auteur: P.J. Meertens
bron:
P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en
de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers
Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van
Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2000 dbnl / erven P.J. Meertens

|
|
| | | | | |
VII. Slotbeschouwing
Het beeld van het letterkundig leven in Zeeland, zoals dat in de
voorafgaande bladzijden beschreven is, is het tegendeel van monumentaal. De
letterkunde is nooit de sterkste zijde van het Nederlandse kulturele leven
geweest, en naar alle waarschijnlijkheid zal ons volk door zijn literatuur wel
nimmer een wereldreputatie verwerven. In de vijftiende eeuw hebben onze musici,
in de zeventiende eeuw onze schilders op hun terrein internationaal de toon
aangegeven, maar er is geen tijdperk aan te wijzen, zelfs niet dat van onze
Gouden Eeuw, waarin onze dichters de belangstelling van de gehele Westeuropese
wereld hebben bezeten. Niet
Cornelis Everaert of
Anna Bijns, maar de auteur der
‘Imitatio’ en Erasmus, niet
Vondel of
Hooft, maar De Groot en Heinsius zijn het
geweest, die onze naam buiten de grenzen groot hebben gemaakt. Niet de
dichters, maar de schilders en de geleerden zijn de gezanten geweest van onze
kultuur. Onze letterkunde kent zomin een Dante als een Petrarca, een
Rabelais als een
Shakespeare, maar alle eeuwen door hebben
onze geleerden het denkleven van hun tijd beïnvloed en zich zo niet de
meerdere, dan toch de evenknie geweten van de grote vertegenwoordigers der
wetenschappen in de ons omringende landen. Ons volk leeft meer uit de daad dan
uit de droom; onder zijn geleerden staan de beoefenaren der exacte
wetenschappen vooraan, en terwijl we onze dichters vergaten, bleven onze
zeehelden eeuwen lang populair.
Dit alles geldt ook voor Zeeland. Meer dan elders was hier de strijd
om het bestaan hard en gebiedend; meer dan welke andere bevolkingsgroep ook
moest het Zeeuwse volk onafgebroken wakker en waakzaam zijn, wilde het niet ten
offer vallen aan de altijd onberekenbare grilligheid van het water. Dijkwerkers
en waterbouwkundigen werden hier geboren, als
Cornelis Vermuyden en later Abraham
Caland, toekomstige zeehelden als de Evertsens en De Ruyter brachten hier hun
jongensjaren door en kozen van hieruit voor het eerst zee. Tezamen met hen
groeiden de duizenden naamlozen op, de boeren, de vissers, de schippers en de
kooplieden, die het land en de steden welvarend maakten. Op de altijd eendere
maatslag van de tijd kwamen en gingen hun geslachten; elk verbonden aan het
voorafgaande en het volgende. Er zijn geen plotselinge overgangen aanwijsbaar
in het leven en evenmin in het denken der generaties, alles voltrekt zich langs
lijnen van geleidelijkheid, en elke breuk in de organische ontwikkeling der
geschiedenis, die we een revolutie noemen, werd lang voorbereid in de geest
alvorens ze uitgroeide tot een daad. Aldus ontwikkelt zich uit de middeleeuwse
idee der katholiciteit van het leven, die in de ene Katholieke kerk haar
belichaming vond, de Renaissance die de mens en de wereld ontdekte, en uit deze
weer de Reformatie, die het vrijdheidsbeginsel, door het Humanisme in de
wetenschap toegepast, op de kerk en het geloofsleven betrok. In de Nederlanden
valt de strijd om geloofsvrijheid vrijwel samen met die om de nationale
vrijheid, en wanneer beide bevochten zijn, helaas ten koste van het verlies der
Zuidelijke Nederlanden, breekt voor de Noordelijke gewesten een bloeitijd aan
als deze nooit tevoren en nooit meer sindsdien gekend hebben. Het is de tragiek
der geschiedenis, dat de nieuwe kerk al heel spoedig na haar vrijmaking
overgaat tot vervolging en verdrukking van dissidente groepen, | | | |
als wilde ze aantonen dat alle waarden in het leven maar betrekkelijk zijn, en
dat de consequente doorvoering van een beginsel tot zelfvernietiging moet
leiden.
Van dit alles ondervindt Zeeland steeds de weerslag, maar doorgaans
minder sterk dan elders, met name in Holland. Het wetenschappelijk leven der
Humanisten in Middelburg, Vere en Zieriksee is maar een flauwe afschaduwing van
dat in de Vlaamse en de IJselsteden. De Renaissance-dichtkunst heeft in Haarlem
en Amsterdam heel wat weliger gebloeid dan in Zeeland, het Romanisme, parallel
verschijnsel in de schilderkunst, vindt alleen al daarom in Zeeland weinig
ingang, omdat er nauwelijks schilders zijn. Weinig opgewekt is er ook het
rederijkersleven; een landjuweel van enige betekenis vond er nimmer plaats.
Alleen in de scheepvaart en het handelsverkeer der vijftiende en zestiende
eeuw, straks ook in de economische opbloei tijdens onze Gouden Eeuw neemt
Zeeland een naar verhouding tot Holland gelijkwaardig aandeel. Maar vooral in
het kerkelijke en godsdienstige leven domineert het tijdens de Republiek. Het
blijkt uit het gezag van de Zeeuwse synoden, uit het aandeel der Zeeuwse
theologie in de Bijbelvertaling, uit het aandeel dat de Zeeuwse predikanten
nemen in het wetenschappelijke leven van hun tijd, het blijkt vooral ook uit de
diepe en langdurige invloed van het Piëtisme, dat in Zeeland voor het
eerst wortel heeft geschoten.
Door hun geografische ligging waren de Zeeuwse eilanden het
natuurlijke overgangsgebied van Vlaanderen naar Holland. Ook al
vóór de zestiende eeuw was de invloed der Zuidelijke gewesten er
sterk, o.a. als gevolg van de bedijkingen op Zuidbeveland en Schouwen, die van
de Vlaamse kloosters Ter Duinen bij Veurne en Ter Doest bij
Lissewege uitgingen. Via Zeeland dringen de rederijkerskamers in
de Noordelijke gewesten door; indien de Middelburgse kamer al niet de oudste
is, dan behoort ze toch, met die van Vere, Goes
en Reimerswaal, tot de oudste kamers uit het Noorden. En als, bijna
anderhalve eeuw later, vooral na de val van Antwerpen
tienduizenden vluchtelingen uit Vlaanderen en Brabant naar de Zeeuwse eilanden
uitwijken, wordt de Vlaamse invloed in Zeeland van dusdanige aard dat het volk
er in zijn taal, in zijn zeden en gebruiken en vooral in zijn geloofsleven nog
na drie en een halve eeuw en langer de sporen van is blijven dragen. Vooral
onder invloed van deze rigoureuze Calvinisten keerde het gewest zich eerst
tegen het sluiten van het Bestand, later ook tegen de vrede van Munster. Beide
keren zonder succes, omdat Zeeland in 1609 al lang en breed en voorgoed door
Holland overvleugeld was.
Enkele keren scheen het alsof er iets groots zou gaan gebeuren in
dit kleine land van vele wateren. In de late Middeleeuwen is de koopvaart, die
in Middelburg haar zetel had, van zo grote betekenis geweest dat
de stad het kwijnende Bruggehad kunnen vervangen, maar het is niet
gebeurd. De Schotse stapel heeft aan het wel voorname, maar desondanks altijd
klein gebleven Vere een belangrijkheid gegeven, die ver uitreikt boven de rang,
waarop het van nature recht had, maar dit privilege heeft niet kunnen
verhinderen dat Vere mettertijd een dode stad werd. Het kasteel
van Sandenburg, dat onder zijn muren lag, schijnt in het begin der zestiende
eeuw als middelpunt van kunstzinnig en wetenschappelijk leven betekenis te
zullen krijgen, maar binnen een halve eeuw heeft de dood van de laatste
slotheer alle verwachtingen in dit opzicht ijdel gemaakt. De emigratie van
Vlamingen en Brabanders opent ongekende perspectieven voor handel en economisch
leven, voor wetenschap en | | | | kunst, maar
Balthasar de Moucheron moet weldra met de
noorderzon vertrekken, en wat er van de emigranten in Zeeland blijft, reikt in
kultureel opzicht niet boven rederijkers en dorpspredikanten uit, een enkele
uitzondering daargelaten. De eerste universiteit in de Noordelijke Nederlanden
had ook in Middelburg opgericht kunnen zijn, maar de keus viel tenslotte op
Leiden, en de met veel moeite in het leven geroepen Illustre school van
Middelburg leidt een kortstondig en bloedarm bestaan.
Zoals Leiden de geleerden tot zich trekt, doet
Amsterdam het de kooplieden. Maar weinige jaren zijn Holland en
Zeeland op voet van gelijkheid verbonden geweest, in de tijd toen ze schouder
aan schouder optrokken tegen de macht, die hen gemeenschappelijk bedreigde.
Weldra wijken hun belangen te zeer uiteen dan dat ze nog langer gemeen front
zouden kunnen maken. Dan wordt Zeeland in vrijwel alle opzichten meer en meer
naar het tweede plan geschoven. Wat zich op politiek, vervolgens ook op
economisch terrein afspeelt, weerspiegelt zich in de letterkunde. Naast Vondel
en Hooft, Bredero en Huygens, zijn de Zeeuwen met
Cats en
De Brune, met Van Borsselen en Hondius
verreweg de minderen, alle lofdichters van de ‘Zeeusche Nachtegael’
ten spijt, en wel in die mate dat van een vergelijking zelfs geen sprake kan
zijn.
Zoals in de letterkunde ging het ook in de schilderkunst. Op geen
enkel terrein hebben de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden zich een zo grote
internationale roem verworven als door hun schilders. Een indrukwekkend lange
rij van werken, in de musea van alle werelddelen verspreid, legt een
welsprekend getuigenis af van het vermogen, dat ons als aangeboren schijnt, om
de zintuigelijke indrukken vast te leggen in een zo algemeen menselijke taal,
dat de verstilde vroomheid van een Madonna van
Bouts, de deerniswekkendheid van de
kreupelen van
Brueghel of de jacht der wolken langs
Hollands lage hemel, zoals Ruysdael ze schilderde, ons op zijn minst nog even
sterk ontroeren als het geslacht, dat deze stukken zag ontstaan. Maar wat is de
reden dat Zeeland vele schilders van het tweede plan voortbracht, maar nooit
een die zich met de grootsten kon meten, noch in de tijd toen in Vlaanderen en
Brabant de Van Eycks,
Memlinck, Bouts en
Jeroen Bosch aan hun werk voor de
eeuwigheid arbeidden, noch in de Gouden Eeuw, toen
Rembrandt,
Hals en
Steen hun onvergankelijke glorie schiepen,
noch in de negentiende eeuw, toen de Marissen, Israëls en Van Gogh de
traditie van onze schildersschool voortzetten? Het is moeilijk, op deze
pijnlijke vraag een bevredigend antwoord te vinden. Uit het feit dat sinds lang
schilders uit andere streken in Zeeland inspiratie komen zoeken voor hun kunst,
blijkt dat het landschap niet de schuld draagt van deze lacune. Zeker heeft de
rijkdom der Brugse en Antwerpse, later der Amsterdamse kooplieden het ontstaan
van schildersscholen bevorderd, maar hebben van de zestiende tot de achttiende
eeuw ook in Middelburg en Zieriksee geen handelsmagnaten geleefd, die zich met
hun gezinnen lieten uitschilderen? Het schilderij dat
Cornelis de Zeeu van
Pierre de Moucheron met zijn vrouw en al
hun twintig kinderen heeft gemaakt, is de bevestiging van deze
veronderstelling. Ook Middelburgse regenten en confrerieën hebben
getracht, de vergankelijkheid van hun kleine namen te bezweren door althans hun
beeltenis voor het nageslacht vast te leggen, maar in het gunstigste geval was
het een Willem Eversdijck, die zijn talent in dienst van hun ijdelheid stelde.
Men zou willen weten waarom het zeventiende-eeuwse schildergenie Zeeland als
het ware angstvallig heeft vermeden, terwijl in steden als Haarlem en Delft,
aanmerkelijk minder van betekenis dan Middelburg, in deze zelfde tijd hele
schildersscholen kunnen ontstaan. Maar ook deze vraag keert | | | | als
zovele andere ledig weer tot wie ze stelde. Men kan alleen constateren dat de
Zeeuwen klaarblijkelijk geen picturale aanleg hebben bezeten, zomin als een
muzikale aanleg dit volk eigen is geweest.
De samenvatting van deze beschouwingen kan geen andere zijn, dan dat
de Zeeuwen weinig hebben bijgedragen tot de Nederlandse kunst. Niet op dit
terrein ligt hun betekenis voor de opbouw van ons volk, maar op dat van de
wetenschap, en dan vooral van de natuurwetenschappen, waarin zij met
Paulus van Middelburg,
Philips Lansbergen en Isaack Beeckman op
verdienstelijke wijze vertegenwoordigd zijn.
Slechts op één ander terrein van het geestelijke leven
hebben de Zeeuwen meer en grotere waarden bijgedragen tot de Nederlandse
volksgemeenschap: op dat van het geloofsleven. ‘It is well said, in every
sense’, zegt Carlyle
1, ‘that a man's religion is
the chief fact with regard to him. A man's, or a nation of men's’. Wie
deze woorden onderschrijft, heeft reden om Zeelands aandeel in het Nederlandse
geestesleven tenslotte toch weer hoger te schatten dan het aanvankelijk leek.
Het Calvinisme, dat voor de ontwikkeling van de Noordelijke Nederlanden als
natie van groter betekenis is geweest dan een van de andere Protestantse
gezindten, rustte nergens op hechter pijlers dan in Zeeland. Sociale en
economische factoren hebben er het hunne toe bijgedragen, dat dit gewest vooral
in godsdienstig opzicht zo grote krachten zou ontplooien. Maar in sterker mate
nog wellicht is de gepraedisponeerdheid van de Zeeuwen voor het Calvinisme
daarop van invloed geweest. De eigenaardige nuance van het calvinistische
geloof, die hier het eerst en het sterkst tot uiting kwam, heeft zich ook
buiten Zeeland doen gelden en in zekere zin het godsdienstige leven van ons
volk telkens weer beïnvloed. Het Piëtisme, dat persoonlijk
geloofsleven en praktische beleving van de vroomheid tegenover vormelijke
rechtzinnigheid stelde, vond in Zeeland zijn wegbereiders: de Teelincks,
Udemans en anderen. In Cats, bijna twee eeuwen lang populair als geen ander
dichter vóór en na hem, heeft deze stroming het Nederlandse volk
in brede lagen beïnvloed. Kon Zeeland dan geen groot dichter toevoegen aan
de dichters van onze Gouden Eeuw, het nam revanche door een dichter, wat ons
betreft een rijmelaar voort te brengen, die ook in Holland meer gelezen werd
dan zelfs de besten onder de Hollandse dichters. In kunstzinnig opzicht was en
bleef het ook nadien de mindere van Holland, maar wat het daarin te kort
schoot, compenseerde het doordat het in zijn piëtistisch mysticisme aan
het godsdienstig leven van ons volk een karaktertrek toevoegde van grote en
wezenlijke betekenis. En het is tenslotte niet de poëzie, maar het geloof,
dat het karakter van een volk bepaalt en het zijn plaats toekent in de wereld
en in de geschiedenis.
|
1Thomas Carlyle, On heroes, hero-worship and the
heroic in history (London, 1872), p. 2.
|
|