Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en de eerste helft der zeventiende eeuw


auteur: P.J. Meertens


bron: P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 435]

Natuurwetenschappen

Zowel vóór als na de Reformatie hebben de Zeeuwen een levendig aandeel genomen in de studie der natuurwetenschappen, aanvankelijk vooral buiten Zeeland, maar na 1600 ook, onder invloed van de economische verhoudingen, in Zeeland zelf. De opkomst zowel van de handel als de industrie van Middelburg bevorderde de mogelijkheden zowel van de natuurkundige als de botanische studie, en het is zeker geen toeval dat juist van Middelburg uit de verrekijker hier te lande verbreid is en dat hier, waar de zeevaarders uit alle einden der aarde binnenvielen, de plantkunde in hoog aanzien stond. De praktische aard, die de Zeeuwen eigen is, zal er ook wel het zijne toe hebben bijgedragen dat voor en na velen uit dit land zich verdienstelijk hebben gemaakt op het terrein der natuurwetenschappen. Overigens zijn de meesten van hen figuren van het tweede en het derde plan; alleen Philips Lansbergen en Isaac Beeckman rijzen daarboven uit. De eerste bleef Zeeland levenslang trouw, de tweede verliet zijn geboorteland en zocht elders zijn geluk, zoals vóór hem de grote mathematicus en astronoom Paulus van Middelburg had gedaan. Beiden waren, als vele anderen, wier namen in de volgende bladzijden genoemd zullen worden, uit Vlaamse ouders geboren.

 

Wiskunde

De studie der wiskunde is in zekere zin bevorderd door de handel, in zoverre als de toekomstige koopman voor zijn bedrijf althans de gronden van het boekhouden diende te kennen. Men mag dan ook aannemen dat de gehele zestiende eeuw door, zo niet vroeger, het boekhouden op het lesrooster der scholen heeft gestaan. Marten Wentsel 158, afkomstig uit Aken, vestigde zich, nadat hij eerst in Rotterdam en Amsterdam had gewoond, tegen het eind van de zestiende eeuw te Middelburg als schoolmeester. Hij gaf er een leerboek voor Italiaans boekhouden uit: ‘t' Fondament van arithmetica’ (1599) 159. Uit Antwerpen afkomstig was Johan Coutereels 160, die eveneens schoolmeester was, en in 1594 in Middelburg kwam wonen, waar hij van 1596 tot 1624 als beleder van het gilde wordt genoemd. In 1613 werd hij Frans schoolmeester te Arnemuiden en drie jaar later schepen van deze stad; later, in elk geval vóór 1632, is hij weer naar Middelburg teruggekeerd. Coutereels, die een welgesteld man was 161, is de schrijver van het * ‘Constigh cyffer-boeck oft arithmetica’ (1599) 162, aanvankelijk zowel in het Nederlands als in het Frans verschenen, later meermalen herdrukt, vertaald, uitgewerkt of vermeerderd uitgegeven, en in het midden der zeventiende eeuw en later op de meeste scholen van Zeeland en vele van Holland in gebruik. Hij schreef bovendien nog * ‘Den vasten stijl van boeck-houden’ (1603) 163 en enkele andere werkjes 164 op wis- en boekhoudkundig gebied.

In hetzelfde jaar waarin het ‘Fondament van arithmetica’ van Wentsel en het ‘Constigh cyffer-boeck’ van Coutereels verscheen, kwam bij Symon Moulert nog een derde boekhoudkundig werk van de pers: ‘L'art de tenir livre de comptes’ (1599) 165 van Zacharias de Hoorebeke 166. Ook deze rekenmeester, blijkens zijn naam van Vlaamse afkomst, woonde in Middelburg. In het voorbericht van zijn boek, dat hij aan de magistraat van deze stad opdroeg, vertelt hij gedurende vijftien jaar in Italië in dienst te zijn geweest van kooplieden, en in de daarop volgende ‘briève instruction’ spreekt hij van zijn verblijf ‘par plusieurs années tant en Italie, Angleterre qu'aux païs de par deça’. Verdere bijzonderheden over hem ontbreken.

[p. 436]

Een leerling van Coutereels was Cornelis Eversdijck (1586 - 1666) 167, uit het bekende Zuidbevelandse geslacht. Na in zijn vaderstad Goes verscheidene functies te hebben vervuld, werd hij in 1635 afgevaardigd naar de Rekenkamer van Zeeland, waarom hij naar Middelburg verhuisde, waar hij de rest van zijn jaren heeft doorgebracht. Hij schreef enkele werkjes die zich op het gebied van de toegepaste wiskunde bewegen: een * ‘Tractaat van de wijnroede’ (1618) 168, dat hij al op jeugdige leeftijd schreef, verder ‘Pacht-tafelen’ (1649) 169, ‘Tafelen van interest’ (1652) 170, ‘Tafelen van de wanne-mate’ (1655) 171 en tenslotte een ‘Paste-boeck van den broode’ (1663) 172.

 

Kosmografie

De roem die Zeeland, dank zij Paulus van Middelburg, op astronomisch gebied had verworven, werd na de Reformatie levend gehouden door de Goese predikant Philips Lansbergen (1561 - 1632) 173. Te Gent geboren, had deze Vlaming zich in Engeland op theologische en tegelijk wiskundige studies toegelegd. Van 1580 tot 1585 was hij predikant te Antwerpen; na de val der stad week hij uit naar Leiden, waar hij zijn theologische studie voortzette. In 1586 werd hij predikant te Goes, wat hij tot 1613 bleef, toen hij wegens zijn verzet tegen een burgemeestersverkiezing ontslagen werd. De toen twee-en-vijftigjarige Lansbergen vestigde zich daarop in Middelburg, waar hij zich tot het eind van zijn leven bleef bezighouden vooral met astronomische onderzoekingen. Deze hebben voor en na sterk de aandacht getrokken, al lokten ze veel verzet uit. Zijn ‘Triangulorum geometriae libri quatuor’ (1591) 174 noemde Kepler een ‘doctrina aurea’. Pas vijf en twintig jaar later verscheen zijn tweede wetenschappelijke geschrift, de ‘Cyclometriae novae libri duo’ (1616) 175, dat evenwel al veel eerder geschreven was. Het behandelt de kwadratuur van de cirkel. Met korte tussenpozen volgen Lansbergens werken over mathematische en astronomische onderwerpen elkaar nu op. In zijn ‘Progymnasmatum astronomiae restitutae liber I’ (1619) 176 verdedigt hij Copernicus' opvattingen over de waarschijnlijkheid van de beweging der aarde. Van praktische aard is de, daarom ook in het Nederlands geschreven, ‘Verklaeringhe van het gebruyck des astronomischen en geometrischen quadrants’ (1620) 177, waarvoor Cats een lofdicht schreef, dat ook in de ‘Zeeusche Nachtegael’ werd opgenomen. De ‘Chronologiae sacrae libri III’ (1625) 178 bewegen zich op het gebied der Bijbelse tijdrekenkunde. De ‘Verclaringhe vande platte sphaere van Ptolemaeus, anders astrolabium genaemt’ (1628) 179 behandelt weer een onderwerp uit de astronomie, het terrein waarop Lansbergens grootste verdiensten liggen. De ‘Bedenckinghen, op den daghelijckschen, ende jaerlijckschen loop vanden aerdt-cloot’ (1629) 180 brachten nadere bewijzen voor het stelsel van Copernicus. Dit boek bleek vooral in de Latijnse vertaling, die Martinus Hortensius er het jaar daarop van bezorgde, een knuppel in het hoenderhok der astronomen te zijn en gaf aanleiding tot vele andere wetenschappelijke betogen pro en contra de stelsels van Copernicus, Tycho Brahé en Ptolomaeus. Inmiddels werkte de zeventigjarige geleerde aan zijn ‘Uranometriae libri tres’ (1631) 181, waarin hij nieuwe berekeningen vaststelde voor de afstand en de grootte van de maan, de zon en de vaste sterren. Het behoort tot zijn belangrijkste werken. Kort voor zijn dood verschenen nog de ‘Tabulae motuum coelestium perpetuae’ (1632) 182, met lofdichten van Daniël Heinsius. Ze bevatten o.a. nieuwe astronomische tafels en een grote sterrencatalogus voor 1600. Nog dertig jaar later

[p. 437]

werden de meeste van zijn boeken als ‘Opera omnia’ (1663) 183 herdrukt. Zijn zoon Jacob, die we bij de Grallenstrijd leerden kennen, verdedigde het astronomische systeem van zijn vader na diens dood in een ‘Apologia pro commentationibus Philippi Lansbergii’ (1633) 184.

De betekenis die deze predikant voor de astronomie heeft gehad, ligt in zijn verdediging van het stelsel van Copernicus. Hierin was hij het merendeel van zijn land- en tijdgenoten vooruit, wat de bestrijding van velerlei zijde verklaart, die zijn verhandelingen ten deel is gevallen. Aan de andere kant heeft hij de ontdekkingen van Kepler, die aan dit stelsel pas zijn betekenis hebben gegeven, niet aanvaard. Men mag aannemen dat onder onze predikanten Lansbergen de enige is geweest, die in zijn tijd de beweging der aarde en de stilstand van de zon verdedigde.

Men zou zich deerlijk vergissen indien men deze predikant aanzag voor een in cijfers en stelsels verdord mathematicus. Als bij Pascal en zovele andere beoefenaren der natuurwetenschappen vinden we deze ook bij Lansbergen samengaan met een diep en zuiver geloofsleven, dat van de schoonheid der zienijke dingen opstijgt tot de aanbidding der onzienlijke. ‘Want de schoonheyt vanden aerdt-cloot, die meest alle menschen maer te seer tot hem treckt, die heeft my aengheleyt tot de schoonheyt des eersten hemels, die veel schoonder is, dan al wat inden aerdt-cloot schoon is. Ende vande schoonheyt des eersten hemels ben ick opghetrocken tot de schoonheyt vanden tweeden, dewelcke noch schoonder is als de schoonheyt des eersten hemels. Van daer heeft my de schoonheyt des tweeden hemels opghevoert tot de schoonheyt des derden hemels, dewelke de schoonheyt des tweeden hemels noch verder te boven gaet, gelijck ons seer claer getoocht wort in 't boeck vande Openbaringe Iohannis aent. 21. ende 22. capittel. Ten laetsten ben ick vande schoonheyt des derden hemels gebracht tot God selve, die daer is de schoonheyt van alle schoonheyt, dat is, dat wtnemende pulchrum, ofte dat alderschoonste schoon, daer over de philosoph (sic) Plato, hem so seer heeft verwondert, dat hy ooc daer op is verlieft geworden, gelijck hy in sijnen Phaedra, ende elders meer getuyght’ 185. En tegenover degenen, die zijn werk lichtvaardig verwerpen en zelfs verdoemen, voert hij aan dat het niet minder dan op het fundament van de meetkunst ook op de getuigenissen van Gods Woord gegrondvest is, ‘dewelcke alle beyde soo onfeylbaer zijn, dat aen de vasticheyt ende waerheyt vande selve niet en is te twijffelen. Want gelijck de gronden vande meet-const, geheel vast ende seker zijn, alsoo zijn oock de getuygenissen van Gods woort, 't eenemael waerachtich, jae de waerheyt selve’ 186. In dit naast elkaar stellen van wetenschap en geloof is Lansbergen de vertegenwoordiger van de moderne richting in de natuurwetenschappen, die los van traditie en schriftgezag op het experimentele onderzoek de nadruk legt.

 

Naast een figuur als Lansbergen verdient de Middelburger Arent Roggeveen († 1679) 187, die we als rederijker eerder ontmoetten, niet meer dan een terloopse vermelding. In zijn ‘Nieuwe droevige nacht-licht, ontsteken door Godts toren’ (1665) 188 heeft hij de loop beschreven van de komeet die in de winter van 1664 op '65 de wereld verontrustte. Roggeveen, die haar baan zorgvuldig observeerde, somt nog 56 andere kometen op, waarvan de geschiedenis melding maakt, en noemt bij elk van deze de rampen, die op hun verschijning gevolgd zijn, ‘waer uit een yder wel verstaen kan beter dan uyt eenige prognosticatie, dat het boden zijn van Gods plagen, die God de menschen (door overvloet van overtredinge) te huys sendt’ 189.

 

[p. 438]

Cartografie

Dezelfde Roggeveen vertegenwoordigt met zijn grote kaartenboek van West-Indië, ‘Het eerste deel van het brandende veen’ (1675) 190 de Zeeuwse cartografie.

 

Natuurkunde

De omstandigheid dat Middelburg in het laatst der zestiende en het begin der zeventiende eeuw een belangrijk middelpunt van de glasindustrie is geweest, houdt zeker verband met het feit dat hier de eerste fabrikanten hebben gewoond van de zgn. Hollandse kijkers 191. De overlevering schrijft de ontdekking van de verrekijker toe aan Sacharias Jansen 192 of Hans Lipperhey († 1619) 193, maar het is wel zeer waarschijnlijk dat noch de een, noch de ander deze uitvinding op zijn rekening mag stellen. Wel schijnt Jansen de eerste Nederlander te zijn geweest, die in 1604 een verrekijker heeft gemaakt, mogelijk naar het model van een Italiaans werkman uit de glasfabriek van Govert van der Haghen. In 1608 gaf Lipperhey er in Den Haag een demonstratie mee, waarbij o.a. Maurits, Frederik Hendrik en Spinola tegenwoordig waren. In hetzelfde jaar vroeg hij octrooi aan op deze kijker. Komt hun dus niet de eer van de uitvinding toe, het is aan hen te danken dat de verrekijker hier te lande is verbreid, terwijl zij het instrument zeker ook verbeterd in de handel hebben gebracht.

 

Isaac Beeckman

De belangrijkste Zeeuwse natuurkundige uit deze tijd, en tegelijk een van de belangrijkste natuurfilosofen van onze zeventiende eeuw, is Isaac Beeckman (1588 - 1637) 194. Als zoon van een kaarsenmaker te Middelburg geboren, ging hij in 1607 te Leiden studeren met de bedoeling om predikant te worden. Hoewel hij in 1613 door de classis van Walcheren als proponent werd aangenomen, heeft hij nooit een standplaats gekregen; mogelijk heeft hij die ook niet begeerd. Inmiddels had hij zich in 1611 in Zieriksee als kaarsenmaker gevestigd en hield hij zich al in deze jaren bezig met natuurkundige studiën, waarin hij volslagen autodidact was. In 1616 deed hij zijn bedrijf in Zieriksee over om zich, in hoofdzaak te Vere, waar zijn jongere broer Jacob (1590 - 1629) 195 juist rector was geworden, aan de studie, in 't bijzonder die van de medicijnen te wijden. In 1618 promoveerde hij aan de universiteit te Caen tot doctor medicinae op een proefschrift over het bij uitstek Zeeuwse onderwerp ‘De febre tertiana’. Een toevallige ontmoeting met Descartes in 1618 te Breda, die daar als jong soldaat in garnizoen lag, legde de grondslag tot een aanvankelijk innige, later verkoelde, maar tenslotte weer aangeknoopte vriendschap, waarin de Franse filosoof meer schijnt te hebben ontvangen dan gegeven. Niettegenstaande Descartes volgens zijn eigen getuigenis het aan Beeckman te danken had, dat hij tot de wetenschap was teruggekeerd, en later nog eens verzekerde dat hij, na Frankrijk, Duitsland en Italië doorreisd te hebben, niemand anders had gevonden van wie hij hulp bij zijn studie kon verwachten als Beeckman, ontstond weldra door volkomen ongemotiveerd wantrouwen van de lichtgeraakte Fransman een verwijdering tussen hen. Inmiddels was Beeckman na een kort verblijf te Middelburg in 1619 tot conrector van de Latijnse school in Utrecht benoemd. Omdat deze betrekking hem te veel in beslag nam, trok hij in December 1620 naar Rotterdam, waar zijn broer Jacob juist rector was geworden. In 1624 werd hij tot conrector aangesteld en in 1627 werd hij

[p. 439]

rector van de Latijnse school te Dordrecht, die onder zijn leiding tot grote bloei kwam en in 1635 tot de rang van Illustre school werd verheven. Onder het grote aantal leerlingen, ook van elders, en vooral ook uit Zeeland, die deze school bezochten, behoorden Johan en Cornelis de Witt. In Mei 1637 stierf hij aan de tering, ‘welcke ons geslachte eygen schijnt’, zoals zijn broer Abraham schreef, en waaraan Jacob al in 1629 gestorven was.

Beeckman heeft zijn wetenschappelijke theorieën vooral in een uitgebreid handschrift neergelegd, dat eerst thans, na drie eeuwen, wordt uitgegeven 196. Bijna dagelijks tekende hij daarin zijn invallende gedachten aan, over onderwerpen als de wet der vallende lichamen, de voortplantingssnelheid en de breking van het licht, de magnetische verschijnselen en andere vraagstukken uit het wijde gebied der natuurkunde. De Waard, die zich meer dan enig ander voor de kennis van deze natuurfilosoof verdienstelijk heeft gemaakt, noemt hem de waardige opvolger van Stevin en voorloper van Christiaan Huygens 197. Uit zijn nagelaten aantekeningen blijkt dat verscheidene denkbeelden, die algemeen aan Descartes zijn toegeschreven, oorspronkelijk van Beeckman afkomstig zijn.

 

Jacobus Gruterus

Tenslotte dient nog de Middelburger Jacobus Gruterus (1615 - 1652) 198 genoemd te worden, die te Utrecht candidaat in de medicijnen werd en van 1648 tot zijn dood praeceptor was aan de Latijnse school van zijn geboortestad. Hij was een groot bewonderaar van Francis Bacon, van wie hij een nagelaten hs. uit het Engels in het Latijn vertaalde en uitgaf onder de titel: ‘Sylva sylvarum, sive historia naturalis’ (1648) 199. Zijn enkele jaren oudere broer Isaac (1610 - 1680) 200, toentertijd rector van de Latijnse school te Rotterdam, bewerkte er na zijn dood een nieuwe druk van (1661). Ook Isaac Gruterus, die o.a. met Beeckman bevriend was, was een groot vereerder van Bacon, van wie hij een twintigtal kleinere verhandelingen heeft voltooid, bewerkt en uitgegeven onder de titel: ‘Scripta in naturali et universali philosophia’ (1653). Al eerder had hij een posthuum werk van William Gilbert (1540 - 1603): ‘De mundo nostro sublunari philosophia’ (1651) uitgegeven, waarin deze Engelse filosoof het stelsel van Aristoteles door een ander trachtte te vervangen. Van zijn belangstelling in de physica en de astronomie getuigt zijn briefwisseling met geleerden als Gassend, Lubienitzki en Constantijn Huygens.

 

Alchemie

In Theobald van Hogelande (± 1560 - 1608) 201 is Zeeland vertegenwoordigd in de alchemistische periode van de chemie. Deze afstammeling uit een oud Zeeuws geslacht, dat vooral in de zestiende eeuw in Middelburg, waar Van Hogelande geboren was, belangrijke ambten bekleedde, heeft echter na zijn twintigste jaar zijn leven buiten Zeeland doorgebracht, sinds 1593 te Keulen, waar hij zijn boeken heeft geschreven. Dientengevolge kan ook deze Zeeuw in dit overzicht van het wetenschappelijk leven in Zeeland maar terloops vermeld worden.

De enige Zeeuw, die dank zij zijn geschriften in de geschiedenis der alchemie bekend is gebleven, is geen figuur van betekenis geweest. Jaeger, die zijn werk bestudeerd heeft, kenschetst hem als het type van de zestiende-eeuwse alchemist van de betere soort: als een godvruchtig en eerlijk man, die oprecht geloofde aan de mogelijkheid van het ‘grote werk’, maar die door zijn middelmatige aanleg en een volslagen gebrek

[p. 440]

aan genialiteit slechts teleurstelling en ontgoocheling op zijn werk zou ervaren 202. Zijn boeken hebben de wetenschap niet verder gebracht en onderscheiden zich in niets van de overgrote meerderheid van soortgelijke alchemistische verhandelingen. Hun betekenis schuilt alleen hierin dat ze over de studie der alchemie een aantal gegevens bevatten, die van elders onbekend zijn.

 

Biologie

Onder de biologische wetenschappen heeft vooral de studie der botanie omstreeks het begin der zeventiende eeuw ook in Zeeland belangstelling getrokken. Dit wordt ons het duidelijkst wanneer we de relaties nagaan die de Leidse hoogleraar Carolus Clusius (1526 - 1609) onder de Zeeuwen had 203. Onder de briefwisseling van deze geleerde botanicus vinden we nl. enkele brieven van Middelburgers, waaruit blijkt dat deze levendig aandeel namen in zijn onderzoekingen en die, door eigen interesse in de plantkunde gedreven, naar hun beste vermogen steunden. Onder hen was de apotheker Willem Jasperse Parduyn (± 1550 - 1602) 204, die toen Clusius nauwelijks een maand in Leiden was, hem ter begeleiding van ‘een cleyn geschenck der eerster Spaenscher vruchten, hier in deser stede overgecommen’, een brief zendt, waarin hij er zijn vreugde over uitspreekt dat Clusius in Nederland is komen wonen. Hij zendt hem een catalogus van de bloemen en geneeskruiden, die in zijn tuin groeiden, en verzoekt hem om toezending van enkele zeldzame bloemen die Clusius, naar hij gehoord heeft, meegebracht heeft. Weldra ontstond een drukke briefwisseling en een levendige ruilhandel tussen de beide bloemen- en kruidenminnaars, en Parduyn trok in de zomer van 1599 naar Leiden, om persoonlijk kennis te maken met zijn geleerde vriend. Naar alle waarschijnlijkheid was Parduyn een zwager van een ander bekend kruidkundige, Matthias de l'Obel (Matthias Lobelius) (1538 - 1616) 205, de schrijver o.a. van een ‘Kruydtboeck’ (1581), waarin een aantal Zeeuwse groeiplaatsen van zeldzame kruiden worden genoemd. In 1590 werd deze oud-lijfarts van Willem van Oranje tot stadsdokter te Middelburg aangesteld, maar in 1596 vertrok hij naar Londen in dienst van Jacobus I.

Een vriend van Parduyn en eveneens, van 1591 tot 1602, stadsdokter te Middelburg was Tobias Roels († 1602) 206, een zoon van de pensionaris Willem Roels. Ook hij correspondeerde met Clusius over botanische onderwerpen, en een van zijn brieven, uit 1597, nam Clusius op in zijn ‘Historia rariorum plantarum’ (1601) 207.

Tot een jongere generatie behoort Caspar Pelletier († 1639) 208, als wiens geboorteplaats Middelburg wordt opgegeven, waar hij van 1607 tot het jaar voor zijn dood stadsdokter en bovendien van 1613 tot zijn dood raad en schepen was. Van zijn hand is de oudstbekende Zeeuwse flora: ‘Plantarum tum patriarum, tum exoticarum, in Walachria, Zeelan-diae insula nascentium synonymia’ (1610) 209. Petrus Hondius, over wiens verdiensten voor de Zeeuwse floristiek al werd gesproken, was bevriend met hem.

 

Entomologie

Als een der eerste zelfstandige waarnemers op entomologisch gebied bleef Johannes Goedaert (1617 - 1668) 210 voortleven in de geschiedenis van deze wetenschap. Te Middelburg uit een burgerfamilie geboren, bleef hij levenslang als kunstschilder in zijn geboortestad gevestigd. Al vóór

[p. 441]

zijn twintigste jaar, in 1635, begon hij studie te maken van het leven en in 't bijzonder de gedaanteverwisselingen der insecten. Het resultaat van zijn waarnemingen legde hij een kwarteeuw later neer in zijn ‘Metamor-phosis naturalis’ (1662 - 1667), waarvan zijn weduwe in 1669 nog een derde deel uitgaf 211. Het boek, met talrijke door hemzelf getekende afbeeldingen geïllustreerd, werd in het Latijn, het Frans en het Engels vertaald.

Goedaerts verdiensten voor de wetenschap mogen niet bijster groot zijn, als pionier van de moderne beoefening der natuurwetenschappen, die het middeleeuwse autoriteitsgeloof door zelfstandig onderzoek verving, verdient zijn naam in gedachtenis te worden gehouden. Terwille van deze zelfstandige waarnemingen, een mensenleeftijd lang dag in, dag uit met eindeloos geduld verricht, vergeeft men hem dwalingen als de zelfwording (generatio spontanea) van sommige insecten en het ontstaan van vliegen of wespen uit poppen van rupsen: de ergste fouten, die de wetenschap hem heeft kunnen verwijten.

Ook voor Goedaert sprak, als voor Lansbergen en zovele andere natuuronderzoekers van onze Gouden Eeuw, alle leven en heel de natuur de lof van de Schepper. Zijn waarnemingen van deze insecten, tot dusver door de mannen der wetenschap achteloos voorbijgegaan, leerden hem, zoals hij in de opdracht schrijft, ‘datter niets vande schepselen Godts verachtelick is, maar datse alle seer goet ende met een onuitsprekelicke wijsheyt beschickt zijn: ja mede, dat (buyten het oordeel ende verwachten der menschen) inde kleynste ende minst gheachte schepselen, de wonderen der natuyr aldermeest ende by uytnementheydt ghevonden worden’. In zijn voorliefde voor het kleine is deze natuuronderzoeker een typische Zeeuw.

 

Geneeskunde

Medici van enige betekenis, als vóór de Reformatie Levinus Lemnius was, hebben in de periode die we hier behandelen niet meer in Zeeland gewoond. Ook nu was er voor hen nog geen plaats; niet alleen bezat het gewest geen hogeschool of een medische school, zoals in het begin der negentiende eeuw te Middelburg zou worden opgericht, maar zelfs ontbrak er een kasteelheer die zich, als weleer de heren van Vere, de weelde van een lijfarts kon veroorloven. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat de oogst aan medische geschriften in Zeeland bitter klein is. Het populair-wetenschappelijke boek van de Middelburgse medicus Joachim Hubrechts van Bieselingen 212, ‘Het licht der medecynen’ (1567) 213, behoort strikt genomen nog tot de voorreformatorische periode en eigenlijk in het geheel niet tot de wetenschappelijke literatuur. Rondom Philips Lansbergen ontstond in 1613 een medische pennestrijd, waaraan medici uit Goes, Middelburg en Zieriksee deelnamen, maar geen van de pamfletten die zij naar aanleiding van deze zaak schreven, heeft ook maar enige wetenschappelijke betekenis 214 Lansbergen leerden we als astronoom kennen, zoals De l'Obel, Roels en Pelletier als biologen. In Peutemans en Liens zijn de Zeeuwse medici in de letterkunde vertegenwoordigd. Hadrianus Junius (1511 - 1575), trouwens meer als taal- en oudheidkundige dan als medicus bekend gebleven, heeft alleen zijn laatste levensjaar als stadsdokter in Middelburg doorgebracht; hij overleed al 16 Juni 1575 tijdens een vriendenbezoek te Arnemuiden 215. De verdienstelijke Leidse hoogleraar Jan de Wale (1604 - 1649) 216, een zoon van Antonius Walaeus, heeft alleen zijn jongensjaren in Middelburg doorgebracht, en men kan deze ijveraar voor Harvey's geruchtmakende ontdekking van de bloedsomloop dus al met even weinig recht een Zeeuw noemen als Junius.