkelijk van
de dichters der Pléiade, heeft hij de overvloed van epitheta
overgenomen, die hier en daar wel- | | | | eens wat vermoeiend aandoet,
maar dikwijls ook tot verrassende effecten leidt. Wat een hemelsbrede afstand
ligt er tussen het rederijkersreferein, dat nog zo kort tevoren zijn triumfen
had gevierd, en dit stoere en tegelijk sierlijke en melodieuze
Renaissance-vers, waarin zich een dichter uit, die zich van zijn dichterschap
bewust is. Geen van de Zeeuwse dichters, die na hem zijn gekomen,
Cats, Hondius, Van de Venne, Van Beaumont,
Hoffer en de anderen, heeft met zoveel dichterlijke bewogenheid geschreven als
hij.
Is het niet alsof het lied van deze dichter het nieuwe leven in onze
letterkunde weerspiegelt, waarvan de voortekenen zich al hadden geopenbaard in
het werk van de jonge Hooft, en dat weldra in ongekende weelde zou openbreken?
En moet het de aandachtige beschouwer van de poëzie uit deze tijd niet
toegeschenen hebben, dat ook de Zeeuwse letterkunde, in Van Borsselen, aan deze
overvloed haar deel zou krijgen? Hoezeer is het dan te betreuren dat deze
lentebelofte noch bij Van Borsselen zelf, noch bij enig ander Zeeuwse dichter
uit deze periode, nimmer tot zomerse vervulling is uitgegroeid.
|
561Zie over hem: De la Rue, blz. 395; Nagtglas, I,
blz. 63; N.N.B.W., III, kol. 150 (C.H.Ph. Meijer); J.A.N. Knuttel, Een
vergeten dichter (De Gids, 1927, III, blz. 292 - 299) (waarin Van Borsselen
vooral als dichter van de ‘Strande’ wordt getekend). - Al het werk
van Van Borsselen is uitgegeven in: P.E. Muller, De dichtwerken van
Philibert van Borsselen. Een bijdrage tot
de studie van zijn taal en stijl (Groningen - Batavia, 1937).
562In Juli 1595 opponeerde hij (Philibertus
Borstel Zelandus) tegen Theodorus Leontius, in Maart 1596 tegen
Jacobus Dousa. - Diarium Everardi
Bronchorstii, l.c., p. 92, 98. - In 1597 blijkt hij (nog?) in Leiden te zijn
geweest, waar hij ‘amicitiae suae testimonium’ enkele Latijnse
verzen schreef in het album amicorum van Jean de la Vigne (Brit. Mus. M.S.S.
No. 15, 843). Hij ondertekende deze met: Philibertus Borsalus Mattiacus. - In
1598 richtte hij zich tot de Staten van Zeeland en verzocht dit college
‘tot advancemente van zyne studien eenigh eerlick tractement tot laste
van den lande, in consideratie van zyne vaders getrouwe diensten, zoo in
Vossemaer als anders onder den vyand ter dier oorsaken geleden’. Het
verzoek werd echter ‘omme der consequentie wille’ afgeslagen. -
Notulen van de Staten van Zeeland, 1598, blz. 201.
563Zijn weduwe overleefde hem tot l Augustus 1655
en werd in de kerk te Poortvliet begraven. Zie: Ermerins, Eenige
Zeeuwsche oudheden, VIII, blz. 121.
564T.a.p., blz. 6 * r° - v°. - Herdrukt
in: Muller, t.a.p., blz. 9 - 10.
Paullus Merula (1558 - 1607), sinds 1592
professor in de geschiedenis te Leiden, verzamelde in dit werk, dat tevens een
handboek was voor de beoefening van de jacht, alle bepalingen omtrent het
jachtrecht. -
Johan van Duvenvoirde (1547 - 1610), heer
van Warmond, het Woud en Alkemade, de zgn. admiraal van Warmond, is bekend uit
de geschiedenis van de Opstand; zie over hem: N.N.B.W., I, kol. 773 (H.G.A.
Obreen).
565Strande, oft ghedichte van de schelpen,
kinck-hornen ende andere wonderlicke zee schepselen. Tot lof van den Schepper
aller dingen. Aen
Cornelis van Blyenburgh. weerd van alle
fraeyheden ende bysonder lief hebber deser vremdigheden: midsgaders aen allen
mede schelpisten. Door P. V. B. Gedruckt t' Haerlem by Adriaen Rooman. Voor
Passchier van Wesbusch, boeck vercooper,
woonende in den beslaghen Bybel, anno 1611 (60 blzn.; 8vo). - Herdrukken:
Amstelredam, 1614. - Antwerpen, 1838. - De editie van 1614 is herdrukt in
Muller, t.a.p., blz. 13 - 68. Die van 1838, uitgegeven door de Antwerpse
rederijkerskamer ‘Den Olyftak’, berust op een hs. uit 1628 (dat
waarschijnlijk teruggaat op de editie van 1614), afkomstig uit de abdij van
Sint-Salvator te Antwerpen. - Het boek wordt hier naar de ed. van 1611
geciteerd.
566,Cornelis van Blyenburgh (1545 - 1618), heer
van Dortsmonde, Ketel, 's-Graven-ambacht, enz., dijkgraaf en baljuw van
Delfland, was in tweede echt gehuwd met de waarschijnlijk veel jongere
Martina van Borsselen. Uit dit huwelijk
werden twee zoons geboren: Wolfert (1603 - 1615) en Heyman (1604 - 1645). - M.
Balen Jansz., Be-schrijvinge der stad Dordrecht (Dordrecht, 1677), blz.
992.
567Strande, t.a.p., blz. 3.
568Welk dier is hier bedoeld? De editie van 1838
heeft van deze ‘gheschoren Paep’ een ‘moninck’ gemaakt
(vs. 165). Een andere opvallende verandering, die de hand van de
Rooms-Katholieke afschrijver verraadt, is in deze editie die van ‘haer
sinneloos gebed’ (t.w. van tot het Rooms-Katholicisme bekeerde wilden) in
‘haer sin heel op 't gebedt’ (vs. 286).
569O.a.
Plutarchus,
Lucretius,
Aristoteles,
Bellonus,
Valerius Maxianus,
Aurelius Victor,
Plato en
Cicero.
575Den Binckhorst, ofte het lof des gelucsalighen
ende gherustmoedighen land-levens. Aen jonck-heer
Jacob Snouckaert. Heere van den
Binckhorst. Amstelredam. Dirck Pietersz, boeckverkooper, op 't Water in de
Witte pers. Anno 1613 (36 blzn.; 4to). - Herdrukt in Muller, t.a.p., blz. 71 -
106. - Vgl. over dit gedicht: J. Koopmans, Philibert van Borsselen's ‘Den
Binckhorst’ (De nieuwe taalgids, 11 (1917), blz. 25 - 40).
576Een vergelijking tussen beide gedichten geeft
Muller, t.a.p., vooral blz. 216 - 217.
577Over dit kasteeltje en zijn bewoners vgl.
t.a.p., blz. 219 - 221.
578Als aanhanger van het Rooms-Katholieke geloof
was Snouckaert ambteloos. - Jacob Snouckaert († 1618) werd 17 October
1575 met de Binckhorst verleid. Hij was getrouwd met
Anna van Brederode, dochter van
Arthur van Brederode, een natuurlijke
zoon van
Reimond III van Brederode. Diens vader,
Walraven van Brederode, was gehuwd met Margaretha van Borselen, dochter van
Wolfert VI van Borselen en
Charlotte van Bourbon. Zie: Paulus Voet,
Oorspronck, voortganck en daeden der doorluchtiger heeren van Brederode
(Utrecht, 1656), passim.
579Den Binckhorst, t.a.p., blz.
11.
583Snouckaerts Latijnse verzen zijn
waarschijnlijk in portefeuille gebleven; als dichter wordt hij althans niet
genoemd.
584Lancelot van Bredero, raad van het Hof
van Holland te 's-Gravenhage. Zie over hem: Van der Aa, B, blz. 389.
585Vgl. hierna, blz. 408, noot 738.
586Bijwijze van bladvulling volgen nog (blz. 35
- 36): Vier-vers op 't anagramma van
Jacob Snouckaert; t' Ghelucksaligh leven
ex Martiali 1. 10. ep. 47. Vitam quae faciunt beatiorem etc. Aen den selven;
Anders Christelicker; Van de eer-suchte clinckdicht. Daaronder de spreuk: In
liefden volmaecktheyt. Van Borsselen was een liefhebber van anagrammata.
Behalve het hier genoemde van Jacob Snouckaert maakte hij er nog een van hem
(Binckhorst, blz. 18), en verder van hemzelf (Binckhorst, blz. 2; Strande, blz.
52), van Cornelis van Blyenburgh en Martina van Borsselen (Strande, blz. 52) en
van Johan van Duvenvoirde (‘Dianae Lied’). Een kreeftvers vindt men
in de Binckhorst, blz. 26. - Vgl. Muller, t.a.p., blz. 135.
587Vgl. hiervóór, blz. 231.
588Den Binckhorst, t.a.p., blz. 28. Ook Petrus
Hondius had hetzelfde voornemen; vgl. hierna, blz. 343.
589Janus Douza, Poemata pleraque selecta (Lugd.
Bat., 1609), p, 631. - Het album amicorum van Van Borsselen heb ik niet kunnen
ontdekken; het zal, als zovele andere, verloren zijn gegaan.
590Vgl. J.A.N. Knuttel, Bauw-heers wel-leven
(Tijdschr. v. Ned. taal- en letterk., 46 (1927), blz. 180 - 185).
591Vgl. P.J. Meertens, Bauw-heers wel-leven
(t.a.p., 46 (1937), blz. 273 - 275).
592Zo heeft
Justus de Harduijn in zijn ‘Val ende
op-stand van David’ (1620) zinswendingen en zelfs hele versregels uit de
Binckhorst overgenomen. - Vgl. O. Dambre, Ph. van Borsselen-plagiaat bij J. de
Harduijn (De nieuwe taalgids, 31 (1937), blz. 364 - 366).
593Zeer in 't kort handelt over zijn
afhankelijkheid van Du Bartas: A. Beekman, Influence de Du Bartas sur la
littérature néerlandaise (Poitiers, 1912), p. 32 - 35.
Uitvoeriger: Muller, t.a.p., blz. 137 - 169.
594Strande, t.a.p., blz. 52.
595Al deze en vele andere voorbeelden vindt men
bij Muller, t.a.p.
596Zo spreekt Du Bartas herhaaldelijk van God als
van ‘l'Ouvrier’ of ‘ce grand Ouvrier’, wat Van
Borsselen vertaalt met ‘d'werck-man’. Uitdrukkingen en
omschrijvingen als ‘t'gevlimde volck’ of ‘het blau-geschubde
vee’ (voor de vissen), ‘'t groot amphitrijtsche veld’ of
‘ghelasen huys’ (voor de zee) herinneren aan de ‘peuples
escaillez’ of de ‘bandes escaillez’, ‘les bourgeois
d'Amphitrite’ en de ‘fleuves crystal-lins’ waarvan bij Du
Bartas herhaaldelijk sprake is. Aan deze herinneren ook de antithesen en
woordspelingen die men ook bij Van Borsselen aantreft; vgl. Muller, t.a.p.,
blz. 139 (alwaar nog bij te voegen is: d'on-eenigh eenicheyt (d.i. de eenheid
in verscheidenheid) uit de Binckhorst, vs. 424.
597Daarentegen zou men kunnen veronderstellen dat
Zacharias Heyns in zijn overzetting van Du
Bartas: ‘De weke vanden edelen gheest-rijcken Willem van Saluste, heere
van Bartas, inhoudende de Scheppinghe des werelts. Vertaelt door Zacharias
Heyns’ (1616), enkele vertalingen aan Van Borsselen heeft ontleend, als:
tgroot Amphitritsche velt (Heyns, blz. 45b; Strande, blz. 7: T'groot
Amphitrijtsche veld; Du Bartas, Premiere sepmaine ou creation du monde (Rouen,
1602), p. 187: les bourgeois d'Amphitrite... la mer), ghevlimde volck (Heyns,
blz. 119a; Binckhorst, blz. 8: t' gevlimde volck; Du Bartas, p. 519: citadins
des flots).
598Knuttel, t.a.p., blz. 294.
599Strande, t.a.p., vs. 792 - 799.
|
|