Rechtswetenschap
De rechtswetenschappen zijn in Zeeland nooit van enige betekenis
geweest. De hoogste rechterlijke organen van het Bourgondische rijk en van de
Republiek hadden elders hun zetel, in Brussel, Mechelen en Den Haag. Er zijn
enkele verdienstelijke rechtsgeleerden uit Zeeland afkomstig, maar nauwelijks
één, die er een werkkring heeft gevonden. De beroemdste onder de
Zeeuwse juristen der zestiende eeuw was
Nicolaes Everaerts (1462 - 1532), de al
terloops genoemde president van de Grote Raad van Mechelen. Een
enkele tientallen jaren oudere tijdgenoot van hem was
Jacob Anthonisz, uit Middelburg afkomstig,
doctor in het kanonieke recht, vicaris-generaal van de bisschop van Kamerijk,
Hendrik van Bergen, en schrijver van een
juridisch werk, ‘De praeeccellentia potestatis imperatoriae’
(1502), dat door Erasmus hoog werd geprezen. De juridische professoren
Peter de Vriendt (± 1500 - 1556),
Pieter Peck (1529 - 1589),
Jan Tack (1535 - 1578) en Joachim Burgher
(† 1569) werden al eerder terloops genoemd. Peck werd later raadsheer in
de Grote Raad. De andere Zeeuwen die hun gewest vertegenwoordigden in het Hof
van Holland en Zeeland, de Grote Raad, de Hoge Raad en de Raad van State,
zullen zeker verdienstelijke juristen zijn geweest, maar men vindt geen
eminente figuren onder hen.
Een Zeeuws jurist, die in zijn eigen land een werkkring vond, is Antonie de Jonge (1607 - 1669)
217,
achtereenvolgens burgemeester van Zieriksee (1632), rekenmeester van Zeeland
(1639 - 1644), griffier van de Rekenkamer van Zeeland (1644 - 1664) en
tenslotte pensionaris van Middelburg (1664 - 1669). Hij is de schrijver van een
ongedrukt gebleven verhandeling: ‘Zeelands regeeringsform beschouwd’, waaraan
Smallegange zijn hoofdstuk over de domeinen en lenen in Zeeland heeft ontleend
218, Cornelis Cau (1616 - ?)
219, te Middelburg geboren, maar eveneens uit een oude Zierikseese
familie, sinds 1641 advocaat voor het Hof Provinciaal in Den Haag,
sinds 1655 advocaat voor het land bij de Chambre Demipartie te Mechelen,
verzamelde het eerst de Nederlandse plakkaten in het ‘Groot
placaetboeck’ (1658 - 1664). Naast hen dient als derde onder de
verdienstelijke Zeeuwse juristen de Rooms-Katholieke
Jacob Florisse van Grijpskerke(1614 - ?) te
worden genoemd, die als auteur van ‘'t Graafschap van Zeeland’ aanstonds als
historiograaf wordt besproken. In deze eerst twee eeuwen na zijn dood gedrukte
verhandeling toont hij zich een grondig kenner van het Zeeuwse staatsrecht.
Maar evenals Cau bracht ook deze Zeeuw het grootste deel van zijn leven buiten
Zeeland door, en ook zijn werk kan dientengevolge maar ten dele tot de Zeeuwse
wetenschap in engere zin worden gerekend.