auteur: P.J. Meertens
bron:
P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en
de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers
Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van
Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2000 dbnl / erven P.J. Meertens

|
|
| |
Abraham van der Myl
Van de ruim zeventig jaar die hij geleefd heeft, heeft Van der Myl
er twintig, van 1589 tot 1609, in Zeeland doorgebracht, maar ook nadat hij,
noodgedwongen, naar Holland was vertrokken, heeft hij het contact met de
Zeeuwen bewaard en hebben deze hem ook nog zózeer als een van de hunnen
beschouwd, dat zij hem hebben uitgenodigd om mede te werken aan de
‘Zeeusche Nachtegael’, ruim tien jaar na zijn vertrek. Om deze
reden wordt het werk van deze geleerde predikant hier in zijn geheel
beschouwd.
Abraham van der Myl (1563 - 1637)
655 stamde uit een bekend
Dordts geslacht, dat in de zestiende en de zeventiende eeuw een aantal
verdienstelijke staatslieden en geleerden aan ons land heeft geschonken. Zijn
vader,
Jan van der Myl Claasz., was aanvankelijk
rentmeester van graaf
Willem van den Berg, en vervolgens
predikant te Appingedam, Groningen, Delft
en Breda; zijn moeder,
Christina van Wimborg, stamde van
moederszijde uit het adellijke geslacht der Quaden uit Westfalen.
Hun zoon werd op 13 Februari 1563
656 te 's-Heerenberg, de resident der graven Van den
| | | | Berg, geboren en van jongs af bestemd voor de geestelijke stand.
Aan de Gentse hogeschool volgde hij de lessen van
Jacobus Kimedoncius en
Lambertus Danaeus, twee theologen van meer
dan gewone betekenis. Onder voorzitting van de eerste verdedigde hij in 1583
negen stellingen uit de brief van Paulus aan de Hebreeën
over het priesterschap van Christus. Het volgende jaar verliet hij Gent wegens
de geloofsvervolgingen, om aan enkele buitenlandse universiteiten zijn
theologische studie voort te zetten, o.a. in Heidelberg, waar hij in 1586 en
'87 was. Teruggekeerd in het vaderland, leidde zijn weg, misschien door
tussenkomst van Kimedoncius, die sinds 1585 predikant te
Middelburg was, naar Zeeland, waar hij op l Juli 1589 door de
kerkeraad van Vlissingen als derde predikant werd beroepen
657, op voorwaarde dat zijn gaven vooraf
door enkele predikanten getoetst zouden worden. Klaarblijkelijk heeft hij aan
de eisen voldaan. In 1597 was hij een van de gedeputeerden van de classis
van Walcheren naar de provinciale Zeeuwse synode te
Goes, waaruit opgemaakt mag worden dat hij destijds nog voor
rechtzinnig doorging. Dit veranderde, toen hij in het begin der volgende eeuw
partij koos voor de opkomende beweging der Remonstranten. Aan de magistraat van
Vlissingen was dit dermate onaangenaam, dat zij in het laatst van 1608 zijn
overplaatsing eiste, en hem zelfs, toen dit naar haar zin niet spoedig genoeg
gebeurde, het preken verbood. Het is niet duidelijk waarom de Vlissingse
regering zo streng tegen hem optrad; noch de acta van de kerkeraad, noch die
van de classis verspreiden hierover enig licht. Uit de acta van de provinciale
synode, die in 1610 te Vere bijeenkwam, blijkt dat er ‘quade
geruchten’ over hem waren uitgestrooid
658, maar het is niet op te maken of deze zijn leer dan wel zijn leven
betroffen. Intussen had de kerkeraad hem al op het eind van 1608 of het begin
van 1609 ongevraagd ontslag gegeven, en in zijn plaats
Daniël van Laren, predikant te
IJzendijke, beroepen. Van der Myl beriep zich op de classis van
Walcheren en de provinciale synode van 1610, maar de protesten van de classis
zowel als die van de synode, bij Hunne Edel Mogenden ingediend, bleven zonder
het gewenste resultaat
659. Van der Myl bleef dus
afgezet, en vestigde zich in 1609 als ambteloos burger in
Dordrecht, waar zijn familie woonde. Pas in 1614 werd hij te
Papendrecht, onder de classis van Zuidholland, weer predikant,
maar al in 1619 nam hij emeritaat of werd hij - ook dit blijkt niet duidelijk -
als Arminiaan afgezet. Zo bracht hij ook zijn laatste twintig levensjaren weer
ambteloos te Dordrecht door, waar hij vele vrienden had, o.a. de bekende dokter
Johan van Beverwyck, en waar hij op 27 Maart 1637 stierf
660.
Het oudste werk dat we van Van der Myl kennen is een Latijns
rouwdicht uit 1587 op de dood van de Friese dichter Eilardus de Alma
661, met wie hij wellicht te
Appingedam of Groningen kennis heeft gemaakt. Er schijnt geen exemplaar van te
zijn bewaard gebleven, en zo is het niet mogelijk een indruk te krijgen van dit
specimen van consolatieliteratuur, waarmee Van der Myl zich aansloot aan een in
de Renaissance-literatuur welbekend genre.
Zes jaar later verscheen zijn vertaling van ‘Den slach van Lepanten’ (1593)
662, het gedicht dat
Jacobus VI van Schotland op de bekende
zeeslag van 1571 tegen de Turken heeft gemaakt, en dat al eerder door
Du Bartasin het Frans was overgezet. Van der
Myls vertaling sluit zich nauwer dan de Franse bij het origineel aan, en hoewel
ze niet vrij is van een zekere stroefheid, treft ons hier en daar toch een niet
onwelluidende klank; zo in enkele, overigens vage natuurbeschrijvingen, als in
deze Virgiliaanse aanduiding van de lente:
| | | |
Op dien tijt van het jaer, wanneer der maeyers handt
Met een gecromde zicht scheert aff alom vant landt
De gulden locken haers van Ceres geelwe vlechten:
End als de tacken crom sick niet en connen rechten,
Mits haer swaer vruchten last: end' als den huysman bly,
Gecroont met wijngaerts blaer, danst met een wijt geschry
663,
of in deze andere, van de dageraad:
Soo haest nu t'morgenroot met sijn schoon aensichts stralen
Den dach om hoge brocht, end deed' den nacht neerdalen:
End maeckten s'leeuwercks keel, bly om der sonnen licht,
Weer open, om tot God te singen een soet dicht:
Soo haest de claere maen van aenschijn ongestadich,
In zee te bedde was, end dat de son schijndadich,
Mits treckend' allen damp end wasem dick om hooch,
Een hemels blauwen rock de coele locht aentooch
664.
Van der Myl heeft aan deze vertaling enkele kleinere oorspronkelijke
zowel als vertaalde gedichten toegevoegd
665.
Ook hij was, als zovelen onder zijn tijdgenoten, getroffen door de epode
‘Beatus ille’ van Horatius, en de vertaling die hij
van ‘Den loff eens landt-mans levens’
666
gaf - de oudstbekende uit onze taal - is verre van onverdienstelijk. In
vijfvoetige jambische verzen heeft hij het origineel op de voet gevolgd. Mogen
we het als een hulde aan zijn dichterschap beschouwen, dat de dichter van
‘Bauw-heers wel-leven’ uit de ‘Nederduytschen Helicon’ er enkele regels aan
ontleend heeft
667,
zoals Philibert van Borsselen enkele jaren later een passage uit de
‘Slach van Lepanten’ in zijn ‘Strande’ overnam?
668
Behalve twee andere oden van Horatius heeft Van der Myl nog, onder
de titel ‘De ydelheyt ende ongestadicheyt des werelts, levendich
afgeschildert’
669, een
aantal achtregelige gedichtjes van de Franse auteur
Antoine la Roche de Chandieu vertaald. In
zijn vertalingen is hij doorgaans meer op dreef dan in oorspronkelijke
gedichten als ‘Vant Woort Gods’, ‘Tegen den wellustigen’ en ‘Tegen den dronckaerts’ of dat ‘Over den naem sijns soons Petri’
670,
waarin ook niet het geringste spoor van dichterlijk talent te onderkennen
is.
Klaarblijkelijk heeft Van der Myl door deze vertaling van de
‘Slach van Lepanten’ de aandacht getrokken van
Carel van Mander, en is deze op de een of
andere wijze met de Vlissingse predikant in contact gekomen. We kennen althans
een sonnet van de Haarlemse dichter aan zijn Vlissingse vriend
671, die voor Van Manders vertaling van de ‘Bucolica en Georgica’ (1597) in de vorm van een
dialoog tussen Gaerdriick en Plantman een ‘Ecloga ofte Veld-dicht’
672 schreef, waarin Van Mander om zijn vertaling wordt geroemd,
‘ende alle goede verstanden werden vermaent hetselfde nae te volghen int
verrijcken der Nederlandtsche sprake’. De samenspraak krijgt een locale
kleur door de vermelding van het steeds toenemende aantal boomgaarden op
Walcheren en de korenrijkdom van Zeeland, waardoor de dichter bewees hoezeer
dit zijn tweede vaderland was geworden.
Ook aan de ‘Nederduytschen Helicon’ heeft Van der Myl
meegewerkt. De bundel bevat een ‘Nieu-jaer-liedt’
673 van hem, opgedragen aan de
Middelburgse maecenas Melchior Wijntgis, en een berijmde anekdote
674, alweer zonder enige
dichterlijke verdienste. Hij zal het dan ook wel alleen aan zijn vertaling te
danken hebben, dat hij in het ‘Vreught-eyndich spel’, waarmee de bundel opent,
genoemd wordt onder de zestien Neder- | | | | landse voorgangers op het
terrein der rhetorica, die waard zijn om nagevolgd te worden
675.
Nog eenmaal zullen we Van der Myl als lid van een dichterkring
ontmoeten, die van de ‘Zeeusche Nachtegael’. De twee bijdragen, die
dit boek van hem bevat
676, bewijzen dat hij zich nog altijd als een Zeeuws dichter
beschouwde, en dat de Zeeuwen hem, zijn onrechtzinnige naam ten spijt, ook nog
altijd als zodanig erkenden. Zijn aandeel aan de bundel leert ons dat hij in de
calvinistische gedachtenwereld van de Zeeuwen geen vreemdeling was.
Van der Myl, die intussen weer Hollander was geworden en zijn tweede
vaderland voorgoed had verlaten, had enkele jaren na zijn vertrek uit Zeeland
de ‘Lingua Belgica’ (1612)
677 uitgegeven, die
ofschoon in het Latijn geschreven, een pleidooi inhield voor de moedertaal, en
die ook in andere opzichten een typische uiting van renaissancistische
taalkunde is. In dit boek, dat naar de schrijver meedeelt in niet meer dan twee
maanden tijds geschreven zou zijn, wilde hij de oudheid, de eerbied-waardigheid
en de voortreffelijkheid van de Nederlandse taal aantonen en de verwantschap
van deze met het Hebreeuws, het Grieks, het Latijn, het Perzisch en andere
talen duidelijk maken. Naast de eerste drie talen beschouwt hij de lingua
Germanica, sive Teutonica, sive Belgica als een van de vier moedertalen van de
meeste volken. In een aantal woordenlijsten toont hij hun onderlinge
verwantschap aan, waarbij hij er, zoals trouwens in zijn hele betoog, te weinig
rekening mee heeft gehouden dat er meer gelijk dan eigen is, ook in de
filologie. Zijn wijze van redeneren is vrij simpel, en voor de taalstudie is
zijn boek niet meer dan een historisch curiosum. Niettemin blijkt er uit, hoe
grote belangstelling deze predikant bezat voor de jongste ontdekkingen op
filologisch gebied, waarvan hij uitstekend op de hoogte blijkt te zijn geweest.
Van Marnix' schoondochter leende hij een door deze staatsman vervaardigd
excerpt uit een Perzische woordenlijst van
Raphelengius, van de studies van
Gyraldus,
Gesnerus,
Bibliander,
Vulcanius,
Merula,
Lipsius en andere gezaghebbende filologen
blijkt hij met vrucht kennis te hebben genomen. Maar al zijn wijsheid was
tweederangs-wijsheid, en van enig kritisch inzicht in zijn bronnen geeft Van
der Myl nergens ook maar enig blijk. Niettemin heeft het enig gezag gehad; de
lofdichten van Vulcanius,
Heinsius en
Scriverius, die de ‘Lingua
Belgica’ voorafgaan, deden het als het ware onder de auspiciën van
de Leidse school verschijnen, en niemand minder dan Grotius nam zijn
bewijsvoering voor de IJslandse kolonisatie van Noord-Amerika in zijn ‘De origine gentium Americanarum dissertatio’
(1642) over. Nog lang na Van der Myls dood heeft de filologie de ook door hem
verdedigde denkbeelden aangehangen, en eerst
Leibnitz heeft het vooroordeel, dat het
Hebreeuws de moeder van alle talen zou zijn, voorgoed overwonnen.
Van Van der Myls filologische belangstelling getuigt nog een
woordenlijst uit oude Duitse schrijvers als
Otfried von Weissenburg,
Williram, de glossaria van
Rhabanus Maurus, van
Kero,
Gassarus,
Lipsius en
Lazius, waaruit hij de oude Duitse en
Keltische woorden zorgvuldig heeft gerangschikt en vervolgens getracht, ze met
behulp van allerlei talen te verklaren. Leibnitz achtte ze belangrijk genoeg om
ze onder de titel ‘Archaeologus Teuto’ op te nemen in zijn ‘Collectanea etymologica’ (1717)
678. Enige verwantschap met de
‘Lingua Belgica’ vertoont ook liet posthume boekje ‘De origine animalium, et migratione populorum’
(1667)
679, dat Van der Myl nog op zijn zeventigste jaar, dus in 1628 of
1629, voltooide, maar dat pas veertig jaar later in Genève gedrukt
werd. | | | | Het werd al drie jaar na zijn verschijning in het Duits
vertaald
680, en bovendien nog in 1705 herdrukt. Hij
behandelt in dit anthropologische werkje, geschreven in een tijd toen de
wetenschappelijke beoefening der anthropologie nog geboren moest worden, de
verspreiding van mensen en dieren over de aarde, op grond van hetgeen de
Bijbel, de kerkvaders en de klassieke auteurs daarover mededelen. Ook dit
geschrift is voor ons niet meer dan een historische curiositeit, maar ook dit
bewijst ons hoe wijd de belangstelling van deze predikant was, in wie we het
polyhistor-type der Middeleeuwen zien voortleven.
Het is opmerkelijk dat van Van der Myl maar één enkel
theologisch werk afzonderlijk gedrukt is, te meer omdat hij zelf uitdrukkelijk
verklaart dat de taalstudie voor hem maar een tijdverdrijf was, de studie der
theologie echter het eigenlijke terrein waar zijn belangstelling lag
681. Zijn *‘Overlegginghe van den 23sten Psalm’ (1611)
682 is
ons, als zovele andere werken van Zeeuwse schrijvers uit deze tijd, alleen van
naam bekend. In hetzelfde jaar waarin dit stichtelijke geschrift verscheen,
gaven de afgevaardigden van Zuidholland hem op de Dordtse synode op als een van
de theologen uit hun gewest, die zij bekwaam achtten voor het overzetten van de
Bijbel
683. Daarvoor is Van der Myl echter niet in aanmerking gekomen,
wat ons met het oog op zijn al of niet vermeende roep van onrechtzinnigheid
trouwens niet behoeft te verwonderen.
Dat hij intussen op theologisch gebied meer gewerkt heeft dan zijn
literaire nalatenschap ons zou doen vermoeden, blijkt uit zijn briefwisseling
met vele geleerden van zijn tijd, die we fragmentarisch bezitten, maar waarvan
ons voldoende is overgeleverd om er uit op te maken dat hij met tal van
theologen en filologen van gezag en andere geleerden in briefwisseling en in
persoonlijk verkeer heeft gestaan. We zagen al dat Vulcanius, Heinsius
684 en
Scriverius
685 lofdichten schreven
voor zijn ‘Lingua Belgica’, die er ook een van de Terneuzense
predikant
Petrus Hondius bevat. Met Lipsius
686,
Vossius
687, Junius
688 en
Heurnius
689 stond hij in briefwisseling. Een hechte vriendschap verbond hem met
Dominicus Baudius. Toen deze in het
voorjaar van 1607 wegens zijn benoeming tot professor in de juridische
faculteit moeilijkheden kreeg met de studenten, stond Van der Myl vooraan onder
degenen die hem aanrieden, vooral niet te wijken
690. Ook met
Wtenbogaert stond hij in briefwisseling
691;
o.a. verzocht hij deze in 1607 hem te verdedigen tegen de kwade geruchten, die
over hem werden uitgestrooid
692, en nog in 1612 stuurde hij hem een van zijn geschriften ter
beoordeling toe
693. Ook Gomarus behoorde tot zijn beste en
oudste vrienden. In 1598 zond hij hem twee van zijn commentaren toe, over het
Hooglied en over het lied van Jacob, met verzoek om een oordeel daarover zowel
van Gomarus zelf als van Marnix. Gomarus deelde hem uit beider naam hun
ongeveer gelijkluidende mening mee, maar ofschoon die niet ongunstig was,
schijnt het niet tot een uitgave van deze theologische geschriften te zijn
gekomen
694. In 1602 zond Van
der Myl hem weer een boek ter beoordeling toe, waarin hij o.a. handelde over de
vraag of de kerk in geloofsdogmen, die voor de zaligheid noodzakelijk zijn, kan
dwalen. Gomarus maakte enkele op- en aanmerkingen, maar achtte zich overigens
niet bevoegd om hierover een oordeel uit te spreken
695. Ook deze verhandeling schijnt Van der Myl onder
zich te hebben gehouden. Zijn vriendschappelijke verhouding met mannen als
Wtenbogaert en Gomarus maakt de tegen hem ingebrachte beschuldiging van
onrechtzinnigheid en zijn afzetting als predikant nog eens zo raadselachtig.
Maar ook in de zeventiende eeuw gingen intellectuelen van verschillende
denkrichting, die | | | | elkaar officieel verketterden,
vriendschappelijk met elkaar om, verbonden door de boven kerketwisten
uitrijzende liefde tot de wetenschap.
Marnix heeft hij, zoals uit zijn brieven valt op te maken,
persoonlijk gekend, en men mag aannemen dat de jonge predikant de in de
teruggetrokkenheid van zijn Soeburgse kasteel levende staatsman weleens heeft
bezocht in de jaren toen hun woonplaatsen aan elkaar grensden, om persoonlijk
over theologische onderwerpen met hem van gedachten te wisselen. Ook is er
aanleiding om te veronderstellen dat Van der Myl in 1606 het plan heeft
opgevat, de Psalmen van Marnix opnieuw uit te geven, samen met die van Datheen
en met de Franse vertaling. In 1604 verleenden de Staten-Generaal octrooi voor
deze uitgave aan de Middelburgse boekverkoper
Bernard Langenes. Bij een bezoek te
Leiden informeerde Van der Myl bij zijn vriend prof.
Willem van der Codde naar de verbeteringen
van Marnix' hand, die na diens dood in het bezit van Vulcanius waren
overgegaan. Intussen is er om onbekende redenen van deze nieuwe uitgave,
waartoe ook
Vulcanius plannen had, niets gekomen
696.
In 1601 kwam zijn tien jaar jongere Dordtse vriend Simon van
Beaumont in Middelburg wonen. De brief, die Van Beaumont bij zijn
terugkomst van een reis naar Holland aan Van der Myl schreef
697, bewijst dat er destijds al een
hechte vriendschap tussen hen beiden bestond. We zagen al dat ook Van Beaumont
tot diegenen behoorde, die zonder in de godsdiensttwisten tijdens het Bestand
rechtstreeks partij te kiezen, toch genoeg sympathie voor de Remonstranten
toonden om in de ogen der Gomaristen verdacht te zijn. En al behoeft
vriendschap dan niet altijd geestverwantschap in te sluiten, het intieme
verkeer met een liberaal denkend man als Van Beaumont kan er zeker toe hebben
bijgedragen om ook Van der Myls denken in contra-remonstrantse richting te
beïnvloeden.
Over theologische onderwerpen heeft Van der Myl nog met verscheidene
andere tijdgenoten gecorrespondeerd: met de Goese predikant-astronoom Philips
Lansbergen
698, met
Arminius
699,
ook met buitenlandse theologen als
John Overall (1560 - 1619), bisschop van
Norwich en deken van de Sint-Pauluskerk te Londen
700 en met de ongelukkige
Marcus Antonius de Dominis (†
1632), de gewezen aartsbisschop van Spalatro in Dalmatië, die later tot de
Hervormde godsdienst overging en toen Van der Myl hem schreef in Engeland
woonde
701.
In 1613 dacht Van der Myl, als ambteloos burger in Dordrecht
wonende, er over om een verhandeling te schrijven over de vraag, in hoeverre
het recht der overheid zich uitstrekt in kerkelijke zaken: het brandende
vraagstuk dat een der aanleidingen was van de twisten tussen Gomarus en
Arminius. Hij schijnt deze inderdaad geschreven te hebben en ze aan De Groot
ter beoordeling te hebben voorgelegd
702. Deze oordeelde er evenwel niet gunstig over; hij was van
oordeel dat Van der Myl zich nauwelijks meer dan in de woordenkeus van de
Jezuïeten onderscheidde
703, wat in de mond van de Rotterdamse pensionaris niet bepaald als
lof bedoeld was. Ook deze studie is, misschien door dit minder gunstige
oordeel, klaarblijkelijk nooit uitgegeven.
In hetzelfde jaar zond De Groot hem zijn handschrift van de
‘Ordinum pietas’ ter beoordeling
704,
wat bewijst dat hij evenzeer prijs stelde op de mening van de afgezette
Vlissinger predikant als deze op de zijne. Beide mannen waren geestverwant, en
de brieven van Van der Myl aan De Groot vloeien over van klachten over de
toestand, waarin staat en kerk verkeren, en die hun beiden gelijkelijk ter
harte ging. Het doet hem leed | | | | dat men zich allerwege zo tegen De
Groot keert: ‘Quo me verto, quousque audio, velut coelum ventis et
tonitru, ita murmure contra te reboare audio omnia Vah quam aegre et
illibenter!... Scribo haec summo dolore; praesertim cum metuam huic conturbatum
fore, quicquid a te sperabam proventurum boni ad ecclesiae pacem et tollendam
calamitosam ministrorum discordiam’
705. En
vier jaar later, wanneer de algemene toestand geleidelijk aan verslechterd is,
herhaalt Van der Myl zijn klacht. De Groot en hij hebben geprobeerd om elkaar
op te zoeken, maar elkaar niet thuisgetroffen, waarover Van der Myl nu zijn
spijt betuigt
706; hoe
graag immers had hij hem willen spreken over de droevige twisten van staat en
kerk: ‘Quam voluissem audire ex te aliquid bonae spei de finiendis
tristibus hisce et indignis Hollandiae nostrae ecclesiarumque dissidiis! Quam
sani aliquid fidique consilii eo serviens! Adferat sapientissimus atque Opt.
Max. Deus auxiliares manus! Adferant patriae Patres, adferant gregis Christi
pastores! prout utrisque haec cura, suo cuique modo, est imposita; et ratio
eius adhibitae a Deo postulanda. Colloca et tu, Vir amplissime, huc opulentum
tuum talentum. Oremus omnes et meditemur illud Petri, in hac Hollandiae nostrae
tempestate: ’. Van Grotius' lofdicht ‘In Lexicum vetus Germanicum’ werd al gesproken
707.
Pas op het eind van zijn leven is - wanneer we het niet
teruggevonden werkje over de 23ste Psalm buiten beschouwing laten - voor de
eerste maal een theologische verhandeling van Van der Myl in druk verschenen,
zij het dan ook niet afzonderlijk. In 1634 verzocht Johan van Beverwijck aan
een achttal geleerden, waaronder
Episcopius,
Barlaeus en ook
Van der Myl, hun mening te uiten over de
vraag, of de levensduur van de mens door God van alle eeuwigheden af
vastgesteld is, dan wel veranderlijk en afhankelijk van omstandigheden zou zijn
708. Van der Myl oordeelde
- naar Van Beverwijcks biograaf meent: het meest in diens geest - dat aan elk
mens door God een maximale levensduur was toegekend, en dat het van hemzelf,
van het toeval en van de uitwendige omstandigheden afhing of hij dit maximum al
of niet zou bereiken. Van Beverwijck gaf de briefwisseling uit in een bundeltje
‘Epistolica quaestio de vitae termino, fatali, an
mobili?’ (1634)
709, dat grote opgang
maakte en tot twee keer toe herdrukt werd. De drie brieven, die het van Van der
Myl bevat
710, zijn het laatste
wat van hem tijdens zijn leven gepubliceerd is.
Terwijl
Abraham van der Myl maar ten dele tot de
groep van de ‘Zeeusche Nachtegael’ kan worden gerekend, omdat
hij toen deze bundel verscheen al lang niet meer in Zeeland woonde, zijn er
twee dichters, die er hoewel in deze tijd in Zeeland woonachtig, niet aan
hebben meegewerkt. Het zijn Petrus Hondius en
Cornelis Liens. Liens is stellig een geheel
afzijdige figuur geweest in het letterkundige leven van Zeeland. Nergens vinden
we een aanwijzing dat hij andere Zeeuwse letterkundigen gekend heeft, en zowel
de afgelegen ligging van zijn woonplaats als de buitenissigheid van zijn
poëzie, die trouwens pas na zijn dood gedrukt werd, wettigen de
veronderstelling dat hij tijdens zijn leven als dichter volkomen onbekend is
geweest. Anders ligt het geval met Hondius. Ook de predikant
van Terneuzen woonde op een plek, waar contact met de Middelburgse
en Zierikseese dichters tot de zeldzaamheden zal hebben behoord, maar de eerste
druk van zijn ‘Moufe-schans’ verscheen nog tijdens zijn leven, en
Cats althans kende hij persoonlijk. Wellicht
is zijn dood, in 1621, de oorzaak dat men geen bijdrage van hem vindt in de
‘Nachtegael’, al heeft Cats hem misschien nog wel tot medewerking
uitgenodigd. Zo is de afzijdige plaats die de vertegenwoordiger van
Zeeuws-Vlaanderen en die van Tolen | | | | in de Zeeuwse letterkunde van
de eerste helft der zeventiende eeuw innemen symbolisch voor de afzijdige
positie van hun woonplaatsen, die in tegenstelling tot Walcheren, Schouwen en
Zuidbeveland noch in kultureel, noch in economisch opzicht meetelden.
|
655Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 187 - 189;
Vrolikhert, t.a.p., blz. 41 - 52; G.D.J. Schotel, Dordrecht (Dordrecht, 1858),
blz. 41 - 47: Abraham van der Myl (een omgewerkte herdruk van het art. in L. G.
Visschers Historisch tijdschrift, 2 (1842), blz. 60 - 63). - Over het geslacht
Van der Myl: Matthys Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht (Dordrecht, 1677),
blz. 1141 - 1145; Schotel, t.a.p., blz. 7 - 48.
656Balen en Schotel noemen als zijn
geboortejaar: 1563, Foppens en Vrolikhert: 1558. Van der Myls grafschrift
vermeldt: Obiit A. 1637, 27 Martij, aetatis suae 79, maar een brief aan
Johan van Beverwijck (zie hierna, blz.
406, noot 709), gedateerd 29 Mei 1633, ondertekent hij: aetatis meae
LXX.
657Er schijnt sprake van een beroep naar
Friesland (Leeuwarden?) te zijn geweest; prof.
Sibrandus Lubbertus uit Franeker en de
bekende Emder predikant
Menso Alting schijnen zich daarvoor
moeite te hebben gegeven, maar zonder succes. Een onbekende, die bang was dat
zijn eigen luister door die van de jonge Van der Myl verduisterd zou worden,
werkte hem namelijk tegen. Vgl. de brief van Lubbertus (Franeker, 6 December
1587) en die van Menso Alting (Emden, 16 Augustus 1587), beide aan Van der Myl,
in: Thomas Crenius, Animadversiones philologicae et historicae, XI (Lugd. Bat.,
1702), p. 125 - 126. Uit deze brieven blijkt ook dat Van der Myl in Augustus
1587 nog in Heidelberg studeerde, maar in December weer in Delft was, waar zijn
vader destijds als predikant stond.
658Reitsma en Van Veen, Acta, t.a.p., V, blz. 93
- 95.
659De gedeputeerden van Vlissingen legden er op
de synode de nadruk op, dat deze zaak vooral de magistraat van hun stad betrof,
die hun uitdrukkelijk had verboden om op de genomen besluiten terug te komen.
De synode oordeelde het daarop ‘onbehoorlick ende de kercke ende de
policie schadelick te wesen, dat de kerckenraedt van Vlissinghe haer in een
pure kerckelicke zaecke tegens den synodum met de authoriteyt der politycke
overicheyt behelpt’. - T.a.p., blz. 95.
660Van der Myl is twee keer getrouwd geweest,
eerst met
Digneken Hoefyzer, uit een bekende
Delftse familie, daarna met
Agnetken van Duymen. Bij het tweede
huwelijk, dat in het najaar van 1596 te Vlissingen werd gesloten (de ondertrouw
had plaats op 19 October), was de hele kerkeraad als getuige tegenwoordig. Uit
het eerste huwelijk werd een zoon Jan geboren, getrouwd met
Engeltje Vermy; uit het tweede vier
zoons en drie dochters: 1. Abraham, gehuwd met
Barbara Zegers Bax; 2. Joachim; 3.
Samuel, beiden ongetrouwd gestorven; 4. David, getrouwd met
Kleysje Klaasdr.; 5. Digna, getrouwd met
Aarnoud de Moor; 6. Christina, ongetrouwd gestorven; 7. Anna, getrouwd met ds.
Andreas Colvius, predikant bij de Waalse
gemeente te Dordrecht.
661* Consolatio super morte Eilardi ab Alma
Frisii (Heidelberg, 1587), 4to. - Aldus bij Van der Aa; ik zag dit geschrift
niet. - Over Eilardus of
Eclardus van Alma († 1586), de
dichter van de * ‘Bellum Gigantum’ (1587), vgl. Van der Aa. -
Omstreeks 1595 maakte Van der Myl een lijkdicht op zijn toen nog eenige broer
(David of Samuel), dat hij aan
Philips Lansbergen zond. Vgl.: Nog twee
brieven van Philips Lansbergen, medegedeeld door C. de Waard Jr. (Archief
Z.G.d.W., 1915. blz. 93 - 99; alwaar, blz. 98).
662Den slach van Lepanten des conincx van
Schotlandt, Jacobi des Sesten, tegen-woordichlick regerende. Van hem eerst
beschreven in Schotsche dicht, ende overgeset in Nederlantsche dicht, deur
Abraham vander Myl. Middelburgh, ghedruct by
Richard Schilders, wonende op de Groote
Merckt, inde Fransche Galeye. 1593 (48 blzn.; 4to) (Nat. Bibl., 's-Gravenhage;
Bibl. Thysiana, Leiden) - (Beschreven in B.B., M 159). - De vertaling is
opgedragen aan de overheid van Vlissingen. - Herdruk: Amsterdam, z. j. (1603?)
(U.B., Amsterdam). - Bovendien heeft
Zacharias Heyns de vertaling van Van der
Myl opgenomen in zijn: W.S. Heere van Bartas Wercken, IV, 2de stuk (Rotterdam,
1628), blz. 179 - 208. Vgl. blz. 175: ‘Onnoodich docht het my te stellen
desen slagh, By Bartas meed in Frans ghebracht zijnd' aen den dagh: Dewijle
vander Myl (poëtelijck beschreven) Den selven in goet Duyts te lesen heeft
ghegheven’. Waarschijnlijk heeft Van der Myl de uitgave gebruikt die,
tezamen met de Franse vertaling, verscheen in: His Maiesties poeticall
exercises at vacant hours (Edinburgh, 1591).
665In de herdruk zijn deze weggelaten.
666T.a.p., blz. E 3 r° - E 4 r°. - Met de
beide andere aanstonds te noemen oden van Horatius is deze, met slechts enkele
onbetekenende spellingvarianten, herdrukt in: Horatius satyrae oft sermones
rhetorijckelicken overgheset door
Cornelis van Ghistele (Leyden, 1599), blz.
100 - 106: Volghen noch sommige andere dingen, overgheset deur A. V. M.
667Vgl. Den loff ens landt-mans levens, t.a.p.,
blz. E 4 r°:
Oft een salaed' versch uyter aerd' gepluckt,
Een kervelmoes, daer in veel groenicheden
Den mensch gesondt, gescheerft sijn end gesneden,
met Bauw-heers wel-leven (Den Nederduytschen Helicon, t.a.p., blz. 236):
Oft een salaadjen versch ghepluckt, end' zelf ghezeyt,
Oft wel een kervelmoes, daer in veel groenigheden,
Tot 's mensch gesontheyt goed, gescherft zijn en gesneden.
Men zou n.a.v. deze overeenkomst ook Van der Myl willen voegen bij de dichters,
die voor het auteurschap van ‘Bauw-heers wel-leven’ in aanmerking
komen, maar dezelfde bezwaren, die beletten om dit gedicht aan
Philibert van Borsselen toe te schrijven,
gelden ook voor Van der Myl. Vgl. J.A.N. Knuttel, Bauw-heers wel-leven
(Tijdschr. v. Ned. taal- en letterk., 46 (1927), blz. 180 - 185); P.J.
Meertens, Bauw-heers wel-leven (t.a.p., 56 (1937), blz. 273 - 275).
668Vgl. Den Slach van Lepanten, t.a.p., blz. B 3
r°:
Ick bid u eenich God, God dryich in personen,
Dryes bid ick u, die t'saem hebt eew'lick willen wonen:
Gelijck van macht end' eer, hoewel een onderscheyt
Sy onder u, welck doch u wesen niet en scheydt,
met Strande,
t.a.p., blz. 51:
Ick bid dy eenigh God, God dryigh in persoonen,
Die voor all' eeuwen hebst te samen willen woonen,
Gelijck van macht end eer, hoe wel een onderscheyd
Sy onder dy, welck doch dijn wesen niet en scheydt.
669Den Slach van Lepanten, t.a.p., blz. F 2 r°
- F 4 v°. - Het origineel is waarschijnlijk niet afzonderlijk verschenen;
het wordt althans niet genoemd in de opgaven van Chandieu's werken.
670T.a.p., blz. E 4 v° - F v°.
671Achter het exemplaar van de ‘Bucolica
en Georgica’, dat in het bezit is van de Gentse Universiteitsbibliotheek.
De andere bekende exemplaren van deze vertaling bezitten deze toevoeging niet.
Vgl. B.B., M. 92. Het sonnet luidt als volgt:
Aen der sangs-godinner beionstichden A. van der Miil, tot Vlissingh.
Van rijck Peru metael (daer sterfsaem wichten
Al veelsins om doorcruycen Tethys schoot,
Hoe seer ghedreycht met bleeck' en coude doot,
Van Syrt, Charybd', ja ' storm, en donder-schichten)
Wert niet dijn loon, o vriend, ghy crijght gedichten,
Ghedichten slechts te loon met jonste groot:
Voor dat u pen dit mijn vertael ter noot
Beschermt vast, en Soyli hoop doet swichten.
Mijn slechtheyt dan, neemt danckich van der Mijl,
Vertaelt yet oudts in uwen soeten stijl,
Dy comt het toe, ghy moeght ons best gherijven.
Want selden valt dat letter-kondich man
Recht weet ons tael, als ghy, en dichten can:
Wilt dan ons Vlaemsch als eenich steunsel stijven.
672Bucolica en Georgica, dat is, Ossen-stal en
landt-werck P. Virgilii Maronis, prince der poëten. Nu eerst in rijm-dicht
vertaelt, door K. v. Mander (Haerlem, 1597), blz. A 3 r° - A 4
v°.
673Een Nieu-jaer-liedt, aen den achtbaren,
erentvesten, ende konst beminnenden heere,
Melchior Wijntgis. - Den Nederduytschen
Helicon (Haerlem, 1610), blz. 212 - 214.
674Van dien Engelsman, die den nachtegael soo
levendigh naesingt. - T.a.p., blz. 245 - 248.
675T.a.p., blz. 42. - Ook
Jasper Bernaerds noemt hem in zijn
Veldt-dichtsche t'saemspraeck, t.a.p., blz. 74.
676Vgl. hiervóór, blz.
233.
677Abrah. vander-Milii, Lingua Belgica. Sive de
linguae illius communitate tum cum plerisque aliis, tum presertim cum
Latinâ, Graecâ, Persicâ; deque communitatis illius causis;
tum de linguae illius origine et latissimâ per nationes quamplurimas
diffusione; ut et de ejus prestantia. Quâ tum occasione, hic simul
quaedam tractantur consideratu non indigna, ad linguas in universum omnes
pertinentia. Additus et est index. Lugduni Batavorum, pro bibliopolio
Commeliniano, excudebant anno MDCXII. Ulricus Cornelij et G. Abrahami (XXXIV,
268 blzn.; 8vo). - Vgl. over dit werk: P.J. Meertens, Abraham van der Myl als
taalgeleerde (Bundel opstellen van oud-leerlingen aangeboden aan prof. dr. C.G.N. de Vooys (Groningen-Batavia, 1940), blz. 263 - 274). - Na deze
uiteenzetting kan ik hier over de ‘Lingua Belgica’ kort zijn. De
Bibl. der Remonstr. kerk te Amsterdam bezit een hs. Notationes et coniecturae
in librum Abrahami Mylii, de Lingua Belgica (4 blzn., folio), dat misschien van G.J. Vossius is.
678Godofr. Guilielm. Leibnitius, Collectanea
etymologica (Hanoverae, 1717), II, p. 1 - 208: Archaeologus Teuto sive
glossarium multorum vocabulorum veterum Teutonicorum Celticorumque, collectorum
ex variis vocabulariis et antiquissimis Teutonicis scriptoribus. -
Waarschijnlijk is dit vocabularium bedoeld met het ‘Lexicum vetus
Germanicum’, waarop Grotius een lofdicht schreef (Hugo Grotius, Poemata
(Lugd. Bat., 1617), p. 312 - 313).
679De origine animalium, et migratione populorum,
scriptum Abrahami Milii. Ubi inquiritur, quomodo quaque via homines caeteraque
animalia terrestria provenerint; et post delivium in omnes orbes terrarum
partes et regiones: Asiam, Europam, Africam, utramque Americam, et Terram
Australem, sive Magellanicam, pervenerint. Genevae, apud Petrum Columesium,
1667 (68 blzn.; 12mo) (U.B., Gent). - De herdruk van 1705 kwam mij niet onder
ogen.
680Abrah: Milii Merckwürdiger Discurss von
dem Ursprung der Thier, und Ausszug der Völcker... Saltzburg, 1670 (XVI,
436 blzn.; 8vo) (Brit. Mus., Londen). - Zie de volledige titelbeschrijving bij
Meertens, t.a.p., blz. 274.
681‘Alioqui est istud (sc. de taalstudie)
παρεργον nostrorum studiorum, opus ipsum et statutus labor noster est
Theologia’. - Lingua Belgica, l.c., p. a 4 v°.
682*Overlegginghe van den 23. Psalm (Dordr., 1611;
8vo). - Aldus de titel bij Van der Aa, M, blz. 372. - Het auteurschap van deze
verhandeling is wel aan Van der Myl betwist, maar blijkt onomstotelijk uit een
brief van hem aan Scriverius (Dordrecht, 4 Maart 1616) (U.B., Leiden), ter
begeleiding van ‘meditationem meam in Psalmini XXIII’.
683Vgl. Archief voor kerkel. gesch., 5 (1834),
blz. 117.
684De U.B. te Leiden bezit twee brieven van Van
der Myl aan Heinsius, o.a. een van 13 October 1600, waar hij twee Latijnse
gedichten bij heeft ingesloten: In foedam monachorum libidem en: In pontificem
Johannam.
685De U.B. te Leiden bezit een brief van hem aan
Scriverius, geschreven uit Amsterdam, Maart 1616, en een andere uit dezelfde
maand, uit Dordrecht geschreven. De U.B. te Amsterdam bezit het concept (z. pl.
e. j.) van een brief van Van der Myl aan Scriverius.
686Een brief van Lipsius aan Van der Myl is
afgedrukt in: J. Lipsius, Opera omnia, II (Vesaliae, 1675), p. 152 - 153 (z.
j.).
687Omstreeks 1615 kwam hij met Vossius in
aanraking, zoals blijkt uit een brief van deze aan Van der Myl van 31 Januari
1635, in: G.J. Vossius, Epistolae (Londini, 1690), I, no. 277. Van der Myl moet
hem dikwijls geschreven hebben, maar geen van zijn brieven is afgedrukt in de
‘Clarorum virorum ad Vossium epistolae’ (Londini, 1690), die het
tweede deel van deze brievenverzameling vormen. Vossius prees het geschrift
‘De origine animalium’, wat blijkt uit de nog te noemen brief van
Van Beverwijck aan Van der Myl. Uit de aangehaalde brief van
Vossius aan Van der Myl blijkt dat deze
nog op 72-jarige leeftijd aan eerstgenoemde zijn bezwaren had meegedeeld tegen
het stelsel van Copernicus. - Een concept van een brief aan Vossius (z.pl. en
j.) berust in de U.B. te Amsterdam, die ook twee brieven van Vossius aan Van
der Myl bezit (26 Dec. 1617 en z. j.).
688Een brief van Van der Myl aan Junius
(Vlissingen, 23 November 1599) is in de U.B. te Leiden.
689De U.B. te Leiden bezit twee brieven van Van
der Myl (Vlissingen, 1600) aan Heurnius, die hoogleraar in de medicijnen
was.
690Vgl. in:
Joannes Wouwerus, Epistolarum centuriae
II (Hamburgi, 1608), p. 489 - 490, een brief van Baudius aan Wouwerus, waarin
hij o.a. het volgende schrijft: ‘Non amat ille (sc. Van der Myl) me sed
deperit’, terwijl Baudius even verder bekent dat hij zijn woorden en
daden naar Van der Myls aanwijzingen pleegt te regelen (‘cuius nutu dicta
consultaque mea gubernantur’).
691Vgl. Brieven en onuitgegeven stukken van
Johannes Wtenbogaert, verzameld en met aanteekeningen uitgegeven door H.C.
Rogge, I (1584 - 1618) (Utrecht, 1868), no. 9 (brief van Wtenbogaert aan Van
der Myl, over de beroeping van zijn vader Jan van der Myl naar Utrecht, 1593),
no. 72 (1607) en no. 131 (1612). - Een brief aan Wtenbogaert uit 1610 is in de
U.B. te Amsterdam, met een ongedateerd concept van een andere brief.
692Van der Myl aan Wtenbogaert, t.a.p., no.
72.
693Wtenbogaert aan Van der Myl, t.a.p., no. 131.
- Rogge veronderstelt dat het hier bedoelde geschrift de ‘Overlegginghe
van den 23sten Psalm’ is.
694Vgl. G.P. van Itterzon, Franciscus Gomarus
('s-Gravenhage, 1929), blz. 75. - De brief van Gomarus, t.a.p., blz. 386 - 387.
Het concept van de brief van Van der Myl, waarin deze het werk ter beoordeling
toezendt, is in de U.B. te Amsterdam, waar zich ook het concept van een brief
aan Marnix (13 April 1598) over dit onderwerp bevindt.
695T.a.p., blz. 100. - De brief van Gomarus:
t.a.p., blz. 390-391.
696Vgl. Marnix, Godsdienstige en kerkelijke
geschriften, t.a.p., II, blz. LXVII - LXVIII De aldaar aangehaalde brief van
Coddaeus aan Van der Myl (Leiden, 11 November 1606) heb ik niet kunnen
opsporen.
697Deze brief (Middelburg, 8 October 1601)
bevindt zich in de U.B. te Leiden.
698De U.B. te Leiden bezit een brief van
Lansbergen aan Van der Myl (Goes, 15 Maart 1595), die uitgegeven is door C. de
Waard Jr. in Archief Z.G.d.W., 1915, blz. 97 - 99.
699De U.B. te Amsterdam bezit een concept van
een brief van Van der Myl aan Arminius (Vlissingen, l Augustus 1595).
700De U.B. te Amsterdam bezit concepten van vier
brieven van Van der Myl aan Overall (Vlissingen, 30 Juni 1595, 15 October 1596,
Dordrecht, 7 Juli 1612 en z.j.).
701De U.B. te Amsterdam bezit het concept van
een brief van Van der Myl aan De Dominis (Dordrecht, z. j.).
702Vgl. uit een brief van Mylius aan Grotius (3
November 1613): ‘Disputatio illa, quousque ius magistratus obtineat in
res religiones est perquam ardua: de qua meditari aliquid cogito: quod ubi
absolvero tecum communicabo’. - Briefwisseling van Hugo Grotius, t.a.p.,
no. 302.
703Vgl. uit een brief van Grotius aan
G.J. Vossius (14 September 1614):
‘Mylius noster a Iesuitis vix ultra voces recedit’. - T.a.p., no.
370. - Het volgende voorjaar komt Mylius' naam nogmaals voor in een brief van
Grotius aan Vossius: ‘Simul de Mylii negotio - super quo tuas hic literas
recept - colloquemur, operamque dabimus, si fieri potest, ut ipsi, imo per
ipsum ecclesiae prodesse valemus’. - T.a.p., no. 392 (14 Maart
1615).
704T.a.p., no. 296 (28 October 1613).
705T.a.p., no. 302 (3 November 1613).
706T.a.p., no. 517 (4 Juli 1617).
707Vgl. hiervóór, noot 678. - Er
is nog een uitvoerige brief van Van der Myl aan De Groot (t.a.p., no. 960;
einde Maart 1625), destijds in Parijs wonende, in dezelfde toon gesteld als de
brief uit 1617.
708Vgl. voor deze aangelegenheid en het
aanstonds te noemen werkje: E.D. Bau-mann, Johan van Beverwijck in leven en
werken geschetst (Dordrecht, 1910), blz. 61 - 68.
709Joh. Beverovicii Epistolica quaestio de vitae
termino, fatali, an mobili? cum doctorum responsis. Dordrecht; excudebat
Henricus Essaeus impensis Joannis Maire. 1634 (XX, 424 blzn.; 8vo). -
Herdrukken: Lugd. Bat., 1636. - Lugd. Bat., 1651.
710L.c., p. 54 - 84, 85 - 96, 349 - 352. - De
brief van Van Beverwijck aan Van der Myl: p. 44 - 53.
|
|