auteur: P.J. Meertens
bron:
P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en
de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers
Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van
Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2000 dbnl / erven P.J. Meertens

|
|
| |
| | | |
Het onderwijs sinds de zestiende eeuw
In 1569 heeft
Nicolaus de Castro, bisschop van
Middelburg, aan
Alva een verslag uitgebracht van een op
diens verzoek gehouden inspectie van de Zeeuwse scholen
43. Daaruit blijkt, dat er destijds in Middelburg
behalve de stads- of Latijnse school nog zes andere waren, op twee waarvan
Frans werd onderwezen. In Zieriksee had men maar twee scholen, in
Vere drie, in Goes daarentegen zeven, waaronder een
Latijnse school, maar een van de andere zes werd maar door drie of vier meisjes
bezocht. Vlissingen had zes scholen, waaronder een Latijnse, en
tenslotte noemt het rapport nog een school te Westsoeburg. De
bisschop vermeldt vervolgens enkele namen van schoolmeesters en -vrouwen, die
voor niet helemaal rechtzinnig doorgingen; onder hen vinden we magister
Jason van Langemeersche (± 1536 -
1598), de rector van de Latijnse school van Middelburg, en zijn Zierikseese
collega
Paschasius Oedemus. Zij waren niet de
enige leerkrachten, die onder verdenking van ketterij stonden. Al eerder horen
we van
Valerius de schoolmeester
44,
die in de zestiger jaren in Middelburg en Zieriksee schoolhield, van meester
Anthuenis en meester
Jan Happaert, die door de Middelburgse
overheid omstreeks dezelfde jaren werden uitgewezen
45, en van nog enkele andere
verdachten.
Wanneer de Reformatie in Zeeland de overwinning heeft behaald op het
oude geloof, wordt het onderwijs natuurlijk geheel en al hervormd. Voortaan
schrijven de kerkelijke vergaderingen de schoolreglementen voor, die de
wereldlijke overheid sanctionneert. De provinciale synode van Holland en
Zeeland, die in 1574 te Dordrecht samenkwam, regelde al het
schoolwezen in algemene trekken, en latere synoden vulden deze bepalingen
telkens aan. In 1583 vaardigden de Staten van Zeeland een ‘placaet ende
ordonnantie vande school-ordeninge’
46 uit, die voor heel Zeeland geldig was. Het onderwijs
heet er de grondslag van de staat, ‘alsoo tot opbouwinghe van een goede
republijcque ende welstandt vanden lande niet weynich aen gheleghen en is, dat
die de jonckheyt, van kints beenen af wel werde opgevoedet, ende inde vreese
ende rechte kennisse Godes, ende alle goede consten ende zeden van der jeucht
aen onderwesen’
47.
Van grote invloed op het onderwijs in de Noordelijke Nederlanden is
de Zuidnederlandse immigratie van het laatste kwart der zestiende eeuw geweest,
en niet het minst in Zeeland, dat immers van de zeven gewesten het dichtst bij
Vlaanderen en Brabant lag. Toen in 1591 in Middelburg de magistraat de
schoolmeesters in een gilde verenigde
48, en in het eerste artikel van de daarvoor verleende ordonnantie
het poorterschap werd vereist van ieder, die er onderwijs wilde geven, lieten
niet minder dan achttien Zuidnederlanders zich als poorter inschrijven,
waaronder er zeker geweest zullen zijn, die al eerder in Middelburg hun beroep
uitoefenden
49. Hun invloed blijkt ook hieruit,
dat de Middelburgse ordonnantie een Antwerpse van 1579 tot voorbeeld heeft
50. Deze onderwijzers zullen wel niet, en in
geen geval alle, aan de ‘grote school’ verbonden zijn geweest; de
meesten zullen voor eigen rekening en op eigen gezag school hebben gehouden
voor die kinderen der burgerij, die met de eenvoudigste beginselen der
wetenschap konden volstaan. Van deze ordonnantiën en plakkaten is
overigens niet veel verbetering uitgegaan, en de klacht van De Swaef uit 1621,
dat het onderwijs in zijn vaderstad nog maar al te zeer aan ‘humpelaers
ofte hoetelaers’ wordt toevertrouwd, zal wel niet alleen voor Middelburg
hebben gegolden, zomin als alleen voor de tijd, waarin De Swaef haar uitte.
| | | | Enkele Zeeuwse schoolmeesters uit de zestiende en de
zeventiende eeuw zijn bekend gebleven als schrijvers van werkjes ten dienste
van het onderwijs, die gedurende langer of korter tijd in Zeeland en daarbuiten
ingang hebben gevonden. Hun namen en een opgave van hun werken volgen
hieronder; voorop gaat Louis Porquin, die ofschoon geen schoolmeester, een
boekje heeft geschreven, dat bij het onderwijs een grote populariteit heeft
genoten.
Louis Porquin (1511 - 1565 of later)
51 was in
1511 onder de naam Luigi Porchini te Chieri in Piemont uit een adellijk
geslacht geboren. Op achttienjarige leeftijd verliet hij in 1529 zijn
geboorteplaats en trok naar Vlaanderen, waarschijnlijk als lakenkoopman. Na
vele omzwervingen vestigde hij zich in 1537 in Sluis, maar het volgende jaar
alweer te Zieriksee, waar hij ruim zeven jaar bleef wonen en in 1540 in het
huwelijk trad met
Magdalena de Meulenaere, uit een
patricische familie die van Brugge afkomstig was. In 1547
verhuisde hij naar Middelburg, en tenslotte in 1556 naar
Bergen-op-Zoom, waar hij in 1565 nog woonde en misschien ook wel
gestorven is.
Porquin is in onze letterkunde bekend gebleven als de schrijver van
een geestelijk testament, in de trant van gelijksoortige testamenten van
middeleeuwse Franse dichters en zestiende-eeuwse Vlaamse rederijkers. Hij
schreef zijn werk, dat klaarblijkelijk alleen voor zijn eigen kinderen bestemd
is geweest, in proza en liet het door een zekere, ons overigens onbekende
Antonius Verensis, blijkens zijn naam van
Vere afkomstig, in dichtmaat overzetten. Het verscheen onder de
titel: ‘Den wtersten wille van Lowys Porquin’ (l563) als
het tweede deel van ‘Een lieflick memorie boeck’
52, waarschijnlijk in
niet meer dan elf exemplaren, bestemd voor de zonen en dochters van de
schrijver. Hoe weinig zal deze Italiaan gedacht hebben, dat zijn geestelijk
testament bijna twee eeuwen lang een van de bekendste en meest gebruikte
schoolboeken zou worden in het land, waar hij bijna zijn hele leven heeft
doorgebracht.
‘Den wtersten wille’ neemt onder de stichtelijke
leesboeken van de tweede helft der zestiende en de beide volgende eeuwen een
belangrijke plaats in, wat uit de talrijke herdrukken, die tot in de achttiende
eeuw zijn verschenen, duidelijk blijkt
53. In driehonderd achtregelige strofen deelt de schrijver
zijn lessen en vermaningen uit aan zijn kinderen, die hij waarschuwt tegen
onmatigheid en dronkenschap, tegen dobbelspel en onkuisheid en alle mogelijke
andere zonden, ondeugden en tekortkomingen, terwijl hij ze opwekt tot wijsheid,
godsvrucht, ouderliefde, eerbaarheid, eenvoud, kortom tot alle voortreffelijke
eigenschappen. Al bevat dit werkje veel, dat men uit paedagogische overwegingen
liever geschrapt zou zien, toch moet erkend worden, dat er over 't algemeen een
sympathiek geluid in wordt beluisterd, een toon van oprechte godsvrucht en
liefde tot de naaste.
Valcooch gebruikte het voor zijn bekende
‘Regel der Duytsche schoolmeesters’ (1591).
Een ander voorbeeld van een boekje, dat hoewel niet opzettelijk voor
het onderwijs geschreven, daarvoor toch aanbevolen en gebruikt werd, is ‘Het heerlick bewijs, van des menschen ellende ende
miserie’ (1582) van
Jeronimus van der Voort, die sinds 1585 in
Vlissingen woonde en als rederijker eerder ter sprake is gekomen
54. Ook dit werkje deed naar alle
waarschijnlijkheid nog in de achttiende eeuw als schoolboek dienst.
Wel opzettelijk voor het onderwijs bedoeld is de ‘Neder-duytsche letter-konst’ (1588)
55 van Pieter de Berd († 1599)
56,
‘schoolmeester tot Terghoes’, die we evenwel alleen van naam
kennen. Uit dezelfde tijd dateert een rekenboekje van een in Middelburg wonend
rekenmeester, ‘t' Fondament van arithmetica’ (1599) van
Marten Wentsel
57. De | | | |
eveneens te Middelburg gevestigde en uit Antwerpen afkomstige schoolmeester
Johan Coutereels schreef een aantal werkjes
op wis- en boekhoudkundig gebied, die tussen 1599 en 1632 het licht zagen
58. In een stad met een
zo opgewekt handelsverkeer als Middelburg destijds was, bestond er voor
leerboeken van dit soort stellig een ruim debiet.
Tot de schoolboeken behoort ook het ‘Kort begrip der Christelijke religie’ (1608?) van
de Middelburgse predikant
Herman Faukeel (± 1560 - 1625)
59, dat door de synode van Dordrecht voor de scholen werd
goedgekeurd en sindsdien
Microns ‘Cleyne catechismus’ verving.
Eveneens uit Antwerpen afkomstig was David Roelants (± 1572 - ?)
60, die aanvankelijk te Goes en sinds 1616 te Vlissingen
Frans schoolmeester was, en bevriend met Johan Coutereels, zoals blijkt uit een
der opdrachten van zijn ‘Magazin oft' pac-huys der loffelycker penn-const’ (1616)61, een calligrafisch
werk, waardig om gesteld te worden naast die van
Felix van Sambix en Jan van den Velde.
Onder de vele Antwerpse families, die zich als uitwijkelingen in
Zeeland vestigden, verdienen de De Swaefs met ere genoemd te worden.
Hans de Swaef, de stamvader, kwam
waarschijnlijk pas na de overgave der stad in 1586 naar Middelburg, waar we hem
in 1607 als ouderling bij de Hervormde gemeente vinden. Van zijn aldaar geboren
kinderen werden Johannes en Samuel bekende en verdienstelijke schoolmeesters,
terwijl Daniël (1599 - 1654) predikant werd.
| |
Johannes de Swaef
Johannes de Swaef (1594 - 1653 of
later)
62 werd in zijn
geboortestad, waar hij waarschijnlijk zijn leven lang is blijven wonen,
onderwijzer en gaf er verscheidene zowel oorspronkelijke als vertaalde boeken
uit. Zijn oudstbekende oorspronkelijke werk is een berijming van ‘De Claech-liederen des propheten Jeremiae sang-wyse
ghestelt’ (1618)
63. Drie jaar later volgde zijn voornaamste werk, de ‘Geestelycke queeckerye’ (1621), waarop we
aanstonds uitvoeriger terugkomen. Het daarop volgende jaar was de vreugde over
het ontzet van Bergen-op-Zoom en de inneming van Steenbergen aanleiding voor
deze vaderland- en vrijheidlievende Calvinist tot het schrijven van een
gelegenheidsgedicht: ‘Eben-ezer, dat is Helpen-steen: op-gericht tot
gedachtenisse, van dat ons Iehovah Zebaoth, God de Heere der heyrscharen, tot
hier toe geholpen heeft’ (1622)
64, een der
talrijke bij deze gelegenheid verschenen dichterlijke ontboezemingen, die meer
de patriot dan de dichter tot eer strekken. Onder de schuilnaam
Nehemius Publicola gaf hij tenslotte een
lijvig geschrift uit, getiteld ‘Mardachai, ofte Christelijcken patriot’ (1630)
65, dat tot enig
oogmerk had ‘aen te wijsen hoe elck patriot onses weerden vader-landts
beste soecken moet’, zoals weleer Mordachaï ten tijde van koning
Ahasverus, ‘die voor sijn volck wat goets sochte, ende sprack het beste
voor alle sijn zaet’. Met een zelfs voor de zeventiende eeuw
buitensporige overvloed van Bijbelteksten toont de schrijver aan, waarin het
welzijn van het vaderland gelegen is en hoe de goede patriot dit welzijn moet
betrachten. Liefde tot het vaderland en haat tegen de Spanjaarden zijn de beide
‘affectiën’, die met de ‘resolutiën’:
‘het vaderlant op te offeren goet en bloet’ en ‘des
vader-landts welvaren voor alles te prefereren’ de fundamenten zijn,
waarop goede patriotten het welzijn van hun land moeten grondvesten. Uitvoerig
zet De Swaef uiteen, welke plichten de staatsburger ten opzichte van God en het
vaderland heeft, eerst in het algemeen, en vervolgens afzonderlijk voor de
overheden, de predikanten, de lands-dienaren, de burgers, de soldaten en
tenslotte de verspieders.
| | | | Sterker dan bij de meeste Noordnederlanders treedt bij
deze Zuid-nederlander van afkomst de haat tegen Spanje op de voorgrond, en zijn
afkeer van Papisten, Mennisten en Remonstranten, die hij in één
adem pleegt te noemen, en met wie hij alle geestelijke gemeenschap aan de goede
patriotten verbiedt. Zijn bewuste poging om een Christelijke leidraad te geven
voor de staatsburger, en zijn streven om de theorie van het Christelijk geloof
te verenigen met de praktijk van het leven, is verwant aan het Piëtisme.
Men mag dan ook aannemen, dat De Swaef, die de Teelincks beide persoonlijk moet
hebben gekend, onder invloed van deze stroming heeft gestaan. Piëtist in
de eigenlijke zin van het woord is hij evenwel in dit geschrift zomin als in
zijn ander werk; daartoe mist hij te zeer de typerende kenmerken van deze
richting als de uitnodiging tot vernieuwing van het geestelijke leven en de
strijd tegen de leerheiligheid.
Eerst op latere leeftijd schijnt De Swaef toegetreden te zijn tot de
Middelburgse rederijkerskamer ‘Het Bloemken Jesse’.
Uit de jaren 1649 tot 1653 zijn enkele refereinen van hem bewaard, antwoorden
op de door de kamer uitgeschreven vragen
66. Een dichter is in hem niet verloren gegaan.
In 1621 heeft de toen nog slechts 27-jarige De Swaef het werk
uitgegeven, waardoor zijn naam tot op heden bekend is gebleven: ‘De geestelycke queeckerye van de jonge planten des
Heeren’
67. Oorspronkelijk was deze verhandeling alleen voor eigen gebruik
opgesteld: ‘om nu myn selven’, schrijft hij in de opdracht,
‘ende myn huysvrouwe, welcke de sorge myner kinderkens nevens my op de
handen ligt, te leeren ende te vermanen, so hebbe ick na myne swackheyd
getracht uyt den woorde des Heeren te ondervinden, wat dat tot de Christelycke
opvoedinge der kinderen behoort, ende het heeft den goeden Godt gelieft my uyt
synen woorde te doen sien, sulx als ick daer van volghende gesteld hebbe’68. Niettemin heeft hij gemeend, zijn
aantekeningen in de vorm van een traktaat te moeten uitgeven in de hoop
‘dat het door Godes zegen oock andere soude mogen eenigsins dienstig
syn’
69. ‘Nadien
ik’, vraagt hij, ‘geen goud, silver, ofte syde tot den opbou des
geestelycken tabernakels in desen deele toebrengen en kan; wie kan my met reden
weeren, dat ick myn geytenhayr, of yet sulx, dan offere ende geve?’
70
De Swaef bespreekt in dit traktaat achtereenvolgens ‘dat de
ouders hare kinderen moeten 1. opvoeden in het tydelijcke leven, 2. wel en
godsaligh opvoeden, 3. tot een godsaligh houwelijck voorderen, 4. dat de ouders
haer wel tegen Godt draghen, om eenen zeghen over de opvoedinghe harer
kinderen’. In het eerste hoofdstuk wijst hij o.a. de vrouwen op haar
plicht, haar kinderen zelf te zogen. Het zwaartepunt van zijn verhandeling ligt
echter in het tweede hoofdstuk, en vooral ook hierin komt het Christelijke
karakter van zijn werk sterk naar voren. De hoofdzaak is, zegt hij, dat de
ouders hun kinderen tot een godvruchtig leven opvoeden, en juist hierin ligt
het kenmerkende onderscheid tussen een gelovige en een ongelovige opvoeding. De
kinderdoop legt gelovige ouders een geheel bijzondere plicht op, die zij
levenslang moeten nakomen. Salomo's moeder onderwees haar zoon nog, toen hij al
koning was geworden (Spreuken 31 : 1 - 9).
In meer dan één opzicht blijkt De Swaef een kind van
zijn tijd te zijn, en een zoon van een volk, dat om geloofs- en vrijheidswille
zware offers had gebracht. Hij is heftig anti-Rooms en fulmineert als zodanig
ook tegen allerlei ‘afgodische spelen, als coninck-brieven trecken, den
schoen inde schouwe setten op eenen versierden S. Nicolaes-avond, den grave van
half-vasten etc. en diergelijcke grouwelen, die noch van het afgodische
| | | | Pausdom ons syn overgebleven, ende by sommige voor spel haren
kinderen wijs gemaeckt werden’
71. Overigens echter is
hij zijn tijd ver vooruit, zo waar hij de opvoeding als de taak bij
uitnemendheid, niet van de schoolmeesters, maar van de ouders beschouwt, zo ook
waar hij hen levenslang tot deze plicht verbindt. Fel richt hij zich, in het
hoofdstuk over het schoolgaan der kinderen en de schoolmeesters, tegen de
heersende misstanden op onderwijsgebied. De eerste de beste ‘plompen
loer’ kan vrij schoolmeester worden, als hij maar tien schellingen
betaalt en de eed aflegt dat hij zal doen als een goed schoolmeester betaamt.
‘Het is schandelyck’, vaart hij uit, ‘dat in soo treffelycken
stad ende gemeente, als Middelburgh door Godts genade is, (laet dit andere
plaetsen oock gheseyt syn) sulcken volck den name van schoolmeesters verkrygen,
die onbequaem syn niet alleen tot verstandige saken, maer tot geringhe ende
symelachtighe
72 dinghen,
van kleer-lappen, weven, riet-maken, wolle-kammen, etc. Hoe konnen dese bequaem
syn om de kinderen, de plantsoenen der Republycke ende der gemeynte, te
fatsoeneren ende te leeren?’
73.
In alles wat De Swaef schrijft, treft ons zijn vrome zin en zijn
oordeelkundige kijk op mensen en toestanden, zijn voor een zo jonge man
merkwaardig rijpe levenswijsheid, zijn hoogstaande denkbeelden over de
opvoeding. Een kenmerkend voorbeeld is de raad, die hij aan de ouders geeft,
wanneer ze een beroep willen kiezen voor hun kinderen; laten ze, aldus
waarschuwt hij, er niet zozeer op letten met welke betrekking hun kind het
meest zou kunnen verdienen, maar liever in welk beroep het God het best kan
dienen en staat en gemeente tot voordeel kan zijn. Met nadruk wijst hij in dit
verband ook op aanleg en geschiktheid voor een beroep.
De Swaef is de eerste geweest, die in ons land de taak der zedelijke
opvoeding in haar geheel systematisch uit een bepaalde gezichtshoek heeft
behandeld, en daarbij aan de opvoeders bij uitnemendheid, de ouders, een
leidraad heeft geschonken bij de vervulling van hun moeilijke taak
74.
Behalve deze oorspronkelijke geschriften zijn van De Swaef enkele
vertalingen bekend. Van de Franse Calvinist
Lambert Daneau (1530 - 1596), hoogleraar
te Genève en te Leiden, gaf hij onder de titel ‘Tractaet van den eerlicken staet der Christenen in hare
cleedinghe’ (1617)
75 een vertaling van zijn
‘Traité de l'estat honneste des Chrestiens en leur
accoutrement’ (1580), een pleidooi voor de welvoegelijkheid van
de kleding en een bestrijding van de daarin betoonde onbetamelijkheid en
overdaad. Enkele jaren later vertaalde hij de ‘Help to true happiness’ van de Puritein
Paul Baynes († 1617), de opvolger van William Perkins aan St. Andrew's te
Cambridge, onder de titel ‘Een hulpe tot ware salicheyt’ (1622)
76. De Swaef had dit boekje, dat een
uiteenzetting geeft van de gronden der Christelijke religie, vertaald om
tegemoet te komen aan het gemis van een dergelijk werkje, dat vooral de ouders
bij het onderricht van hun kinderen van pas zou komen.
Willem Teelinck had hem op het origineel
opmerkzaam gemaakt; de vertaling droeg hij op aan Teelincks zusters Johanna en
Agatha, en zijn nichtjes Magdalena, Martha en Maria, de dochters van wijlen
Adriaen Stavenisse (1561 - 1619), baljuw van
Zieriksee, die met Willems zuster
Levina Teelinck was getrouwd geweest.
De Swaef heeft nog van twee andere puriteinse theologen een
verhandeling vertaald: van
Nicholas Byfield (1579 - 1622)
77 en van
John Cotton (1584 - 1652)
78 maar deze
vertalingen kennen we alleen van naam.
| | | | | |
Samuel de Swaef
Ook Johannes' jongere broeder Samuel de Swaef (1597 - 1662)
79, geboren en
gestorven te Middelburg, verdient zijn bescheiden plaats in de geschiedenis van
Zeelands kulturele leven in de eerste helft der zeventiende eeuw, als
schoolmeester, schoonschrijver, cartograaf
80, plaatsnijder
81,
boekdrukker, en vooral als auteur van enkele stichtelijke werkjes. Aanvankelijk
was hij in zijn geboorteplaats werkzaam, later, in elk geval omstreeks 1623,
hield hij in Dirksland een school
82, en in 1627 vinden we hem
te Bergen-op-Zoom, waar hij zich ‘Scholae Gallo-Belgicae
praeceptor’ noemde
83. Al vroeg schijnt hij met Cats in
aanraking te zijn gekomen, voor wiens ‘Sinn'- en minne-beelden’ (1618) hij een lofdicht
schreef
84, dat geen aanpraak maakt op
kunstwaarde. Een jaar later liet hij een ‘Proef-stuck van de schryf-konste’ (1619)
85 verschijnen,
een calligrafisch werk, dat tezamen met een door hem vertaald ‘Tractaet Plutarchi, vande opvoedinghe der
kinderen’
86 het
licht zag. Belangrijker zijn de ‘Octonaria: ofte veerssen van acht reghels’ (1623)
87, een verzameling van 92 achtregelige
verzen
88, meest van stichtelijke inhoud,
waarin naast zuiver godsdienstige aangelegenheden ook vraagstukken van meer
algemeen zedekundige aard te berde worden gebracht, als de plicht der overheid
tot de gemeente en die der gemeente tot de overheid, de verplichtingen die de
man ten opzichte van zijn vrouw, de vrouw ten opzichte van haar man, het
gezinshoofd tegenover de leden der familie, de kinderen tegenover hun ouders,
hun vader en moeder afzonderlijk, de dienstboden ten opzichte van haar heren en
meesters hebben. Een aantal van deze ‘octonaria’ is aan de
opvoeding en het onderwijs gewijd, en behandelt onderwerpen als ‘Hoe een
school-meester behoord' gequalificeert te zijn’, ‘Den plicht der
school-kinderen, tot hare meesters’, of beklaagt de ongeregelde staat van
het schoolmeesters-ambt, niet geheel en al sine ira et studio, zoals uit deze
‘Klaeghte’ blijkt:
Tis seker wel een saeck die weerd is om beclagen
Dat op de kinder tucht soo weynigh wort gepast:
Die gantsch' is onbequaem die wert daer toe gedragen
Soo dat wiens ampt het is by na van honger vast.
Maer ghy o weerde volck, die d' opsight is belast
Betracht hier in u ampt, tot welvaerd van u steden,
De jeught is 't saet daer af de Republijcke wast,
Wilt daerom van u zaet in vruchtbaer lant besteden
89.
Enkele jaren later heeft De Swaef, samen met zijn collega Henri
Lancel, nog een tweede calligrafisch werkje uitgegeven, ‘Gedichten van verscheijde poëten’
90, dat met een sonnet van hem zelf opent. Het is het laatste
werk dat we van hem bezitten. Heeft hij wellicht na zijn dertigste jaar niet
meer geschreven, geheel in beslag genomen door de strijd om het bestaan? Of is
hij jong gestorven? Hoe dit zij, een dichter is in hem niet verloren gegaan.
Het anagram ‘Sedula musa fave’, dat hij op zijn naam had gekozen,
is niet in overeenstemming met wat hij bereikt heeft: de vlijtige muze, althans
die der poëzie, is hem niet genadig geweest.
| |
Abraham van Overbeeke
Eveneens uit Antwerpen afkomstig en er zelfs wellicht
geboren was Abraham van Overbeeke († 1638)
91, die in 1605 lid
werd van het Middelburgse schoolmeestersgilde, maar zich in 1609 te
Domburg vestigde. Hij bleef er twintig jaar werkzaam en kocht er
in 1617 het bekende huis het Schuttershof, klaarblijkelijk om er kostschool te
houden. In 1629 | | | | kwam hij in Middelburg terug, maar het volgende
jaar gaf hij gehoor aan het verzoek van het stadsbestuur van Arnemuiden, om
zich daar voor zes of zeven jaar met zijn leerlingen, ongeveer veertig in
getal, te vestigen, de kinderen uit de stad elk voor een redelijk maandgeld te
onderwijzen en de arme kinderen voor niets. Al in 1631 komt Van Overbeeke onder
de raden van Arnemuiden voor. Na afloop van de afgesproken termijn is hij weer
naar Middelburg teruggekeerd, waar hij ook gestorven is. Tijdens zijn verblijf
te Domburg gaf hij een calligrafisch werk uit, dat we alleen van naam kennen,
de * ‘Beque der schryfkonste’ (1620)
92.
| |
Latijnse scholen
Terwijl in het althans officieel ontroomste Zeeland de kapittel- en
kloosterscholen natuurlijk alle tegelijk met de clerus verdwenen, konden de
parochiescholen de Reformatie overleven, aangezien deze al lang voordien van de
directe invloed der kerk losgemaakt waren en door de stedelijke overheid tot
zich getrokken. Deze stadsscholen, ook grote of Latijnse scholen geheten,
trokken de overgrote meerderheid der leerlingen tot zich, die wat meer moesten
leren dan de allereenvoudigste beginselen van lezen, rekenen en schrijven.
Zelfs stelde de overheid alles in het werk om de oprichting van andere scholen
tegen te gaan of te beperken. Wanneer in 1405 de kanunniken van Middelburg niet
over een voldoende aantal jonge koorzangers kunnen beschikken en daarom aan
hertog
Willem VI verlof vragen om naast de
stadsschool een eigen kapittelschool op te richten, ‘ter voorziening in
hoir ghebreken van choraelkyn’, wordt dit verzoek hun toegestaan, onder
deze voorwaarde dat het aantal leerlingen tot vijf en twintig beperkt zal
blijven
93.
Latijnse scholen vinden we in de zestiende eeuw in
Middelburg, Vlissingen, Arnemuiden,
Zieriksee en Goes. Die van Vere werd pas
in 1601 opgericht, maar al in 1584 stelde de stad er een Latijnse schoolmeester
aan
94.
In Tolen werd pas in 1624 een Latijnse school opgericht, maar ook hier schijnt
al eerder onderwijs in het Latijn te zijn gegeven
95. In 1616 richtte men in Brouwershaven een Latijnse
school op, maar klaarblijkelijk waren daarvoor geen leerlingen genoeg aanwezig,
want drie jaar later vertrok de rector en werd de school opgeheven
96. Ook schijnt te
Sluis omstreeks 1621 een Latijnse school te hebben bestaan, terwijl
omstreeks dezelfde tijd te Hulst een der predikanten belast was met het
onderwijs in de Latijnse taal aan de leerlingen, die daarvoor in aanmerking
kwamen
97. Zo wordt ons ook van ds.
Enoch Stertenheim (
Sterthemius) (± 1576 - 1626)
98, die van 1603 tot 1614 in Aksel stond, bericht dat hij
aldaar tegelijk, tegen een bezoldiging van £ 25 's jaars, schoolmeester
van de Latijnse school was, waarvan we verder echter niets meer horen.
Van de Latijnse school te Vlissingen
99 horen we
niet voor de tachtiger jaren van de zestiende eeuw. Tijdens het rectoraat van
Thomas Schemeringius (1561 - 1642)
100, die van 1592 tot 1636 aan het hoofd van deze school
stond, waren Daniël Heinsius en
Petrus Hondius er leerling. De enige
rector uit het door ons te behandelen tijdvak, die nog een opzettelijke
vermelding verdient, is
Johannes Schildius
101, die in Bremen geboren was en van 1647 tot 1671 het
rectoraat vervulde. Tijdgenoten roemen hem als een geleerde van een algemene en
brede ontwikkeling. Er zijn verscheidene werken van hem bekend, waaronder een
beschrijving van Vlissingen, maar deze helaas alleen van naam. Zijn opvolger
was Johannes Franciscus Gymmenich († 1673)
102, die tevoren lector
(vermoedelijk: privaatdocent) in het Grieks was geweest in
Duisburg, maar al spoedig na zijn komst in Vlissingen,
waarschijnlijk op nog jonge leeftijd, overleed.
| | | | Toen Arnemuiden in 1574 tot de rang van stad was
verheven, vond de overheid het wenselijk ook hier een Latijnse school op te
richten
103. Toch duurde
het nog bijna tien jaar voordat, in 1583, aan de schoolmeester
Raphael de Hond (Canisius) het onderwijs in het Latijn
werd opgedragen. Al anderhalf jaar later, in het voorjaar van 1585, moest De
Hond mededelen dat hij van zijn verdiensten niet kon rondkomen, en dat hij
daarom elders zijn fortuin zou zoeken. Hij werd opgevolgd door Hubrecht van der Venne
104, die wegens ongeschiktheid als
rector van de Latijnse school te Middelburg ontslagen was, waar hij nog geen
jaar in functie was geweest. In Arnemuiden hield hij het langer uit; pas in
1592 vertrok hij in gelijke betrekking naar Goes. Van der Venne mocht in
Arnemuiden, om de andere schoolmeesters geen concurrentie aan te doen, alleen
Latijn en Grieks onderwijzen. Na zijn vertrek zijn er, eerst in 1596, later van
1600 tot 1602, nog andere Latijnse schoolmeesters in Arnemuiden geweest
105, maar klaarblijkelijk was er voor de klassieke talen toch geen
voldoende belangstelling in deze toen al achteruitgaande kleinere plaats. Een
Latijnse school met meer dan één leerkracht schijnt hier nooit te
zijn geweest.
De Latijnse school te Zieriksee
106 wordt al in een privilege van Willem van Henegouwen uit 1304
vermeld
107. De eerste bekende rector is Wilhelmus Sagarus
108,
de jongere tijdgenoot van
Erasmus. Van 1604 tot 1610 was Reinier Telle (1558 of 1559 - ±
1619)
109 rector van deze school, die van Zieriksee, zijn
geboorteplaats, naar Amsterdam vertrok en daar zijn talenten, o.a. als
remonstrants hekeldichter, veelzijdig ontplooide. Zijn opvolgers waren de uit
Vere gekomen Abraham van der Meer (± 1582 - 1632)
110, die tot zijn dood de school bestuurde, en de uit Middelburg
afkomstige Caspar Parduyn , die van 1633 tot 1637
rector was. De Latijnse school van Zieriksee bleef tot 1880 bestaan.
De Latijnse school van Goes
111 schijnt pas in 1592 weer te zijn opgericht; ze bleef tot
1788 in stand
112. Het schijnt dat de zojuist genoemde Caspar
Parduyn er tussen de jaren 1627 en 1633 enige tijd als praeceptor aan verbonden
is geweest. Van 1655 tot 1670 was Petrus Suerendonck (1622 - 1696)
113, die de naam
had van een geleerd man te zijn, eerst conrector, sinds 1659 rector van deze
school. Hij was later in gelijke functie in enkele Hollandse steden, o.a.
Amsterdam werkzaam, en op het laatst van zijn leven nog in Middelburg.
Overigens heeft de Latijnse school van Goes geen docenten van enige
vermaardheid gehad.
Verreweg de belangrijkste onder de Latijnse scholen van Zeeland was
die van Middelburg
114.
Al vóór het midden van de veertiende eeuw in het leven geroepen,
heeft ze voor zover ons bekend is vóór de Reformatie geen
leerkrachten gehad, die op de een of ander wijze in de geschiedenis van ons
geestesleven naam hebben gemaakt. Pas na de overgang van Middelburg aan de
Prins werd de school uit haar nog half middeleeuwse toestand opgeheven en het
onderwijs in overeenstemming gebracht met de eisen van de tijd, als gevolg van
de pogingen om in Middelburg een Illustre school op te richten. Van deze tijd
af vinden we dan ook onder haar praeceptoren en rectoren mannen die zich door
hun wetenschappelijke verdiensten onderscheidden, als Jacobus Gruterus (van 1585 tot 1607
rector), Gillis Burs (Aegidius Bursius)(± 1564 - 1634), Gruterus' opvolger als rector oeconomus tot 1634, Johannes Murdisson (van 1592 tot 1599
praeceptor), Jacobus Miggrodius (van 1595 tot 1598
praeceptor), later predikant, o.a. te Middelburg, Justus Liraeus (van 1598 tot 1613
praeceptor, van 1613 tot 1630 rector), Petrus Montanus (van 1600 tot 1603 (?)
praeceptor), Antonius Walaeus (van 1607 tot 1619
praeceptor), François Meyvaert (van 1614 tot
1620 praeceptor), Karel de Maets
| | | | (van 1620
tot 1621 praeceptor), later professor te Utrecht, Caspar Adriaensz. Parduyn (1594 -
1644) (van 1627 tot 1633 praeceptor, later rector te Zieriksee en te
Dordrecht), Isaac Gruterus (1610 - 1680) (van 1633
tot 1640 praeceptor), een neef van Jacobus, later rector te Nijmegen en te
Rotterdam, Adriaan Hereboord (van 1640 tot 1641
praeceptor), later professor te Leiden, en Johannes Becius (1623 - na 1690) (van
1647 tot 1651 praeceptor). Verscheidenen van hen waren tegelijk aan de Illustre
school van Middelburg verbonden. Noch hun bekwaamheid als paedagoog, noch hun
geleerdheid heeft de Latijnse school echter tot die vermaardheid vermogen te
brengen, die deze onderwijsinrichtingen elders, bv. in Amsterdam,
Leiden en Utrecht bezaten.
| |
Schooldrama's
Ook in Zeeland heeft het schooldrama de Reformatie overleefd. Wel
bezitten we maar enkele aanwijzingen, dat de leerlingen der Latijnse scholen
ook toen het Protestantisme ingang had gevonden, van tijd tot tijd klassieke of
andere spelen opvoerden, maar uit deze gegevens valt gemakkelijk op te maken,
dat het gebruik destijds nog algemeen in zwang was. Zo speelden de leerlingen
van de Latijnse schoolmeester
Hubrecht van der Venne in 1589 bij
gelegenheid van de jaarmarkt te Arnemuiden in het Latijn, en van een van zijn
opvolgers, Anthonie Bieze, vernemen we een dergelijk feit in de stadsrekening
van 1601/02
115. Op dezelfde kermis van 1589
speelden de leerlingen van de Franse schoolmeester
Jacques du Four een Frans stuk, en in 1591
kreeg deze schoolmeester verlof om op de eerste Zondag in Mei, die de
Arnemuidse ommegang heette, door zijn leerlingen in het openbaar op de markt
een spel te laten opvoeren, waarschijnlijk wel weer in het Frans
116. Toen Bieze in Vere
rector van de Latijnse school was geworden, liet hij er eveneens Latijnse
spelen opvoeren; in 1607 kreeg hij er van stadswege een beloning voor
117.
Eigenaardig is, dat de stadsrekeningen van Middelburg na de Reformatie geen
posten meer bevatten, die er op wijzen, dat ook hier nog soortgelijke
opvoeringen plaatsvonden. De vertoning van de Zeeuwse studenten in 1595 kwam al
in ander verband ter sprake
118.
Dat deze schoolspelen in het begin der zeventiende eeuw nog vrij
verbreid zijn geweest, blijkt uit een request van de Zeeuwse synode van 1602,
waarin de Staten verzocht werden, zich ‘oock tegen de spelen in de
Latijnsche ende Franssche scholen naerder te verclaeren, alsoo door sulcke
onnoodighe ende ontstichtelijcke oeffeningen de jonckheijt haeren tijdt
verliest’. Gecommitteerde raden konden ‘alsoo hierop bij placate is
voorsien’ op dit verzoek evenwel niet ingaan
119.
| |
Zeeuwse studenten
Toen in de zestiger jaren der zestiende eeuw de onlusten uitbraken,
werd door edicten de studie aan vreemde hogescholen verboden verklaard, uit
vrees voor ongunstige godsdienstige of politieke invloeden. Aanvankelijk
gebeurde dit door ‘mesures partielles’, later door een algemeen
edict, dat op 4 Maart 1569 voor het eerst uitgevaardigd, verscheidene keren
herhaald werd, zelfs nog in 1755. In aansluiting aan en op het voorbeeld van
een twee jaar tevoren verschenen plakkaat van de Staten van Holland vaardigden
die van Zeeland in 1593 nog eens een afzonderlijke verordening uit tegen
‘die groote inconveniënten desen lande opcommende, ende noch meer
toestaende, deur de toelatinge van de jonge jeucht deser provintie, te gaen
laten studeren tot Leuven, Douay, Dolen ende andere universiteyten oft
plaetssen, geïnfecteert mette Roomsche dwalinge | | | | ende
superstitien’
120. Niettegenstaande zijn, al of niet met toestemming van de
overheid, toch jaar in, jaar uit tal van studenten, en daaronder ook
verscheidene Zeeuwen, ook na de oprichting van de Leidse hogeschool aan de
peregrinatio academica blijven deelnemen. Zoals uit de zojuist genoemde
verordening blijkt, keerden de Staten zich trouwens eigenlijk alleen maar tegen
de Roomse universiteiten, en deze werden sinds het derde kwart van de zestiende
eeuw maar door weinigen bezocht. De grote stroom trok in het vervolg naar de
beide Gereformeerd-Protestantse universiteiten, die van Heidelberg
en Genève. In Heidelberg kwamen, zoals ook
vóór de Reformatie, maar weinig Zeeuwen
121, maar groter was de belangstelling voor de in 1559 opgerichte
universiteit van Beza, waar we tussen 1567 en 1627 21 Zeeuwen aantreffen
122, o.a.
Jacobus Hondius (1599) uit Vlissingen,
Adriaen van Manmaker (1599),
Laurentius Boenaert (1604) uit Zieriksee,
Abraham Mellinus (1605) uit Vlissingen,
Joannes van Essen (1605) uit Vere en
Nathan Vay uit Vlissingen (1608), met
uitzondering van Manmaker uitsluitend theologen. In 1594 besloten de Staten van
Zeeland de graden, toegekend door deze universiteit, als geldig te erkennen
123.
Boenaert (1602) en Mellinus (1603) lieten zich ook aan de
universiteit van Bazel (1460 gesticht) inschrijven (beiden in 1604). In 1598
was
Johannes Boreel in Bazel, waar hij
Jonas van Reigersberch ontmoette. Ook
Walaeus was hier omstreeks 1600.
De Hervorming reorganiseerde het onderwijs aan de andere Duitse
universiteiten in Lutherse geest, o.a. te Wittenberg (1502
gesticht), waar we onder de 290 tussen 1502 en 1560 ingeschreven Nederlanders
maar één Zeeuw vinden
124. De later opgerichte Duitse hogescholen waren
uiteraard eveneens Luthers georiënteerd. Tot deze behoorden o.a. Marburg
(1527 gesticht), waar o.a.
Josias van Vosbergen (1598) en
Jacobus Gruterus (1613), beiden uit
Heidelberg bekend, studeerden
125; verder Herborn (1584
gesticht), waar we o.a.
Jacob Schotte (1606) ontmoeten
126.
Engelse universiteiten schijnen de Nederlanders vóór
de zeventiende eeuw weinig bezocht te hebben. In het eerste kwart van deze eeuw
studeerden verscheidene Zeeuwen te St. Andrews (1411 gesticht) in Schotland
127, o.a.
Jonas van Reigersberch (1597), die
bovendien korte tijd te Cambridge
128 (in de 12de eeuw gesticht) en Oxford
129 (±1170 gesticht) studeerde (1596, '97),
Willem Teelinck (1600),
Cornelis Beukelaer, alumnus van Vere
(1615),
Justinus van Assche (1618) en zijn neef
Justinus Arondeaux, beiden eveneens uit
Vere. Ook
Jacob Cats studeerde in Oxford en
Cambridge.
Italiaanse universiteiten, die in de Middeleeuwen ook door
Nederlanders druk bezocht werden, waren na de Reformatie aanmerkelijk minder in
trek. Toch vinden we de Middelburgse regentenzoon
Jacob Magnus nog in 1587 in Padua en het
jaar daarop in Bologna, dat met Orleans een van de centra der juridische studie
was. Zijn jongere broers Alexander en Constantinus studeerden zelfs nog in 1608
in Padua, nadat ze vooraf de Leidse hogeschool bezocht hadden. De dichter Liens
is er in het begin van de zeventiende eeuw in de medicijnen gepromoveerd.
Hierbij dient te worden opgemerkt, dat de families Magnus en Liens tot die
geslachten behoorden, die aanvankelijk alleen maar voor de schijn met de
Hervorming zijn meegegaan, maar in hun hart het oude geloof nog lang trouw zijn
gebleven.
Men moet bij het bovenstaande wel onderscheid maken tussen de
volledige studie aan buitenlandse universiteiten en het bezoek aan deze, nadat
men in Leiden of elders de studie voltooid had. In het laatste geval bezocht
men, zoals nog steeds, andere universiteiten om er indrukken op | | | |
te doen, en meestal bleef men er dan ook maar kort. De invloed van deze
vluchtige bezoeken zal doorgaans niet groot zijn geweest, tenzij men onder het
gehoor van hoogleraren kwam, wier colleges indruk maakten, zoals die van
William Perkins het op Cats deden.
Meermalen gebeurde het ook, dat men aan een buitenlandse universiteit
promoveerde, nadat men in Leiden of elders de grondslagen van zijn studie had
gelegd; zo promoveerde
Willem Teelinck in Poitiers (1431
gesticht),
Jacob Cats en
Simon van Beaumont in Orleans (omstr. 1200
gesticht). Aan beide hogescholen hebben de gehele zeventiende eeuw door
Nederlanders gestudeerd
130. De zojuist genoemde Cornelis
Beukelaer studeerde van 1616 tot 1618 in Saumur (± 1590 gesticht), waar
Isaac Beeckman in 1612 student was geweest. Deze laatste promoveerde in 1618 te
Caen (1431 gesticht).
Het merendeel der studenten, die in de gelegenheid waren om een
buitenlandse reis te maken, volstonden met een bezoek aan één of
twee hogescholen. Enkele zoons van rijke regenten maakten er echter hele
rondreizen van en bleven soms enkele jaren achter elkaar buitenslands. Zo
bezocht
Jonas van Reigersberch, de zoon van de
Veerse burgemeester
Pieter van Reigersberch, tussen 1595 en
1598 achtereenvolgens Cambridge, St. Andrews, Oxford, Heidelberg, Straatsburg
en Bazel. De Middelburgse regentenzoon
Apollonius Schotte reisde in 1599 naar
Parijs, Orleans, Bourges en Vienne. Zijn studiegenoot
Antonius Walaeus, die hem vergezelde, ging
bovendien nog naar Genève (waar hij tien maanden bleef), vervolgens
langs Lausanne en Bern naar Bazel en tenslotte naar Heidelberg. Voor de meesten
was een zo lange reis uiteraard echter te kostbaar en te tijdrovend.
Van 1575 af ging het overgrote merendeel der Zeeuwen natuurlijk in
Leiden studeren, en voorlopig blijft deze oudste Noordnederlandse
universiteit de wetenschappelijke leerschool der Zeeuwen bij uitstek, ook
wanneer zij in de hogescholen van Franeker (1585 gesticht).
Harderwijk (1600 gesticht), Groningen (1614 gesticht)
en Utrecht (1636 gesticht), de Illustre school van
Deventer (1630 gesticht) en het Athenaeum
van Amsterdam (1632 gesticht) mededingsters krijgt. Alleen Utrecht
heeft al spoedig een groot aantal Zeeuwse studenten aangetrokken, uit alle
delen van het gewest afkomstig.
Hoe onvolledig dit overzicht is van het aandeel der Zeeuwen aan de
bevolking der Westeuropeese universiteiten vóór en gedurende de
eerste eeuw na de Hervorming, men krijgt er in alle geval deze indruk uit, dat
Zeeland er behoorlijk vertegenwoordigd was, en dat Middelburg en
Zieriksee, vóór de Opstand de belangrijkste steden
van het gewest, ook in kultureel opzicht de boventoon voerden. Waarom in de
vijftiende en zestiende eeuw Zieriksee althans aan de universiteiten van Parijs
en Orleans zooveel meer studenten oplevert dan Middelburg, is niet
duidelijk.
| |
De Illustre school te Middelburg
Toen
Willem I in 1575 de oprichting van een
hogeschool in de Noordelijke Nederlanden overwoog, was daarvoor naast Leiden
ook Middelburg in aanmerking gekomen. Dat de keuze tenslotte op Holland is
gevallen zal ook de meest chauvinistische Zeeuw van onze tijd als juist
erkennen, maar het zal geen verwondering wekken dat de Zeeuwen, teleurgesteld
in de kulturele waardering van hun hoofdstad, al spoedig pogingen in het werk
hebben gesteld om een eigen Zeeuwse hogeschool te krijgen. Al op het eind van
de tachtiger jaren rijzen plannen op tot stichting van een Illustre school,
zoals er van 1580 tot 1584 een in Gent was geweest, en | | | | die
hoofdzakelijk de opleiding van de aanstaande predikanten ten doel zou hebben
131. Naast
de onuitgesproken bedoeling om zich ook op kultureel gebied niet al te nauw aan
Holland te binden, zal daarbij zeker ook de bedoeling hebben voorgezeten, te
waken voor de rechtzinnigheid van de toekomstige Zeeuwse theologanten, waarop
men in Zeeland zelf gemakkelijker het toezicht kon houden dan in Leiden. Het is
zeker geen toeval, dat de plannen juist ontstonden tijdens het hoogleraarschap
(1587 - 1593) van
Carolus Gallus (de Haan), wiens rechtzinnigheid op goede
gronden ernstig in twijfel werd getrokken. In 1591 namen de Staten de zaak op
verzoek van de Middelburgse afgevaardigden ter hand, en verzochten de Leidse
hoogleraar
Trelcatius om
Martinus Lydius of
Antonius Tegius als professor in de
theologie naar Zeeland te beroepen
132. De uitslag van deze zending is niet bekend. Uiteraard was
men in Middelburg de mening toegedaan, dat de Illustre school alleen daar
gesticht zou kunnen worden, en uit de stelselmatige verbetering van het
onderwijs aan de Latijnse school
133 blijkt,
hoezeer men de kansen van de hoofdstad zo gunstig mogelijk wilde maken. Andere
Zeeuwse steden, Goes voorop, verzetten zich echter tegen
Middelburg, en van het hele plan kwam voorlopig niets. Intussen ging Middelburg
voort met de modernisering van de Latijnse school, die van 1585 tot 1607 door
de kundige en geleerde Jacobus Gruterus
134 werd bestuurd. Van deze rector weten we, dat hij althans
in 1595 colleges gaf in geschiedenis en wijsbegeerte, die behalve door tal van
studenten ook door kooplieden werden bezocht
135.
In 1607 kwam het plan om in Middelburg een Illustre school, of zelfs
een hogeschool op te richten, opnieuw op het tapijt. Waarschijnlijk ging het
van de Middelburgse magistraat uit, en heeft deze zijdelings getracht om de
Zeeuwse classes voor haar plannen te winnen. In de vergadering van de classis
van Schouwen en Duiveland van 27 November 1607 deelde
Willem Teelinck mee, dat hij van zijn
broeder Eewoud, de ontvanger-generaal, een brief had ontvangen waarin de hoop
werd uitgesproken dat men in Zeeland een hogeschool zou krijgen voor de Zeeuwse
studenten, indien de classes daarvoor tenminste moeite zouden willen doen. De
classis besloot om de predikanten Brandt en Teelinck hierover naar de Staten
van Zeeland en de classis van Walcheren te deputeren
136. De classes van Walcheren en Tolen werden bereid gevonden om haar
medewerking te verlenen, die van Goes betoonde zich in deze aangelegenheid
echter ‘slaperig’. De zaak bleef slepende tot de synode van 1610,
die te Vere werd gehouden, en waar besloten werd ‘om de studenten by de
suyverheyt der leere ende by de vromicheyt der seden te beter te
onderhouden’, aan de Staten de noodzakelijkheid te betogen van een
college in de provincie Zeeland, en haar intussen te verzoeken om er bij de
Staten van Holland op aan te dringen ‘dat binnen Leyden professores
theologiae van gesonder leere mochten worden gestelt’
137. Het laatste doelt waarschijnlijk op de benoeming van
Vorstius, de opvolger van
Arminius, die van Socinianerij verdacht
werd.
De Zeeuwse Staten voelden intussen niet voor het plan, en wilden er
dan ook geen subsidie voor verlenen
138. Niettemin werd in 1611 zo
al niet in naam, dan toch in der daad de lang begeerde theologische school te
Middelburg opgericht ‘ten dienste van de jonckheyt ende vorderinge van de
suyvere leere’, dus als een bolwerk tegen het in Leiden meer en meer
veldwinnende Arminianisme
139. De colleges werden in het
koor van de Nieuwe Kerk (de latere Koorkerk) gehouden. Men had er over gedacht
om de school op Westhoven, de voormalige lusthof der Middelburgse abten, te
vestigen, maar dit plan vond geen voortgang. Franciscus
| | | |
Gomarus (1563 - 1641)
140, al sinds 1594 hoogleraar en predikant te Leiden, waar hij
zich echter met de daar heersende richting niet meer kon verenigen, werd nu in
1611 in gelijke functie te Middelburg beroepen, om er uitlegkunde van de
Heilige Schrift, Hebreeuwse grammatica en de behandeling van speciale
geschillen met Roomsen, Wederdopers en anderen te doceren. Aan Antonius Walaeus (1573 - 1639)
141 werd het onderwijs in de Griekse en de Hebreeuwse taal en in
de catechesis opgedragen, aan François Meyvaert (
Franciscus Mayvardus) (1585 - 1640)
142 dat in de
filosofie. De studenten kregen dezelfde vrijheden als in Leiden
143. Tot bloei kwam de Illustre school echter niet; klaarblijkelijk
was het aantal Zeeuwse theologische studenten niet voldoende voor haar
instandhouding, terwijl de waarschijnlijk gekoesterde verwachting, dat men ook
van elders, terwille van de rechtzinnigheid, naar Middelburg zou komen
studeren, niet vervuld schijnt te zijn. Al in 1613 besloten Wet en Raad dat
enkele commissarissen zouden onderzoeken ‘oft de hooge schoole langer in
dese stadt sunde dienen gecontinueert’, en tegelijk een poging te wagen
om van de Staten ‘eenig collegium theologicum te obtineeren’
144, maar ook ditmaal weer zonder succes. Ook
in andere opzichten ging het de school niet voor de wind. Gomarus vertrok in
1615, teleurgesteld, naar Saumur, wat de Illustre school evenmin goed deed als
het vertrek van Walaeus in 1619. Ds.
Enoch Sterthemius (± 1576 -
1626)
145 nam na het vertrek van de
laatstgenoemde diens lessen in de catechesis op zich, terwijl de overige vakken
aan Justus Liraeus (Joost van Lier) († 1646)
146, leerling en vriend van
Scaliger, en Meyvaert werden opgedragen.
De laatste vertrok echter al in 1620, waarmee de Illustre school voorlopig
opgehouden had te bestaan. Eerst dertig jaar later, in 1650, werd ze definitief
- voor zoover iets op aarde definitief kan zijn - opgericht
147, vooral door toedoen van de oud-secretaris der stad Adriaen
Veth (1608 - 1663)
148 en zijn vrienden
Hendrik Thibaut (1604 - 1667)
149 en
Jacob Lansbergen (1590 - 1657)
150,
beiden burgemeester van Middelburg. Had men echter bij de eerste oprichting
uitsluitend een theologische school bedoeld, ditmaal stond de oprichters de
instelling van een athenaeum voor ogen, waaruit dan wellicht mettertijd een
universiteit zou kunnen ontstaan. De benoeming van de professoren wijst
duidelijk in deze richting. De Waalse predikant Alexander Morus (1616 - 1670)
151 werd tot professor in de theologie aangesteld, Claude Legros de Saint Hilaire
152 tot professor in de wijsbegeerte, Nicolaes Blancardus (Blanckaert) (1624
- 1703)
153 in de geschiedenis en de
staathuishoudkunde, terwijl hij bovendien verlof kreeg om aan huis private
colleges over de mathematica en de politica te geven. De 3de September 1650 had
de plechtige inwijding plaats. Even later volgde de benoeming van Gregorius Cragius
154 voor de jurisprudentie, terwijl in 1651, ‘alsoo
doorgaens d'ingezetenen van deze provincie meest geneghen zijn tot het studium
theologicum’, Willem Apollonius (1603 - 1657)
155 als tweede professor in de theologie werd
aangesteld. Tegelijkertijd werd Claude de Saint Hilaire ontslagen als
ongeschikt ‘wegens syn natuurl. tael (het Frans) en hoochdravende
studiën’, en vervangen door Johannes Wilmerdonck († 1667)
156, rector van de
Latijnse school. Bovendien moest men Cragius ontslaan omdat hij geen studenten
had. De school had zich dus niet boven de rang van een collegium theologicum
kunnen verheffen. Toen Morus in 1652 naar Amsterdam vertrok en Apollonius vijf
jaar later overleed, verliep ze geheel, en een jaar nadien schijnt ze geheel
bezweken te zijn bij gebrek aan leerlingen, al werd ze eerst 28 September 1666
definitief opgeheven
157. Haar verdere geschiedenis - in 1676 immers beproefde men de
school weer op te richten - valt buiten het bestek van deze bladzijden.
|
43Vgl. Dalm. van Heel O.F.M., Archivalia
aangaande Nicolaas de Castro, bisschop van Middelburg (Haarlemsche bijdr., 53
(1936), blz. 392 - 410).
44Vgl. hiervóór blz. 157.
45Van Vloten, Onderzoek, t.a.p., blz. 205,
alwaar ook de naam van meester Valerius. Meester Anthuenis is waarschijnlijk
dezelfde als
Anthony Willemse, ‘voortvluchtich
uyter steede, school gehouden hebbende over de leere van Calvin’, die
wegens deelneming aan een poging om Walcheren in handen der opstandelingen te
brengen, met verbanning en confiscatie werd gestraft. - Vgl. Marcus, Sententien
en indagingen, t.a.p., blz. 99.
46Placaet ende ordonnantie vande
school-ordeninge diemen voortaen sal houden ende observeren binnen den lande
ende graeffelickheyt van Zeelandt. Middelburg, ghedruct by Richardt Schilders,
drucker der Staten van Zeelandt. Met privilegie der voorsz Staten. 1583. -
Herdrukt in: Voegler, Geschiedenis van het Middelburgsch gymnasium, t.a.p., II,
blz. 519 - 523.
48Vgl. A. Dekker, Het ontstaan en de ordonnantie
op de scholen van 1591 te Middelburg (Archief Z. G. d. W, 1941 - 1942, blz. 21
- 34).
49Vgl. A.A. van Schelven, Zuid-Nederlandsche
schoolmeesters en schoolvrouwen in Noord-Nederland (Tijdschr. voor
geschiedenis, 36 (1921), blz. 80 - 83).
50P.A. de Planque, Valcooch's Regel der Duytsche
schoolmeesters. Bijdrage tot de kennis van het schoolwezen in de zestiende eeuw
(Groningen, 1926), blz. 69.
51Zie over hem: Nagtglas, II blz. 1090 - 1092;
B.N.B., XVIII, p. 62 - 66 (Leonard Willems); H. Levelt, Lowys Porquin en z'n
boek (Sinte Geertruydtsbronne, 3 (1926), blz. 82 - 84); Emile van Heurck,
Voyage autour de ma bibliothèque. Livres populaires et livres
d'école flamands in -4° (Anvers, 1927), p. 118 - 123; idem, Les
livres populaires flamands (Anvers, 1931), p. 132 - 134. De Louis Porquin, die
in het begin van de zeventiende eeuw in Brouwershaven woonde en
bevriend was met Cats, is klaarblijkelijk een nakomeling van hem.
52Een lieflick memorie boeck rhetorijckelijc
ghestelt, inhoudende die gheboorten, ghe-slachten, wapenen, devijsen, reysen,
met den trouwedach van Lowys Porquin ende Magdalena zijn wettighe huysvrou,
oock die gheboorten en sterfdaghen van haer beyder kinderen. Noch volcht daer
naer den wtersten wille van den selven Lowys vol schoonder instructie, dwelck
hy zijn lieve kinderen tot een ghedenckenisse heeft achterghelaten. Iob, VIII.
Der vaderen memorye wilt ondersoecken, ende der voor ouderen hare boecken. Den
wtersten wille van Lowys Porquin deur hem ghecomponeert in prose by maniere van
een lieflijck testament, inhoudende veel schoone leeringhen, tot instructie
ende stichtinghe van zijnen kinderen. Oock seer nut, oorboor ende nootsakelijck
allen ouders, om haren kinderen hier mede tonderwijsen, om daer door te comen
(met Gods hulpe) tot een goet eerlijck leven, ende een salich sterven. Ende tot
meerder affectie vanden jonghen leser heeft tselfde by eenen Anthonis Verensis
wter prose in rhetorijcke doen stellen. Het welck Lowys voornoemdt, wt liefden
zyne lieve ende beminde kinderen tot een memoriael in zynder gheheuchnisse
heeft achtergelaten. Gheprint Thantwerpen, inde gulden Roose by Ameet Tavernier
Lettersteker, a° 1563 (192 blzn.; 4to) (U.B., Gent; Museum Plantijn,
Antwerpen) (beschreven in B.B., A. 22). - Herdrukken van ‘Den wtersten
wille’ afzonderlijk (in de latere uitgaven vooral sterk gewijzigd): Gent,
1573. - Gent, 1575. - Antwerpen, 1582. - Delft, 1589. - Amsterdam, 1590 (2
drukken). - Amsterdam, z.j. (± 1590). - Rotterdam, z.j. (± 1590).
- Antwerpen, 1597. - Antwerpen, 1603. - Antwerpen, 1608. - 's-Hertogenbosch,
1623. - Leeuwarden, 1653. - Antwerpen, 1655. - Delft, 1677. - Amsterdam, 1680.
- Utrecht, 1687. - Amsterdam, 1690. - Dordrecht, 1693. - Amsterdam, z.j.
(tussen 1708 en 1717). - Amsterdam, z.j. (1726?).
53Vgl. voor het volgende De Planque, t.a.p.,
blz. 91 - 103.
54Vgl. t.a.p., blz. 103 - 110, en
hiervóór, blz. 90 - 93.
55* Neder-duytsche letter-konst (Middelburg,
1588). - Het boekje is ons alleen bekend uit aanhalingen in
Richard Dafforne, Grammatica ofte
leez-leerlings steunsel (1627), blz. 10, 28, 58, 104, 127, 134. Dafforne
spreekt (blz. 134) van ‘den blinden Berdt’, waar hij ‘niet
gheern mede bemoeyd mocht zyn’. - VgL.c. G. N. de Vooys, Verzamelde
taalkundige opstellen, I (Groningen - Den Haag, 1924), blz. 277.
56Zie over hem: N.N.B.W., I, kol. 319 (F. S.
Knipscheer); Biogr. wdb. v. Protest. godgel., I, blz. 434 - 436. -
Petrus Bertius was een uit Vlaanderen
geweken predikant, die in 1584 met zijn zoon en naamgenoot
Petrus Bertius (1565 - 1629); zie over
hem: N.N.B.W., I, kol. 320 (F. S. Knipscheer) te Goes een Latijnse school
opende. De zoon, die ook de schrijver van dit leesboekje kan zijn, werd in 1589
rector te Leiden; de vader keerde weer tot het predikambt terug en werd
predikant te Wolfaartsdijk (1591 - 1594) en Heinkenszand (1594 - 1599), waar
hij stierf. We kennen van hem nog (althans bij name) een * ‘Elegia in
sermones catecheticos Philippi Lansbergii’ (1594).
59Vgl. hiervóór, blz. 189 -
190.
60Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 531 - 532;
N.N.B.W., IX, kol. 870 (A.J. Versprille). - Hij was te Goes getrouwd met
Cornelia Nieuwland. Zijn portret,
gegraveerd door F. Schelemans (a° 1616, aet. 44), staat op het titelblad
van zijn boek.
61t'Magazin oft' pac-huys der loffelycker
penn-const; vol subtyle ende lustighe trecken, percken, beelden, ende figuren
van menschen, van beesten, voghelen, ende vis-schen, ende noch meer dan hondert
onderscheyden gheschriften, verciert met divaersche capitalen oraculen, ende
gulden sententien: alles tot profyt, oeffeninghe ende spore, der const-lievende
gheesten. Ghepractizeert door David Roelants. van Antwerpen, Fransoijschen
school-mr. binnen Vlissinghen. Anno 1616 (obl.) (Prov. Bibl. van Zeeland,
Middelburg). - Het boek is opgedragen aan baljuw, burgemeesters, schepenen en
raad van Vlissingen, de proeven van Roelants' kunst o.a. aan Vlissingse
magistraatspersonen, de predikanten
Joos van Laren en
Jean Doncker en de Middelburgse koopman
Pieter Courten.
62Zie over hem: De la Rue, blz. 165 - 166;
Nagtglas, II, blz. 728; N.N.B.W., II, kol. 1399 (C. de Waard). - Hij is drie
keer getrouwd en wel, 1° 30 April 1616 met Geer-truidt Cornelis, 2° 30
November 1619 met Anna Jans (de Hondt), 3° 29 December 1640 met
Anna Hildernis.
63* De Claech-liederen des propheten Jeremiae,
sang-wyse ghestelt, enz. Middelburg, by H. vander Hellen, 1618 (8vo). - Ik
ontleen deze titel aan De la Rue, blz. 166, maar kreeg het boek niet onder
ogen.
64Eben-ezer, dat is Helpen-steen: op-gericht tot
gedachtenisse, van dat ons Iehovah Zebaoth, God de Heere der heyrscharen, tot
hier toe geholpen heeft, dat Bergen op Zoom ontset, ende Steenbergen weder
gewonnen is, weynich daghen na den bid-dach, ghehouden den 21. September anno
1622. Tot Middelburgh, ghedruckt by Hans vander Hellen, voor
Geeraert van de Vivere, boeck-vercooper,
woonende by de Nieuwe Beurse, in de Nieuwe Druckerye, anno 1622 (20 blzn.; 8vo)
(Pamflet Knuttel no. 3342). - De naam van de schrijver, die niet op het
titelblad vermeld wordt, blijkt uit de ondertekening van de opdracht aan de
‘Gecommitteerde Raets-Heeren van Zeelandt’.
65Mardachai, ofte Christelijcken patriot; allen
vryen Vereenighden Neder-landers aenwijsende, hoe sy des weerden vader-lants
beste, volghens Godts woort, recht moeten soecken. Esther 10. 3. Mardachai de
Jode was de tweede naest den koningh Ahasueros, ende groot onder den Joden,
ende aengenaem onder de veelheyt sijner broederen: die voor sijn volck wat
goets sochte, ende sprack het beste voor alle sijn zaet. Door Nehemiam
Publicolam. Tot Middelburgh, gedruckt voor
Jacob vande Vivere, boeck-verkooper,
wonende by de nieuwe Beurse, inde nieuwe Druckerije: 1630 (VIII, 220 blzn.;
4to) (Prov. Bibl. van Zeeland, Middelburg). - Twee jaar later verscheen van
hetzelfde geschrift een nieuwe titeluitgave (Bibl. Ned. Ak. v. Wetenschappen,
Amsterdam). Terwijl de eerste uitgave is opgedragen aan de ouderlingen der
Middelburgse kerkgemeente, is deze opgedragen aan
Frederik Hendrik. In de tweede opdracht,
‘aen het weerde ende lieve vader-landt’, zijn enkele kleine
veranderingen aangebracht. Alleen dit voorwerk is nieuw.
66Nl. in het op blz. 84 genoemde hs. van
Samuel Bollaert, blz. 9 - 11, 51 - 52 en
114 - 116. Een lofdicht van Bollaert op hem is afgeschreven op blz. 21 -
23.
67* De geestelycke queeckerye van de jonge planten
des Heeren, opdatse mochten werden boomen der gerechtigheydt, ten pryse des
Alderhoogsten, cieraed van syne voorhoven en der planten behoudinge; ofte
tractaet van de Christelyke opvoedinge der kinderen, uyt den woorde Godes
nedergestelt. Amsterdam, 1621 (8vo). - Ik ontleen deze titel aan De la Rue,
blz. 166, maar zag het werkje niet. - Herdruk: De geestelycke queeckerye van de
jonge planten des Heeren, opdatse mochten werden boomen der gerechtigheydt, ten
pryse des Alderhooghsten, cieraad van syne voorhoven, ende der planten
behoudinge: ofte tractaet van de Christelycke opvoedinghe der kinderen, uyt den
woorde Godes ter nedergestelt door
Joannes de Swaef, schoolmeester te
Middelburgh in Zeeland; de tweede druk, vermeerderd met eene voorreden ter
aanpryzing van eene godvruchtige opvoedinge der kinderen, en bygevoegde
aantekeningen door Jacobus Willemsen, predikant te Middelburg. Te Middelburg,
by M. en A. Callenfels, 1740 (CLX, 360 blzn.; 8vo). - In de voorrede verklaart
de uitgever, dat hij taal en spelling van de eerste uitgave geheel onveranderd
heeft gelaten. - Alle aanhalingen zijn uiteraard uit deze herdruk. Over
‘De geestelycke queeckerye’ raadplege men: H. Eerdbeek, De
geestelijcke queeckerije door Joannes de Swaef (Paedagogische bijdragen, 24
(1897), blz. 1 - 45; H. Pomes, Over Van Alphen's Kindergedichtjes (Rotterdam,
1908), blz. 30 - 34; P.A. de Planque, t.a.p., inleiding, passim; S. Visser,
Joannes de Swaef en zijn tijd (Paedagogisch tijdschr. voor het Christelijk
onderwijs, 26 (1933 - 1934), blz. 299 - 314, 321 - 336, 27 (1934 - 1935), blz.
8 - 22).
68De geestelycke queeckerye 2, t.a.p.,
blz. A 2 v° - A 3 r°.
70T.a.p., blz. A 3 r° - v°.
72Sic. Lees: fymelachtighe (?).
73T.a.p., blz. 264 - 265.
74Eerdbeek, t.a.p., blz. 38 - 39.
75Tractaet van den eerlicken staet der Christenen
in hare cleedinghe. In het Fransoys beschreven, door den hooch-geleerden, ende
godtsaligen Lambertum Danaeum. Ende nu vertaelt, ende met sommarische
aenteeckeninghen vergroot, door
I. de Swaef. Den inhoudt deses boecks, sal
den leser vinden achter de dedicatie. Tot Middelburgh, by
Adriaen van de Vivere, boeck-vercooper in
de nieuwe Druckerije. Ao. M.DC.XVII (XVI, 324 blzn.; 8vo) (U.B., Gent). - De
Swaef droeg het werkje op aan gecommitteerde raden van Zeeland en baljuw,
burgemeesters, schepenen en raad van Middelburg.
76Een hulpe tot ware salicheyt; ofte een korte,
ende leersame verklaringe, van de gemeensame, ende fondamentale poincten der
Christelicke religie. In het Engels beschreven door den hoogh-geleerden ende
godsaligen mr. Paulum Baynium; ende nu tot dienste ende nutte der Nederlantsche
kercken Christi verduytscht door I. de Swaef, schoolmeester tot Middelburg in
Zeelant. l Petr. 2. 2. Als nieuw-gheboren kinderkens begeert de onver-valschte
melck des woorts, op dat ghy daer door moocht op-groeyen. t'Amstelredam, voor
Marten Iansz: Brandt, boeck-vercooper, woonende in de Grave-straet, by de
Nieuwe Kerck, in de Gereformeerde Catechismus. 1622 (XVI, 238 blzn.; 8vo)
(U.B., Leiden). - Vooraf gaat een lofdicht van
J. Rogiers: Ghedicht op de hulp tot ware
salicheyt (blz. * 8 v°).
77* N. Biefields gulde regelen van een heyligh
leven enz. Middelburg, 1624. - Herdruk: Amsterdam, 1656. - Aldus bij De la Rue,
blz. 165. Ik zag geen van beide drukken. - De titel van het origineel luidt:
The promises; or a treatise showing how a godley Christian may support his
heart (1618).
78* Salomons prophetie, dat is Lied der liederen
verklaart, door mr. J. Cotton, prediker des Goddelyken Woords binnen Londen.
Middelburg, by A. de Latre. 1633 (8vo). - Aldus bij De la Rue, t.a.p. Ook dit
werkje kreeg ik niet onder ogen. In de opdracht aan Cats deelt De Swaef mee,
dat Eewoud en Willem Teelinck hem tot deze vertaling hebben aangespoord (De la
Rue, blz. 166). - Het origineel verscheen in 1620 in een verzameling van zes
traktaten: ‘The marrow of the oracles of God’.
79Zie over hem:
De la Rue, blz. 166 - 169; Nagtglas, II,
blz. 729 - 730; N.N.B.W., II, kol. 1400 (C. de Waard). - Samuel de Swaef
trouwde al in 1616 met
Anna Heynincx.
80Voor de ‘Beque der schryfkonste’
(1620) van
Abraham van Overbeeke sneed hij de
proeven.
81‘Heeren rentmeesters, betaelt Samuel de
Swaeff, over dat hy de heeren van de magistraet vereert heeft met de carten van
Santvliet ende de gelegentheden van dien, de somme van ses
carolus. Actum 27 Septembris 1627’. - Uit het gemeente-archief van
Bergen-op-Zoom meegedeeld door Alexandre Pinchart in Messager des sciences
historiques, des arts et de la bibliographie de Belgique, 1856, p. 185.
82Blijkens de ondertekening van de opdracht der
‘Octonaria’.
83Gedichten van verscheijde poëten (z. pl.
en j.), blad XXIII, in een lofdicht aan de arts, burgemeester en scholarch van
Bergen-op-Zoom, Paschasius Turcq.
84Clinck-dicht op de drie-sinnighe sinne-beelden
van den hoogh-gheleerden ende achtbaren heere D. Iacob Cats. - Cats, Sinn'- en
minne-beelden, t.a.p., blz. ****** 2 v°.
85Proef-stuck van de schryf-konste: tot nutticheyt
ende voordeel vande jonghe jeught gheschreven, ghesneden ende ghedruct, door
Samuel de Swaef, van Middelburg. Z. pl. en j. [Middelburg, 1619] (38 blzn.;
obl.) (Nat. Bibl., 's-Gravenhage).
E. d'Outreleau, J. en D. de Swaef
(broeders van Samuel),
Henri Lancel,
P. van Meldert.
A. v.d. Venne en S.E.P.L.M. plaatsten
lofdichten voor dit werk; Cats schreef een vierregelig versje voor het
titelblad. De Swaef droeg het op aan ‘de Staten 's Landts ende
Graeflijckheydts van Zeelandt: midtsgaders Hare Ed. Mog. Ghecommitteerde
Raedts-heeren’, en (in een letterlijk gelijkluidende opdracht) aan
baljuw, burgemeesters, schepenen en raden van Middelburg.
86Tractaet Plutarchi, vande op-voedinghe der
kinderen. Nu eerst uyt het Françoische int Nederduytsche vertaelt.
Middelburgh, ghedruct by
Hans vander Hellen, voor Samuel de Swaef
woonende inde Gortstrate, anno 1619 (16 blzn.; obl.) (Nat. Bibl.,
's-Gravenhage). Deze vertaling is opgedragen aan
Simon Schotte, secretaris van Middelburg,
en ds. Herman Faukeel, als ‘opsienders der scholen’.
87Octonaria: ofte, veerssen van acht reghels,
vervatende verscheyden Christelijcke meditatien, ende leeringhen der zeden. Hoe
hem een yder, in zijne beroepinge ende schuldighen plicht, teghens God, ende
zijnen naesten heeft te draghen, achtervolgens de regulen des H. Geests, ons in
de H. Schrifture voorgeschreven, ende de exempelen, der ouder, godvruchtige,
ende vermaerde mannen. Sijn aen den kant verciert met sommige sententien, tot
bevestinghe der selver, soo der Goddelijcken Schrift, eeniger out-vaderen, als
der heydensche philosophen, ende schrijvers onses tijts. Proeft alle dinck, en
behoud het goede. 1 Thess. 5. 21. Tot Dordrecht, by Nicolaes Vincentz.
boeck-drucker, woonende inde Nieuwe Druckery. Anno 1623 (40 blzn.; 4to)
(Stadsbibliotheek, Haarlem). - Het werkje is opgedragen aan jonkheer
Carel van Mathenesse, ruwaard en baljuw
van Putten, en de magistraten van Geervliet en alle plaatsen onder de
jurisdictie van dit dorp. Vooraf gaat nog een Frans sonnet ‘A tout mrs.
d'escole, mes confrerez’.
88Gedicht in het rijmschema van de
rederijkersballaden (a b a b b c b c).
89T.a.p., blz. E r° - v°.
90Gedichten van verscheijde poëten,
beschreven door eenige liefhebbers der pennen. By een vergadert, gesneden en
uitgegeven, door S. de Swaef, ende H. Lancel. Gedruckt by
Henric Meurs (z. pl. en j.; ± 1627)
(28 aan één zijde bedrukte bladen, obl.) (U.B., Leiden). -
Vóórin dit werkje het portret van Samuel de Swaef, aetate 30,
anno 1627, getekend door
J. Beckx en gegraveerd door
I. Sarragon, met Latijnse bijschriften van
R(ijcke), L(ambertus de), F(ilius) W(ilhelmi) en
Justus Turceus. De geheel met
schrijfletters bedrukte en met pentekeningen versierde bladen bevatten verzen
van Cats, J. de Swaef, A. Hoffer, H. Lancel, J. Schotte,
A. Mahieu, S. de Swaef en J. Coutereels.
De schrijfproeven van het werkje zijn van de calligrafen
F. van Sambix,
Jan Overbeke,
Telioor Schrip,
H. Cole, H. Lancel, P. Roelands en J.
Coutreels.
91Zie over hem: N.N.B.W., VII. kol. 936 (C. de
Waard); Nagtglas, II, blz. 326 - 327. - Hij was getrouwd met
Rachel Telioor.
92* Beque der schryfkonste, inhoudende de
noodwendighste geschriften voor de joncheid ende alle liefhebbers der pennen,
geinventeert door Abraham van Overbeque schoolmeester der stad Domburch. 1620
(fol. obl.). - Aldus de titel bij
De la Rue, blz. 167 - 168; ik zag het
boek niet. - De titel houdt een woordspeling in met de naam van de schrijver.
De proeven zijn gesneden door
Samuel de Swaef. Ook komt een
gecalligrafeerd gedicht van Van Overbeeke voor in de zojuist genoemde
‘Gedichten van verscheijde poëten’.
93Schoengen, t.a.p., blz. 250.
94Nog in 1720 werd er een rector aangesteld. Van
1607 - 1610 was
Abraham van der Meer er rector, die
vandaar naar Zieriksee vertrok, als opvolger van
Reinier Telle. - Zie over deze school:
Vrolikhert, t.a.p., blz. 360 - 362; Ermerins, Eenige Zeeuwsche oudheden, VI,
blz. 178 - 180. - In de zeventiende eeuw was ze in het voormalige woonhuis van
Balthasar de Moucheron gevestigd.
95De school bestond nog in 1690. De eerste
rector was de predikant
Jacob Burs (1589 - 1650), ons bekend uit
de Sabbats- en de Grallenstrijd (vgl. hiervóór, blz. 188,
191).
96Vgl. H. M. C. van Oosterzee, Latijnsche school
te Brouwershaven (Nehalennia, 1 (1849), blz. 112).
97Vgl. Vrolikhert, t.a.p., blz. 336, noot
b.
98Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 704 -
705.
99Vgl. t.a.p., blz. 337-352.
100Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 586 - 587. -
Van hem is een Latijns bijschrift bekend bij een gravure van
Adriaen van de Venne, waarop de aankomst
van Fredenk van de Palts te Vlissingen (1613) is afgebeeld. Zie: Zel. Ill., I,
blz. 526 - 527.
101Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 587 -
589.
102Zie over hem: Vrolikhert, t.a.p., blz. 342 -
344, 402; N.N.B.W., III, kol. 514 (C. de Waard).
103Vgl. Kesteloo, Geschiedenis en
plaatsbeschrijving van Arnemuiden, t.a.p., blz. 306 - 308.
104Er is aanleiding om verwantschap tussen deze
schoolmeester en de schilder-dichter Adriaen van de Venne te veronderstellen,
aangezien deze een zoon Hubrecht had.
105Bij een van deze,
Antonius Bieze (Biesius), werd in 1601
Isaac Beeckman in de kost
gedaan.
106Vgl. Vrolikhert, t.a.p., blz. 352 - 354; Te
Water, t.a.p., blz. 230 - 235; P.D. de Vos, De Latijnsche school te Zierikzee
en hare rectoren van de eerste helft der XVIe eeuw tot 1880 (Maandblad van het
genealogisch-heraldisch genootschap ‘De Nederlandsche Leeuw’, 15
(1897), kol. 129 - 133; 16 (1898), kol. 28 - 32, 119 - 123; 17 (1899), kol. 11
- 15).
107Van Mieris, Charterboek, t.a.p., II, fol.
38.
108Vgl. hiervóór, blz. 38.
109Vgl. over hem: De la Rue, blz. 341 - 343;
Nagtglas, II, blz. 751 - 754; W.P.C. Knuttel, Reinier Telle, een libertijnsch
hekeldichter (De Gids, 1886, IV. blz. 1 - 45); C. G. N. de Vooys, Amsterdamse
spotliedjes uit het begin van de zeventiende eeuw (Tijdschr. v. Ned. volksk.,
27 (1922), blz. 142 - 151). - Reinier Telle (Regnerus Vitellius) was te
Zieriksee geboren uit een aldaar van ouds bekend geslacht. Hij bezocht
verscheidene hogescholen in Duitsland, Frankrijk en Italië. Bij zijn
terugkomst werd hij in zijn geboorteplaats rector van de Latijnse school. In
1610 trok hij naar Amsterdam, waarschijnlijk ambteloos. Hij vertaalde enkele
vooral geografische en theologische boeken en schreef sinds 1613 een aantal
hekeldichten, waarin hij de zaak der Remonstranten voorstond. Zie de titels in
de pamflettencatalogus van Knuttel en de Beschrijvende catalogus der
pamfletten-verzameling van de boekerij der Remonstrantsche kerk te Amsterdam,
stuk I, afd. I, blz. 274 - 275, van H.C. Rogge. Aangezien zijn letterkundig
werk zogoed als uitsluitend in zijn Amsterdamse periode valt, is Telle niet
opzettelijk behandeld.
110Zie over hem: N.N.B.W., II, kol. 890 - 891
(C. de Waard). - Een Latijns gedicht van zijn hand is afgedrukt voorin: Bergen
op den Zoom, beleghert op den 18 Julij 1622 ende ontleghert den 3 Octobris des
selven jaers; volgens de beschrijvinge gedaen by de drie predikanten van de
gemeynte Christi aldaer (Lambertus de Rijcke,
Nathan Vay en
Job du Rieu) (Middelburch,
1623).
111Vgl. Vrolikhert, t.a.p., blz. 354 - 358; Te
Water, t.a.p., blz. 287 - 289; R. C. H. Römer, De Latijnsche school te
Goes (Nehalennia, 1 (1849), blz. 75 - 111); Piccardt, Bijzonderheden, t.a.p.,
blz. 173 - 176.
112Bovendien bestond er van 1835 tot 1849 een
Latijnse school te Goes.
113Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 724;
N.N.B.W., III, kol. 1209 (C. de Waard). -
J. van Vollenhove dichtte een bijschrift
voor zijn door
D. van der Plaats geschilderde en door
J. van Munnikhuizen gegraveerde portret,
waarin hij zijn geleerdheid prijst. - Suerendonck was in 1666 getrouwd met
Magdalena Trouwers, weduwe van de
predikant van Heinkenszand
Jacob van Rentergem.
114Vgl. Voegler, Geschiedenis van het
Middelburgsch gymnasium, t.a.p., I, blz. 103 - 250; II, blz. 347 - 553.
115Kesteloo, Geschiedenis en plaatsbeschrijving
van Arnemuiden, t.a.p., blz. 307 - 308.
117Journal, tenu par Isaac Beeckman,
publié par C. de Waard, I (La Haye, 1939), p. V, n. 6.
118Vgl. hiervóór, blz.
73.
119Reitsma en Van Veen, t.a.p., V, blz.
87.
120Notulen van de Staten van Zeeland, 1593, blz.
10, 132.
121Van de 364 uit het tijdvak 1576 tot 1662 te
Heidelberg ingeschreven Nederlanders zijn er maar 9 uit Zeeland, o.a.
Reinier Gruterus (1588) en zijn jongere
broer Johannes (1592), zoons van de Zierikseese predikant Thomas Gruterus,
Joannes Reichersberchius (1598),
Josias Fosbergius (1598), beiden uit
Vere, en
Jacobus Gruterus uit Middelburg (1609).
In 1586 studeerde
Abraham van der Myl er, in 1601 Walaeus.
- Vgl. de hiervóór, blz. 67, noot 193, aangehaalde
bronnen.
122Vgl. de op blz. 66, noot 193 genoemde
bronnen; verder H. de Vries (de Heeke-lingen), Genève
pépinière du calvinisme hollandais, I - II (Fribourg - La Haye,
1918 - 1924).
124Vgl. J.C. Schultz Jacobi, Naamlijst van
Nederlanders, die van 1502 tot 1560 aan de hoogeschool te Wittenberg zijn
ingeschreven (Oud en nieuw uit de geschiedenis der Nederlandsch-Luthersche
kerk, 1862, blz. 20 - 77).
125Julius Caesar, Catalogus studiosorum scholae
Marpurgensis (Marpurgi, 1875 - 1887). 4 vol.
126Vgl. J.G. Frederiks, Nederlanders studenten
te Herborn (Bijdr. en meded. van de Maatsch. der Ned. letterk., 1886, blz. 156
- 183).
127Vgl. Archief v. kerkel. gesch., 6 (1835),
blz. 274; 8 (1837), blz. 418. - De matrikels van St. Andrews zijn niet
uitgegeven.
128The book of matriculations and degrees: a
catalogue of those who have been matriculated or admitted to any degree in the
University of Cambridge from 1544 to 1659, compiled by John Venn and J.A. Venn
(Cambridge, 1913).
129Vgl. Register of the University of Oxford, I
(1449 - 1463; 1507 - 1571), edited by C.W. Boase (Oxford, 1885); Alumni
Oxonienses: The members of the University of Oxford 1500 - 1714 ...
alphabetically arranged, revised and annoted by Joseph Foster. I - IV (Oxford,
1891 - 1892).
130Vgl. Van Kuyk, Lijst van Nederlanders,
studenten te Orléans (1441 - 1602), t.a.p. - In Orleans studeerden o.a.
Eewoud Teelinck (1593),
Jacob Campe uit Vere (1596) en
Maarten Magnus uit het zojuist genoemde
Middelburgse regeringsgeslacht (1599).
131Vgl. voor het volgende: H.H. Kuyper, De
opleiding tot den dienst des Woords bij de Gereformeerden. I. Inleiding. -
Geschiedenis ('s-Gravenhage, 1891), blz. 580 - 590; Voegler, Geschiedenis van
het Middelburgsch gymnasium, t.a.p., II, blz. 358 - 403 passim.
132Notulen van de Staten van Zeeland, 1591, blz.
144 - 145.
133O.a. komt deze tot uiting in de benoeming van
de geleerde Schot Johannes Mur-disson (± 1568 - 1605), die in 1592
praeceptor werd, en van 1603 tot zijn dood, in 1605, hoogleraar in de logica te
Leiden was. Walaeus kreeg al in 1589 te Middelburg zijn eerste lessen in de
logica van hem. - Zie over hem: J.P.N. Land, Schotsche wijsgeeren aan
Nederlandsche hoogescholen (Versl. en Meded. d. Kon. Ak. v. Wet., afd.
Letterk., 2de r., 7 (1878), blz. 168 - 184; ald., blz. 172).
134Zie over hem: De la Rue, blz. 541 (die van
hem zegt, dat hij ‘toen ter tyd in de Grieksche en Latynsche taalkunde
niemand der Nederlanderen behoefde te wyken’); Nagtglas, I, blz. 301;
N.N.B.W., kol. 506 - 508 (C. de Waard). - Walaeus maakte een lijkdicht op hem:
In mortem Jacobi Gruteri. - Antonius Walaeus, Opera omnia, II (Lugd. Bat.,
1648), p. 506.
135Voegler, t.a.p., II, blz. 360.
136Vgl. de Handelingen der classis van Schouwen
en Duiveland, d.d. 27 November 1607. - Voor het volgende vgl. dezelfde
handelingen d.d. 8 December 1607, 15 en 22 Maart en 28 Juni 1608 en 27 October
1610.
137Reitsma en Van Veen, t.a.p., V, blz.
103.
138Er is zelfs beweerd dat
Hugo de Groot de regering van Goes zou
hebben aangespoord om de vestiging tegen te werken; zie: J. Borsius in Ned.
arch. v. kerkel. gesch., 8 (1848), blz. 26.
139Vgl. de Registers ten Rade d.d. 11 Maart, 30
Juli en 20 September 1611 en 20 Januari 1612.
140Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 277 - 278;
N.N.B.W., VII, kol. 483 - 486 (F.S. Knipscheer); G.P. van Itterzon, Franciscus
Gomarus ('s-Gravenhage, 1929) (over zijn verblijf te Middelburg: blz. 200 -
208). De bibliografie van zijn geschriften in: Louis D. Petit, Bibliographische
lijst der werken van de Leidsche hoogleeraren. Faculteit der godgeleerdheid,
aflev. 1 (Leiden, 1894), blz. 70 - 76. - Gomarus woonde eerst in de Korte
Noordstraat (ter plaatse waar van 1621 tot 1808 het Oude-Mannen- en
-Vrouwenhuis, later de kazerne gevestigd was) en vervolgens op de Groenmarkt.
Na zijn verblijf te Saumur (1615 - 1618) werd hij hoogleraar te
Groningen.
141Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 917 - 919;
N.N.B.W., II, kol. 1513 - 1517 (L.W.A.M. Lasonder); J.D. de Lind van
Wijngaarden, Antonius Walaeus (Leiden, 1891). - Antoine de Waele, uit Gent
geboortig, was na de overgang van deze stad met zijn ouders naar Middelburg
verhuisd. Pas in 1596 kon hij, daartoe door een beurs van de Staten van Zeeland
in staat gesteld, als student naar Leiden vertrekken om er theologie te gaan
studeren. Na de voltooiing van deze studie maakte hij met zijn stad- en
studiegenoot Apollonius Schotte een reis door Frankrijk, en vervolgens alleen
door Zwitserland en Duitsland. Na zijn terugkomst werd hij in 1602 predikant te
Koudekerke op Walcheren, en al in 1604 te Middelburg beroepen. In 1619 werd hij
hoogleraar in de theologie te Leiden. Maurits deed moeite om hem als
hofprediker te krijgen, maar zonder succes; echter stond de Middelburgse
kerkeraad hem in 1617 voor enkele maanden aan de Prins af (vgl. E.J.W.
Posthumus Meyes, Twee brieven over Antonius Walaeus (Ned. arch. v. kerkgesch.,
N.S., 1 (1902), blz. 414 - 422). In 1619 ontbood Maurits hem naar Den Haag om
hem over de kerkelijke geschillen te raadplegen. Het volgende jaar vaardigden
de Staten van Zeeland hem af naar de Dordtse synode; het jaar daarop stond hij
Oldenbarnevelt in zijn laatste
ogenblikken bij. De ‘Opera omnia’ (Lugd. Bat., 1647 - 1648, 2 dln.)
van Walaeus, die met een opdracht aan zijn vriend Cats het licht zagen,
getuigen van zijn kunde. - Vgl. verder over hem hiervóór, blz.
187 en 190.
142Zie over hem: Paulus Freher, Theatrum virorum
eruditione clarorum (Noribergae, 1688), p. 1534 - 1535; W.J.A. Jonckbloet,
Gedenkboek der hoogeschool te Groningen (Groningen, 1864), Bijlagen, blz. 15 -
16. - Meyvaert was te Gent geboren en kwam in 1607 te Franeker. Van 1614 tot
1620 was hij praeceptor aan de Latijnse school te Middelburg; in 1620 vertrok
hij als professor in de logica en physica naar Groningen.
143Vgl. Register ten Rade, 16 April
1611.
144Vgl. t.a.p., 20 Juli 1613, aangehaald bij
Voegler, t.a.p., II, blz. 376.
145Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 704 - 705.
Hij was in Engeland uit een Vlaams geslacht geboren, studeerde te Leiden op
kosten van de stad Middelburg en werd vervolgens predikant en schoolmeester van
de Latijnse school te Aksel, vanwaar hij in 1614 naar Zieriksee en vandaar in
1617 naar Middelburg vertrok. Hier maakte hij zoveel opgang, dat de kerken de
menigte toehoorders niet konden bevatten, en de kerkeraad zich in 1620 tot de
overheid moest wenden om hierin te voorzien.
146Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 80 - 81:
Voegler, t.a.p., II, blz. 374 - 387. - Hij was van 1613 tot 1630 rector van de
Latijnse school te Middelburg, en vervolgens in gelijke functie te Utrecht,
waar hij na zijn ongevraagd ontslag lector (d.i. privaatdocent) in de fraaie
letteren werd.
147Vgl. over de geschiedenis van de tweede
Illustre school de Secrete notulen van 10 en 18 April 1648, het Register ten
Rade van 26 Februari, 7 Mei, 20 Augustus, 3 en 9 September 1650, 8 en 17 Juli,
16, 26 en 31 Augustus, 10 en 16 September, 30 October, 6 November, 16 en 30
December 1651, 5 Februari, 22 Juni 1652, 5 Februari 1661, 28 September 1666,
Secrete notulen van 6 Augustus 1667. (N.B.: al deze bronnen zijn in 1940
verbrand).
148Zie over hem: De la Rue, blz. 495 - 499, 575;
Nagtglas, II, blz. 851 - 853. - Deze afstammeling van een der aanzienlijkste
Middelburgse geslachten uit de tijd van de Republiek was achtereenvolgens
secretaris van zijn geboortestad, raad van Vlaanderen, secretaris der Staten
van Zeeland (1651 - 1658) en raadpensionaris van het gewest (1658 - 1663). Al
in 1632 prees
Boxhorn hem, in de opdracht van zijn
uitgave van de ‘Panygyri-cus’, als ‘novum Zeelandiae suae
decus, qui praeter accuratam juris cognitionem in omni disciplinarum genere ita
versatus est, ut juventutis nostri temporis sibi vindicet principatum, et
historia patriae ita instructus, ut de hac nemo melius, nemo accuratius possit
judicare’ (Boxhornius, Epistolae et poemata, l.c. p. 17 - 18). Andere
getuigenissen van zijn kunde en geleerdheid vindt men bij Nagtglas,
t.a.p.
149Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 759 - 761. -
Thibaut, een van de belangrijkste Zeeuwse staatslieden van de zeventiende eeuw,
was sinds 1634 burgemeester van Middelburg. Nadat hij in 1651 wegens zijn
Orangistische gevoelens de stad had moeten verlaten, vestigde hij zich voor
enkele jaren op zijn hofstede bij Groede. In 1654 kwam hij weer in Middelburg
terug, en in 1662 zelfs weer in het stadsbestuur. Staats-Vlaanderen heeft veel
aan hem te danken. Barlaeus heeft een lofdicht aan hem gewijd: Ad doctissimum
iuvenem Henricum Thibautium, j. u. doctorem. -
Caspar Barlaeus, Poemata (Amstelodami,
1646), II, p. 125 - 126.
150Zie over hem: De la Rue, blz. 409 - 410;
Nagtglas, II, blz. 35 - 36; N.N.B.W., II, kol. 773 - 775 (C. de Waard).
151Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 222 - 224. -
Hij was te Castres in Languedoc uit een oorspronkelijk Schotse familie geboren,
studeerde te Genève, werd aldaar predikant en hoogleeraar, en in 1648
door de invloed van Saumaise als predikant bij de Waalse gemeente te Middelburg
beroepen. In 1652 werd hij hoogleraar in de kerkelijke geschiedenis aan het
Athenaeum te Amsterdam, vanwaar hij in 1657 als predikant naar Parijs vertrok.
Tijdens zijn verblijf in Amsterdam raakte deze heftige geleerde in een hevige
pennestrijd met
Milton. Beschuldigd van ‘leugens,
falsiteyten, bedriegeryen, godtloosheden, ondanckbaerheydt, een ondraeghlijcke
hoogmoedt’ werd hij door de provinciale synode van Gouda van zijn
Amsterdams hoogleraarschap ontheven. Ook in Parijs had hij later
moeilijkheden.
152Ik vond over deze geleerde geen
gegevens.
153Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 42 - 43;
N.N.B.W., IV, kol. 154 - 156 (W. M. C. Regt). - Hij was te Leiden geboren, werd
in 1648 hoogleraar te Steinfurt en in 1655 aangesteld tot historieschrijver van
Zeeland (vgl. hierna, blz. 447). In 1664 te Harderwijk in de geneeskunde
gepromoveerd, vestigde hij zich twee jaar later als geneesheer te Hee-renveen.
In 1669 werd hij hoogleraar in de Griekse taal en geschiedenis te Franeker.
Zijn zoon
Stephanus Blancardus (1650 - 1702)
maakte naam als schrijver van medische werken.
154Ik vond over deze geleerde geen
gegevens.
155Zie over hem hiervóór, blz.
211, noot 214, en vgl. voor zijn aandeel in de Sabbats-en de Grallenstrijd,
blz. 188 - 189 en 190 - 192.
156Zie over hem: De la Rue, blz. 188 - 189;
Nagtglas, I, blz. 965 - 966; Voegler, t.a.p., II, blz. 394 - 403. - Hij was te
Middelburg geboren en werd daar eerst praeceptor, vervolgens, in 1634, rector
van de Latijnse school, wat hij tot zijn dood bleef.
157Vgl. Register ten Rade, d.d. 28 September
1666.
|
|