'Huygens en Harington. Over de bron van een serie sneldichten'


auteur: Tineke ter Meer


bron: Tineke ter Meer, ‘Huygens en Harington. Over de bron van een serie sneldichten.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 106 (1990), p. 142-166.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 142]

Tineke ter Meer

Huygens en Harington.
Over de bron van een serie sneldichten *

1. Uitgangspunten

Een niet onaanzienlijk deel van Huygens' oeuvre bestaat uit epigrammen. Sneldichten, zo noemt de dichter ze, of - met een collectivum - sneldicht. De tweede druk van zijn verzamelde Nederlandse poëzie, de Koren-bloemen uit 1672, bevat er tegen de drieduizend. Ze vullen maar liefst 15 van de 27 boeken waarin de bundel is verdeeld.

Onder al die honderden epigrammen zijn er ongetwijfeld vele waarvan de inhoud geen eigen vinding van Huygens is. De dichter zelf geeft evenwel weinig informatie over het materiaal dat hij heeft gebruikt, in de drukken nog minder dan in de handschriften. De belangrijkste aanwijzingen die we in de Koren-bloemen aantreffen, zijn vervat in de titels van drie series epigrammen: ‘Uyt Engelsch OnDicht’, ‘Uyt Spaensch OnDicht’ en ‘Uyt Hooghduytsch OnDicht’ (ondicht = proza). Verder vinden we er zo nu en dan in de marge een citaat of een verwijzing. Ook is een heel enkele keer uit het opschrift van een sneldicht iets op te maken over de bron.

De handschriften bevatten meer dat ons op weg kan helpen. We vinden er bijvoorbeeld in de marge nadere aanduidingen van het Engelse, Spaanse en Duitse proza dat Huygens voor de drie zojuist genoemde reeksen heeft gebruikt. Deze notities, evenals de meeste andere marginaliën, zijn overgenomen door J.A. Worp in zijn editie van Huygens' gedichten naar de handschriften. 1

De sneldichten waarbij iets vermeld staat omtrent de bron, vormen evenwel ook in de manuscripten slechts een klein percentage van het geheel. Bovendien hebben niet alle aantekeningen hetzelfde

[p. 143]

karakter. Zo geeft Huygens vaak alleen maar de naam van een personage dat in de oorspronkelijke tekst voorkomt. Dit betekent, dat we veelal zelf op zoek moeten gaan. Gesteld nu dat we een motief uit een sneldicht aantreffen in een werk dat Huygens kan hebben gekend, dan blijven we toch nog met de vraag zitten, of het daaraan ook werkelijk is ontleend. Het motief kan immers ook elders voorkomen.

Een voorbeeld. Op 15 december 1668 schreef Huygens het volgende epigram:

Aen Mathijs de Swijger.
 
Of 'tis goed overlegh, of 'tis een sotten treck,
 
Die u staegh onder 'tvolck aen 'tswijgen houdt, Mathijs:
 
Want, zijt ghij wijs, soo zyt ghij geck,
 
En, zijt ghij geck, soo zijt ghij wijs. 2

Dezelfde stof benutte hij in een versje van 9 januari 1674:

Ian de Swijger.
 
Of Ian in vrolick of bedruckt geselschap kom',
 
Hij sitter van begin ten einde stil en stom.
 
't Is quaed te seggen of 't een' sott' of wijse wijz is.
 
Ian is wijs, is hij sot. Ian is sot, soo hij wijs is. 3

J.B. Wilterdink bespreekt beide sneldichten in zijn artikel over Huygens' ontleningen aan John Owen (1564-1622). 4 Hij beschouwt het volgende gedichtje van deze in het Latijn dichtende epigrammaticus als bron 5:

In Labienum taciturnum.
 
Si sapis, es stultus, cum nil, Labiene, loquaris;
 
Sive (quod es) stultus sis, Labiene, sapis.
 
Op zwijgzame Labienus.
 
Als je verstandig bent, ben je dom,
 
Labienus, dat je niets zegt.
 
Maar als je dom bent (wat het geval is),
 
Labienus, ben je verstandig.

Huygens kan aan Owen hebben ontleend, maar er zijn ook andere mogelijkheden. Hetzelfde grapje komt al twee keer voor bij

[p. 144]

Erasmus, en wel in het gedeelte waarmee hij zijn Adagia inleidt, en in zijn Apophthegmata. 6 Ik citeer de versie uit het laatstgenoemde werk. (Apophthegmata zijn belangwekkende of enkel grappige uitspraken voorafgegaan door een korte introductie waarin de persoon wordt vermeld die de uitspraak deed.)

Theophrastus Eresius.
Ad eum qui in convivio perpetuo silebat; Si, inquit, indoctus es, prudenter facis: sin doctus es, imprudenter. Jucundius effertur a Plutarcho: si stultus es, rem facis sapientem: si sapiens, stultam. Est aliqua sapientiae pars silentio stultitiam tegere.
Theophrastus uit Eresos.
Tegen iemand die bij een gezellige maaltijd voortdurend zijn mond hield, zei hij: ‘Als je onontwikkeld bent, doe je verstandig, maar als je een ontwikkeld persoon bent, doe je onverstandig.’ Het wordt aardiger verteld door Plutarchus: ‘Als je dom bent, handel je wijs; als je wijs bent, handel je dom.’ Het getuigt van enige wijsheid, domheid verborgen te houden door te zwijgen.

Uit het citaat blijkt, dat de anekdote eveneens bij de Griekse auteur Plutarchus voorkomt (Mor. 644 F). Huygens kan ook - dit is de vijfde mogelijkheid - de vaak herdrukte bundel apophthegmata van Conradus Lycosthenes (1518-1561) hebben benut, waar we vrijwel hetzelfde lezen als bij Erasmus. 7 Een verschil is, dat Lycosthenes ook nog de bron van de eerste versie noemt, te weten Diogenes Laertius (5, 40). Waarschijnlijk is het verhaaltje nog wel op meer plaatsen te vinden dan de aangegeven zes.

Al met al kunnen we er dus niet zo maar van uitgaan, dat Huygens zich op Owenheeft gebaseerd. We moeten er bovendien rekening mee houden, dat de beide sneldichten naar aanleiding van verschillende werken zijn geschreven. Daar zijn meer voorbeelden van. Zo bevat de serie naar Engels proza een grapje dat ook in de reeks naar Spaans proza voorkomt. 8

Kortom, het is veelal moeilijk te bepalen, welke bronnen Huygens voor zijn epigrammen heeft gebruikt. Indien we al kunnen vaststellen dat de inhoud van een sneldicht is ontleend, dan nog is het zonder nadere gegevens vaak niet meer uit te maken, waar de

[p. 145]

dichter de stof uit over heeft genomen. Vele motieven die hij in zijn epigrammen verwerkt, waren internationaal gemeengoed en ook in een enkele taal al in verschillende versies voorhanden. 9

Toch is dit een al te sombere voorstelling van zaken. Er is namelijk een aanknopingspunt, en wel het vermoeden, dat Huygens aan één enkel werk meestal vele sneldichten tegelijk ontleende. In ieder geval staat vast, dat op deze wijze de afdelingen naar Engels, Spaans en Duits proza zijn ontstaan. Bovendien is er onder de sneldichten die Wilterdink met Owen in verband brengt, een aantal dat een serie vormt. 10 Ik ga ervan uit, dat er meer van dergelijke reeksen zijn. Huygens ging nu eenmaal als dichter graag systematisch te werk. 11

Deze hypothese heeft gevolgen voor de methode. Laten we bijvoorbeeld aannemen dat er twee epigrammen uit eenzelfde periode zijn waarvan de stof in één bundel is terug te vinden. In zo'n geval dienen we na te gaan of er meer epigrammen uit die periode zijn die Huygens aan dat werk kan hebben ontleend.

Huygens heeft bij het schrijven van de series naar Spaans, Engels en Duits proza veelal de volgorde van de bron aangehouden. Dat geeft ons nog een sleutel in handen: het is immers waarschijnlijk dat hij dit ook in andere gevallen deed. Wat betekent dit in de praktijk? Gesteld dat er drie opeenvolgende sneldichten zijn, waarvan het eerste aan p. 23 en het derde aan p. 35 van eenzelfde bundel is ontleend, dan ligt het voor de hand de bron van het tweede sneldicht allereerst in het tussenliggende gedeelte te zoeken.

Niet alleen wegens de aantekeningen in de marge, maar ook wegens de chronologische volgorde is het derhalve noodzakelijk bij het bronnenonderzoek uit te gaan van de handschriften. Sneldichten die vlak na elkaar zijn geschreven, kunnen immers in de Korenbloemen op verschillende plaatsen terecht zijn gekomen.

Als we eenmaal een serie op het spoor zijn, leveren ook sneldichten op veel voorkomende motieven geen probleem meer op. Zo neem ik aan, dat Huygens het epigram ‘Aen Mathijs de swijger’ heeft geschreven naar aanleiding van Lycosthenes' apophthegmatabundel, omdat de stof van vele andere sneldichten die hij in die tijd schreef, daar eveneens is terug te vinden.

[p. 146]

Bekijken we nu eens tegen deze achtergrond de sneldichten die volgens Wilterdink teruggaan op de beroemde Romeinse epigrammaticus Martialis. 12 Er valt weliswaar een concentratie van acht ontleningen in een periode van twee weken te constateren (11 t/m 24 april 1669), maar we merken ook dat deze acht sneldichten ons kriskras door het werk van Martialis voeren. De volgorde van Huygens' versjes komt in een heel ander licht te staan als we er de epigrammen van de Martialis-imitator John Harington naastleggen.

2. De serie sneldichten naar Harington

Dat Harington een van Huygens' bronnen is, ben ik te weten gekomen via een sneldicht van 17 januari 1671, geschreven in Londen. In de Koren-bloemen is het ‘Kunst om kunst’ getiteld. 13 De inhoud van dit epigram is terug te vinden in een Engels gedichtje met de aanhef ‘Cis, by that candle’, dat De Brune aanhaalt in zijn Wetsteen der vernuften. 14 De Brune geeft het versje zonder bronvermelding. Elders in de Wetsteen citeert hij een gedicht van John Harington. 15 Van deze dichter blijkt ook ‘Cis, by that candle’ te zijn. Het is een van zijn epigrammen. 16 In januari 1671 schreef Huygens geen andere sneldichten die aan Harington kunnen zijn ontleend. Daarentegen zijn er wel 27 epigrammen uit april 1669 die op het werk van deze auteur teruggaan.

Er waren in de 16e en 17e eeuw verschillende Haringtons die een zekere bekendheid hadden. Dit heeft al heel wat verwarring gegeven. 17 De persoon om wie het in dit artikel gaat is Sir John Harington of Kelston (1560-1612). Hij was peetzoon van koningin Elizabeth en heeft zijn leven lang in contact gestaan met het Engelse hof. 18

Haringtons oeuvre bevat onder meer een vertaling van Ariosto's Orlando Furioso. Een andere kant van zijn dichterschap laten de epigrammen zien, die tijdens zijn leven ongepubliceerd bleven, maar toen wel al in handschrift circuleerden. De meest volledige 17e-eeuwse uitgave ervan verscheen in 1618. Deze bundel, herdrukt in 1625 en 1633, is de basis van de uitgave door McClure uit 1933. Daarin zijn de 346 epigrammen uit de editie 1618 nog aangevuld

[p. 147]

met enkele tientallen die alleen in handschrift zijn overgeleverd. 19 Harington steunt in hoge mate op het werk van Martialis. McClure noteerde 55 gevallen van ontlening aan de Romeinse epigrammaticus. Volgens McMahon Humez loopt het aantal zelfs in de tachtig. 20

Wat blijkt nu? De boven ter sprake gebrachte acht Martialis-sneldichten waar Wilterdink op heeft gewezen, gaan niet rechtstreeks op het Latijn terug, maar via Harington. Onder de negentien andere epigrammen die Huygens aan de Engelse dichter ontleende, zijn er nog eens drie die in verband staan met Martialis. Ik zet de gegevens in het volgende schema bij elkaar. Ik verwijs naar Worps uitgave van Huygens' gedichten met de nummers van het deel, de bladzijde en het gedicht, gescheiden door komma's. De epigrammen van Harington zijn aangeduid met de door McClure toegevoegde nummers. Alle als bron genoemde epigrammen kan Huygens uit de editie van 1618 hebben gekend. De getallen in de vierde kolom hebben betrekking op de bladzijde(n) waar Wilterdink het sneldicht bespreekt.

HuygensHar.Mart.Wilt.HuygensHar.Mart.Wilt.
7,260,5277  7,264,5184
7,260,6342  7,265,2197
7,261,169,8196-977,265,32012,21100
7,261,28  7,265,4202
7,261,320  7,265,6259
7,261,43211,35977,266,1246
7,261,6112  7,266,22701,75100-101
7,262,11233,87-7,266,3271
7,262,42410,31-7,266,5280
7,263,41446,41-7,267,1293
7,263,51674,15987,267,2297
7,263,62551,3898-997,267,3309
7,264,21699,899-1007,267,43284,72101-102
7,264,3174

Afgezien van de eerste twee zijn er slechts drie sneldichten waarmee

[p. 148]

Huygens afwijkt van de volgorde van zijn bron (7,262,4, 7,263,6 en 7,266,1). Dergelijke onregelmatigheden komen ook bij de andere reeksen voor. De dichter zal zo nu en dan even teruggebladerd hebben of het volgende vast globaal doorgekeken hebben.

Slechts bij een van deze 27 epigrammen treffen we een aantekening in de marge aan (7,266,3). Huygens noteerde: ‘Dante’. Zoals vaker geeft de dichter hier niet zijn bron mee aan, maar een persoon die in de bewerkte tekst voorkomt (vgl. p. 143). Het Engelse epigram (nr. 271) begint aldus: ‘The pleasant learn'd Italian Poet Dant, Hearing an Atheist at the Scriptures iest, […]’. Dante wordt bij Huygens een ik-persoon.

Een van de bewerkingen (7,267,3) betreft een grapje dat Huygens al twintig jaar eerder had gebruikt. We hebben hier nog weer een voorbeeld van twee epigrammen met gelijke inhoud die naar aanleiding van verschillende werken zijn gedicht (vgl. p. 143v). De oudste versie maakt namelijk deel uit van de serie sneldichten ‘Uyt Engelsch OnDicht’. Het door Huygens gebruikte proza is de anekdotenbundel A banquet of jests, voor het eerst verschenen in 1630. Het frappeert dat de dichter na zo'n lange periode weer teruggrijpt op dezelfde formuleringen:

 
Ian heeft syn' appetyt verloren, arme Ian,
 
Die voor thien eten kost, nu niet voor een en kan.
 
Verloren appetijt, soo ijemand u vindt leggen
 
Die arm is, ick moet seggen,
 
'Tis een verloren mann. (4,190,4)
Van Ians honger.
 
Ian is syn' honger quijt, de grooten eter, Ian;
 
Hy heeft hem korts verloren:
 
Soo hem een arm man vindt, ick segh 't hem van te voren,
 
't Is een bedurven mann. (7,267,3)

Beide sneldichten openen met een versregel die begint en eindigt met de naam Ian. Bovendien lijken de slotregels veel op elkaar.

De reeks naar Harington bevat nog een sneldicht waarvan de stof in A banquet of jests voorkomt (7,264,3). 21 In de serie ‘Uyt Engelsch OnDicht’ treffen we het grapje niet aan, maar wel in twee epigram-

[p. 149]

men uit 1671 (7,317,3 en 8,14,2). Ik citeer achtereenvolgens de Harington- bewerking en het epigram dat er het meest mee overeenkomt (8,14,2).

Dirck en Claes.
 
Dirck is all zeventich, en wouw noch, als hij most,
 
Een gracht van twintich voet diep waters over springen.
 
Claes is soo oud als Dirck, en seght, veel grooter dingen
 
Woud' ick in 'tspringen doen, als Dirck doet, als ick kost.
Redelijck roemen.
 
Dirck, pocht ghij met uw springen,
 
Als van seer groote dingen?
 
Wat 's twintich voet? ick heb 't in lange niet 3 begost;
 
En nam 4 wel eens soo verr te springen: Als ick kost.

In de volgende twee paragrafen vergelijk ik enkele sneldichten met de oorspronkelijke tekst van Harington.

3. De sneldichten die via Harington op Martialis teruggaan

Bezien we eerst de elf sneldichten die motieven uit Martialis bevatten. Ik begin met de drie die nog niet als ontleningen waren herkend, allereerst 7,262,1. Ik geef achtereenvolgens de versies van Martialis, Harington en Huygens. 22

 
Narrat te, Chione, rumor numquam esse fututam
 
Atque nihil cunno purius esse tuo.
 
Tecta tamen non hac, qua debes, parte lavaris:
 
Si pudor est, transfer subligar in faciem.
Het praatje doet de ronde, [dat je volkomen ongerept bent], Chione. Toch bedek je je bij het baden niet op de plek waar dat nodig is. Als je echt ingetogen bent, doe dat schort dan voor je gezicht.
Of Galla going to the bathe.
 
When Galla for her health goeth to the Bathe,
 
She carefully doth hide, as is most meete 2,
[p. 150]
 
With aprons of fine linnen, or a sheete,
 
Those parts, that modesty concealed hath:
5
Nor onely those, but eu'n the brest and necke,
 
That might be seene, or showne, without all checke.
 
But yet one foule, and vnbeseeming place,
 
She leaues uncouered still: What's that? Her face.
(Neel in 't bad). 23
 
Neel deckt all 'tonderste, met reden, als s' in 't Bad is.
 
't Is jammer dat haer Hoofd en Backhuijs boven 'tnatt is;
 
Sij most haer schamen, wists' hoe leelick'en ding dat is.

Harington heeft de eerste helft van het Latijnse epigram ongebruikt gelaten. Dit doet de vraag rijzen, of het Engelse versje wel dezelfde strekking heeft als dat van Martialis. Harington heeft Galla mogelijk willen uitbeelden als een lelijke vrouw, zoals in ieder geval Neel is getypeerd in het sneldicht. Dat was echter niet Martialis' bedoeling met Chione. 24

De Engelse dichter heeft het tweede distichon sterk uitgebreid, maar het slot is gelijk gebleven. Huygens geeft de pointe al halverwege en legt die vervolgens uit. Maar doen we het sneldicht zo wel recht? Het is juister te zeggen, dat Huygens een ander element als pointe laat fungeren, namelijk de lelijkheid van de vrouw. Pas met de vermelding daarvan krijgen de eerste twee verzen zin.

Het tweede epigram is 7,262,4. De drie versies luiden:

 
Addixti servum nummis here mille ducentis,
 
Ut bene cenares, Calliodore, semel.
 
Nec bene cenasti: mullus tibi quattuor emptus
 
Librarum cenae pompa caputque fuit.
5
Exclamare libet: ‘Non est hic, inprobe, non est
 
Piscis: homo est; hominem, Calliodore, comes.’
Gisteren heb je een slaaf verkocht voor 1200 sestertiën om, Calliodorus, een keer een goed maal te hebben. Maar je had geen goed maal: een barbeel van vier pond, een hele aanschaf, was het pronkstuk van de maaltijd. Met recht kan men roepen: ‘Dat, ellendeling, dat is geen vis; een mens is het, Calliodorus, je eet een mens.’
[p. 151]
(Barbeel gold als een delicatesse; er werden enorme bedragen voor neergeteld.)
A tale of a rosted horse.
 
One Lord, 2. Knights, 3. Squires, 7. Dames at least,
 
My kind friend Marcus bade vnto his Feast,
 
Where were both Fish and Flesh, and all acates 3,
 
That men are wont to haue that feast great States 4.
5
To pay for which, next day he sold a Nagge 5,
 
Of whose pace, colour, Raine, he vs'd to bragge.
 
Well, Ile ne're care for red, or fallow Deere 7,
 
If that a horse thus cookt can make such cheere.
(Ongemeene kost).
 
Ian heeft sijn Peerd verkocht, en spilt het Geld met smeeren 1:
 
Antoni hielper laest een groot deel af verteeren,
 
En prijst het goede chier 3, en seght'er dag'lix af,
 
'k Wist niet dat Peerdevleesch soo goe pottagie gaf.

Harington heeft de slaaf vervangen door een paard. Daarmee wijzigt zich ook de pointe enigszins. Het slot wordt iets ‘gewoner’, omdat het waarschijnlijker is dat men een paard opeet dan een mens. Het sneldicht stemt op dit punt overeen met Harington. Wel laat Huygens, net als Martialis, de verkoop voorafgaan aan het verteren.

Evenmin door Wilterdink besproken is 7,263,4. Ik citeer weer Martialis, Harington en Huygens.

 
Qui recitat lana fauces et colla revinctus,
 
Hic se posse loqui, posse tacere negat.
 
Wie gedichten voordraagt
 
met een sjaal om wegens zijn keel,
 
die laat alleen maar zien
 
dat hij spreken kan noch zwijgen.
[p. 152]
Of an importunate prater, out of Martiall.
 
He that is hoarse, yet still to prate doth prease 1,
 
Proues he can neither speake, nor hold his peace.
Van Trijn.
 
Trijn is verkout, en schorr en hees:
 
Noch wil 't Wijf kaeckelen, seght Kees:
 
Dat 's van d'elendigste gebreken,
 
Een' Vrouw die swijgen kan, noch spreken.

Martialis' epigram is een van de vele die de frequent gehouden voordrachten van poëzie hekelen (vgl. bijvoorbeeld ook het begin van Juvenalis' eerste satire). Harington laat dit tijdgebonden element weg. Zijn epigram gaat over zo maar iemand die schor is en toch wil praten. Huygens maakt van die iemand een praatzieke vrouw, een van de vaste mikpunten uit de epigrammatiek.

Huygens kon aan het opschrift van het Engelse epigram zien, dat het aan Martialis was ontleend. Ik sluit niet uit, dat hij ook in de gevallen waar Harington geen bron noemt, zo nu en dan de klassieke achtergrond heeft herkend. Huygens was vertrouwd met het werk van de Romeinse epigrammaticus, zoals Wilterdink heeft aangetoond. 25 Overigens moeten we er bovendien rekening mee houden, dat er telkens ook een schakel kan zitten tussen Harington en Martialis.

 

Van de andere acht sneldichten behoeven er vier geen nadere bespreking (7,261,1 en 4; 7,263,6; 7,267,4). De Engelse epigrammen waar ze op teruggaan, volgen namelijk de Latijnse tekst op de voet, zodat Wilterdinks commentaar ook van toepassing is als we de sneldichten niet met Martialis, maar met Harington vergelijken.

Over ‘Slechte loosheit’ (7,263,5) merkt Wilterdink op, dat Huygens, ‘zoals zo dikwijls, wat uitvoeriger [is] dan zijn voorbeeld’. 26 De bewerkte tekst, Haringtons epigram nr. 167, blijkt evenwel nog twee jamben langer te zijn dan Huygens' versie. Toch heb ik in het sneldicht niets kunnen vinden dat duidelijk in de richting van de Engelse tekst wijst. De drie overige sneldichten bevatten wèl derge-

[p. 153]

lijke elementen. Laten we ze eens nader bekijken. Allereerst 7,264,2.

 
Nil tibi legavit Fabius, Bithynice, cui tu
 
Annua, si memini, milia sena dabas.
 
Plus nulli dedit ille: queri, Bithynice, noli:
 
Annua legavit milia sena tibi.
 
Niets liet Fabius jou na, Bithynicus, aan wie jij
 
jaarlijks, als ik het wel heb, zesduizend gaf.
 
Niemand gaf hij meer. Je mag, Bithynicus, niet klagen:
 
jaarlijks zesduizend liet hij je na.
 
(Bithynicus erft niets, maar gaat er toch op vooruit, omdat de jaarlijkse schenking vervalt!)
Of a bequest without a legacy.
 
In hope some Lease or Legacy to gaine,
 
You gaue old Titus yeerely ten pound pension.
 
Now he is dead, I heare thou dost complaine,
 
That in his will of thee he made no mention.
5
Cease this complaint that shewes thy base intention.
 
He left thee more, then some he lou'd more deerely,
 
For he hath left thee ten pound pension yeerely.
Damnum Cessans. *27
 
Gelijck een Beeck valt in een' grooten stroom,
 
Heeft onse Ian sijn' rijcken vrecken Oom
 
Sijn' Bors gestijft 's jaers met een vijftich Croonen 3.
 
Oom, hoopten hij, soud 't na sijn' dood beloonen.
5
Die slagh is miss; en in Ooms Testament
 
Is onse Ian noch voor noch na bekent.
 
Klaeght hij? mij dunckt hij heeft het goed te dulden,
 
Oom laet hem na 's jaers hondert vijftich gulden.

Op drie punten staat Huygens dichter bij Harington dan bij Martialis. In de eerste plaats geeft hij net als Harington de informatie waar Martialis mee begint, pas halverwege het epigram. Verder

[p. 154]

vermelden Huygens en Harington expliciet de reden van de jaarlijkse schenking (‘In hope some Lease or Legacy to gaine’ en ‘Oom, hoopten hij, soud 't na sijn' dood beloonen’). Bij Martialisblijft dit impliciet. Tenslotte lijkt Huygens' formulering ‘in Ooms Testament Is onse Ian noch voor noch na bekent’ meer op vs. 4 van het Engelse epigram dan op de aanhef van het Latijnse versje.

Ik wijs nog op het speciale effect dat Martialis bereikt met de herhalingen (tibi, legavit, Bithynice, annua, milia sena, dabas-dedit). Al bij Harington is dat afgezwakt (nog wel: yeerely ten pound pension-ten pound pension yeerely; He left thee-he hath left thee). Bij Huygens is er zo goed als niets van over (alleen: 's jaers … vijftich in vss. 3 en 8).

Het tweede sneldicht is 7,265,3. Ik citeer weer de drie versies.

 
Basia das aliis, aliis das, Postume, dextram.
 
Dicis ‘Utrum mavis? elige.’ Malo manum.
 
De een geef je een kus, Postumus,
 
de ander geef je een hand.
 
Je vraagt me: ‘Wat wil je? Kies maar.’
 
Ik wil liever een hand.
Of a lady that giues the cheek.
 
Is't for a grace, or is't for some disleeke,
 
Where others kisse with lip, you giue the cheeke?
 
Some note that for a pride in your behauiour:
 
But I should rather take it for a fauour.
 
For I to show my kindnesse, and my loue,
 
Would leaue both lip and cheek, to kisse your Gloue.
 
Now with the cause, to make you plain acquainted,
 
Your gloue's perfum'd, your lip & cheek are painted.
Van Trijn.
 
Ick weet niet wat haer schortt; Trijn magh 't self overleggen:
 
Een dingh en moet ick seggen,
 
Als 't mij te kiesen stond,
 
Veel liever kusten ick haer' Handschoen als haer' Mond.

Bij Martialis gaat het om de twee verschillende manieren waarop Postumus iemand begroet: met een kus of, wat afstandelijker, met

[p. 155]

een handdruk. Harington maakt van Martialis' personage een dame, die, als ze wordt gekust, niet haar lippen, maar enkel haar wang biedt. De ik-persoon is hier niet rouwig om en deelt mee nog liever te volstaan met haar geparfumeerde handschoen. De wijzigingen ten opzichte van Martialis werken door in het sneldicht, waar eveneens sprake is van een vrouw en haar handschoen. - Het Engelse epigram komt overigens ook voor in de vorm van een lied. 28

Tenslotte 7,266,2;

 
Dimidium donare Lino quam credere totum
 
Qui mavolt, mavolt perdere dimidium.
 
Iemand die Linus liever de helft cadeau doet
 
dan hem het volle bedrag te lenen,
 
die is liever de helft kwijt.
Of Lynus borrowing.
 
Lynus came late to me, sixe crownes 1 to borrow,
 
And sware God damn him, hee'd repai't to morrow.
 
I knew his word, as currant as his band 3,
 
And straight I gaue to him three crownes in hand;
5
This I to giue, this he to take was willing,
 
And thus he gaind, and I sau'd fifteene shilling.
Behendige winst.
 
All wat ick Pieter leen is sonder keeren 1 quijt:
 
Soo wijs heeft mij de proef doen werden metter tijd.
 
Komt hij mij dan te veld 3, en soeckt mij Thien t'ontleenen,
 
Soo pass ick hem pas 4 Vijf, en schenck hem die met eenen.
5
Soo komt hem eigen t'huijs 5 half wat hij leenen souw,
 
En ick winn d'ander helft, die 'ck uijt den brand behouw.

Zowel Huygens als Harington introduceren een ik-persoon. Verder gaan de beide latere dichters in tegenstelling tot Martialis expliciet

[p. 156]

in op het karakter van de persoon die wil lenen. In de derde plaats komt het equivalent van ‘donare’, het tweede woord bij Martialis, bij de andere epigrammatici pas in vs. 4. Tenslotte ontbreekt in het Latijnse versje de vermelding van het voordeel dat de slechte betaler bij de schenking heeft (Harington vs. 6a, Huygens vs. 5).

Wilterdink merkt naar aanleiding van ‘Behendighe winst’ op: ‘Huygens is weer bijzonder uitvoerig, zonder dat hij, zakelijk gesproken, iets meer vertelt dan zijn voorbeeld. Het gaat hem altijd meer om het verhaaltje dan om een kunstige formulering of om een verrassende pointe’. 29 Deze uitspraak is niet meer relevant. We hebben immers kunnen constateren, dat de verschillen tussen het sneldicht en het Latijnse distichon op rekening van Harington komen.

Vergelijken we de elf sneldichten met Haringtons Martialis-bewerkingen met het oog op de lengte, dan blijkt dat Huygens drie keer de Engelse versie aanzienlijk heeft ingekort (7,262,1: ‘Neel in 't bad’; 7,262,4: ‘Ongemeene kost’; 7,265,3: ‘Van Trijn’). Slechts één keer is Huygens in vergelijking met Harington vrij uitvoerig (7,261,1). De overige zeven sneldichten hebben ongeveer dezelfde lengte als de bewerkte tekst (de verschillen zijn telkens niet groter dan zes jamben).

In de volgende paragraaf zullen we zien, dat Huygens in de zestien andere ontleningen over het algemeen zelfs aanmerkelijk beknopter is dan zijn voorbeeld.

4. De overige ontleningen aan Harington

Behalve de acht sneldichten die uiteindelijk op Martialis teruggaan, is er nog één dat Wilterdink al had besproken. Het is epigram 7,266,5, dat volgens hem is ontleend aan John Owen. Ik citeer de drie versies.

In Pontiam.
 
In mare cornutos iaciendos, Pontius inquit:
 
Pontia respondit, ‘Disce natare prius’. 30
[p. 157]
Op Pontia.
 
Hoorndragers moeten in zee worden gegooid, zegt Pontius.
 
Pontia antwoordt: ‘Leer eerst zwemmen’.
Of cursing cuckolds.
 
A Lord that talked late in way of scorne,
 
Of some that ware inuisibly the horne,
 
Said he could wish, and did (as for his part)
 
All Cuckolds in the Thames, with all his heart.
5
But straight a pleasant Knight reply'd to him,
 
I hope your Lordship learned hath to swimme.
Aen Gerrit.
 
Ghij wenscht de Coeckoecken, met haer' verroeste 1 stemmen,
 
In 'tdiepste van de zee. Maer, Gerrit, kont gh' oock swemmen?

Het woord ‘zee’ zou in de richting van Owen kunnen wijzen, maar daar staan drie punten tegenover waarop Huygensniet met de genoemde epigrammaticus, maar wel met Harington overeenkomt. In de eerste plaats suggereert Owen met behulp van de namen Pontius en Pontia, dat het dialoogje plaats vindt tussen twee echtgenoten. Dit zorgt voor extra complicatie: Pontia zelf is het immers die haar man tot hoorndrager maakt. Niet voor niets verwijst Owens opschrift juist naar haar! Dit facet ontbreekt bij Harington en Huygens. De eerste legt de afsluitende frase in de mond van ‘a pleasant Knight’, terwijl de laatste er commentaar van de verteller van maakt. In de tweede plaats staat Huygens met het woord ‘Coeckoecken’ dichter bij het Engelse ‘Cuckolds’ dan bij het Latijnse ‘cornutos’. In het versje van Owen tenslotte krijgt Pontius de opdracht eerst te leren zwemmen, terwijl het bij de andere twee dichters gaat om de vraag of de persoon die vaardigheid beheerst.

‘Aen Gerrit’ is vergelijkbaar met het versje ‘Aen Mathijs de swijger’, dat ik in par. 1 heb geciteerd. Het zijn allebei epigrammen die volgens Wilterdink aan Owen zijn ontleend, maar die blijken te passen in reeksen naar andere bronnen. Het gedichtje over zwijgende Mathijs maakt, zoals gezegd, deel uit van een serie naar de apophthegmataverzameling van Lycosthenes.

[p. 158]

Onder de 27 sneldichten die op Harington teruggaan, zijn er zes die handelen over poëzie of de relatie tussen auteur en publiek. Drie ervan staan in verband met Martialis (7,261,1; 7,263,6; 7,267,4). Ik heb ze in de vorige paragraaf niet besproken, omdat de Engelse versie een getrouwe weergave van het Latijn is (vgl. p. 152). De andere drie zijn getiteld ‘Dircks gedichten’ (7,260,6), ‘Kaele letter-dief’ (7,261,6) en ‘Antoni gietleugen’ (7,264,5). Daarvan zijn de eerste twee het aardigst. Ik citeer eerst 7,260,6 met de bron.

Dircks gedichten.
 
Dirck seght, syn Dicht heeft menighmalen
 
Den Leser aengenaem geweest.
 
Ick kan hem daerin niet behalen; 3
 
Indien hij 'tselver dickmaels leest.
IN PHILAUTUM.
 
Your verses please your Reader oft, you vaunt it:
 
If you your selfe doe reade them oft, I grant it.

Huygens draait de beide elementen uit Haringtons tweede vers om: ‘I grant it’ is vergelijkbaar met ‘Ick kan hem daerin niet behalen’, ‘If you your selfe doe reade them oft’ met ‘Indien hij 'tselver dickmaels leest’. De wijziging komt de puntigheid ten goede. De speaking name Philautus (‘hij die zichzelf bemint’) heeft Huygens niet overgenomen. Hij geeft fictieve personages in zijn sneldichten uitsluitend Nederlandse namen.

Vervolgens 7,261,6:

(Kaele letter-dief).
 
Teun light mij en besteelt 1 in 'tschrijven en in 'tspreken,
 
All waer hij spreeckt of schrijft vernem' ick ijet van 'tmijn.
 
Ick wouw dat kloecke Li'en mijn' Dieven wilden zijn,
 
En sulcke brodders 4 niet; soo wist ick mij te wreken.
Of Faustus, a stealer of verses.
 
I heard that Faustus oftentimes reherses,
[p. 159]
 
To his chaste Mistris, certaine of my Verses:
 
In which with vse, so perfect he is growne,
 
That she poore foole, now thinkes they are his owne.
5
I would esteeme it (trust me) grace, not shame,
 
If Dauis, or if Daniel 631 did the same.
 
For would I thanke, or would I quarrell pike 7,
 
I, when I list, could doe to them the like.
 
But who can wish a man a fowler spight 9,
10
Then haue a blinde man take away his light?
 
A begging Theefe, is dangerous to my purse:
 
A baggage 12 Poet to my Verse is worse.

De eerste vier verzen van Haringtons epigram, die een situatieschets inhouden, hebben hun equivalent in de eerste helft van het sneldicht. Hierop volgt in beide epigrammen de reactie van de ik-persoon. Die bestaat in de wens, dat goede dichters de dieven zouden zijn (Huygens vss. 3-4a, Harington vss. 5-6). Dit wordt vervolgens gemotiveerd (in resp. vss. 7-8 en vs. 4b). Huygens gebruikt voor zijn pointe slechts een van de twee mogelijkheden die Harington in vs. 7 noemt. Hij laat de mogelijkheid weg, dat de ik-persoon door zelf te ‘stelen’ zijn dank betuigt voor de eer ‘bestolen’ te zijn. Hierdoor, evenals door het ongebruikt laten van Haringtons laatste vier verzen, geeft Huygens zijn bewerking de beknoptheid en scherpte van een Martialis-epigram. Wel vraag ik me af, of het sneldicht duidelijk is voor iemand die niet eerst de oorspronkelijke tekst heeft gelezen.

Ik licht er nog drie epigrammen uit, te beginnen met 7,265,6:

Verraed.
 
Noyt en misluckt Verraed aen Steden of aen Staet.
 
Want, als het wel vergaet,
 
En derft geen mensch op Straet
 
Meer seggen, 'tis verraed.

Het versje is niet geheel logisch. Men zou verwachten: ‘Nooit lukt verraad …’. Bilderdijk vroeg zich al af of de eerste regel wel juist

[p. 160]

is: ‘Noyt en. Moest dit niet zijn: nooit DAN mislukt verraad. Immers, zoo 't gelukte geen verraad is, moet het 't mislukte alleen zijn’. 32 In de door hem voorgestelde versie fungeert ‘mislukt’ niet als persoonsvorm, maar als bijvoeglijk gebruikt participium: ‘Nooit (is er van verraad sprake,) behalve (van) mislukt verraad’. Het Engelse versje klopt wel:

Of treason.
 
Treason doth neuer prosper, what's the reason?
 
For if it prosper, none dare call it Treason.

Huygens moet zich dus inderdaad hebben vergist.

Ook de volgende dialoog (7,265,2) is ontleend aan Harington:

Vader Ian.
 
Ian, hoe veel kind'ren hebt ghij wel?
 
Vraegd' ick onnooselick en sonder achterdencken:
 
Acht, seid' hij, heefter onse Nell.
 
Nell stond'er bij, en grimd', en seij, Mijn' eer te krencken,
5
Dat soudt ghij beter laten, Ian.
 
Hij sprack, dat doen ick niet, maar hebb ick allemann
 
Bewijs en rekeningh tot naeld en draed te geven,
 
Van hoe veel' kind'ren ick noch elders hebb in 'tleven?
Another of the Table-talke.
 
Among some Table-talke of little weight,
 
A friend of mine was askt by one great Lady:
 
What sonnes he had? My wife (saith he) hath eight.
 
Now fie, said she, 'tis an ill vse as may be.
5
I would you men would leaue these fond conditions,
 
To put on vertuous wiues such wrong suspitions.
 
Tush, said her Lord, you giue a causelesse blame,
 
The Gentleman hath wisely spoke, and well:
 
To reckon all his sonnes perhaps were shame,
10
His wiues sonnes therefore he doth onely tell.
 
Behold, how much it stands a man in steede,
 
To haue a friend answere in time of neede.

De constellatie van de personages is in beide teksten verschillend. De vrouw die verontwaardigd reageert, is bij Harington niet de

[p. 161]

echtgenote van de eerdere spreker, maar een willekeurige dame. Zij is het ook die naar het aantal kinderen had gevraagd. Het antwoord op die vraag wordt vergoelijkt door iemand die nog niet aan het woord is geweest, namelijk de echtgenoot van de zojuist bedoelde dame. De aangevallene zal niet erg blij zijn geweest met de hulp die hem werd geboden. Vandaar het ironische commentaar van de ‘ik’ in de beide slotverzen.

In het sneldicht draait het om het echtpaar Ian en Nell. Ian komt twee keer aan het woord. Eerst beantwoordt hij de vraag van de ik-persoon. Hij doet dat op een manier die bij Nell wrevel wekt. Vervolgens gaat hij in op haar reactie, en wel zodanig, dat hij zichzelf blameert en zijn vrouw allerminst geruststelt. Het is een aardige vondst van Huygens Ian te laten spreken in aanwezigheid van zijn vrouw Nell en juist hem de motivatie van het antwoord in de mond te leggen.

Interessant is ook de wijze waarop 7,267,2 zich verhoudt tot de bewerkte tekst, een gedicht getiteld ‘Of a womans kindness to her husband’. De meest uitgebreide versie van Haringtons epigram telt maar liefst 24 verzen. Een man dreigt te worden gestraft met een brandmerk op zijn voorhoofd en verminking van zijn neus. Zijn vrouw vraagt de rechters de straf te verminderen,

17
but grauely they replied,
 
It was great mercy that he thus was tried:
 
His crimes deserue he should haue lost his life,
20
And hang in chaines. Alas, repli'd his wife,
 
The grief of his disfiguring is such
 
His hanging would not grieve me halfe so much:
 
If you disgrace him thus, you quite vndoe him,
 
Good my Lords hang him, pray be good vnto him.

In deze vorm komt de tekst alleen in een handschrift voor, zo blijkt uit McClures opgave van de varianten. Huygens heeft waarschijnlijk de 20-regelige versie uit de drukken onder ogen gehad. Daarin ontbreken onder meer de vss. 21-22, die het gedicht ook beslist niet sterker maken. Ze verraden immers de pointe al.

Huygens slaat bij het bewerken een andere weg in. Haringtons

[p. 162]

kleurrijke vertelling wordt bij hem een versje in de trant van Martialis, waarin het ‘inexspectatum’ (het onverwachte) is bewaard voor het laatste woord:

Barmhertige Agniet.
 
Myn Mann, mijn lieve Mann, om min als niet gevangen,
 
Een brandmerck op sijn' rugg! Mijn' Heeren, riep Agniet,
 
Doet hem die schande niet,
 
En laet hem liever hangen.

Vooral in deze vorm een aardig staaltje zwarte humor.

Van de zestien sneldichten die het onderwerp waren van deze paragraaf, heb ik er zes nader besproken. Vier bleken aanmerkelijk beknopter dan de bewerkte tekst, terwijl de andere twee maar weinig langer waren. De overige tien sneldichten zijn zelfs allemaal korter dan hun Engelse tegenhangers, zoals het onderstaande schema laat zien. De lengte van de epigrammen is niet uitgedrukt in het aantal regels, maar in het aantal versvoeten, omdat de regellengte kan verschillen, terwijl het metrum telkens gelijk is (de genoemde epigrammen zijn allemaal jambisch).

Haringtonlengte Huygenslengte
277707,260,524
8507,261,224
20507,261,324
174907,264,324
184407,264,524
202507,265,412
246307,266,124
271507,266,336
293607,267,127
309307,267,318

Misschien moeten we 7,260,5 en 7,265,4 uitzonderen. In het ene versje benut Huygens slechts een enkel facet van het Engelse epigram en laat hij de pointe ongebruikt. In het andere neemt hij alleen Haringtons slotvers over, waar hij een eigen introductie aan

[p. 163]

toevoegt. In deze twee gevallen is het minder juist te zeggen, dat Huygens beknopter is, omdat hij voorbijgaat aan de grote lijn van het oorspronkelijke gedicht.

5. Besluit

Wilterdink laat zich in zijn artikel over Huygens en Martialis niet al te positief uit over de wijze waarop de latere epigrammaticus met het werk van zijn voorganger omgaat. In par. 3 heb ik uitspraken geciteerd over de sneldichten ‘Slechte loosheit’ en ‘Behendighe winst’. Over een ander epigram zegt Wilterdink: ‘Als Huygens zijn sneldicht naar Martialis bewerkt heeft, dan heeft hij, zoals zo vaak, door de toevoeging van allerlei elementen de puntigheid van zijn voorbeeld niet bereikt’. 33 Acht van de sneldichten die Wilterdink heeft besproken, blijken evenwel op Harington terug te gaan. Het onderzoek naar de ontleningen aan deze auteur levert een heel ander beeld op van Huygens' manier van bewerken. Hij is veelal beknopter en soms ook puntiger dan de Engelse dichter.

Ook over de ontleningen aan Owen heeft Wilterdink uitspraken gedaan als de reeds geciteerde. Zo merkt hij op: ‘Huygens streeft niet in de eerste plaats naar een korte en bondige formulering’ en verder: ‘Het gunstig oordeel over de puntigheid van Huygens, dat in vele litteratuurgeschiedenissen en artikelen te vinden is kan ik, over het algemeen, […] beslist niet onderschrijven’. 34 Het gegeven, dat belangrijke uitbreidingen ten opzichte van Martialis op rekening komen van Harington, dwingt ons voorzichtig te zijn met dergelijke opmerkingen. Hoe aannemelijk het ook is, dat Huygens Owen heeft bewerkt naar een van de vele oorspronkelijke, Latijnse edities, toch is het niet helemaal uitgesloten, dat hij een vertaling heeft gebruikt. Hij had er in elk geval een in zijn bezit. De veilingcatalogus van zijn bibliotheek vermeldt althans: ‘Owens Epigrams’. Ik veronderstel, dat dit op een Engelse vertaling betrekking heeft. 35

Ik ga nog even terug naar ‘Kunst om kunst’, dat mij op het spoor bracht van de ontleningen aan Harington. Huygens schreef het epigram geruime tijd na de zojuist besproken reeks. We kunnen ons

[p. 164]

afvragen of hij wel het versje ‘Cis, by that candle’ heeft gebruikt. De in het sneldicht verwerkte stof komt ook voor in de vorm van een prozavertelling. 36 Maakt het epigram soms deel uit van een reeks ontleningen aan een of andere anekdotenbundel? Het zoeken naar de bronnen van Huygens' sneldichten is een fascinerende bezigheid.

 

Adres van de auteur:
Vrije Universiteit
Postbus 7161
1007 MC Amsterdam