auteur: P.J. Meertens
bron:
P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en
de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers
Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van
Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2000 dbnl / erven P.J. Meertens

|
|
| |
Petrus Hondius
Petrus Hondius (1578? - 1621)
711 was de tweede zoon van
Cornelis de Hond (of Hondius)
712, een welgesteld,
ijverig en kundig predikant der Hervormden, die tijdens de geloofsvervolgingen
Beveren bij Kortrijk, vanwaar hij afkomstig was,
verliet en met zijn uit Veurne afkomstige vrouw naar de Palts trok.
Daar werd, te Wattenheim, zijn oudste zoon Jacobus
713 geboren.
Hij verhuisde vervolgens naar Vlissingen, omstreeks 1578, waarheen hij als
predikant een beroep had ontvangen. Nog in hetzelfde jaar werd hier zijn tweede
zoon, onze Petrus, geboren, die dus wat zijn afstamming betreft wel een volle
Vlaming zal zijn geweest.
Al jong schijnt hij van enige begaafdheid blijk te hebben gegeven;
om die reden mocht hij, toen zijn vader, door de oorlog verarmd, de studie van
zijn zoons niet kon bekostigen, evenals zijn oudere broer Jacobus op kosten der
stad studeren. Samen met de jonge
Daniël Heinsius volgde hij op de
Latijnse school de lessen van de rector
Schemeringius, de praeceptor Olivarius,
een der ambtgenoten van zijn vader, en
Janus Belosius († 1599), op wie hij
een lijkzang dichtte. Op 16 October 1596 liet hij zich te Leiden inschrijven
als student. Een drietal door hem verdedigde disputen zijn gedrukt: ‘De oratione’ (1599)
714,
dankbaar opgedragen aan de magistraat van Vlissingen, ‘De consiliis’ (1600)
715, aan
Scaliger gewijd, voor wie Hondius een grote
verering koesterde, en ‘De missa’ (1601)
716, weer aan de
regering van zijn geboortestad opgedragen. Begin Augustus 1601 gaat hij op reis
naar Frankrijk
717, vooral met de bedoeling
om La Rochelle te bezoeken, het bolwerk der Hugenoten. Van hieruit bezoekt hij
in Juli 1603 Philippe Duplessis-Mornay, destijds gouverneur van Saumur
aan de Loire. In Augustus keert hij over Parijs, waar hij
Isaäc Casaubonus opzoekt, naar de
Nederlanden terug. Midden September is hij weer in Leiden, waar hij
15 November van hetzelfde jaar voor de tweede maal in het album studiosorum
wordt ingeschreven, en waar hij tot vlak voor zijn vertrek naar Terneuzen
gebleven is.
In Leiden heeft Hondius de grondslag gelegd voor zijn uitgebreide
botanische kennis, die hem later in staat zou stellen om een planten- en
kruidentuin aan te leggen, die wat verscheidenheid betreft zijn weerga in deze
landen nauwelijks, en in Zeeland zeker niet heeft gevonden. Hij zal er
ongetwijfeld de colleges van
Clusius hebben gevolgd, voor wie hij
levenslang de grootst mogelijke eerbied heeft behouden
718, en hier ook heeft hij
vriendschap gesloten met de bekende
Christiaen Porret, apotheker en een groot
begunstiger van de Leidse Hortus.
In April 1604 werd Hondius met drie andere studenten aan de
kerkeraad van Terneuzen voorgesteld. De keuze viel op Hondius, die 5 Juli
d.a.v. bij de classis Walcheren peremptoir examen aflegde en niet lang daarna
zijn ambt zal aanvaard hebben. Terneuzen, dat aanvankelijk tot het rechtsgebied
van Aksel behoorde, had zich in Augustus 1572 een soort van
zelfstandig bestuur aangematigd, waaraan Philips evenwel nog in hetzelfde jaar
een einde maakte. Wel liet
Alva het tegen de aanvallen van de
Watergeuzen versterken, maar deze namen het niettemin spoedig in. Vervolgens
viel het door verraad weer in
Parma's handen, totdat Maurits het
blijvend voor de Staten wist te veroveren. Deze lieten het in 1583 door graaf
Philips van Hohenlohe, een zwager van
Maurits, versterken. Zijn Duitse soldaten | | | | wierpen even buiten de
wallen een schans op, om vandaar uit de Spanjaarden te bestoken. De schans werd
na hun vertrek, met de bijgelegen gronden, aangekocht door
Johan Serlippens, burgemeester van
Terneuzen, Aksel en Biervliet, die de verlaten stelling binnen een
tiental jaren tot een buitenplaats herschiep, die in haar naam, de
Moffeschans, haar oorsprong bewaarde.
Hondius, die aanvankelijk in gezelschap van een nicht de pastorie
van Terneuzen bewoonde, schijnt weldra zijn intrek te hebben genomen op de
Moffeschans. Serlippens en zijn vrouw
Johanna de Burchgrave waren welgesteld en
gastvrij, en het contact tussen de jonge predikant en dit echtpaar is zeker
versterkt doordat de burgemeestersvrouw een nicht was van Hondius' vriend
Heinsius. Of Hondius, die nooit getrouwd is geweest, later geheel bij hen
introk, dan wel of hij 's winters zijn pastorie bleef bewonen, is niet geheel
duidelijk. Zijn grote bibliotheek was in elk geval op de Moffeschans
ondergebracht.
Hier heeft Hondius zich ontwikkeld tot een kruidkundige, die een
zekere vermaardheid genoot, en die zijn bescheiden deel heeft bijgedragen tot
de kennis der wetenschap, die hem waarschijnlijk meer aan het hart is gegaan
dan de theologie
719. Zijn hof werd al spoedig bekend,
en ook wanneer men aanneemt dat deze predikant, die zich niet in de eerste
plaats op bescheidenheid kon beroemen, hier en daar op ietwat grootscheepse
wijze over de vermaardheid van zijn tuin heeft geschreven, dan behoudt men toch
nog de indruk dat de Moffeschans in haar bloeitijd algemeen bekend is geweest
in de botanische wereld. Hondius stond met vele geleerden in binnen- en
buitenland in correspondentie, en mag hij zich in Terneuzen al een balling
hebben gevonden, vergeten was hij er zeker niet. Wat hij daar zelf over
meedeelt opent perspectieven van een ‘wereldvermaardheid’:
Hoe alleen ick ben geseten,
Buyten d'oogh van elck en een;
Noch en werd' ick niet vergeten,
Noch van groote noch van cleen:
Dach op dach comt my ter hant
Groot besouck van binnen lant,
En van buyten t'aller wegen,
Die met brieven my bejegen:
D'een beantwoort mijne vragen,
D'ander stelt een vrage voort
720,
en zo gaven zijn botanische liefhebberijen hem een voldoening, die
hij in zijn pastorale arbeid klaarblijkelijk niet gevonden heeft. Dat hij in
Terneuzen wel door deze en gene werd opgezocht, blijkt uit wat hij daar zelf
over mededeelt. Hij spreekt over bezoek van kennissen uit La Rochelle, van zijn
vrienden Heinsius en Cats, en twee jaar achter elkaar is
Prins Maurits zelfs op de Moffeschans
geweest: een hoogtepunt in het leven van de als alle calvinistische Zeeuwen
zeer Oranjegezinde Hondius. Uit de uitvoerigheid, waarmee hij over deze
bezoeken schrijft, kan men opmaken hoezeer hij ze op prijs heeft gesteld. Zo
verdeelde hij zijn tijd, maar waarschijnlijk niet evenredig, tussen de kerk en
de natuur, tot de dood hem na een lang ziekbed in Augustus 1621 opriep. Hondius
was toen niet ouder dan drie en veertig jaar
721.
Het album amicorum dat Hondius, een in zijn tijd veelverbreide
gewoonte volgend, tijdens zijn studentenjaren heeft aangelegd
722, is misschien
meer een bewijs van zijn verzamellust dan een aanwijzing voor zijn
vriendenkring, Het is er hem klaarblijkelijk vooral om te doen geweest, in dit
album | | | | beroemde namen bijeen te brengen, al vindt men onder de
ruim tachtig inscripties er ook vele van goede vrienden. Op een enkele
uitzondering na dateren ze van vóór zijn vestiging in Terneuzen.
Men treft er de coryfaeën van de Leidse hogeschool aan:
Scaliger,
Vulcanius,
Junius,
Clusius,
Snellius,
Heurnius,
Raphelengius,
Trelcatius,
Baudius,
Meursius, Merula, en andere beroemde
Leidenaren als
Marnix,
Scriverius en
Janus Dousa. Uit Zeeland vindt men er o.a.
Abraham van der Myl,
Philips Lansbergen en
Robert Sydney, ‘governor of Flushing
and the Rammekins’. Met Janus Dousa en vooral met zijn zoon George,
kenner der Oosterse talen en een studievriend van Hondius, verkeerde hij op
vriendschappelijke voet, zo ook met
Paullus Merula, die nadrukkelijk spreekt
van zijn vriendschap voor de jonge student, ‘die zo God wil eeuwig zal
duren’. Heinsius behoorde zeker tot Hondius' intimi; het album heeft niet
minder dan drie inscripties van hem, waaronder een Latijns gedicht dat hem, al
of niet eerlijk gemeend, grote lof toezwaait als Latijns dichter.
Balthasar Lydius (± 1576 - 1629),
later predikant in Dordrecht en de jonggestorven
Everardus Booth (1577 - 1610), die zijn
leven als predikant te Utrecht eindigde, behoorden tot zijn studiegenoten.
Met enkele geleerden heeft Hondius in briefwisseling gestaan:
juister gezegd: van zijn briefwisseling met enkele van bovengenoemden en
anderen bezitten we de bewijsstukken, want is zijn correspondentie inderdaad zo
uitgebreid geweest als hij voorgeeft, dan is daarvan maar een gering deel
bewaard gebleven. Met de Franeker hoogleraar
Sibrandus Lubbertus (± 1556 -
1625), die in 1599 in zijn album schreef, heeft hij nagenoeg zijn leven lang
gecorrespondeerd
723. Uit een brief aan Van der Myl (Leiden, 23 September 1600), toen
nog predikant te Vlissingen, blijkt dat deze aan de zoon van zijn collega een
handschrift
724 ter beoordeling toezond
725. Hondius schreef
later een lofdicht voor de ‘Lingua Belgica’
726. Ook bezitten we een brief van hem
aan
Vorstius (1565 - 1624), hoogleraar in de
geneeskunde en tevens opzichter van de Hortus
727, een
aan Merula, in 1601 uit Rochelle geschreven
728, en een, ter begeleiding van zijn Hollandse gedicht (de ‘
Moufe-schans’?), aan de jonge Franciscus
Raphalengius († 1643), uit Terneuzen tot hem gericht
729. Zijn verering voor Vulcanius, de Leidse Graecus, blijkt uit drie
op hem gedichte lofdichten
730. De inscripties van
Vulcanius vullen in Hondius' album niet minder dan drie bladzijden
731.
Hondius heeft, hoewel hij niet oud geworden is, betrekkelijk veel
geschreven, waarvan echter niet alles gedrukt is. Al in 1598, dus toen hij
negentien of twintig was, heeft hij een, waarschijnlijk beknopte, geografische
beschrijving van de Nederlanden uitgegeven onder de titel: * ‘Leo Belgicus’ (1598)
732. In 1599, 1600 en 1601
verschenen de drie eerder genoemde Leidse disputen. In 1600 schreef hij een
lofdicht voor de ‘Opera mineralia’ (1600) van de bekende
vijftiende-eeuwse alchemist
Joannes Isaacus Hollandus
733, waaruit al zijn voorkeur voor de natuur zou kunnen blijken,
die later zo kenmerkend zou worden voor deze theoloog. Een uitvoerige berijmde
geschiedenis van de Opstand, waarover hij in de ‘Moufe-schans’
herhaaldelijk spreekt
734, bleef
onvoltooid en raakte verloren. Ook een ‘Indische herbaris’, een
beschrijving van Oost- en Westindische gewassen, kennen we alleen uit zijn
eigen berichten daarover
735.
| |
Moufe-schans
Het boek waardoor Hondius zich een plaats heeft verzekerd in de
geschiedenis van onze letterkunde, is de beschrijving van zijn lusthof. Het
verscheen voor de eerste maal, misschien in 1619, onder de titel ‘Dapes | | | | inemptae, oft de Mouffe schans’
736, in een boekje van vier vel, zonder voorkennis van de dichter, en
werd in één jaar tijds tweemaal herdrukt
737. In 1621, het sterfjaar van Hondius, kwam er een nieuwe uitgave
van, bijna tienmaal zo omvangrijk als de eerste, en ditmaal door Hondius zelf
ter perse gelegd
738.
Aan de volgende beschouwingen over dit gedicht ligt deze uitgebreide editie ten
grondslag.
Hondius heeft zijn boek, met een woordspeling op de titel, als een
maaltijd in tien ‘ganghen’ ingedeeld, die elk door een dedicatie
ingeleid worden. Het hele boek droeg hij op aan zijn gastheer
Serlippens, die intussen rude donatus het
leven van een landjonker leidde. De tien boeken zijn opgedragen aan evenzovele
vrienden.
De aanhef van de algemene opdracht is al dadelijk typerend voor het
sterke gevoel van zelfbewustzijn en de hooghartige, trotse houding die deze
predikant ten opzichte van zijn medemensen heeft aangenomen, en die zijn hele
werk als doortrokken heeft.
En hebbe ick niet te passen,
Wanneer ick wel ter deegh
My stelle in Godes handen:
Daer zijn gheen vaster meuren:
Gheen stercker burcht en is,
Om teghens nijt te deuren,
Dat vry van de ghebreken,
Die yemant, t'zijnder spijt,
Of om zijn lust te wreken,
Doorwandelt landt en steden,
Is van gheen quaet verwust
739.
God zal zijn wreker zijn, en wie daarvan overtuigd is, heeft alreeds
verkregen wat anderen nog najagen, en kan afgunst, haat en nijd in lijdzaamheid
verduren. Schijnheiligheid en opgeblazenheid veracht Hondius, de dwaasheid der
mensen bespot hij, en Serlippens kent hem als ‘oprecht tot in den
gront’. De ‘Voor-reden tot den goetwillighen leser; vervattende
d'oorsaecke van dese editie’, die op de dedicatie volgt, verklaart de
verbeten houding van Hondius wat nader. ‘Een schaepshooft overgoten met
gheestelicke gal’, een kerkuil die zich goden maakt op zijn eigen hand,
om er dan het land mee rond te reizen of ze op te eten, kortom een Roomse
geestelijke, heeft, spotter met de hemel, ook met de eerste uitgave van de
‘Moufe-schans’ zijn spot gedreven
740 en van
‘keuckenpraet’ gesproken. Wanneer hij een bril op zijn neus zet en
het boek nog eens doorleest, zal hij er vrij wat meer in vinden, en daaronder
heel wat, dat zijn kerk zich voor gezegd kan houden. Hondius schreef zijn boek
voor tijdpassering; wie het niet wil lezen, laat het dicht, niemand wordt er
toe gedwongen. En wie aanmerkingen heeft, moet zelf iets beters maken of zijn
mond houden.
Deze bitse, nijdasserige toon komt in de ‘Moufe-schans’ telkens weer | | | | opduiken.
Een beminnelijk man is Hondius zeker niet geweest, als we op de toon van zijn
gedicht mogen afgaan. Kennelijk is hij een teleurgesteld mens geweest, deze
ongetrouwde predikant van een klein stadje in een uithoek van het land, dat als
op de vijand veroverd gebied geen medezeggenschap bezat in het bestuur van de
staat. En wanneer hij dan ook in het eerste boek
741, ‘het ste-leven, vergeleken by het buyten-leven’,
het land ten koste van de stad verheerlijkt, vindt dit Beatus ille-motief niet
zijn oorzaak in een heimwee naar het landleven, maar uitsluitend in zijn afkeer
van het leven in de stad, en in 't bijzonder van Terneuzen, dat hoe klein ook,
als alle steden een poel van zonde en ongerechtigheid is.
Selver dit ons cleyn convent,
Over Schelde quaelck bekent,
En in al sijn vier gewesten
Dicht besloten in sijn vesten,
Berst van nijt en alle sonden
Die voor mackers by de nijt
Meestendeele zijn bevonden,
En de liefde maecken quijt
742.
Daarom is hij buiten gaan wonen, daarom leeft hij op en van het
land, daarom wil hij met de stad niets meer te maken hebben. Als wind en water
woeden, legt hij zich gerust te slapen; hij heeft zijn schepen op het droge en
houdt zich niet op met de koophandel. Kassiers, makelaars noch facteurs vullen
hun lege zakken met zijn geld; hij waagt zijn fortuin niet aan wind en zee, hij
weet van geen ‘verassureren’, maar leeft, als de boer, van de
ploeg. Maar hoe heel anders klinkt dit bij Hondius, voor wie haat en nijd
primaire gevoelens zijn, dan bij Van Borsselen. Hondius prijst het landleven,
omdat hij de stad haat, zoals hij doorgaans alleen iets prijst, omdat het in
tegenstelling staat tot iets dat hij haat; Van Borsselen en de
Beatus-ille-zangers vóór en na hem denken alleen maar aan de rust
van het land, en al hebben ook zij hun bezwaren tegen de stad, nooit staan die
op de voorgrond van hun overwegingen.
Het is niet alleen de geest van afgunst en nijd, die hij in de
steden gispt, niet alleen de koophandel met alles wat daaraan verbonden is,
maar vooral ook de hoogmoed, die zijn ergernis wekt. Hoogmoed die zich uit in
de kleding, waartegen Hondius als een andere
Huygens te keer gaat, minder dichterlijk
maar zeker niet minder sarcastisch. Hoogmoed die zich ook uit in de
omgangsmanieren, het standsverschil, dat ontevredenheid, achterklap en naijver
wekt. Uit vrees en wantrouwen zijn de steden ontstaan, en daarom hebben ze de
trouw buiten hun muren gebannen. Op het land heerst de eenvoud, men weet er van
benijden noch van vleien, iedereen is tevreden met wat hij is en met wat hij
heeft. Het is het oude sprookje van de stad en het land, dat Hondius ons in de
eerste gang van zijn landelijke maaltijd opdist, maar het was weleens
smakelijker en minder zuur opgediend dan door deze kok.
Het tweede boek
743 beschrijft
de ‘Buyten-hof’ van de Moufe-schans, de nederhof zoals
men in Vlaanderen zegt, waar de beesten staan, de koeien, de varkens, de
schapen en de kalveren, de opperhof waar het pluimgedierte huist, hoenders,
kalkoenen, ganzen, duiven en pauwen, en de boomgaard, die het hele jaar door
reuk, gezicht en smaak van de bewoners der Moufe-schans streelt. Met zijn
gewone uitvoerigheid beschrijft hij alle vruchten, die hier groeien, en men
verbaast zich over de exuberantie waarmee de natuur dit stukje grond bedeeld
heeft. De beschrijving van het pluimvee herinnert, al is het dan ook op verre
afstand, aan de ‘Pacht- | | | | hofschilderinge’ van
Gezelle
744. Voorlopig spreekt hij ook
alvast over wat zijn grootste trots uitmaakt: zijn bloemen- en zijn
kruidentuin, die men in de eerste plaats moet zien als middelen om God te leren
kennen.
In de ‘Bloem-hof’, waar elke bloem haar Schepper prijst,
brengt ons het derde deel
745. De
uitvoerige beschrijving van de schoonheid der bloemen is een welkome aanleiding
om op de vergankelijkheid van alle leven te komen. Wie kent de plaats waar de
beroemde tuinen der Oudheid, wie die waar het Paradijs heeft gelegen? Laat het
dan niemand verwonderen, wanneer hij hoort dat ook de Moufe-schans haar
schoonheid heeft verloren, want niets is natuurlijker dan dit.
Het vierde boek
746
beschrijft de ‘Moes-cruyden’. Voor zover ze de Zeeuwse lucht
kunnen verdragen, groeien ze alle in zijn hof. Alle landen der aarde zenden hem
hun planten en kruiden toe.
Heel Europa is te cleene,
Om in mijnen hof te staen.
Christenrijck is te gemeene,
Om mijn oogen gae te slaen
747.
Maar gul weet Hondius van zijn schatten mee te delen, en hij kent
geen groter vreugde dan wanneer hij iemand met zijn kruiden kan gerieven. Met
kennelijk welgevallen vertelt hij dat men zo dikwijls zijn raad komt inwinnen
of zijn hof komt bezoeken. Bij deze gelegenheid vermeldt hij ook dat Maurits
twee jaar achtereen op de Moufe-schans is geweest. Tegenover zoveel goeds is
het kwaad dat zijn twee vijanden doen, de mol en de kat, licht te dragen, en
hij troost zich bovendien met de wijze gedachte
Al te seer verwildert wert,
Soo den lust van tgheen het nuttet
Somtijts niet en wert gestuttet
748.
Zo leeft hij, stil en eenzaam, maar tevreden en gerust, temidden van
zijn bloemen en kruiden, buiten het bereik van haat en nijd, en de
kwaadsprekers als honden achtend, die elke voorbijganger aanblaffen.
‘Genees-cruyden’, het vijfde boek
749, beschrijft alle voortbrengselen van
Hondius' geneeskruidentuin. Er is geen ziekte, vertelt hij met de hem eigen
trots, of de Moufe-schans bezit er een medicijn voor; alleen tegen ‘het
drouve fleresijn’ kent hij geen geneesmiddel. Aan hem die aan de
‘Spaensche pocken’ lijdt, geeft hij deze vermaning, ‘dat hy
siel heeft gaen versmooren, door sijn lichaem haren knecht’, en zijn
kunst is te edel om ze te besteden aan ‘sulcke slaven die haer eygen
helle graven’. En ook zijn er ongeneeslijke ziekten: mensen die te lijden
hebben onder de kwade mond van hun vrouw, of die altijd last hebben van een
droge keel, of wien de kei leutert, of die een slag van de molen hebben
gekregen, of die bang zijn om te zweten of hun handen niet kunnen thuishouden.
Tegen deze kwalen helpt maar één middel, het kruid
‘patiëntie’
750,
maar dat groeit niet in ieders tuintje.
Het zesde boek
751, ‘Spijse’, somt de spijzen op die de Moufe-schans
aan haar bewoners en hun gasten kan voorzetten. Wanneer een vriend hen komt
bezoeken, wordt buiten onder de linde de tafel gedekt, en het enige dat men van
elders nodig heeft, is het zout, dat uit de stad moet komen. De boomgaard hangt
vol vruchten, de moestuin levert alle mogelijke groenten, de vijvers wemelen
van vis, vooral van karpers, en zo is er van alle spijzen te kust en te keur.
Alleen paddestoelen, het ‘slijmich | | | | duyvels broot, dat de
padde selfs verstoot’, en ‘melck, die gelebbet is’ - het
woord kaas wil hij niet eens noemen - moet men op zijn tafel niet verwachten.
De gasten moeten zich aan deze tafelwet houden, dat ze geen spijzen mogen
noemen die de gastheer niet lust, en wie dit gebod overtreedt, moet Hondius'
tafelwet op staande voet in een andere taal overzetten, anders krijgt hij geen
wijn. Aldus vertelt de genoeglijk keuvelende predikant ons met haast
beminnelijke naïveteit van zijn eigenaardigheden.
Van spijs en drank verzadigd, dankt men God voor de genoten
weldaden:
Heere God, die ons lichamen
Van den onderganck behoet:
Voetse met het Hemels broot;
Geeft ons allen cleen en groot,
Dat van hier ons d'aertsche spijse
Trapwijs naer den Hemel wijse
752.
En dan gaat Hondius, die althans in de volgorde van zijn
hoofdstukken niet van de hak op de tak springt, over tot de ‘Ouffeninghe naer den eten’, het zevende boek
753. Na de
maaltijd wandelt hij met zijn gast door hof en veld, mediterend over Gods
goedheid, die alles wat de mens nodig heeft uit de aarde liet opwassen, hoewel
zelfs de besten onder ons veeleer verdiend hebben om van honger te vergaan. In
hoe zonderlinge tegenstrijdigheid hiermee is het gedrag van vele Christenen,
die tegelijk verkwistend voor zichzelf en gierig voor de armen zijn. Kortom, er
is stof voor gesprek genoeg onder deze wandeling, waarop ze de boerenknechts
aan het werk zien, op de Moufe-schans en de omliggende velden. De wandeling is
tegelijk als een inspectietocht bedoeld, en Hondius is er van overtuigd dat hij
met zijn ogen alleen meer voordeel doet aan hof, veld en beesten dan de
allerbeste van zijn knechten.
's Zomers en 's winters is het een en al bedrijvigheid op de
Moufe-schans. 's Morgens staat de trouwe ‘casteleyne’ het eerst van
allen op om de knechts en de meiden te wekken. Als de morgenpap genuttigd is,
gaan de meiden de koeien melken, die de jongens vervolgens met horen of fluit
naar de weiden drijven. Andere jongens voeren de schapen naar de schorren, en
de grote knechts gaan naar het land om te ploegen of te spitten. In het heetst
van het jaar houdt men na het middagmaal een ‘noen-slaepken’, dan
kan de boog niet al te strak gespannen zijn. Maar verder wordt er alle uren van
de dag gewerkt, door mannen en vrouwen. In de wintermaanden wordt gesponnen,
gedorst en gezwingeld. In het voorjaar maken de knechts schuur en stal schoon
en wieden de velden. Als eerst het vlas, dan het graan opkomt, zijn er handen
te kort om de oogst binnen te halen. Vooral het koolzaad, dat op het land wordt
gedorst, geeft mannen en vrouwen volop werk, maar als de laatste, gekroonde
schoof van de graanoogst in de schuur is geborgen, vergeet men bij wafels en
zoet bier al de last van de arbeid.
Intussen hebben de bijen, de hele zomer door, hun zoete oogst
gezameld. Over hun bedrijvigheid, hun vredelievendheid, hun kunstvaardigheid en
hun wijsheid raakt Hondius niet uitgeschreven, en uitvoerig wijst hij op hun
samenleving, die in zo menig opzicht aan de mens tot voorbeeld kan strekken.
Het thema is al oud, en in de lange keten van bijenvereerders, die van
Aristoteles tot
Maeterlinck loopt, is Hondius een schalm
die zich in geen enkel opzicht van de vele andere onderscheidt, waaruit deze
ketting gesmeed is.
| | | | Onder al zijn wandelingen door laat Hondius nooit na
om nauwkeurig acht te slaan op al wat er groeit en bloeit langs zijn weg. Met
volle handen keert hij van elke wandeling terug, gevolgd door een knecht die de
planten in een zak meedraagt. Soms strekt hij zijn speurtochten verder uit,
naar Hulsterambacht, naar het Land van Waas en Dendermonde ofwel
naar Brabant. Van een van die excursies geeft hij een uitgebreid, niet
oninteressant verslag. Het geldt een tocht door Vlaanderen, die hij tot de
streek van Ieper en Veurnerambacht uitstrekt, waar de landerijen liggen, die
hem uit zijn moeders versterf toekomen. Over zijn pachters is hij niet erg te
spreken; het is er al precies mee als met de mensen in Terneuzen:
veel beloven en weinig geven. Met de hartstocht van de botanicus gunt hij zich
op deze wandeltochten nauwelijks tijd tot eten of slapen; een stuk droog brood
en wat stro, op de vloer gespreid, zijn al voldoende voor hem, en bij het
eerste hanengekraai zet hij zijn tocht voort.
In ‘Ouffenijnghen op 't cantoir’, zoals hij zijn
achtste boek
754 noemt, geeft hij een
uitvoerige beschrijving van zijn boekerij, die alle wetenschappen omvat. Zijn
theologische boeken lichten hem in over de goddelijke dingen, zijn juridische
werken stellen hem in staat om zonder hulp van advocaat en procureur een proces
te winnen. Andere boeken vertellen hem de geheimen van de natuur, van sterren,
zeeën en rivieren, van de mijnen met hun edelgesteenten en metalen. Met
zijn boeken doorreist hij alle landen, beklimt hij de hoogste bergen, bezeilt
hij de wilde oceanen. Ook van geneeskundige boeken is zijn bibliotheek
welvoorzien, en zijn verzameling gedrukte herbaria is volledig.
‘Poesijen’ ontbreken er evenmin. Al wat ooit in de wereld is
voorgevallen, vindt men hier beschreven: de wereldlijke historiën zowel
als de kerkelijke, de militaire evengoed als de amoureuze. Zijn blauwboekjes,
waarvan hij vele bundels bezit, verhalen hem van de opstand tegen Spanje, van
het Bestand en de ‘Arminianisterye’. Is hij vermoeid van het lezen
in al die boeken, dan bekijkt hij de rariteiten nog eens, die door heel zijn
kamer verspreid staan en liggen: uitheemse gewassen, zeedieren, mineralen,
schelpen, slakkenhuizen, een haringenkoning, zeldzame opgezette vogels, vreemde
gedroogde vruchten, Chinese schilderijen; ook zijn verzameling gedroogde
planten en zaden en de kaarten van Vlaanderen, die hij zelf heeft getekend
behoren daartoe. Nu eens geeft een boek, dan het een of andere voorwerp hem
aanleiding tot een uitweiding: over de Spanjaarden, over de ijdelheid van de
mens, over de modezucht, over de droeve toestand van het land, over de Roomsen,
de Tempelieren, de Wederdopers en tal van andere onderwerpen, die hij bij
zichzelf overdenkt of bespreekt met de een of andere vriend, die zijn
eenzaamheid komt opvrolijken.
‘Wandelinghe naer 't studeeren’ is het thema van
het negende boek
755, een onderwerp dat zich al
evenzeer als de beide voorafgaande tot vele en lange uitweidingen over alle
mogelijke onderwerpen leent. Wanneer de lust tot lezen vergaan is, rijden
Hondius en zijn vriend te paard de stad uit, langs de Schelde of naar een der
plaatsen in de buurt van Terneuzen, naar het pas onlangs gestichte Sas-van-Gent
of naar Biervliet, de stad met haar roemrijk verleden, die nu door het geweld
van de zee en de oorlog bijna geheel vernield is, en waarvan men eerlang zelfs
niet meer de ligging zal kennen. Of ze bezichtigen de grondslagen van het
kasteel, dat
Alva in de buurt van Terneuzen had willen
bouwen, om de Schelde in zijn macht te houden, een plan dat Hohenlohe
verhinderd heeft. Het uitzicht over de Schelde herinnert aan de talrijke
zeeslagen, waarvan de Zeeuwse wateren getuige zijn geweest, en verlokt Hondius
tot een elogie | | | | over het gezegende land, waar vrijheid van kerk en
staat heerst, en de Antichrist de wijk heeft moeten nemen.
Dikwijls ook wordt, wanneer Hondius vrienden te gast heeft, vroeg in
de morgen de huifwagen ingespannen om een speeltochtje te maken, soms naar het
naburige Aksel, maar ook wel naar Zuidboveland. Ook van watertochten is Hondius
een liefhebber, en van tijd tot tijd vaart hij met zijn gasten helemaal tot
Geertruidenberg, vanwaar de reis over Breda per wagen wordt voortgezet. De
beschrijvingen van deze uitstapjes, waaraan hij met kennelijk genoegen
terugdenkt, behoren tot de vlotste en levendigste gedeelten van het boek.
Het tiende en laatste boek
756, ‘Morghen-stont’, beschrijft tenslotte de
morgenuren, zoals Hondius die doorbrengt. Nadat hij zijn morgengebed heeft
gebeden en een hoofdstuk uit de Bijbel gelezen, maakt hij een wandeling over de
Scheldedijken, waar de lucht weerklinkt van het vrolijke gezang uit duizend
vogelkelen. Soms ook gaat hij in de vroege morgen met zijn honden Hylax en
Vooral op de hazenjacht. Dan wordt het ontbijt genuttigd, waarvoor zijn hof hem
weer een keur van gerechten levert, en daarna brengt hij een uur of vijf, zes
bij zijn boeken door, de leermeesters die hem nog dagelijks onderrichten, en
die zich nooit boos maken over de ‘botheyt’ van hun leerling. Ach,
wist de jeugd maar wat het betekent, zijn boeken tot zich te laten spreken!
Hoeveel studenten zijn er niet in Leiden, die alleen maar leven voor de pret,
voor mooie kleren en voor het spel, en die hun vaders geld er door brengen,
zonder ooit naar een boek om te kijken! Hondius' lust is in de boeken,
vóór de middag ziet men hem nooit buiten, en ook ontvangt hij dan
geen bezoek. In zijn ‘wercken van devotie’ ziet hij, als in een
spiegel, al zijn gebreken, of hij leest in Gods Woord. En nooit verlaat hij
zijn studeervertrek zonder zijn gebed tot de hemel te hebben opgezonden. In
deze tijd van het Bestand bidt hij ook voor zichzelf om ‘een gheruste en
stille Treve’:
Wilstu voor ons waecken, Heer,
Crijch noch Treve vreese ick meer,
Soo dijn ooghen van ons keeren,
Crijch en Treve sal ons deeren.
In crijch hebstu ons ghewaket,
Weest noch, Heer, ons sentinel,
En in Treve u sorgh niet staket,
Hout de wachte in Israel
757.
Met deze regels eindigt Hondius zijn gedicht. Alleen de ‘Hof-wetten’, die al eerder ter sprake zijn
gekomen, volgen nu nog
758. Ze ontzeggen de toegang tot de
Moufe-schans aan honden, jonge kinderen, vrouwen met ‘slijnger
cleeren’, zwangere vrouwen en dronkaards, en verbieden er twisten,
vloeken, achterklap, kaartspelen en dobbelen. Ook wie God minder eren dan de
natuur, acht Hondius onwaardig om zijn hof te betreden. Hij heeft in dit
gedicht een kruidenboek willen geven, waaraan geen penseel of andere
mensenkunst aandeel heeft gehad, maar uitsluitend Gods zegen. Daarom:
Dat niemant desen bouck en laeckt;
Want Godt dien selver heeft gemaeckt,
Met sulcke verwen, reuck en smaecke,
Als gheenen schilder naer en maecke
759.
Hondius zelf heeft op het titelblad van zijn boek de inhoud daarvan
aangegeven als ‘de soeticheydt des buyten-levens, vergheselschapt met
| | | | de boucken’. Daarmee heeft hij zichzelf getypeerd als
iemand, die zijn tijd verdeelde tussen de natuur en het studeervertrek, als een
landjonker, die de halve dag over zijn boeken gebogen zit, als een hereboer,
die bovendien nog predikant was. Al vond zijn liefde voor het buitenleven eerst
en vooral zijn oorzaak in de afkeer voor de stad, toch heeft deze dichter veel
van de natuur gehouden. Maar dan op zijn manier, dat is te zeggen, zoals de
meeste zeventiende-eeuwse Calvinisten dat nog deden. Er was overvloedig
aanleiding in dit gedicht, om te laten zien dat de schoonheid van bloemen en
kruiden, van het ontwakende lentelandschap, van de zomerse korenvelden, van de
bloeiende boomgaarden, hem ontroerd heeft, maar er is geen enkele aanwijzing
dat hij van al die ogenpracht ook maar iets gezien heeft. Het visuele
natuurgevoel van deze zeventiende-eeuwer was niet hoger ontwikkeld dan dat van
onze middeleeuwse dichters. In zijn ‘Cruyt-hof’ zegt hij dat de
bloembedden evenzovele ‘schoone schilderijen’ zijn, ‘die
Apelles out verheven, sijn gewoonelicken lof, nu niet langer willen geven, en
doen wijcken voor mijn hof’
760. Uit wat op deze
woorden volgt, blijkt niet dat hij van deze schoonheid méér
gezien heeft dan van de legendarische schilderijen van de oude Griekse
schilder. Het was Hondius, en daarin was hij een kind van zijn tijd, om
stichting te doen, niet om schoonheid. In ‘Morghen-stont’
beschrijft hij het gezang der vroege vogels, dat hij op zijn morgenwandeling
over de dijken beluistert, het lied van spreeuw en nachtegaal (die overigens
bij voorkeur niet 's morgens zingt!), van kneu en leeuwerik. Onmiddellijk
daarop laat hij de stichtelijke toepassing volgen:
Als ick hoore dees musijcke,
Maentse my ter selver stont,
Dat wel noodich is dat blijcke
Godes loff door mijnen mont;
Daer dees creaturen cleyn,
Altijts houden haeren treyn,
Om des Heeren loff te conden
Op haer wijs met volle monden
761.
Hondius zag de natuur in de eerste plaats als doelmatig, hetzij
dienstig aan de verheerlijking van Gods naam, hetzij aan de behoeften van de
mens. Heel de natuur spreekt tot hem van Gods grootheid en majesteit, met
uitzondering van de mens, terwille van wie God de aarde, de zee en de lucht met
levende wezens heeft bevolkt. De aarde, die om onze zonde niets dan onkruid en
distels moest voortbrengen, spruit zelfs geneeskrachtige kruiden uit, en zo is
de straf van de hemel de mens tot een zegen geworden. Hondius ziet van bloemen
en planten niet de schoonheid, maar uitsluitend het nut, dat ze voor de mens
kunnen hebben. Wie alleen maar bloemen kweekt voor de sier, noemt hij een dief
van Gods gaven, en hij vergelijkt zo iemand met een varken, dat eikels vreet
zonder God daarvoor te danken
762. God immers heeft ons
de natuur tot een leerschool gegeven, en wij moeten leren ‘God in sijne
schepsels kennen’
763. De beoefening van de
kruidkunde is voor Hondius dan ook meer een plicht en een noodzakelijkheid dan
een liefhebberij.
De ‘Moufe-schans’ is in de grond een pessimistisch
boek, het is van vrijwel de eerste tot de laatste bladzijde in mineurtoon
geschreven. Wanneer men Hondius temidden van de schoonheid van zijn tuinen en
de weelden van het zoete Zeeuwsvlaamse land aldoor hoort klagen over anderen en
zichzelf, denkt men onwillekeurig aan de zielen der verdoemden | | | |
die, onderin het sombere moeras van
Dante's
Inferno, door hun zuchten heen aldoor herhalen:
‘Tristi fummo nell' aere dolce, che dal sol s'allegra’. Hondius was
een melancholicus, voor wie de droefheid het primaire levensgevoel was.
‘Ick en weet niet’, schrijft hij ergens,
Ick en weet niet, of de vreucht
Wel den mensch soo seer verheucht,
Die om haer verdriet te leeren
Niet en doet dan gaen en keeren;
Als de droefheyt onse herten,
(Ofse schoon niet lange let)
Met veel commer ende smerten
Ons droufaerdich naturel,
Brengt meer sinnen in het spel
Om tot treuren haer te setten,
Als om op haer vreucht te letten.
Droefheyt is haer aengeboren:
Alse schreyt, so isse thuys,
Can geen ander vreucht oorbooren
Dan gemengelt met het cruys.
Schreyen canse, wanse wil;
Noeyt en staet haer oorsaeck stil:
Maer om haer tot vreucht te geven,
Moet veraerden van haer leven
764.
Tot deze ontrouw aan het levensbeginsel heeft Hondius niet kunnen
besluiten. Hij heeft de wereld gezien door een grijze mist, waarin het mensdom
hem alleen maar als boos en verdorven kon voorkomen. Als een boetprediker vaart
hij uit tegen de roepende zonden, die hij vooral in de steden gelocaliseerd
vindt. In 't bijzonder zijn de Spanjaarden en de Roomsen zijn vijanden, wat te
verontschuldigen is in iemand, wiens ouders het slachtoffer der
geloofsvervolging zijn geweest. De Spanjaarden haat hij tot in hun zuidvruchten765 en hun kleding, en
hij werkt aan een geschiedenis van de Opstand, die Spanje's boosheid duidelijk
in het licht zal stellen. Daar zal men kunnen lezen van de ondraaglijke
tyrannie van ‘den Spaenschen dwijngelant’, van de inquisitie, van
Alva - onder alle beulen ‘d'aldergrootsten diemen vant, die de hell heeft
uytgebroet’ - , van Philips, ‘desen bloethont’, van wiens
vreselijk levenseinde Hondius met welgevallen gewaagt, van de Spaanse tyrannie
in de overzeese gewesten, van de barbaarse wreedheden die ze in Cuba hebben
bedreven
766. Alleen de
Roomsen haat hij zo mogelijk nog meer; van hun streken zou hij wel een boek,
‘soo groot als haer missael’ kunnen volschrijven, en dan was nog
niet alles verteld
767. Vooral op de orde van
Loyola, ‘eenen Spaignaert uyt de
hel’, heeft hij het voorzien; de Jezuïeten zijn ‘den
alder-laetsten dracht van de hoere groot geacht’
768, en hij
verwijt hun, onder andere misdaden, trouweloosheid en koningsmoord
769. Is het wonder, vraagt hij in alle ernst, dat de bijen zelfs de
tuinen der Jezuïeten vermijden?
770 In dit alles was
Hondius een kind van zijn tijd, en ook zijn afkeer van de ‘Munstersche
hypocrijten’ heeft hij tenslotte met zijn tijdgenoten gemeen. Overigens
vond men die in ‘het cleyne VIaemsche deel’ dat hij bewoonde
evenmin als andere ‘werregeesten’
771. Onder deze benaming zal hij ongetwijfeld ook de aanhangers der
‘Arminianisterije’ gerekend hebben, die zoals bekend in ‘dese
soute landen’ niet werden aangetroffen
772. De uitspraken
van de Dordtse synode heeft Hondius als de hoogste wijsheid aanvaard
773.
| | | | Ook bij hem ging de rechtzinnigheid hand in hand met
patriotisme en liefde tot het Oranjehuis. De prinsen van Oranje hebben staat en
kerk van de ondergang gered, en op menige plaats getuigt hij in warme
bewoordingen van zijn gehechtheid aan ‘dees twee helden, wt den Hemel ons
gegeven, om ons trouwlick gae te slaen’
774. De Nederlandse gewesten zijn voor hem het ‘Jerusalem des
Heeren’
775. Zeeland vooral is
een gezegend land, en wanneer Hondius met zijn vrienden op de wallen van
Terneuzen staat en uitziet over de Scheldestroom aan de ene, de vruchtbare
Zeeuwsvlaamse landen aan de andere kant, vervult hem een gevoel van dank en
trots tegelijk:
Al waer haer mijn oogen keeren,
Vinde goet en trouw bescheyt
Van de groote gonst des Heeren
Die hy over Seelant spreyt:
Volle scheuren, weeldich stal.
Wel beset met wyde grachten;
Sonder schade te verwachten
776.
Hij overweegt hoezeer de oorlog het land ten zegen is geweest, in
stoffelijk zowel als in geestelijk opzicht, hoe overal in de kerken Gods Woord
weer kan worden beluisterd, hoe overal rust en welvaart heersen, en hij
verbindt er een vermaning aan tot gehoorzaamheid aan God:
Ghy dan Seelant, dien in Treve
Rust en vre ghegeven wert;
En in oorlogh wert gegeven
Van den Heer een leeuwen hert:
Weet voorseker, dat u Godt
Naer den reghel en ghebodt
In zijn woort u voorgeschreven,
Maent met aendacht voorts te leven
777.
Het is een moeilijke taak, zelfs wanneer men zovele gegevens tot
zijn beschikking heeft als in dit geval, om op een zo verre afstand zich een
beeld te vormen van een mens, die drie eeuwen geleden leefde. Was deze
melancholicus een teleurgestelde in het leven, iemand die de dromen van zijn
jeugd nooit verwerkelijkt heeft gezien? Wie de inscripties van zijn Leidse
professoren en vrienden in zijn album amicorum doorbladert, moet de indruk
krijgen dat deze in de jonge theoloog een man met een rijke aanleg en grote
beloften zagen. Hij heeft het niettemin, terwijl zijn vriend
Heinsius al op zijn vier-en-twintigste
jaar professor werd, niet verder gestuurd dan de pastorie van Terneuzen. Daar
is deze jonge predikant, door geen vrouw gesteund en opgebeurd, door ziekten
geplaagd
778, tot een vroeg-oud man geworden,
teleurgesteld in zijn werk, teleurgesteld in de menschen. De gemeente benijdde
hem zijn lusthof, zijn gastvrije tafel, zijn apotheek, die hij toch voor arm en
rijk openstelde, ‘sonder mijte loons t'ontfangen’
779. Achter zijn rug
sprak men kwaad van hem
780. Men kan zich
indenken dat hij meer en meer verstrooiing en troost heeft gezocht in de wereld
der natuur, die hem niet teleurstelde, en dat hij zich meer en meer van de
mensen heeft afgewend. Toch is hij geen asociaal mens. Voor zijn vrienden stond
de Moufe-schans te allen tijde open, en hoe fel Roomsenhater hij overigens
mocht zijn, nooit zou hij verzuimen om zijn Roomse gasten in de gelegenheid te
stellen, hun plichten van onthouding na te komen
781. Van
sociaal gevoel te spreken in deze tijd is min of meer | | | | een
anachronisme, maar toch treft ons in Hondius' aanval op de rijken een klank van
medeleven en medelijden met de armen. Terwijl onze beurs stijf staat van het
geld, onze kast vol kleren hangt en onze schuren opgetast zijn van de volle
schoven, ‘lijdt de Coninck vande kerck grooten honger in sijn
leden’, loopt de Heiland ‘noch dagelickx in sijn leen achter
straete sonder cleeren’. Hoeveel wordt er jaarlijks niet verkwist, dat de
armen zo goed zouden kunnen gebruiken en dat ons dan ook zal aanklagen in de
Oordeelsdag! Hoe zal de mens, die de armen van zijn deur wijst, en niettemin
zelf ieder ogenblik om zijn dagelijks brood durft te bidden, eenmaal voor de
Rechter kunnen staan? Zonder Gods wil heeft de rijke geen bete droog brood.
Eer ghy dan comt in den noot,
Breeckt den aermen uyt u broot;
En ter wijl ghy hebt te geven,
Laet hem van gheen couwe beven
782.
Dergelijke uitingen zijn overigens zeldzaam in de
‘Moufe-schans’. Wat Hondius van de mensen heeft ondervonden is niet
veel goeds; waarom zou hij zich dan aan hen gelegen laten? En naarmate zijn
bewondering voor de mens daalt, stijgt die voor het dier: een karakteristieke
eigenschap immers van de tot misanthropie neigende mens. Een vergelijking
tussen beiden valt in het nadeel van de mens uit. Hulpeloos en naakt komt hij
ter wereld; het pasgeboren dier is al dadelijk bekleed en weet zich terstond te
redden. In het zweet van zijn aanschijn moet de mens zijn brood verdienen; het
dier vindt overal en zonder moeite wat het nodig heeft. Met dierenvellen moet
de mens zich tegen de natuur beschutten, en nog is hij dan voortdurend ziek.
Zelfs zijn nabijheid is schadelijk; welke dieren zijn gezonder dan de
spreekwoordelijk gezonde vissen, die ver van alle menselijke invloeden in het
water leven, en welk dier is ongezonder dan de hond, 's mensen trouwste
metgezel?
783 Ook hierin
beschaamt het dier de mens, dat het steeds het goede kruid weet te vinden voor
zijn kwalen
784;
alleen de mens weet de kruiden niet te onderscheiden. Een toon van innig
medelijden klinkt door in Hondius' beschrijving van de op de schorren weidende
schapen, klaaglijk blatend naar haar hongerige lammeren
785. Er is in
heel zijn boek geen enkele plaats te vinden, waar hij met zoveel meegevoel over
de mensen spreekt.
Getrouwd is Hondius nooit geweest. ‘Ghy weet’, zegt hij
aan zijn vriend Pilletier,
Ghy weet, dat heel mijn leven,
Ick tot gheen ander vrouw
Dan tot mijn hoofken trouw
786.
Een ander huwelijk dan de innige gemeenschap met zijn bloemen en
zijn kruiden heeft hij nooit begeerd, en als hij overal om zich heen
ongelukkige huwelijken ziet, prijst hij zich gelukkig in zijn vrijgezellenstaat787. Maar, kinderloos, besluipt hem de
vrees der kinderlozen, dat zijn naam eenmaal zal vergeten zijn. Met een
zekerheid en een overtuigdheid, waarmee hij misschien zijn innerlijke
onzekerheid het zwijgen zal hebben opgelegd, noemt hij telkens weer gewassen,
die zijn hof en zijn naam onsterfelijk zullen maken. Men heeft de eerste
uitgave van zijn gedicht aangevallen, men mag het gerust ook de tweede doen;
ook al zou geen sterveling er enig behagen in vinden, de tijd zal eens
verkeren, zo verzekert hij met verbeten trots, | | | |
Wanneer men sal ghewennen
Met loff en grooten danck
Van ons musijck te kennen
Den onghewoonen clanck
788.
Het is niet geheel duidelijk wat hij met ‘den onghewonen
clanck’ van zijn gedicht bedoelt. Slaat dit alleen op het rhythme? In de
dedicaties gebruikt Hondius doorgaans het viervoetige jambenvers, in de
‘gancken’ de viervoetige trochae. Populair waren deze versmaten in
de zeventiende eeuw en de daaraan voorafgaande periode allerminst, maar toch
ook weer niet zo ongewoon, dat Hondius menen kan alleen om het gebruik van deze
maten de waardering van het nageslacht deelachtig te zullen worden. Dus zal men
onder de ‘musijck’ wel niet zozeer de uiterlijke vorm en de klank
als wel de inhoud van het gedicht moeten verstaan. Maar ook dan vraagt men zich
af, wat Hondius daarin het ongewone heeft gevonden. De
‘Moufe-schans’ bevat immers geen enkel element, dat men ook niet
bij oudere dichters aantreft. Het zou ons eerste hofdicht zijn geweest, was Van
Borsselen hem niet voorgeweest met zijn ‘Binckhorst’, die Hondius natuurlijk gekend heeft.
Aldus schuilt er in deze laatste woorden van zijn gedicht al evenveel
raadselachtigs als in de hele persoonlijkheid van deze mens, die een
wonderlijke vermenging is van misanthropie en sociaal gevoel, een van die
raadselachtige wezens zoals het leven er maar al te veel geeft te zien. En
wanneer deze figuur uit Zeelands letterkundige geschiedenis ons een ogenblik
vermag te boeien, is het alweer niet terwille van zijn kunst, maar ditmaal om
de wonderlijk gecompliceerde mens, die ons uit dit werk tegemoet treedt.
|
711Zie over hem: De la Rue, blz. 212 - 223;
Nagtglas, I, blz. 404 - 407; N.N.B.W., VIII, kol. 812 - 813 (J. Prinsen J.Lz.);
Biogr. woordenb. v. Protest. godgel., IV, blz. 219 - 221; Vrolikhert, t.a.p.,
blz. 57 - 58, 60 - 61; J. van der Baan, De Moffeschans (Cadsandria. 1856, blz.
115 - 135); A. Walraven, Petrus Hondius (t.a.p., 1857, blz. 156 - 188); J.G.
Frederiks, Petrus Hondius (Tijdschr. v. Ned. taal- en letterk., 6 (1886), blz.
103 - 159); J. van der Baan, De Hervormde gemeente van Ter Neuzen en hare
leeraren (Ter Neuzen, 1894), blz. 9 - 14.
712Zie over hem: N.N.B.W., VI, kol. 795 - 796
(A.A. van Schelven); Vrolikhert, t.a.p., blz. 27 - 30.
713Zie over hem: N.N.B.W., VI, kol. 796 (A.A.
van Schelven). -
Jacobus Hondius († 1625) was van
1602 tot zijn dood als opvolger van zijn vader predikant te Vlissingen. - Een
andere broer, Johannes, stierf 15 December 1588 in Duitsland, zoals uit een
lijkdicht van Hondius (in zijn album amicorum gevoegd) blijkt.
714Disputationum theologicarum repetitarum
trigesima-octava, de Oratione. Quam, Deo Opt. Max. favente ex auctoritate et
decreto reverendi ordinis facultatis theologicae, sub praesidio clarissimi
doctissimique viri D. Lucae Trelcatii ss. theologiae in illustri Batavorum
academiâ doctoris et professoris ordinarij, publicè sustinere
adnitar Petrus Hondius Flissing. 15. Septembris. Anno M.D.IC. Horis locoque
solitis. Lugduni Batavorum, anno M.D.IC. (8 blzn.; 4to) (U.B., Leiden).
715Disputationum theologicarum repetitarum
quinquagesima, de Conciliis, quam, cum bono Deo, ex authoritate ac decreto
reverendae facultatis theologicae, sub praesidio D. Lucae Trelcati, s.
theologiae doctoris ac professoris ordinarii, sustinere conabor Petrus Hondius
Flissing. 10. Maii. horis ac loco solitis. Lugduni Batavorum, ex officina
Ioannis Patii, anno M.D.C. (16 blzn.; 4to) (U.B., Leiden).
716Disputationum theologicarum repetitarum
sexagesima-prima, de Missa, quam, Deo juvante, ex authoritate r. facultatis
theolog. praeside D. Francisco Iunio, ss. theolog. doctore et professore
primario, sustinebo Petrus Hondius Flissing, 16. kalend. Februarii. Ad
amplissimum reipub. Flissing. senatum. Lugduni Batavorum, ex officinâ
Ioannis Patii. Anno M.D.CI. (8 blzn.; 4to) (U.B., Leiden).
717
Philips Lansbergen wijdde zijn bijdrage in
het album amicorum van Hondius (Goes, 29 Juli 1601): ‘praeclaro juveni
Petro Hondio, iter in Gallias paranti’.
718In zijn ‘Moufe-schans’ (Leyden,
1621) noemt hij hem ‘den oppersten prelaet’ (blz. 125) en
‘den grooten helt’ (blz. 126).
719Voor Hondius' verdiensten ten opzichte van de
kruidkunde zie men:
Rembertus Dodonaeus, Cruydt-boeck
(Leyden, 1618), fol. 569. 1412, 1476; B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis, Onze tuinen
(Tijdschrift voor staathuishoudkunde en statistiek, 11 (1855), blz. 441 - 448);
Walraven, Petrus Hondius, t.a.p., blz. 171 - 181); C.A.J.A. Oudemans, De
ontwikkeling onzer kennis aangaande de flora van Nederland (Ned. kruidkundig
arch., 2de serie, 3 (1882), blz. 4 - 16);
P. van der Wielen, Petrus Hondius en de
Moufeschans (Onze tuinen, 5 (1920), blz. 113 - 116); H. Cohen, Bijdrage tot de
geschiedenis der geneeskruidcultuur in Nederland (Rotterdam, 1927), blz. 118 -
123. - Hondius was de eerste, die hier te lande het katoenkruid van Canada
(Apocynum Canadense) en het Chrysantemum of Batates Canadense heeft
aangekweekt. Het laatstgenoemde gewas noemde hij ‘artichocken onder d
'eerde’ (Moufe-schans, blz. 147). Dodonaeus noemt ze ook
‘articiock-appelen van Ter Neusen’ (Dodonaeus, t.a.p., fol. 1476).
Zie hierover o.a. nog: Ch. Morren, Over de aardpeer, hare geschiedenis en
gebruik (De vriend van den landman, 15 (1851), blz. 455 - 471); O. P. Hondius,
Bijdrage tot de geschiedenis der aardpeer of Topinambour (Helianthus tuberosus)
(De vriend van den landman, 22 (1858), blz. 271 - 276). - In 1615 betaalde
prof. Pauw van de Leidse Hortus 15 stuivers port ‘voor een test
chrysanten canadeesen van Terneus van Hondio’ (Molhuysen, Bronnen tot de
geschiedenis der Leidsche universiteit, t.a.p., II, blz. 75*). - Ook schijnt
Hondius op de Moffeschans de maïs het eerst hier te lande te hebben
aangekweekt (Moufe-schans, blz. 137).
720Moufe-schans, t.a.p., blz. 463.
721Uit de classicale acta van Walcheren blijkt
dat op 11 Augustus 1621 wegens ziekte van ds. Hondius door de classis in 39
liefdebeurten in Terneuzen voorzien was. Op 6 September d.a.v. werd al van zijn
overlijden melding gemaakt en meegedeeld dat hij aan de classis een legaat had
vermaakt om daaruit drie studenten in de theologie te laten studeren. Over deze
schenking ontstond onenigheid met de familie, die weliswaar bij overeenkomst
werd bijgelegd, maar waardoor de erflating sterk verminderde, zodat die in de
achttiende eeuw nog maar uit een dijkje en een klein stukje grond bestond,
bekend als ‘het Classisland’. - Nagtglas, I, blz. 406 -
407.
722Het album van Hondius werd in 1859 aan de
Kon. Bibl. te Brussel verkocht, waar het nog berust. Een fotografische
reproductie is in het bezit van het Zeeuws genootschap der Wetenschappen. Zie
over dit album: A. Meerkamp van Embden, Het album amicorum van Petrus Hondius,
1578 - 1621, predikant te Terneuzen, 1604 - 1621 (Archief Z.G.d.W., 1934,
blz. 45 - 62); L.A.J. Burgersdijk Jr., Speurtocht tusschen de bladen van het
album amicorum van Petrus Hondius (t.a.p., blz. 63 - 109).
723Het Brits Museum te Londen bezit twaalf
brieven van Hondius aan hem uit de jaren 1599 - 1616 (mss. Add. 22960 -
22962).
724Misschien dat van zijn commentaar over het
Hooglied of over het lied van Jacob; vgl. hiervóór, blz.
338.
725In het bezit van de U.B. te Leiden (hs.
Papenbroek 2). Vgl. Burgersdijk, t.a.p., blz. 108.
726Reverendo clarissimoque viro D. Abrahamo
Mylio... In linguam patriam felicis-sime meditanti. - Abrah. vander Milius,
Lingua Belgica, l.c., p. c 4 v°.
727In een ex. van de Moufe-schans (ed. van
1621), in het bezit van de heer M. Buisman J.Fzn. te Ede (Gld.) is een
afschrift van een ongedateerd briefje aan Vorstius gevoegd, waarin Hondius een
uitbreiding van zijn ‘Gebet voor eeten’ (Moufe-schans, t.a.p., blz.
206) geeft. Het dateert uit het laatst van zijn leven (‘cum jam aegrotare
inciperet’, zoals de afschrijver er bij heeft geschreven).
728In het bezit van de Nat. Bibl., 's-Gravenhage
(hs. Lat. 120. B. 13). De brief is gedateerd: Rupella, X kal. Nov.
1601.
729In het bezit van de U.B. te Leiden (z.
d.).
731Vgl. Burgersdijk, t.a.p., blz. 91 -
94.
732* Leo Belgicus, hoc est Inferioris Germaniae
provinciarum septem-decim status hodiernus (Lugd. Bat, 1598). - Aldus de titel
bij De la Rue, blz. 212. - Ik zag het boek niet.
733De Ioannis Isaacus Batavi philosophi opere
minerali. - Ioannes Isaacus Hollandus, Opera mineralia (Middelburgi, 1600), p.
l v°.
734O.a. Dedicatie, blz. 13, 22. Een overzicht van
de inhoud geeft hij blz. 409 - 428. Toen de ‘Moufe-schans’
verscheen, was het eerste boek voltooid: Dedicatie, blz. 13.
735Moufe-schans, t.a.p., blz. 347.
736Petri Hondii Dapes inemptae, oft de Mouffe
schans dat is de soeticheyt des buyten-levens, vergeselschapt met de boecken.
Z. pl. en j. (64 blzn.; 8vo) (Nat. Bib' l., 's-Gravenhage; ex., afkomstig van
G.D.J. Schotel). - Een ander ex. van deze editie (of een der andere drukken van
hetzelfde jaar?) werd in 1884 verkocht uit de nalatenschap van C.P. Lenshoek.
De la Rue, blz. 213, noemt 1619 als jaar
van verschijning, ik weet niet op welke grond. De datering van het gedicht,
waaraan Hondius vele jaren zal hebben gewerkt, stuit op moeilijkheden; vgl.
Frederiks, t.a.p., blz. 108 - 109. De door hem aangehaalde passages op blz. 197
en 227 van de druk van 1621 komen in de oudere uitgave echter niet voor.
737Volgens Hondius' eigen mededeling, Dedicatie,
blz. 15.
738Petri Hondii Dapes inemptae, of de
Moufe-schans, dat is, de soeticheydt des buyten-levens, vergheselschapt met de
boucken. Afgedeelt in X gangen. Nieuwe editie. Nu eerst by den autheur uyt
laeten gaen, t'samen met zijn hof-wetten. Tot Leyden, voor
Daniel Roels boeckvercooper, anno 1621
(XXXII, 534 blzn.; 8vo). - Een aantal exemplaren van deze druk bevat achteraan
een lijst van ‘Druckfauten, begaen in het affwesen van den autheur
noodich verbetert’. - Het enige lofdicht dat de bundel bevat is van
Heinsius, en komt maar in enkele ex. voor; klaarblijkelijk is het pas op het
laatste ogenblik gedicht. Bovendien geeft het nauwelijks meer dan een
inhoudsoverzicht van Hondius' boek. De titel van het boek, ‘Dapes
inemptae’, zal Hondius wel ontleend hebben aan
Virgilius' Georgica, IV, vs. 133 - 134:
seraque revertens Nocte domum dapibus mensas onerabat inemptis. Vgl.
Moufe-schans, blz. 197: En u heele Moufe-schans, My ten dienste gaer en gans,
Vult mijn tafel, sonder coopen Ofte naer de marckt te loopen; blz. 206: Al ons
kost is ongekocht. Ook Philibert van Borsselen spreekt in de
‘Binck-horst’ twee keer over zijn ‘ongecochte spijs’
(blz. 25, 36). Vgl. nog: Cats, Trou-ringh (1637), blz. 129: Hy kond' een
maeltijt doen met ongekochte spijs; Ouderdom, Buyten-leven enz. (1656), blz.
84: Soo wort een vriendt onthaelt met ongekochte spijs; Cats in een lofdicht
voor Westerbaens ‘Ockenburgh’ (1654), blz. *** 4 r°.
739Moufe-schans, t.a.p., Dedicatie, blz.
3.
740Het is mij ondanks vele nasporingen niet
gelukt, te vinden wie deze bespotter van Hondius is.
741Het is opgedragen aan
Guillaume de Soete de Lake, heer van
Haultain († 1637), sinds 1602 als opvolger van
Justinus van Nassauluitenant-admiraal van
Zeeland. In 1627 werd hij gouverneur van Sluis. Zie over hem: Nagtglas, II,
blz. 666 - 667; N.N.B.W., I, kol. 1598 - 1600 (H. J. Boldingh).
743Opgedragen aan jhr.
Dierick van Haestrecht, heer van
Druynen, Gansoyen enz., die op zijn oude dag op zijn erfgoederen te Drunen
leefde. Ik houd hem voor de oud-kapitein Dirk van Haestrecht, die onder
Sonoy heeft gediend.
744Vgl. Guido Gezelle, Dichtoefeningen (Volledige
werken, I) (Amsterdam, 1930), blz. 101 - 108.
745Opgedragen aan
Cristiaen Porret, ‘vermaerden
apothecaris, simplicist ende herbarist’ te Leiden. Hij stond bekend als
een groot liefhebber van bloemen en kruiden, en zijn uitgebreide verzameling
van ‘sonderling-heden’, die na zijn dood, in 1628, verkocht werden.
Vgl. E.W. Moes, De sonderling-heden oft rariteyten ende wtgelesen
sinnelickheden van Christiaen Porret (Jaarboekje voor geschiedenis en
oudheidkunde van Leiden en Rijnland, 2 (1905), blz. 93 - 100).
746Opgedragen aan
Caspar Pelletier († 1639),
medicus en botanicus te Middelburg. Zie over hem: hierna, blz. 440.
747Moufe-schans, t.a.p., blz. 153.
749Opgedragen aan
(Aelius) Everardus Vorstius (1565 - 1624),
hiervóór genoemd.
750Dergelijke woordspelingen met de plantennaam
vindt men - om alleen enkele voorbeelden uit Zeeuwse dichters te noemen - ook
bij Van Borsselen, Den Binckhorst (1613), blz. 7, vs. 150; Cats, Trou-ringh
(1637), blz. 574a;
De Brune, Bancket-werck, II (1660), blz.
322; A. de Vin, Den gezalvden Christen 3 (1769), blz. 59.
751Opgedragen aan Johanna de Burchgrave, de
vrouw van
Serlippens, sinds bijna zestien jaar
Hondius' gastvrouw.
752Moufe-schans, t.a.p., blz. 262.
753Opgedragen aan
Pieter Courten (1581 - 1630), de
aanzienlijke Middelburgse koopman, die met zijn vrouw
Hortensia del Prado tot de vriendenkring
van Cats behoorde. Vgl. hiervóór, blz. 251.
754Opgedragen aan mr.
Johan Huyssen, heer van Cattendijke (1566
- 1634), o.a. gecommitteerde raad van Zeeland, sinds 1602 voorzitter van de
Raad van Vlaanderen. Deze staatsman, die door
Lodewijk XIII in de adelstand is verheven
en door
Jacobus I tot ridder geslagen, was een
voorstander van kunsten en wetenschappen. Zie over hem: Nagtglas, I, blz, 449 -
450; N.N.B.W., III, kol. 630 (C.J. de Waal).
755Opgedragen aan
Hendrik van Tuyll van Serooskercke (1582 -
?), o.a. gecommitteerde raad van Zeeland en sinds 1625 lid van de Raad van
State. Hij wordt om zijn geleerdheid geroemd; zo erkent
Wouter van Goudhoeven dankbaar de hulp, van
hem ondervonden bij het schrijven van: D'oude chronycke ende historien van
Holland, Zeeland ende Utrecht (1636), een bewerking van de Divisiekroniek. -
Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 792.
756Opgedragen aan zijn broer
Jacobus Hondius, hiervóór
op blz. 341 genoemd.
757Moufe-schans, t.a.p., blz. 522.
758Opgedragen aan
Jeremias van Dalen, ‘vermaert ende
ervaren medicijn’ te Middelburg.
759Moufe-schans, t.a.p., blz. 533.
763T.a.p., blz. 73 - 74. Vgl. dezelfde gedachte
in de ‘Hof-wetten’, blz. 529 - 530.
764T.a.p., blz. 478 - 479.
766T.a.p., blz. 409 - 428.
767T.a.p., Voor-reden, blz. 20; vgl. blz. 232,
379, 431 (tegen de Paus), Voor-reden, blz. 16 - 17, blz. 381 - 383 (de hostie),
166 (nonnen), 251 (kloosters), 343 (de Tempeliers), 385 - 386 (de
Maltezers).
768T.a.p., blz. 386 - 391.
769T.a.p., blz. 299 - 300; vgl. blz.
330.
771T.a.p., Voor-reden, blz. 11; 391 -
398.
772T.a.p., blz. 399 - 402.
773T.a.p., blz. 399, 481.
774T.a.p., blz. 402; vgl. blz. 102, 401 - 402,
417.
777T.a.p., blz. 460. - Hondius voelde zich
bewust Zeeuw. ‘Zeelandus sum ac nihil à me Seelandici moris
alienum puto’, schreef hij in 1600 aan Abraham van der Myl in de
hiervóór, blz. 343 aangehaalde brief.
778In de bieven van Hondius aan
Sibrandus Lubbertus, hiervoor genoemd,
is daar meermalen sprake van.
781T.a.p., blz. 231, 240, 506.
782T.a.p., blz. 270 - 275.
783T.a.p., blz. 351 - 360.
784T.a.p., blz. 80 - 81; vandaar plantennamen
als honds- en varkensgras, zwaluw-kruid, paddenbladen, havikskruid enz.
785T.a.p., blz. 468 - 469.
787T.a.p., blz. 373 - 376. - Bestaat er
misschien verband tussen Hondius' afkeer van het huwelijk en het feit, dat de
enigen aan wie hij zijn geneeskrachtige kruiden onthoudt, de lijders zijn aan
het ‘onbekende quaet, dat verborgen is van binnen, en gecomen is van
minnen’ (t.a.p., blz. 193)?
788T.a.p., Voor-reden, blz. 28.
|
|