auteur: P.J. Meertens
bron:
P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en
de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers
Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van
Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2000 dbnl / erven P.J. Meertens

|
|
| | | |
Marcus Zuerius Boxhorn
De kroniek van
Reygersberch is in 1634 opnieuw
uitgegeven, slechts met geringe veranderingen en toevoegingen
226. Al tien jaar later verscheen zelfs een derde
uitgave, ditmaal echter zodanig uitgebreid en herzien, dat men van een
zelfstandig werk mag spreken
227. De auteur hiervan was de Leidse historicus Marcus Zuerius Boxhorn (1612 - 1653),
die hoewel geen Zeeuw van geboorte, door zijn huwelijk en door
vriendschapsrelaties vele betrekkingen met Zeeland en de Zeeuwen had. Een van
zijn Zeeuwse vrienden, Adriaen Hoffer, is het vooral geweest, met wie Boxhorn
zich over dit werk heeft verstaan. Boxhorns brieven aan Hoffer doen ons het
aandeel kennen dat deze Zierikseese burgemeester-dichter in de totstandkoming
ervan genomen heeft. In het najaar van 1641 schrijft de jonge Leidse professor
hem voor het eerst hierover
228. Boxhorn bezat zelf een aantal tot op die tijd onbekende
bescheiden betreffende de geschiedenis van Zeeland, waarbij Hoffer de zijne
voegde, die vooral Zieriksee en het eiland Schouwen betroffen
229. Boxhorn zond hem geregeld de drukproeven toe, waarover zich
een drukke correspondentie ontspon. In de laatste brief die hij aan Hoffer
schreef, spreekt hij over | | | | zijn wens, historieschrijver van de
Staten van Zeeland te worden, niet uit hoop op een of ander gewin, waaraan elke
gedachte hem vreemd is, maar slechts om zijn werk meer gezag en gewicht bij te
zetten
230, en hij verzoekt Hoffers
bemiddeling daarbij. Het boek was toen gereed op de opdracht aan de Staten van
Zeeland en de voorrede na. Veertien dagen later maakte een onverwachte dood een
einde aan Hoffers leven, en Boxhorn heeft het zonder de begeerde titel moeten
stellen.
De belangstelling van de Calvinist Boxhorn voor het werk van de
Rooms-Katholieke en in zijn ideeënwereld nog geheel middeleeuwse
Reygersberch moet verklaard worden uit een
zekere reactie tegen het Humanisme, die in de eerste helft der zeventiende eeuw
alom waarneembaar is. Ze ging vergezeld van een meer wetenschappelijke
beoefening der geschiedenis, die weer belangstelling ging tonen voor de
middeleeuwse kronieken
231. Aan de
naïeveteit en de goedgelovigheid ten opzichte van oude oorkonden, waarvan
Reygersberch herhaaldelijk blijk geeft, is
Boxhorn ontgroeid; echter geeft niet zozeer historisch inzicht als wel zijn
anti-Roomse gezindheid hem aanleiding, alles wat van monniken afkomstig is
wantrouwend aan te zien. Aan heiligenmirakels schenkt hij geen geloof meer
232. Zijn
beschouwingswijze van het ontstaan der steden is juist, en in haar juistheid
voor de tijd, waarin hij ze neerschreef, opmerkelijk
233.
| |
Jacobus Eyndius
Inmiddels was, tussen de verschijning van de eerste en de tweede
uitgave van Reygersberchs kroniek, een ander Zeeuws geschiedkundige aan het
werk gegaan om de geschiedenis van zijn gewest te beschrijven. Jonkheer Jacob van den Eynde (Jacobus Eyndius) (1575 - 1614)
234 was, zoals we al zagen, door
zijn huwelijk, in 1609, met
Clara van Raephorst bewoner van het slot
Haamstede op Schouwen, en daarmede Zeeuw geworden. Hij herbouwde het vervallen
kasteel en wijdde zich daar, afgezonderd van de wereld, geheel aan zijn
historische studiën. In 1611 gaf hij een geschrift over het sluiten van
het Bestand in het licht
235, dat hij opdroeg aan de
Staten van Zeeland, in wier college hij als eigenaar van de heerlijkheid
Haamstede zitting had. Belangrijker was echter het werk waaraan hij verder zijn
krachten wijdde, en waarvan toen hij op 11 September 1614, nog geen veertig
jaar oud, overleed, de eerste twee boeken voltooid waren. Eyndius had het
voornemen, een kroniek van Zeeland te schrijven; hij is echter niet verder
gekomen dan tot de dood van Jan I (1299). Eerst twintig jaar later werden deze
‘Chronici Zelandiae libri duo’ (1634)
236 op last der Staten van Zeeland uitgegeven. Johan
de Brune, die destijds aan het begin van zijn politieke loopbaan stond,
bezorgde de druk; in een Latijnse lofrede droeg hij het boek aan de Staten op.
Uit deze opdracht blijkt zijn instemming met de kroniek, waarin hij voor het
eerst licht zag opgaan in de duisternis van Zeelands verleden
237. Hij roemt Eyndius' onbevooroordeeld en scherpzinnig
onderzoek en zijn zin voor historische kritiek, en vermeldt met ingenomenheid,
hoe deze eigenschappen de roem van het Zeeuwse volk slechts vergroot hebben.
Inderdaad had Eyndius' kroniek, bezien in de lijst van de tijd waarin ze
verscheen, grote verdiensten; zij geeft blijk van de grote belezenheid van de
schrijver zowel in de oudere als de nieuwere literatuur, en tegelijk van zijn
kritische zin, al gaat zijn historische kritiek te ver wanneer hij tracht aan
te tonen dat de reeks der Hollandse graven pas met
Dirk IV begint
238. Aan de
oorkondenstudie is hij nog niet toe, maar hij heeft de taal der Schouwse boeren
even goed beluisterd als die der Noordhollanders, | | | | en hij maakt er
zijn gevolgtrekkingen uit ten opzichte van de afkomst der Zeeuwen. Overigens
zijn zijn denkbeelden nu en dan nog uitermate fantastisch: zo gelooft hij,
steunend op de vondst van de Herculessteen in Westkapelle, dat de Griekse held
naar Walcheren is uitgeweken, waar men dus de zuilen van Hercules zou hebben te
zoeken, en dat hij, die blijkens zijn reiniging van Augias' stallen een bekwaam
dijkbouwer was, deze kunst aan de Zeeuwen heeft geleerd! Ook uit de naam van
Vlissingen, aldus naar Ulysses genoemd, zou de Griekse invloed in Zeeland
blijken!
| |
Jean Françoys le Petit
In hetzelfde jaar als Eyndius stierf de ongeveer een generatie
oudere geschiedschrijver Jean Françoys le Petit (± 1545 - 1614)
239, die hier zij het dan ook terloops genoemd moet worden, omdat zijn
‘Grande chronique’ (1601)
240 de sporen draagt van zijn
verblijf te Middelburg, waar hij sinds 1593 notaris was.
Willem te Water, die het boek met
betrekking tot de gebeurtenissen in Zeeland opzettelijk met de overige
geschiedschrijvers heeft vergeleken, getuigt althans dat hij de bloedige
zeeslagen van 1572 tot 1574 en hetgeen daarmee in verband staat, nauwkeuriger
beschrijft dan een der andere historieschrijvers van deze tijd
241. Tijdens zijn verblijf te Middelburg
heeft Le Petit o.a. met De Moucheron in relatie gestaan, van wie (of van wiens
neef
Françoys de la Dale) hij
bijzonderheden over de tochten om de Noord heeft vernomen
242.
| |
Adriaen Valerius
Ook de ‘Nederlandtsche Gedenck-clanck’ (1626)
243 van
Adriaen Valerius verdient in dit verband
nauwelijks meer dan terloops vermeld te worden, omdat deze kroniek, als
geschiedbron zonder enige betekenis, voor de geschiedenis van Zeeland geen ons
niet van elders bekende bijzonderheden inhoudt. Het boek bevat ‘de
voornaemste geschiedenissen van de seventhien Neder-landsche provintien
'tsedert den aenvang der inlandsche beroerten ende troublen, tot den jare
1625’, en de auteur heeft deze feiten ontleend aan andere bronnen: in de
eerste plaats
Van Meterenen de ‘Spieghel der jeucht’ (1614), voor het gedeelte na
1612
Baudartius en waarschijnlijk enkele
pamfletten, die toevallig in zijn bezit zijn geweest
244. In
historiografisch opzicht heeft deze kroniek, die Valerius met paedagogische
bedoelingen schreef, dus generlei waarde.
| |
Jacob van Grijpskerke
De verschijning van Boxhorns kroniek was aanleiding tot het ontstaan
van een merkwaardige tegenhangster, die onder de titel ‘'t Graafschap van Zeeland’
245 pas meer dan
twee eeuwen later zou worden uitgegeven. De schrijver van dit Zeeuwse
geschiedwerk was Jacob Florisse van Grijpskerke (1614 -
1656)
246, heer van Grijpskerke, Poppendamme, enz.,
afstammeling van een oud geslacht, dat echter niet, zoals wel beweerd is, tot
de adel behoorde. Jacob van Grijpskerke was in 1614, waarschijnlijk te
Middelburg, geboren, had een klassieke opleiding genoten, waaromtrent ons
overigens niets bekend is, en had zich vervolgens eerst te Vere, vervolgens te
Middelburg gevestigd, waar hij waarschijnlijk ook, in 1656, gestorven is.
Tussen 1644 en 1653 schreef hij zijn boek, waarvan hij | | | | vervolgens
tussen 1653 en 1656 een tweede, verbeterde en omgewerkte uitgave bezorgde.
Een tegenhangster van Boxhorns kroniek is dit werk in zoverre al,
als Jacob van Grijpskerke Rooms-Katholiek was en als zodanig een aanhanger en
verdediger van de oude staatsvorm van het Spaanse bewind
247. De
omwenteling had die geheel opgeheven en er de oligarchische staatsvorm voor in
de plaats gesteld. Voor zover de adel in Zeeland nog bestond, had deze haar
invloed verloren; de enige edele in de Staten was de stadhouder, die als heer
van Sint-Maartensdijk deze functie door zijn vertegenwoordiger, de
Eerste Edele, liet bekleden. Tegen deze beknotting van hun rechten hebben de
Zeeuwse edelen niet opgehouden, protest aan te tekenen: zowel bij het optreden
van Maurits als van zijn beide opvolgers dienden zij akten van verzet en
verzoek in, doch telkens zonder het minste succes. Thans nam Grijpskerke het
voor hun rechten op. De jaren waarin zijn werk tot stand kwam, waren gunstiger
voor de zaak van de adel dan ooit tevoren. De afnemende geestvermogens van
Frederik Hendrik, zijn dood en die van zijn jonge opvolger, maar vooral het
daarop gevolgde stadhouderloze tijdperk, al deze feiten wettigden de pogingen,
door Grijpskerke in het werk gesteld om de aanspraken van de edelen te
verdedigen. Zo werd hij de woordvoerder van de Zeeuwse adel, die zichzelf
overleefd had; zijn woord bleef de stem eens roependen in de woestijn en vond
geen weerklank tenzij bij hen, die in zijn vertoog de verdediging van hun eigen
belangen zagen.
Grijpskerke is de eerste historicus der zeventiende eeuw, die blijk
gaf van enig inzicht in de ontwikkelingsgang der stadsbesturen en van de
gewestelijke regeringsvorm, in de emancipatie der steden en hun rol op politiek
en economisch gebied
248. Zijn oorkondenkritiek stelt zich op een eigenaardig standpunt; hij
verwerpt wel de oorkonden als zodanig, maar handhaaft hun inhoud
249. Wat hij, in
tegenstelling met al zijn voorgangers, miste, was patriotisme ten opzichte van
zijn geboorteland. ‘'t Geene ik noodich’, schrijft hij in zijn
‘Opdragtsbrief’, ‘rakende Holland en Zeeland moeste aanraken,
verklaere meede sonder passie, soo alles mij voorgekoomen is, opgesteld te
hebben, beijde provintiën mij 't eenemaal indifferent zijnde. 't Is waer
ik ben in Zeeland gebooren maar in Holland ten verscheijde respecten veel beter
getracteerdt. In Hollandt is mij niet gegeven, ende in Zeeland is mij onthouden
't geene uyt geboorte mij toequam. 't Is waer, schoon genoomen men in Zeeland
de ridderschap en edelen al niet en hadde uytgeslooten, soo bleef ik
doch echter uytgeslooten om de Catholijque religie, dus in alle maniere
verblijve buijten obligatie aen beyde provintien’
250.
| |
Andere kronieken
Volledigheidshalve moeten dan nog twee kronieken van onbekende
auteurs worden genoemd, die geen van beide enige wetenschappelijke betekenis
bezitten. De eerste is een in alexandrijnen geschreven ‘Sommiere loffelijcke beschrijvinge van het wijt-berucht
graefschap van Zeelandt’ (1636)
251 van een ons onbekende I. Liefs, de tweede een ‘Gestaltenis van Out Zeelandt’ (1647)
252 van de al evenzeer onbekende
Abraham van der Burgh. De dichter Liefs
houdt zich nog op met de fabeltjes van Wallachrijn en Mittellus, en bepaalt
zich overigens tot een uiterst summiere beschrijving van die feiten uit de
Zeeuwse geschiedenis, die hij als de belangrijkste beschouwt. De
‘Gestaltenis van Out Zeelandt’ bevat korte levensbeschrijvingen van
de graven van Zeeland en beschrij- | | | | vingen van de Zeeuwse steden.
Van der Burgh is kennelijk op de hoogte van de resultaten van de jongste
onderzoekingen op historisch gebied, maar de wijze waarop hij die in toepassing
brengt, verraadt de dilettant, en zo kan ook dit werkje van een niet-Zeeuwse
schrijver zonder enig bezwaar buiten beschouwing worden gelaten.
| |
Historieschrijvers van Zeeland
Drie keer hebben de Staten van Zeeland gedurende de zeventiende eeuw
een historieschrijver van het gewest officieel aangesteld
253. Tevoren had Pieter Cornelis Bockenberg (1548 - ?)
254 reeds een
jaarrente van hen gekregen, evenals van de Staten van Holland, die hem in 1591
tot historieschrijver van Holland aanstelden. Had Petrus Cunaeus (1586 - 1638)
255 langer
geleefd, dan zou deze Leidse hoogleraar de eerste historieschrijver van Zeeland
zijn geworden; reeds was hem, in Augustus 1638, door de Provinciale Rekenkamer
‘visie van 's lands registers en muni-menten, tot opstel van eene Chronyk
van Zeeland dienende’
256, toegestaan, maar
de dood maakte drie maanden later een einde aan zijn leven, zodat èn van
de aanstelling èn van de kroniek niets kwam. In 1642 eindelijk werd Matthaeus Vossius (1610 - 1646)
257, die het jaar tevoren door
de Staten van Holland tot historieschrijver was aangesteld, met dezelfde titel
door de Zeeuwse Staten vereerd
258, zodat hij de eerste officieel aangestelde historieschrijver van
Zeeland was. Toen hij in 1646 overleed, verzocht de oude vader om in de plaats
van zijn broer zijn jongere zoon Isaac Vossius (1618 - 1689)
259 te benoemen
260, die reeds historieschrijver van Holland en Westfriesland was,
hetwelk werd toegestaan
261. Deze
voltooide het vierde deel van de ‘Annales Hollandiae, Zelandiaeque’, waarmede
Matthaeus bezig was, en gaf het in 1646 met een voorrede uit; daarna beschouwde
hij zijn opdracht echter als een sinecure. Toen de Staten dit eindelijk moe
begonnen te worden, en zij hem zijn jaarwedde niet langer uit wensten te
betalen, deed hij tenslotte, in 1671, daarvan afstand.
Intussen was, al in 1655, een ander tot historiograaf van Zeeland
aangesteld, nl. Nicolaes Blanckaert (1624 - 1703)
262, sinds 1650 hoogleraar in de geschiedenis en de oudheidkunde aan de
Illustre school te Middelburg. Op voorstel van de raadpensionaris Johan de
Brune was hij, echter ‘zonder gagie, buyten last van de provintie’,
aangesteld
263. Zijn bedoeling was de geschiedenis van Vossius - die tot de
tijd van
Jacoba van Beieren was gekomen - voort te
zetten, waarom hij in 1663 toegang verzocht tot de charters en de archieven van
de Rekenkamer. Het werd hem toegestaan, ‘mits noghtans, dat de
voorschreve beschryvinge by den voornoemden Blanchardt, effectivelyck by der
handt sal werden genomen’
264. Zijn vertrek naar Friesland, in 1664, maakte aan deze
plannen echter al spoedig een einde. Na hem hebben de Staten geen
historieschrijver meer aangesteld vóór ze in 1776 aan Jona Willem te Water deze waardigheid
opdroegen.
|
226De oude chronijcke ende historien van
Zeelandt, beschreven door wijlen Heer
Jan Reygersbergh, van Cortgene: Van
nieus met eenighe byvoechsels, mitsgaders met de figueren der graeven van
Zeelandt vermeerdert. Tot Middelburch, by
Zacharias Roman, boeck-verkooper op den
Burcht, inden Vergulden Bybel. 1634 (XVI, 356 blzn.; 4to). Dat de
‘byvoechsels’ het werk van Johan de Brune zouden zijn, zoals wel
beweerd is, wordt afdoende weerlegd in Von Winning, Johan de Brune de Oude,
t.a.p., blz. 128 - 130.
227Chroniick van Zeelandt, eertijdts beschreven
door d'heer Johan Reygersbergen, nu verbetert, ende vermeerdert door
Marcus Zuerius van Boxhorn. Het eerste
[en tweede] deel. Luctor et emergo. Tot Middelburch, by Zacharias ende
Michiel Roman, boeck-verkoopers,
woonende op den Burght, inden vergulden Bybel. Anno 1644. Met privilegie. 2
dln. (XL, 472; IV, 624 blzn.; 4to). - Het boek is opgedragen aan de Staten van
Zeeland. Aan het eerste deel gaan Latijnse lofdichten van H. de Hubert en
Rochus Hofferus vooraf. - Vgl. nog hiervóór, blz. 68, noot
217.
228Boxhornius, Epistolae et poemata, l.c., ep.
p. 140.
229De Prov. Bibl. van Zeeland bezit een hs. van
Rochus Hoffer, waarin deze een aantal Hollandse en Latijnse gedichten heeft
bijeengebracht, in origineel of in afschrift, die
Boxhorn in zijn kroniek heeft
opgenomen.
231Kampinga, t.a.p., blz. 41.
234Vgl. hiervóór, blz. 44 - 45,
waar zijn literaire arbeid wordt besproken.
235Jacobi Eyndii ab Haemstede, centurionis
Batavi, convivalis senatus super pace ab Hispano foeder. Belgicae provinciis
anno MDCIX oblata. Accedunt Flandrici belli lib. II. Cum poëmatiis.
Lugduni-Batavorum, ex officina Henrici Ludovici ab Haestens, anno MDCXI (VIII,
68 blzn.; 8vo) (Pamflet Knuttel, no. 1832).
236Chronici Zelandiae libri duo. Auctore Jacobo
Eyndio, domino Haemstedae etc. Middelburgi ex officina Moulertiana 1634 (XXIV,
264 blzn.; 4to).
Isaac Gruterus,
Adrianus Hofferus en
Cornelis Boyschreven Latijnse lofdichten
voor het werk, dat bovendien het portret van de schr., met een vierregelig
Latijns onderschrift van Hoffer bevat. - Het eerste boek heeft
Smallegange vertaald en in zijn kroniek
(blz. l - 60) ingelast.
237Vgl. voor het volgende Von Winning, t.a.p.,
blz. 130 - 132.
238Kampinga, t.a.p., blz. 147.
239Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 379 - 380;
N.N.B.W., VII, kol. 954 - 955 (H. Brugmans); De Wind, t.a.p., blz. 282 -
287.
240La grande chronique ancienne et moderne, de
Hollande, Zelande, West-Frise, Utrecht, Frise, Overyssel et Groeningen, jusques
à la fin de l' an 1600. Receüillee tant des histoires des dites
provinces, que de divers autres auteurs, par Jean François le Petit,
greffier de Bethune en Arthois. Tome premier. A Dordrecht, de l'impression de
Jacob Camin, pour l' auteur. Avec privilege pour dix ans [1601] (XXII, 652 en
258 blzn.; folio). - Tome second. A Dordrecht, de l'impression de Guillaume
Guillemot [1601] (XVI, 794 blzn.; folio).
241W. te Water, Het hoog adelyk, en adelryk
Zeelant (Middelburg, 1761). II. blz. 69, noot 2; vgl. Ermerins, Eenige
Zeeuwsche oudheden, V, blz. 146.
242Le Petit, La grande chronique, l.c., II, p.
652.
243Neder-landtsche gedenck-clanck. Kortelick
openbarende de voornaemste geschiedenissen van de seventhien Neder-landsche
provintien, 'tsedert den aenvang der inland-sche beroerten ende troublen, tot
den iare 1625. Verciert met verscheydene aerdige figuer-licke platen, ende
stichtelijcke rimen ende liedekens, met aenwijsingen soo uyt de H. Schriftuere,
als uyt de boecken van geleerde mannen, tot verklaringe der uytgevallen saecken
dienende. De liedekens (meest alle nieu zijnde) gestelt op musycknoten, ende
elck op een verscheyden vois, beneffens de tablatuer vande luyt ende cyther.
Alles dienende tot stichtelijck vermaeck ende leeringhe, van allen lief-hebbers
des vaderlants. Door Adrianum Valerium. Neemt my inder hand, Hoort i'nt [sic]
kort verklaren, Wat ons hier in 't land Al is weder-varen. Tot Haerlem, gedruct
voor d'erfgenamen vanden autheur, woonende ter Veer in Zeeland. 1626. Met
previlegie voor ses iaren (IV, 296 blzn.; 4to obl.). - Herdruk: ... ingeleid en
voorzien van biografische, taalkundige, historische en musicologische
aanteekeningen door P.J. Meertens, N.B. Tenhaeff en A. Komter-Kuipers
(Amsterdam, 1942). - Vgl. B.B.,V 73.
244Vgl. de inleiding van Tenhaeff voor de herdruk
van 1942: Valerius' Gedenck-clanck als geschiedverhaal.
245't Graafschap van Zeeland ofte corte
representatie van de regeeringe van Zeeland onder haare graven, tot den jaare
1579, behelsende zeer omstandigh den staat en recht van de ridderschap en
edelen van Zeelandt. Beschreven door den edelen heere
Jacob van Grijpskerke, heere van
Grijpskerke, Poppendamme etc. Uitgegeven door het Zeeuwsch genootschap der
wetenschappen, waar een handschrift in zijne boekerij, met een aanhangsel
bevattende eene genealogie van het geslacht van Grijpskerke en andere stukken
betrekkelijk dat geslacht. Middelburg, J.C. & W. Altorffer, 1882 (XXVIII,
538 blzn.; 8vo). -
Willem te Water gaf het elfde hfdst. uit
in: Het hoog adelyk, en adelryk Zeelant (Middelburg, 1761).
246Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 306 - 307. J.G.
Frederiks, [Beoordeling van] Het Graafschap Zeeland, door Jacob van Grijpskerke
(Maandblad van het gen.-herald. genootschap ‘De Nederlandsche
Leeuw’, 1894, blz. 39 - 42, 54 - 58, 67 - 72). - Frederiks (blz. 56) acht
het niet onmogelijk dat het werk een falsificatie is, o.a. op grond dat het
originele hs. verloren is.
247Frederiks, t.a.p., blz. 70 - 71.
248Kampinga, t.a.p., blz. 124 en 206, noot
1.
249T.a.p., blz. 148, noot 6.
250Van Grypskerke, 't Graafschap van Zeeland,
t.a.p., blz. VII.
251Sommiere loffelijcke beschrijvinge van het
wijt-berucht graefschap van Zeelandt. Midtsgaders de daden, het leven ende de
handelinghe der vroomdadige Zeelanderen. By een vergadert ende in rhijm
ghestelt, door
I. Liefs. T'Amstelredam, ghedruckt by Jan
Fredericksz Stam, woonende by de Zuyder-kerck inde Hope. Anno 1636 (12 blzn.;
8vo) (Pamflet Petit, no. 4062). - Het boekje is opgedragen aan de Staten van
Zeeland en aan de burgemeesters en overige regenten van de Zeeuwse
steden.
252Gestaltenis van Out Zeelandt. Gedruckt tot
Arnhem, by Jacob van Biesen, ordinaris drucker vanden Ed: Hove van Gelderlant,
in 't jaer 1647 (60 eenzijdig bedrukte blzn.; 4to) (Nat. Bibl., 's-Gravenhage;
Prov. Bibl. van Zeeland, Middelburg).
253In de uitvoerige remonstrantie waarin de
Haagse synode van 1586 zich tot
Leycester wendde om zijn belangstelling
te vragen voor een aantal punten, waarop van overheidswege order moest worden
gesteld, vindt men ook de wens uitgedrukt ‘quil seroit fort expedient que
les païs gageassent quelques hommes doctes, afin de rediger par escrit et
publier les choses memorables advenues de notre temps en ce païs bas, tant
au fait de la religion que de la police’. Met het oog daarop vestigde de
synode de aandacht van
Leycester op mr.
Paulus Knibbe, sinds 1585 baljuw van
Vlissingen,
Johan van der Warck († 1615),
oud-pensionaris van Middelburg en Antwerpen, sinds 1586 stadsadvocaat van
Middelburg bij het Hof van Holland, later opnieuw pensionaris van Middelburg
(1588) en tenslotte raadpensionaris van Zeeland (1596 - 1614) (zie over hem:
Nagtglas, II, blz. 925 - 926) en
Justus Lipsius. Vgl. Rutgers, Acta van
de Nederlandsche synoden der zestiende eeuw, t.a.p., blz. 642. - Van het plan
is echter niets gekomen.
254Kampinga, t.a.p., blz. XVII.
255Zie over hem: De la Rue, blz. 199 - 203;
Nagtglas, I, blz. 143; N.N.B.W., I, kol. 658 - 660 (J. van Kuyk); Hofmann
Peerlkamp, Lc., p. 302 - 303. - Petrus Cunaeus (van der Cun) was te Vlissingen
geboren; zijn vader, die koopman was, verhuisde echter kort na de geboorte van
deze zoon naar Middelburg, waar Petrus tot 1601 vertoefde, toen hij naar Leiden
verhuisde, waar hij in 1607 werd ingeschreven als student in de theologie. De
begaafde jonge man, weleens ‘het orakel van zijn tijd’ genoemd,
werd in 1612 te Leiden hoogleraar in het Latijn en later ook in de staatkunde
en het burgerlijk recht. Hij stierf al in 1638. Zijn geschriften worden
opgesomd bij De la Rue. Onder zijn nagelaten brieven - Petri Cunaei et doctorum
virorum ad eundem epistolae ... Nunc primum editae cura Petri Burmanni (Leidae,
1725) - zijn er een aantal bewaard van en aan
Apollonius Schotte, met wie hij al in
diens Middelburgse tijd correspondeerde over allerlei in hoofdzaak juridische
en andere wetenschappelijke onderwerpen (l.c., p. 2 - 79). Aan zijn broer
Simon Schotte schreef hij in 1611 over
het vertrek van Gomarus naar Middelburg (l.c., p. 79), aan
Adriaen Veth in 1636 over het geschrift
van
Balzac tegen Heinsius' ‘Herodes
infanticida’ (l.c., p. 390). Waarschijnlijk heeft hij ook Cats gekend,
evenwel niet in diens Zeeuwse tijd (l.c., p. 366). Met Hoffer verbond hem een
‘oude vrintschap’, die hem, hoewel ‘vreemt van alle const,
die fray, en aerdich sy’, er toe bracht een lofdicht op de
‘Nederduytsche poëmata’ (1635) te schrijven. Als Latijns
dichter bezat Cunaeus maar zeer middelmatige verdienste, maar als
woordkunstenaar blonk hij uit. Hij was bevriend met
Jacob van Zevecote.
257Zie over hem: N.N.B.W., VII, kol. 1288 - 1289
(H. Brugmans); Kampinga, t.a.p., blz. XXXII.
258Notulen van de Staten van Zeeland, 1642, blz.
264.
259Zie over hem: N.N.B.W., I, kol. 1519 - 1525
(S. G. de Vries).
260Notulen van de Staten van Zeeland, 1646, blz.
375.
261T.a.p., 1646, blz. 391.
262Vgl. hiervóór, blz.
434.
263Notulen van de Staten van Zeeland, 1655, blz.
188 - 189.
264T.a.p., 1663, blz. 109 - 110. Er is hier
sprake van
Johannes Blancardus, maar dit is
kennelijk een verschrijving voor Nicolaes. In: W.M.C. Regt, Het geslacht van
professor Blancardus (De Navorscher, 55 (1905), blz. 96 - 113), komt geen
Johannes voor.
|
|