auteur: P.J. Meertens
bron:
P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en
de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers
Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van
Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2000 dbnl / erven P.J. Meertens

|
|
| | | |
Schilderkunst
De gildeboeken van het Middelburgse Sint-Lucasgilde
265 leveren het overtuigende bewijs van het levendige aandeel,
helaas meer kwantitatief dan kwalitatief, dat Zeelands hoofdstad in de
bloeitijd van de Republiek aan de schilderkunst heeft gehad. Schilders van de
eerste rang zijn nooit | | | | in het gilde opgenomen, maar het kan zich
niettemin beroemen op tal van kunstenaars, die op het tweede en het derde plan
een eervolle plaats innemen, geboren Middelburgers en Zeeuwen uit andere
plaatsen zowel als vreemdelingen.
De begaafdste schilder uit het begin der zeventiende eeuw, die
Middelburg binnen haar muren heeft gezien, is Adriaen van de Venne (1589 - 1662)
266, die van omstreeks 1605 tot 1625 de Zeeuwse hoofdstad bewoonde.
Hij is een van de belangrijkste figuren uit de overgangstijd, toen het
Vlaams-Hollandse genre in de schilderkunst zich weer meer naar het Hollandse
toeboog, een zelfstandig schepper, die eigen wegen bewandelde, en die men als
een voorloper van
Rembrandt kan beschouwen. De talrijke
etsen, waarmee hij o.a. de gedichten van Cats illustreerde, getuigen op
welsprekende wijze van zijn liefdevolle waarneming van de natuur en de
mensenwereld. Geestig en raak is zijn bekende ‘Zielen-visserij’ (1614), een allegorie op het
Bestand, voortreffelijk van opvatting en afwerking zijn ‘Prins Maurits op de kermis te
Rijswijk’ (1618), zijn ‘Haven van Middelburg’ (1625) en vooral zijn
‘Boeren-vastenavond’. In 1625 is hij naar Den Haag
getrokken. Als dichter kwam hij al eerder ter sprake.
Maar enkele jaren jonger was François Venant (1591 of 1592 - 1636)
267, die in Middelburg geboren is, maar slechts kort in
zijn vaderstad gewoond schijnt te hebben. Zijn naam wijst op een Franse
afkomst. Doordat hij geparenteerd was aan
Melchior Wijntgis, de vriend van
Carel van Mander, kwam hij al jong bij
deze Haarlemse schilder in de leer. Na Van Manders dood (1606) werd hij
leerling van de Amsterdamse schilder
Pieter Isaacsz, studeerde vervolgens
elders, misschien in Italië, en woonde in 1618 weer in Amsterdam, waar hij
in 1625 met een zuster van Pieter Lastman trouwde. Er zijn maar twee doeken van
deze schilder, die waarschijnlijk ook bij zijn zwager in de leer is geweest,
bekend: het afscheid van David en Jonathan en de droom van Jacob. Ook
Venant moet door deze Bijbelse composities
tot de kleinere voorlopers van Rembrandt worden gerekend.
Het ligt voor de hand dat omstreeks het einde van de zestiende eeuw
onder de Middelburgse schilders er gevonden werden, die afkomstig waren uit de
schilderstad Antwerpen, vanwaar zovelen na de val der stad in Middelburg een
toevlucht hadden gezocht en een blijvende woonplaats hadden gevonden. Men
verwondert er zich zelfs over, dat we er maar drie bij name kennen:
Daniël van den Queborne, Ambrosius
Bos-schaert en
Adriaen van Stalbempt. De eerste woonde al
in 1579 in Middelburg, de beide anderen zijn er pas na de val van Antwerpen
gekomen, beiden al op jonge, Van Stalbempt zelfs op heel jonge leeftijd.
Daniël van den Queborne (†
1617 of 1618)
268 was al in 1579 lid van het Sint-Lucasgilde, waarvan hij
in 1590 deken werd. Hij woonde nog in 1602 in Middelburg, maar is later naar
Den Haag verhuisd, waar hij hofschilder van
prins Maurits en stamvader van een
talrijke kunstenaarsfamilie werd. Ambrosius Bosschaert (± 1565 -
1621)
269 komt in 1588 voor als lid van het Antwerpse
schildersgilde, maar is waarschijnlijk al het jaar daarop naar Middelburg
getrokken, waar hij in 1597 deken van het gilde wordt. In 1616 was hij naar
Utrecht verhuisd, en later heeft hij ook nog in Breda gewoond. Hij is de eerste
en tegelijk de belangrijkste navolger van
de Fluwelen Brueghel als schilder van
bloemstillevens, en met
Jacob de Gheyn van Amsterdam bovendien de
eerste, die in ons land van het schilderen van deze bloemstukken een beroep
heeft gemaakt en, wat zijn geval betreft, een winstgevend beroep: we weten dat
hij voor | | | | zijn stukken wel duizend gulden maakte. Zijn zoons
Abraham, Johannes en Ambrosius en zijn schoonzoon Van der Ast hebben zijn
traditie voortgezet. Deze Balthasar van der Ast
(vóór 1590 - na 1655)
270 is in Middelburg geboren en
waarschijnlijk met zijn schoonvader naar Utrecht getrokken, waar hij in 1619
als lid van het Sint-Lucasgilde wordt genoemd. In 1632 woont hij in Delft, waar
hij in 1656 nog wordt vermeld. Hij schilderde als de Fluwelen Brueghel en
Bosschaert stillevens van bloemen, vruchten, schelpen en vissen, minutieus en
toegewijd, maar zonder de brede allure of de diepte, die het kenmerk zijn van
de waarachtige kunstenaar.
De derde Antwerpenaar, die we in Middelburg ontmoeten, Adriaen van Stalbempt (1580 - 1662)
271 heeft van 1585 tot 1610, dus tot zijn
dertigste jaar, in de Zeeuwse hoofdstad gewoond. Hij was een verdienstelijk
landschapschilder en etser, zoals kan blijken uit de ets van een bergachtig
landschap in het Rijksprentenkabinet. Uit zijn Middelburgse jaren kennen we
echter geen werk van deze Antwerpenaar.
Het stilleven, een geliefd onderwerp van onze zeventiende-eeuwse
schilders, vond behalve in Bosschaert en Van der Ast in nog enkele andere
jongere Middelburgse schilders meer of minder talentvolle vertegenwoordigers:
in François Rijckhals, Philip Angel en
Laurens Craen, die er alle drie geboren
zijn. François Rijckhals (†
1647)
272 werkte enige tijd in
Rotterdam en kwam in 1633 in het gilde te
Dordrecht. In 1642 trouwde hij met een Middelburgse,
klaarblijkelijk een jeugdliefde, en zijn laatste levensjaren heeft hij weer in
zijn geboortestad doorgebracht. Zijn stillevens getuigen van een bijzonder
talent. Philip Angel (1616 - na 1682)
273
woonde en werkte beurtelings in Haarlem en Leiden, tot
hij in 1645 door de O.I.C. naar Batavia werd uitgezonden. Omdat zijn beheer
niet in orde werd bevonden, moest hij ontslag nemen als dienaar der Compagnie;
hij werd toen hofschilder bij de sjah van Perzië, die hem zijn
schilderijen voor een vorstelijk honorarium afkocht en bovendien schilderles
bij hem nam. In 1665 woonde Angel weer in Middelburg, waar zijn naam nog in
1683 voorkomt. Hij is behalve een verdienstelijk schilder, o.a. van stillevens
en interieurs, de schrijver van een boekje: ‘Lof der schilderkonst’ (1642)
274, waarvan de titel de inhoud
voldoende aanduidt. Laurens Craen († ± 1664)
tenslotte wordt tussen de jaren 1655 en 1664 als gildebroeder genoemd, maar er
is al uit 1645 en 1651 werk van hem bekend. Het herinnert aan dat van de
Haarlemse meesters
Willem Claesz. Heda en
Pieter Claesz.
Jochem Langnouwer († 1653)
275, Zeeuw van geboorte, in 1633 beleder van het Sint-Lucasgilde,
maakte enige naam als portretschilder. Al in 1630 had hij het portret van
Willem Teelinck geschilderd. Andere
portretschilders uit de eerste helft van de zeventiende eeuw zijn Karel Slabbaert (1619 - 1654)
276, te
Zieriksee geboren, maar te Middelburg werkzaam, ook als schilder van
genrestukken (o.a. binnenhuizen) en als graveur, en Hendrik Berckmans (1629 - 1679)
277, geboren in de
Klundert, maar van 1654 tot zijn dood in Middelburg woonachtig, waar hij ook
een voorkeur voor het schilderen van ruitergevechten aan de dag legde. Verder
kennen we een aantal portretten van Zacharias Blijhooft († 1681 of
1682)
278, sinds 1659 lid van het gilde, waarvan
hij in 1668 deken werd. Hij was bovendien architect.
Als landschapschilders ontmoeten we in Middelburg Matheus Molanus († 1645)
279, uit de Zuidelijke Nederlanden afkomstig, wiens werk aan dat
van de Fluwelen Brueghel herinnert en die men dus tot de Antwerpse school zou
mogen rekenen, en Johannes Goedaert (1617 - 1668)
280, te | | | | Middelburg geboren en daar werkzaam als
fijnschilder. We bezitten van hem een zeer verdienstelijk gezicht op Westhoven.
Bekend zijn zijn waterverftekeningen van vogels en insecten, waarvan men er
vele vindt in zijn entomologisch werk: ‘Metamorphosis naturalis’ (1662 - 1669; 3 dln.)
281.
Daniël de Blieck († 1673)
282, vermoedelijk te Middelburg geboren, komt in de jaren 1647 -
1669 in de gildeboeken voor. In 1664 en 1665 was hij deken, in 1666 overdeken,
in 1668 weer deken. Hij schilderde vooral kerkinterieurs (o.a. in Delft en
Rotterdam), in de trant van
Hendrick van Steenwijck, de jonge en was
bovendien architect. In dezelfde tijd werkte Hendrik van Schuylenburgh
283 er als schilder,
tekenaar en glasschilder. De bekendste Middelburgse glasschilder uit deze eeuw
was Cornelis van Barlaer (†
± 1681)
284, wiens vader en naamgenoot († 1643 of 1644)
285 er eerder hetzelfde beroep had uitgeoefend. In 1662
en 1663 en vervolgens van 1666 tot 1672 was hij deken van het gilde. Vijf en
twintig jaar lang leverde hij de stad telkens weer geschilderde glazen, bestemd
voor het stadhuis van Middelburg en andere plaatsen, voor kerken in Zeeland en
andere gebouwen.
Ook de Arnemuidse schilder Dirck van Deelen (1605 - 1671)
286 was sinds 1639 lid van het
Middelburgse Sint-Lucasgilde. Geboortig uit Heusden, woonde hij
sinds 1626 te Arnemuiden, waar hij ontvanger der tollen en licenten was en
bovendien meermalen functies in de besturen der burgerlijke en kerkelijke
gemeenten bekleedde, o.a. als burgemeester. Hij was waarschijnlijk een leerling
van de architectuurschilder
Hendrick Aerts (en niet van
Frans Hals, zoals men vroeger meende) en
herinnert ook aan Hendrick van Steenwijck, de jonge. Van Deelen is een van de
beste architectuurschilders van zijn tijd, die ook een aantal kerkinterieurs
heeft geschilderd. Bekend is zijn voorstelling van de zaal op het Binnenhof
tijdens de grote staatsvergadering van 1651, die in het Mauritshuis hangt. Zijn
werk, dat zich over een tijdvak van bijna een halve eeuw uitstrekt, is in deze
zin conservatief dat het nauwelijks enige invloed verraadt van de grote
stijlveranderingen, die zich in de dertiger en vijftiger jaren van de eeuw in
onze schilderkunst voltrokken hebben.
Het is moeilijk, zich uit deze veelheid van namen
287, die voor een deel ook niet meer
zijn dan namen, zich een voorstelling te vormen van de betekenis der
Middelburgse schilders voor het kulturele leven van de stad en het gewest in de
eerste helft van onze Gouden Eeuw. We weten bv. niet, of deze kunstenaars in
hoofdzaak voor de Middelburgse en Zeeuwse kooplieden en regenten werkten, dan
wel voor die van de Hollandse steden. Waarom zovelen van hen naar elders
trokken, is een open vraag, maar het feit geeft te denken. Reeds werd
burgemeester
Jacob Magnus Simonsz. genoemd als de
eigenaar van een Kruisafneming van Gossaert, en we mogen aannemen dat met hem
vele andere rijke kooplieden-magistraten hun woningen opgesierd hebben met
schilderijen van hun stadgenoten. Van
Adriaen van de Venne vond men nog in de
achttiende eeuw te Middelburg tal van schilderijen
288, en in de verzameling van het Zeeuws Genootschap te Middelburg
bevinden zich zeker verscheidene doeken, die uit particulier bezit afkomstig
zullen zijn. Slechts van één van deze verzamelingen uit het begin
der zeventiende eeuw, die van Melchior Wijntgis
289, zijn ons enkele bijzonderheden bekend. Wijntgis, die van
1601 tot 1612 muntmeester was in Middelburg, behoorde tot de vriendenkring van
Carel van Mander
290, die hem zelf een
Kruisiging had geleverd, en die in zijn ‘Schilder-boeck’ (1604), waarvan hij ‘Den grondt der edel vry schilderconst’ aan hem
opdroeg, vele werken uit zijn verzameling noemt, o.a. van
Albrecht Dürer (‘een Roomsche
Lucretia’), | | | | van Jan Gossaert (eveneens een Lucretia), van
Marinus de Zeeuw en
Gillis Mostart. Van Mander kende de
uitgebreide collectie uit eigen aanschouwing
291 en noemt er ruim dertig stukken van met
name.
Van kunsthandelaren uit het zeventiende-eeuwse Middelburg kennen we
maar twee voorbeelden. In 1608 werd Jan Pietersz. van de Venne
292, afkomstig uit
Lier in Brabant, poorter te Middelburg, waar zijn vader, die een
klaarblijkelijk welgesteld Spaans fruitverkoper was, toen al woonde. Hij
vestigde zich als kunsthandelaar en uitgever in ‘de
Schilderijewinckel’ op de hoek van de Nieuwe Beurs aan het einde van de
Korte Burcht. Een afbeelding van de ‘Lauwerhof’ naast het huis
vindt men in het ‘Tafereel van sinne-mal’ (1623) van zijn broer
Adriaen, die later als firmant in de zaak werd opgenomen en deze nog enige tijd
voortzette toen Jan op het laatst van April 1625 stierf. Jan Pietersz. van de
Venne, die zelf ook de dichtkunst beoefende
293, was getrouwd met
Catharina de Gheyn, uit de bekende
kunstenaarsfamilie. Men kocht in zijn winkel:
Schildery, of prenten, boucken, buysen
294,
Of aerdich goet verlackt, tot ciersel van de huysen:
Compas en uyren-werck, of kaerten cleyn en groot,
En watter tot behoef dient voor een zee-pyloot
295.
Over de omvang van zijn schilderijenhandel zouden we graag gegevens
kennen, maar we missen die geheel. Beter zijn we ingelicht omtrent de
kunsthandel die een halve eeuw later, sinds 1671, Laurens Bernaerts te
Middelburg dreef in compagnonschap met
Abraham Buscaré, en die strikt
genomen dus buiten het bestek van dit boek valt. Laurens Bernaerts († 1676)
296 woonde op de Wal in ‘Het Wapen van
Schotland’ (B. no. 43) en had een buitentuin aan de Buitensingel buiten
de Koepoort. Hij was behalve kunsthandelaar ook zelf schilder en had zijn
opleiding genoten bij
François Rijckhals; bovendien was
hij eerste boekhouder in de Wisselbank en kapitein van de schutterij. In
1653/54 werd hij in het Sint-Lucasgilde opgenomen. In 1671 kwam hij met
Buscaré overeen, gedurende vier jaar voor gemeenschappelijke of eigen
rekening op veilingen schilderijen en tekeningen op te kopen ofwel die bij
andere kunstenaars te bestellen, om ze weer te verkopen. Bernaerts zou bij deze
transacties het geld verschaffen. De inventaris van zijn nalatenschap somt een
vijfhonderd doeken op, waaronder van de bekendste Hollandse meesters der
zeventiende eeuw; we mogen hieruit opmaken dat er in Zeeland wel zaken vielen
te doen in schilderijen.
Dit schijnt zich echter vrijwel uitsluitend tot Middelburg te hebben
beperkt. In Zeelands tweede stad, Zieriksee, was in de bloeitijd
van onze Republiek voor een schilder klaarblijkelijk geen droog brood te
verdienen.
Karel Slabbaert, die er geboren werd, trok
naar Middelburg om daar zijn fortuin te zoeken, zoals een eeuw tevoren
Bernard Storm naar Spanje was getrokken
297. In
Arnemuiden ontmoetten we Dirck van Deelen. In Vlissingen werkte
Adriaen Georgius Verdoel (†
1675)
298, die er geboren schijnt te
zijn, en naar de overlevering wil bij Rembrandt in de leer is geweest. Er zijn
een aantal Bijbelse voorstellingen van hem bij name bekend, en volgens
Immerzeel moet hij ook historiestukken geschilderd hebben. Als rederijker
ontmoetten we hem al eerder. In Vere woonden tegen het eind van de
zestiende en in het begin van de zeventiende eeuw enkele leden van het Brugse
schildersgeslacht Finson.
Arnould Finson, te Brugge geboren, werd er
in 1587 poorter. Ook zijn zoon David Finson
299, in 1596 te Vere
geboren, was schilder; op zijn naam staat een ‘Opwekking van
Lazarus’ (1638), een groot doek, waarschijnlijk gemaakt voor het stadhuis
van Bergen-op-Zoom, waar het nog altijd hangt. Jacob van
| | | |
Loo (1614 -
1670)
300
uit Sluis werkte in Amsterdam en later in Parijs.
Goes alleen kan er zich op beroemen, twee schilders te hebben
bezeten, die zich althans met de Middelburgse op één lijn kunnen
stellen. Het zijn de oude en de jonge Eversdijck, van wie vooral de jonge als
historieschilder enige naam heeft gemaakt. Beiden behoorden tot de
Rooms-Katholiek gebleven tak van een bekende Zuidbevelandse familie, Cornelis Willemsz. Eversdijck (± 1580 - ?)
301 heeft een aantal schuttersstukken geschilderd,
waarvan er zich in het Museum Boymans bevinden. Zijn zoon Willem Eversdijck (1617 - 1671)
302 schilderde de portretten van een aantal bekende Zeeuwen uit het
midden der eeuw, o.a. van zijn neef
Cornelis Eversdijck,
Johan de Brune,
Johannes Goedaert,
Johannes de Mey en
Nicolaes Blancardus, en verder evenals
zijn vader schuttersstukken, waarvan er zich in Goes bevinden
303. Hij was eerst
bij zijn vader, vervolgens bij
Cornelis de Vos in Antwerpen
in de leer, en werd omstreeks 1652 lid van het Middelburgse Sint-Lucasgilde.
Later schijnt hij zich weer in zijn geboortestad te hebben gevestigd, waar hij
ook gestorven is. Onder de Zeeuwse schilders van zijn tijd neemt hij een
vooraanstaande plaats in.
| |
Grafische kunsten
De plaatsnijder Joannes Barra († 1634?)
304, die in
het laatst van de zestiende eeuw in Duitsland werkzaam was, is vermoedelijk te
Middelburg geboren. In 1604 gaf hij daar bij de uitgever
Richard Schilders een allegorische
voorstelling van de dood uit, die hij opdroeg aan de schoolmeester
Johan Coutereels. Misschien woonde hij in
deze tijd, zo al niet in Middelburg zelf, dan toch in Zeeland.
De etser Johannes Sarragon
305 werkte
tussen de jaren 1627 en 1655 in Zeeland, in het laatstgenoemde jaar in
Brouwershaven. Hij graveerde de portretten van
Samuel de Swaef (1627),
Godefridus Cornelisz. Udemans (1635) en
Adriaen Hoffer (1644).
De bekende graveur
Chrispijn van de Passe
306
werd omstreeks 1560 te Arnemuiden geboren, maar vertrok al vroeg uit Zeeland en
is er nooit teruggekeerd.
De Middelburger Johannes Looff († 1651)
307, die
waarschijnlijk van Duitse afkomst was, was van 1634 tot zijn dood
stempelsnijder van de Munt van Zeeland. We bezitten van hem een aantal
gedenkpenningen, die getuigen van een grote kunstvaardigheid en
kunstzinnigheid, o.a. op de zeeslag op het Slaak (1631), de inneming van
Sas-van-Gent (1644) en Hulst (1645) door Frederik Hendrik en de vrede van
Munster (1648). Ook sneed Looff een aantal leg- en gedenkpenningen, o.a. voor
de Middelburgse rederijkerskamer ‘Het Bloemken Jesse’
(1642). Marie de Man, die zijn leven en werken uitvoerig beschreef, rekent deze
begaafde en veelzijdige kunstenaar onder de vooraanstaande Nederlandse
graveurs.
| |
Bouwkunst
Sinds het midden van de zestiende eeuw treft men in Zeeland gevels
in Vlaamse Renaissance-stijl aan, met rijke ornamentiek
308, als het (in 1809 verbrande)
stadhuis van Vlissingen (1594 - 1610)
309, dat van Brouwershaven (1599)
en Zieriksee (1554), en tal van particuliere woningen. Het stadhuis van
Vlissingen, een verkleinde navolging van dat te Antwerpen, is vermoedelijk
gebouwd naar een ontwerp van
Paulus Moreelse (1571 - 1638), de
Utrechtse schilder-bouwmeester, die hier voor de eerste maal in onze
Noordnederlandse raadhuisbouw een ruimteverdeling in klassicistische zin
toepaste. Een der eerste uitingen van de Utrechts-Amsterdamse richting in de
bouwkunst, waaraan de namen van
Bloemaert | | | | en
De Keyser zijn verbonden, is de in 1599
opgetrokken zandstenen gevel van het al eerder bestaande stadhuis van
Brouwershaven, die met zijn drie vensterassen eveneens een
strengere opvatting van het Klassicisme vertegenwoordigt
310. Ook de in
deze periode in Zeeland gebouwde of voltooide torens van raadhuizen en kerken
kenmerken zich door hun barokke Vlaamse Renaissance-bouw, als de toren van het
Zierikseese stadhuis (1554), de houten bekroning van de ‘Lange Jan’
(1590) ter vervanging van de in 1567 verbrande, de toren van het Veerse
stadhuis (1599) en die van de Sint-Willebrorduskerk van Hulst (1600)
311.
Het mooiste woonhuis in de Vlaamse Renaissance-stijl gebouwd, niet
alleen in Zeeland, maar in al de Noordelijke Nederlanden, was het huis
‘In de Steenrotse’ (1590), dat de uit het Zuiden afkomstige
metselaar Andries de Valckenaere zich op het einde der zestiende eeuw te
Middelburg had gebouwd
312.
Vermenging van Vlaamse, Hollandse en Duitse karaktertrekken vond men in die
andere prachtige Middelburgse gevel van ‘De Gouden Sonne’ (1633 of
'34)
313. Beide
zijn, met zovele andere gebouwen die het sieraad van mijn vaderstad uitmaakten,
op 17 en 18 mei 1940 jammerlijk in vlammen opgegaan.
Pas omstreeks het midden van de zeventiende eeuw begint de Zeeuwse
bouwstijl zich langzaam van deze Vlaamse stijl los te maken en toenadering te
tonen tot de Noordnederlandse, en dan in 't bijzonder de Zuidhollandse
Renaissance-stijl
314. Houdt
deze trage ontwikkeling wellicht verband met de aanwezigheid van een groot
contingent Zuidnederlanders in Zeeland, waardoor men hier langer vasthield aan
de Vlaamse bouwtrant dan in Holland? Intussen moet in dit verband opgemerkt
worden, dat de ontwikkeling van de bouwstijl in de landprovincies, Utrecht
uitgezonderd, een nog langzamer tempo vertoonde. Eerst na 1640 dringt met name
in Middelburg de invloed van het Klassicisme meer en meer door; de
stedelijke overheid gelast dan zelfs, dat nieuw uitgegeven stadsgronden moesten
worden bebouwd ‘op twee stagiën hoogte en op gelijcke forme met
Italiaansche gevels’
315, en de bouw der Oostkerk (1644-1667) werd
aan
Pieter Post en andere Haagse bouwmeesters
opgedragen. Uit hun school was o.a. de stadsarchitect Daniël de Blieck,
die we eerder als schilder ontmoet hebben, en die de ontwerper is van de gevel
van het pakhuis der O.I.C. aan de Breestraat (1671), een der mooiste
voorbeelden - maar in 1940 helaas eveneens verbrand - van het Klassicisme in
Zeelands hoofdstad.
|
265Vgl. A. Bredius, De gildeboeken van St. Lucas
te Middelburg (Archief voor Ned. kunstgesch., 6 (1884 - 1887), blz. 106 - 264).
Van dit gilde waren de rekeningboeken van 1544 - 1588 en van 1642 - 1802
bewaard, evenals de privilegiebrieven van 1539 en 1585; men vindt ze
gedeeltelijk in deze studie herdrukt. In 1940 zijn al deze stukken verloren
gegaan.
266Over Van de Venne als schilder zie: D.
Franken Dz., Adriaen van de Venne (Amsterdam, 1878); Just Havelaar,
Oud-Hollandsche figuurschilders (Haarlem, 1915), blz. 61 - 67; G. Knuttel, Das
Gemälde des Seelenfischfangs von
Adriaen Pietersz. van de Venne (Haag,
1917).
267A. Bredius en N. de Roever,
Pieter Lastman en François Venant
(Oud-Holland, 4 (1886), blz. 1 - 23); J.G. van Gelder, François Venant,
schilder (t.a.p., 54 (1937), blz. 137 - 139).
Salomon Koninck is een leerling van
hem.
268Zie over hem: B.N.B., XVIII, p. 416 (Fernand
Donnet); Künstler-inventare. Urkunden zur Geschichte der
holländischen Kunst des XVIten, XVIIten und XVIIIten Jahrhunderts,
herausgegeben von A. Bredius. IV (Haag, 1917), S. 1155 - 1156. - Hij was
getrouwd met
Barbe van den Broeck. - F. Jos. van den
Branden, Geschiedenis der Antwerpsche schilderschool (Antwerpen, 1883), blz.
293 - 294. - In 1593 woonde hij in de buurt van de Abdij, bij het huis van
Prins Maurits.
269Zie over hem: N.N.B.W., X, kol. 100 (J.M.
Blok); A.P.A. Vorenkamp, Bijdrage tot de geschiedenis van het Hollandsch
stilleven in de zeventiende eeuw (Leiden, 1933), blz. 115 - 117; J.G. van
Gelder, Van blompot en blomglas (Elsevier's geïllustr. maandschr., 46
(1936), blz. 73 - 82, 155 - 166, vooral 156 - 165). - Bosschaert woonde eerst
met zijn vader in de Noordstraat tegenover het stadhuis, en later, alleen,
achter de Oude Kerk.
270Zie over hem: N.N.B.W., I, kol. 192 (E.W.
Moes); Vorenkamp, t.a.p., blz. 116 - 119.
271Zie over hem: Van den Branden, t.a.p., blz.
625 - 631. Hij was Hervormd, maar is later Rooms-Katholiek geworden en
tenslotte toch weer tot de Hervorming teruggekeerd, evenals hij later ook weer
naar Antwerpen teruggekeerd is.
272Zie over hem: A. Bredius, De schilder
François Ryckhals (Oud-Holland, 35 (1917), blz. l - 11). - Hij was in de
eerste jaren der eeuw te Middelburg geboren.
Laurens Bernaerts is een leerling van
hem.
273Zie over hem: N.N.B.W., I, kol. 146 (E.W.
Moes); P.J. Frederiks, Philip Angel's Lof der schilderkonst (Oud-Holland, 6
(1888), blz. 113 - 122). - Hij is misschien een kleinzoon van de uit Antwerpen
afkomstige Philip Angel, die in 1591 schoolmeester werd te Middelburg.
274Philips Angel's Lof der schilder-konst. Tot
Leyden, ghedruckt by Willem Chris-tiaens, woonende by de Academie. Anno 1642
(IV, 58 blzn.) (Nat. Bibl., 's-Gravenhage).
275Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 28; Kramm,
t.a.p., III, blz. 951. - Hij werd 5 Augustus 1653 in de Oude Kerk
begraven.
276Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 633 - 634. -
Omstreeks 1640 was hij te Leiden bij Gerard Dou in de leer. In 1649 en 1650 was
hij commissaris, in 1653 en 1654 deken van het Middelburgse gilde.
277Zie over hem: N.N.B.W., II, kol. 131 - 132
(E.W. Moes). - Het Rijksmuseum bezit van hem portretten van luitenant-admiraal Adriaen Banckert (1602 - 1684),
Michiel Adriaensz. de Ruyter en de
Vlissingse predikant
Thomas Pots (1618 - 1689). Verder
tekende hij fantasie-portretten van
Sacharias Jansen en
Hans Lipperhey. - Berckmans werkte
voordat hij in Middelburg kwam te Leiden; hij was leerling van
Thomas Willeboorts Bosschaert, de
Antwerpse historie- en portretschilder, en van
Jacob Jordaens.
278Zie over hem: N.N.B.W., II, kol. 186 (E.W.
Moes); De la Rue, blz. 481; Nagtglas, I, blz. 44 - 45. - Het Rijksmuseum bezit
van hem portretten van de Toolse burgemeester
François Leidecker (1651 - 1688)
en zijn vrouw Maria van der Burght, het Zeeuws Genootschap heeft zijn
zelfportret. In de ‘Zelandia Illustrata’ is van hem een tekening
van het kasteel Westhoven (1674).
279Hij werd 3 April 1645 op het Oude Kerkhof te
Middelburg begraven. - Een landschap uit 1635 is in het museum te
Dresden.
280Zie over hem de op blz. 468, noot 210
genoemde bronnen; bovendien: J.Q. van Regteren Altena, Een gezicht op
Walcheren, van Johannes Goedaert (Oud-Holland, 44 (1927), blz. 269 - 274) (met
een bibliografie van zijn werken). - Hij werd 15 Januari 1668 te Middelburg
begraven.
281Vgl. hiervóór, blz. 468, noot
211.
282Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 43 - 44;
N.N.B.W., II, kol. 179 - 180 (E.W. Moes). - Hij werd 6 Maart 1673 te Middelburg
begraven.
283Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 621 - 622. -
In 1647 vervaardigde hij de bekende afbeeldingen van de in Januari van dat jaar
te Domburg gevonden Nehalenniastenen en penningen.
284Zie over hem: N.N.B.W., II, kol. 91 (E.W.
Moes).
285Zie over hem: t.a.p. (E. W. Moes). - In 1631
en 1639 was Cornelia van Barlaer de oude beleder van het gilde. - Ook komt nog een Abraham van Barlaer(† 1668) (vgl.
t.a.p.), waarschijnlijk een zoon van deze Cornelis, te Middelburg als
glasschilder voor.
286Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 153 - 154;
N.N.B.W., VII, kol. 365 (A. Mulder); H.M. Kesteloo, Geschied- en
plaatsbeschrijving van Arnemuiden (Middelburg, 1876), blz. 145 - 146. - Toen
Van Deelen in 1633 tot ouderling was gekozen, verzocht iemand om hem niet toe
te laten, omdat hij ‘utenteeckent de lieden gelick sy in de kerke
sitten’ (Acta van de kerkeraad, bij Kesteloo, t.a.p., blz. 146). - In het
stadhuis van Arnemuiden is een groot schilderij van hem, een zinnebeeldige
voorstelling van de gerechtigheid (1656), en in het ziekenhuis te Middelburg
een schilderij van de Heiland te Bethesda.
287Hier volgen nog enkele andere namen:
Salomon Mesdach, in 1628 deken van het
Sint-Lucasgilde; hij schilderde de portretten van Faukelius,
Gilles Burs en verscheidene leden van de
familie Boudaen Courten, die in het Rijksmuseum te Amsterdam berusten; zie:
Nagtglas, II, blz. 168 - 169;
Jasper Beckx (†
vóór 1647), werkzaam te Bergen-op-Zoom en te Middelburg, van wie
het Pepergasthuis te Groningen een keukenstuk (1627) bezit; zie: Vorenkamp,
t.a.p., blz. 23; Abraham van Barlaer, klaarblijkelijk een familielid van de
glasschilders, die in 1665 lid van het Sint-Lucasgilde was; zie: N.N.B.W., II,
kol. 90 (E.W. Moes);
Michiel van Limburg, schilder van
gezel-schapsstukken onder invloed van Frans Hals; in 1647 werd hij lid van het
gilde; zie: C. Hofstede de Groot, Plaatselijke ontwikkeling van onze 17de
eeuwsche schilderschool (Verslag van de algem. vergadering der leden van het
Hist. Gen. te Utrecht, 1897), blz. 54.
288Prof. Jacobus Willemsen († 1780) liet
vijf uitvoerige stukken van deze schilder na. - Vgl. Nagtglas, II, blz. 820,
957.
289Zie over hem: H. Hymans, Melchior Wyntgis
(Dietsche warande, N.R., 2 (1889), blz. 152 - 158, 268 - 277). - In de
inventaris van zijn goederen, die in dit art. is afgedrukt, komen verscheidene
schilderijen, die Van Mander noemt als Wyntgis' bezit, niet meer voor. -
Wyntgis vertrok in 1612 naar Brussel als conseiller et maître
extra-ordinaire de la Chambre des comptes pour la duché de
Luxembourg.
290De Nederduytsche Helicon (1606) bevat een
‘Nieu-jaer-liedt’ van
Abraham van der Myl, dat aan Wijntgis is
opgedragen; vgl. hiervóór, blz. 336.
291Carel van Mander, Schilder-boeck (Haerlem,
1604), blz. 242a, 246b. - Vgl. H.E. Greve, De bronnen van
Carel van Mander voor ‘Het leven der
doorluchtighe Nederlandtsche en Hoogduytsche schilders’ ('s-Gravenhage,
1903), register i. v. Wyntgis.
292Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 818 - 822;
Bredius, Künstler-inventare, a.a.O.,VII, S. 245.
293Vgl. Jacob Cats, Houwelyck (Middelburgh,
1625).
295Van de Venne, Tafereel van sinne-mal,
t.a.p., blz. 8.
296Zie over hem: N.N.B.W., II, kol. 137 - 138
(E.W. Moes); Bredius, Künstler-inventare, a.a.O., III, S. 1042 - 1064
(alwaar de inventaris van zijn nalatenschap); VII, S. 16 - 17. - Bernaerts
stierf in het Oude-Mannenhuis en werd 22 Juni 1676 begraven. - Het Zeeuws
Genootschap bezit van hem een in 1649 geschilderde voorstelling van het huis
ter Linde bij Rittem.
297In het laatste kwart van de eeuw woonde de
middelmatige zeeschilder Aernout (of
Arnoldus) van Anthonissen in Zieriksee,
omstreeks 1640 geboren als zoon van Hendrick van Anthonissen, die eveneens
zeeschilder was. De zoon was van 1667 tot 1669 lid van het Sint-Lucasgilde te
Middelburg en komt in 1677 in Zieriksee voor, waar zich in het Burgerweeshuis
twee grote riviergezichten van hem bevinden, en in de Kamer 'sLands van
Schouwen een kaart van Schouwen in 1540 (1690), door hem getekend. - Zie over
hem: N.N.B.W., I, kol. 156 (E.W. Moes); Bredius, Künstler-inventare,
a.a.O, II, S. 633 - 635 en de in het register genoemde blzn.
298Zie over hem: De la Rue, blz. 507 - 508;
Nagtglas, II, blz. 827 - 828; Bredius, Künstler-inventare, a.a.O., zie
register; Immerzeel, t.a.p., III, blz. 171. - Hij werd 19 Januari 1675 te
Vlissingen begraven. A. Houbraken (De groote schouburgh der Nederlantsche
konstschilders en schilderessen 2 ('s-Gravenhage, 1753), II, blz. 57
- 58) deelt mee dat Verdoel bij Rembrandt in de leer is geweest. Hij kan de
grote schilder hebben leren kennen door diens te Vlissingen wonende zwager
François Copal, die met
Titia Uylenburgh Rembertusdr. getrouwd
was. Volgens Houbraken was Verdoel uit het Overmaasse afkomstig, maar De la Rue
noemt hem Vlissinger van geboorte. Ook zijn zoon en naamgenoot heeft als
schilder enige naam gemaakt. Verdoel was ook lid van de Vlissingse
rederijkerskamer ‘ De Blaeu Acolye’; vgl.
hiervóór, blz. 144, noot 181.
299Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 215 - 216;
Ermerins, Eenige Zeeuwsche oudheden, VI, blz. 198.
300Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 94.
301Zie over hem: De la Rue, blz. 524; Nagtglas,
I, blz. 198 - 199; N.N.B.W., III, kol. 365 (C. de Waard); P. Haverkorn van
Rijsewijk, De schutterstukken uit Goes (Archief voor Ned. kunstgesch., 7 (1888
- 1890), blz. 166 - 183), blz. 179 - 183. - De doelenstukken van het Museum
Boymans zijn uit 1616.
302Zie over hem behalve in de vorige noot
genoemde bronnen: De la Rue, blz. 524 - 525; N.N.B.W., III, kol. 372 (C. de
Waard).
303De twee stukken in het stadhuis van
Middelburg (1655 en 1662) gingen in Mei 1940 verloren.
304Zie over hem: N.N.B.W., II, kol. 91 (E.W.
Moes). - In 1611 woonde Barra in Amsterdam, in 1623 in Londen.
305Zie over hem: Kramm, De levens en werken der
Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, t.a.p., V, blz. 1444; Von Wurzbach,
Niederländisches Künstler-Lexikon, a.a.O., II, S. 560.
306Zie over hem: De la Rue, blz. 551 - 555;
Nagtglas, II, blz. 346 - 348; N.N.B.W., V, kol. 454 (J.M. Blok); D. Franken
Dzn., L'oeuvre gravé des Van de Passe (Amsterdam - Paris, 1881).
307Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 94 - 95; M.G.A. de Man, Het leven en de werken van Johannes Looff, stempelsnijder en
graveur te Middelburg (Archief Z.G.d.W., 1925, blz. 1 - 72).
308Vgl. voor het onderstaande vooral Vermeulen,
Handboek tot de geschiedenis der Nederlandsche bouwkunst, t.a.p., II, passim,
en vooral blz. 324 - 328, 385 - 387.
309VgL.c. Hollestelle, Het voormalige stadhuis
te Vlissingen (Het Huis oud en nieuw, 14 (1916), blz. 335 - 345); Vermeulen,
t.a.p., II, blz. 283 - 285.
310T.a.p., II, blz. 242, 289.
311T.a.p., II, blz. 385 - 387.
312T.a.p., II, blz. 324 - 325.
313T.a.p., II, blz. 326 - 327.
314Vgl. t.a.p., III, blz. 299.
315Aangehaald bij Unger, De monumenten van
Middelburg, t.a.p., blz. 8.
|
|