|
|
|
| |
| | | |
Tineke ter Meer
Huygens en Harington.
Over de bron van een serie sneldichten
*
| |
1. Uitgangspunten
Een niet onaanzienlijk deel van
Huygens' oeuvre bestaat uit epigrammen. Sneldichten,
zo noemt de dichter ze, of - met een collectivum - sneldicht. De tweede druk
van zijn verzamelde Nederlandse poëzie, de
Koren-bloemen uit 1672, bevat er tegen de
drieduizend. Ze vullen maar liefst 15 van de 27 boeken waarin de bundel is
verdeeld.
Onder al die honderden epigrammen zijn er ongetwijfeld vele waarvan
de inhoud geen eigen vinding van Huygens is. De dichter zelf geeft evenwel
weinig informatie over het materiaal dat hij heeft gebruikt, in de drukken nog
minder dan in de handschriften. De belangrijkste aanwijzingen die we in de
Koren-bloemen aantreffen, zijn vervat in de titels van drie series
epigrammen: ‘Uyt Engelsch OnDicht’, ‘Uyt Spaensch
OnDicht’ en ‘Uyt Hooghduytsch OnDicht’ (ondicht = proza).
Verder vinden we er zo nu en dan in de marge een citaat of een verwijzing. Ook
is een heel enkele keer uit het opschrift van een sneldicht iets op te maken
over de bron.
De handschriften bevatten meer dat ons op weg kan helpen. We vinden
er bijvoorbeeld in de marge nadere aanduidingen van het Engelse, Spaanse en
Duitse proza dat Huygens voor de drie zojuist genoemde reeksen heeft gebruikt.
Deze notities, evenals de meeste andere marginaliën, zijn overgenomen door
J.A. Worp in zijn editie van Huygens' gedichten naar de
handschriften.
1
De sneldichten waarbij iets vermeld staat omtrent de bron, vormen
evenwel ook in de manuscripten slechts een klein percentage van het geheel.
Bovendien hebben niet alle aantekeningen hetzelfde | | | | karakter. Zo
geeft
Huygens vaak alleen maar de naam van een personage dat
in de oorspronkelijke tekst voorkomt. Dit betekent, dat we veelal zelf op zoek
moeten gaan. Gesteld nu dat we een motief uit een sneldicht aantreffen in een
werk dat Huygens kan hebben gekend, dan blijven we toch nog met de vraag
zitten, of het daaraan ook werkelijk is ontleend. Het motief kan immers ook
elders voorkomen.
Een voorbeeld. Op 15 december 1668 schreef Huygens het volgende
epigram:
Aen Mathijs de Swijger.
Of 'tis goed overlegh, of 'tis een sotten treck,
Die u staegh onder 'tvolck aen 'tswijgen houdt, Mathijs:
Want, zijt ghij wijs, soo zyt ghij geck,
En, zijt ghij geck, soo zijt ghij wijs.
2
Dezelfde stof benutte hij in een versje van 9 januari 1674:
Ian de Swijger.
Of Ian in vrolick of bedruckt geselschap kom',
Hij sitter van begin ten einde stil en stom.
't Is quaed te seggen of 't een' sott' of wijse wijz is.
Ian is wijs, is hij sot. Ian is sot, soo hij wijs is.
3
J.B. Wilterdink bespreekt beide sneldichten in zijn
artikel over Huygens' ontleningen aan
John Owen (1564-1622).
4
Hij beschouwt het volgende gedichtje van deze in het Latijn dichtende
epigrammaticus als bron
5:
In Labienum taciturnum.
Si sapis, es stultus, cum nil, Labiene, loquaris;
Sive (quod es) stultus sis, Labiene, sapis.
Als je verstandig bent, ben je dom,
Labienus, dat je niets zegt.
Maar als je dom bent (wat het geval is),
Labienus, ben je verstandig.
Huygens kan aan Owen hebben ontleend, maar er zijn ook andere
mogelijkheden. Hetzelfde grapje komt al twee keer voor bij | | | |
Erasmus, en wel in het gedeelte waarmee hij zijn
Adagia inleidt, en in zijn
Apophthegmata.
6 Ik citeer de versie uit het laatstgenoemde werk. (Apophthegmata
zijn belangwekkende of enkel grappige uitspraken voorafgegaan door een korte
introductie waarin de persoon wordt vermeld die de uitspraak deed.)
Theophrastus Eresius. Ad eum qui in convivio perpetuo silebat;
Si, inquit, indoctus es, prudenter facis: sin doctus es, imprudenter. Jucundius
effertur a Plutarcho: si stultus es, rem facis sapientem: si sapiens, stultam.
Est aliqua sapientiae pars silentio stultitiam tegere.
Theophrastus uit Eresos. Tegen iemand die bij een gezellige
maaltijd voortdurend zijn mond hield, zei hij: ‘Als je onontwikkeld bent,
doe je verstandig, maar als je een ontwikkeld persoon bent, doe je
onverstandig.’ Het wordt aardiger verteld door Plutarchus: ‘Als je
dom bent, handel je wijs; als je wijs bent, handel je dom.’ Het getuigt
van enige wijsheid, domheid verborgen te houden door te zwijgen.
Uit het citaat blijkt, dat de anekdote eveneens bij de Griekse
auteur
Plutarchus voorkomt (Mor. 644 F).
Huygens kan ook - dit is de vijfde mogelijkheid - de
vaak herdrukte bundel apophthegmata van
Conradus Lycosthenes (1518-1561) hebben benut, waar we
vrijwel hetzelfde lezen als bij Erasmus.
7 Een verschil is, dat
Lycosthenes ook nog de bron van de eerste versie noemt, te weten
Diogenes Laertius (5, 40). Waarschijnlijk is het
verhaaltje nog wel op meer plaatsen te vinden dan de aangegeven zes.
Al met al kunnen we er dus niet zo maar van uitgaan, dat Huygens
zich op
Owenheeft gebaseerd. We moeten er bovendien rekening mee
houden, dat de beide sneldichten naar aanleiding van verschillende werken zijn
geschreven. Daar zijn meer voorbeelden van. Zo bevat de serie naar Engels proza
een grapje dat ook in de reeks naar Spaans proza voorkomt.
8
Kortom, het is veelal moeilijk te bepalen, welke bronnen Huygens
voor zijn epigrammen heeft gebruikt. Indien we al kunnen vaststellen dat de
inhoud van een sneldicht is ontleend, dan nog is het zonder nadere gegevens
vaak niet meer uit te maken, waar de | | | | dichter de stof uit over heeft
genomen. Vele motieven die hij in zijn epigrammen verwerkt, waren
internationaal gemeengoed en ook in een enkele taal al in verschillende versies
voorhanden.
9
Toch is dit een al te sombere voorstelling van zaken. Er is namelijk
een aanknopingspunt, en wel het vermoeden, dat
Huygens aan één enkel werk meestal vele
sneldichten tegelijk ontleende. In ieder geval staat vast, dat op deze wijze de
afdelingen naar Engels, Spaans en Duits proza zijn ontstaan. Bovendien is er
onder de sneldichten die
Wilterdink met
Owen in verband brengt, een aantal dat een serie vormt.
10 Ik ga ervan uit, dat er meer van dergelijke reeksen zijn. Huygens
ging nu eenmaal als dichter graag systematisch te werk.
11
Deze hypothese heeft gevolgen voor de methode. Laten we bijvoorbeeld
aannemen dat er twee epigrammen uit eenzelfde periode zijn waarvan de stof in
één bundel is terug te vinden. In zo'n geval dienen we na te gaan
of er meer epigrammen uit die periode zijn die Huygens aan dat werk kan hebben
ontleend.
Huygens heeft bij het schrijven van de series naar Spaans, Engels en
Duits proza veelal de volgorde van de bron aangehouden. Dat geeft ons nog een
sleutel in handen: het is immers waarschijnlijk dat hij dit ook in andere
gevallen deed. Wat betekent dit in de praktijk? Gesteld dat er drie
opeenvolgende sneldichten zijn, waarvan het eerste aan p. 23 en het derde aan
p. 35 van eenzelfde bundel is ontleend, dan ligt het voor de hand de bron van
het tweede sneldicht allereerst in het tussenliggende gedeelte te zoeken.
Niet alleen wegens de aantekeningen in de marge, maar ook wegens de
chronologische volgorde is het derhalve noodzakelijk bij het bronnenonderzoek
uit te gaan van de handschriften. Sneldichten die vlak na elkaar zijn
geschreven, kunnen immers in de
Korenbloemen op verschillende plaatsen terecht
zijn gekomen.
Als we eenmaal een serie op het spoor zijn, leveren ook sneldichten
op veel voorkomende motieven geen probleem meer op. Zo neem ik aan, dat Huygens
het epigram ‘Aen Mathijs de swijger’ heeft geschreven naar
aanleiding van
Lycosthenes' apophthegmatabundel, omdat de stof van vele
andere sneldichten die hij in die tijd schreef, daar eveneens is terug te
vinden.
| | | |
Bekijken we nu eens tegen deze achtergrond de
sneldichten die volgens
Wilterdink teruggaan op de beroemde Romeinse
epigrammaticus
Martialis.
12 Er valt weliswaar een concentratie van acht
ontleningen in een periode van twee weken te constateren (11 t/m 24 april
1669), maar we merken ook dat deze acht sneldichten ons kriskras door het werk
van Martialis voeren. De volgorde van
Huygens' versjes komt in een heel ander licht te staan
als we er de epigrammen van de Martialis-imitator
John Harington naastleggen.
| |
2. De serie sneldichten naar Harington
Dat Harington een van Huygens' bronnen is, ben ik te weten gekomen
via een sneldicht van 17 januari 1671, geschreven in Londen. In de
Koren-bloemen is het ‘Kunst om kunst’
getiteld.
13 De inhoud van dit epigram is terug te vinden in een Engels gedichtje
met de aanhef ‘Cis, by that candle’, dat
De Brune aanhaalt in zijn
Wetsteen der vernuften.
14 De Brune geeft het versje zonder
bronvermelding. Elders in de Wetsteen citeert hij een gedicht van John
Harington.
15 Van deze dichter blijkt ook
‘Cis, by that candle’ te zijn. Het is een van zijn epigrammen.
16 In januari 1671 schreef
Huygens geen andere sneldichten die aan Harington kunnen zijn ontleend.
Daarentegen zijn er wel 27 epigrammen uit april 1669 die op het werk van deze
auteur teruggaan.
Er waren in de 16e en 17e eeuw verschillende Haringtons die een
zekere bekendheid hadden. Dit heeft al heel wat verwarring gegeven.
17 De persoon om wie het in dit artikel gaat is
Sir John Harington of Kelston (1560-1612). Hij was
peetzoon van koningin Elizabeth en heeft zijn leven lang in contact gestaan met
het Engelse hof.
18
Haringtons oeuvre bevat onder meer een vertaling van
Ariosto's
Orlando Furioso. Een andere kant van zijn
dichterschap laten de epigrammen zien, die tijdens zijn leven ongepubliceerd
bleven, maar toen wel al in handschrift circuleerden. De meest volledige
17e-eeuwse uitgave ervan verscheen in 1618. Deze bundel, herdrukt in 1625 en
1633, is de basis van de uitgave door McClure uit 1933. Daarin zijn de 346
epigrammen uit de editie 1618 nog aangevuld | | | | met enkele tientallen
die alleen in handschrift zijn overgeleverd.
19
Harington steunt in hoge mate op het werk van
Martialis. McClure noteerde 55 gevallen van ontlening aan
de Romeinse epigrammaticus. Volgens McMahon Humez loopt het aantal zelfs in de
tachtig.
20
Wat blijkt nu? De boven ter sprake gebrachte acht
Martialis-sneldichten waar Wilterdink op heeft gewezen, gaan niet rechtstreeks
op het Latijn terug, maar via Harington. Onder de negentien andere epigrammen
die
Huygens aan de Engelse dichter ontleende, zijn er nog
eens drie die in verband staan met Martialis. Ik zet de gegevens in het
volgende schema bij elkaar. Ik verwijs naar Worps uitgave van Huygens'
gedichten met de nummers van het deel, de bladzijde en het gedicht, gescheiden
door komma's. De epigrammen van Harington zijn aangeduid met de door McClure
toegevoegde nummers. Alle als bron genoemde epigrammen kan Huygens uit de
editie van 1618 hebben gekend. De getallen in de vierde kolom hebben betrekking
op de bladzijde(n) waar Wilterdink het sneldicht bespreekt.
| Huygens | Har. | Mart. | Wilt. | Huygens | Har. | Mart. | Wilt. |
| 7,260,5 | 277 | | | 7,264,5 | 184 |
| 7,260,6 | 342 | | | 7,265,2 | 197 |
| 7,261,1 | 6 | 9,81 | 96-97 | 7,265,3 | 201 | 2,21 | 100 |
| 7,261,2 | 8 | | | 7,265,4 | 202 |
| 7,261,3 | 20 | | | 7,265,6 | 259 |
| 7,261,4 | 32 | 11,35 | 97 | 7,266,1 | 246 |
| 7,261,6 | 112 | | | 7,266,2 | 270 | 1,75 | 100-101 |
| 7,262,1 | 123 | 3,87 | - | 7,266,3 | 271 |
| 7,262,4 | 24 | 10,31 | - | 7,266,5 | 280 |
| 7,263,4 | 144 | 6,41 | - | 7,267,1 | 293 |
| 7,263,5 | 167 | 4,15 | 98 | 7,267,2 | 297 |
| 7,263,6 | 255 | 1,38 | 98-99 | 7,267,3 | 309 |
| 7,264,2 | 169 | 9,8 | 99-100 | 7,267,4 | 328 | 4,72 | 101-102 |
| 7,264,3 | 174 |
Afgezien van de eerste twee zijn er slechts drie sneldichten
waarmee | | | |
Huygens afwijkt van de volgorde van zijn bron (7,262,4,
7,263,6 en 7,266,1). Dergelijke onregelmatigheden komen ook bij de andere
reeksen voor. De dichter zal zo nu en dan even teruggebladerd hebben of het
volgende vast globaal doorgekeken hebben.
Slechts bij een van deze 27 epigrammen treffen we een aantekening in
de marge aan (7,266,3). Huygens noteerde: ‘Dante’. Zoals vaker
geeft de dichter hier niet zijn bron mee aan, maar een persoon die in de
bewerkte tekst voorkomt (vgl. p. 143). Het Engelse epigram (nr. 271) begint
aldus: ‘The pleasant learn'd Italian Poet Dant, Hearing an Atheist
at the Scriptures iest, […]’. Dante wordt bij Huygens een
ik-persoon.
Een van de bewerkingen (7,267,3) betreft een grapje dat Huygens al
twintig jaar eerder had gebruikt. We hebben hier nog weer een voorbeeld van
twee epigrammen met gelijke inhoud die naar aanleiding van verschillende werken
zijn gedicht (vgl. p. 143v). De oudste versie maakt namelijk deel uit van de
serie sneldichten ‘Uyt Engelsch OnDicht’. Het door Huygens
gebruikte proza is de anekdotenbundel
A banquet of jests, voor het eerst verschenen in
1630. Het frappeert dat de dichter na zo'n lange periode weer teruggrijpt op
dezelfde formuleringen:
Ian heeft syn' appetyt verloren, arme Ian,
Die voor thien eten kost, nu niet voor een en kan.
Verloren appetijt, soo ijemand u vindt leggen
Die arm is, ick moet seggen,
'Tis een verloren mann. (4,190,4)
Van Ians honger.
Ian is syn' honger quijt, de grooten eter, Ian;
Hy heeft hem korts verloren:
Soo hem een arm man vindt, ick segh 't hem van te voren,
't Is een bedurven mann. (7,267,3)
Beide sneldichten openen met een versregel die begint en eindigt met
de naam Ian. Bovendien lijken de slotregels veel op elkaar.
De reeks naar
Harington bevat nog een sneldicht waarvan de stof in
A banquet of jests voorkomt (7,264,3).
21 In
de serie ‘Uyt Engelsch OnDicht’ treffen we het grapje niet aan,
maar wel in twee epigram- | | | | men uit 1671 (7,317,3 en 8,14,2). Ik
citeer achtereenvolgens de
Harington- bewerking en het epigram dat er het meest mee
overeenkomt (8,14,2).
Dirck en Claes.
Dirck is all zeventich, en wouw noch, als hij most,
Een gracht van twintich voet diep waters over springen.
Claes is soo oud als Dirck, en seght, veel grooter dingen
Woud' ick in 'tspringen doen, als Dirck doet, als ick kost.
Redelijck roemen.
Dirck, pocht ghij met uw springen,
Als van seer groote dingen?
Wat 's twintich voet? ick heb 't in lange niet
3 begost;
En nam
4 wel eens soo verr te
springen: Als ick kost.
In de volgende twee paragrafen vergelijk ik enkele sneldichten met
de oorspronkelijke tekst van Harington.
| |
3. De sneldichten die via Harington op Martialis
teruggaan
Bezien we eerst de elf sneldichten die motieven uit
Martialis bevatten. Ik begin met de drie die nog niet
als ontleningen waren herkend, allereerst 7,262,1. Ik geef achtereenvolgens de
versies van Martialis, Harington en
Huygens.
22
Narrat te, Chione, rumor numquam esse fututam
Atque nihil cunno purius esse tuo.
Tecta tamen non hac, qua debes, parte lavaris:
Si pudor est, transfer subligar in faciem.
Het praatje doet de ronde, [dat je volkomen ongerept bent],
Chione. Toch bedek je je bij het baden niet op de plek waar dat nodig is. Als
je echt ingetogen bent, doe dat schort dan voor je gezicht.
Of Galla going to the bathe.
When Galla for her health goeth to the Bathe,
She carefully doth hide, as is most meete
2,
| | | |
With aprons of fine linnen, or a sheete,
Those parts, that modesty concealed hath:
5
Nor onely those, but eu'n the brest and necke,
That might be seene, or showne, without all checke.
But yet one foule, and vnbeseeming place,
She leaues uncouered still: What's that? Her
face.
Neel deckt all 'tonderste, met reden, als s' in 't Bad is.
't Is jammer dat haer Hoofd en Backhuijs boven 'tnatt is;
Sij most haer schamen, wists' hoe leelick'en ding dat is.
Harington heeft de eerste helft van het Latijnse
epigram ongebruikt gelaten. Dit doet de vraag rijzen, of het Engelse versje wel
dezelfde strekking heeft als dat van
Martialis. Harington heeft Galla mogelijk willen
uitbeelden als een lelijke vrouw, zoals in ieder geval Neel is getypeerd in het
sneldicht. Dat was echter niet Martialis' bedoeling met Chione.
24
De Engelse dichter heeft het tweede distichon sterk uitgebreid,
maar het slot is gelijk gebleven.
Huygens geeft de pointe al halverwege en legt die
vervolgens uit. Maar doen we het sneldicht zo wel recht? Het is juister te
zeggen, dat Huygens een ander element als pointe laat fungeren, namelijk de
lelijkheid van de vrouw. Pas met de vermelding daarvan krijgen de eerste twee
verzen zin.
Het tweede epigram is 7,262,4. De drie versies luiden:
Addixti servum nummis here mille ducentis,
Ut bene cenares, Calliodore, semel.
Nec bene cenasti: mullus tibi quattuor emptus
Librarum cenae pompa caputque fuit.
5
Exclamare libet: ‘Non est hic, inprobe, non est
Piscis: homo est; hominem, Calliodore,
comes.’
Gisteren heb je een slaaf verkocht voor 1200 sestertiën
om, Calliodorus, een keer een goed maal te hebben. Maar je had geen goed maal:
een barbeel van vier pond, een hele aanschaf, was het pronkstuk van de
maaltijd. Met recht kan men roepen: ‘Dat, ellendeling, dat is geen vis;
een mens is het, Calliodorus, je eet een mens.’
| | | |
(Barbeel gold als een delicatesse; er werden enorme bedragen voor
neergeteld.)
A tale of a rosted horse.
One Lord, 2. Knights, 3. Squires, 7. Dames at least,
My kind friend Marcus bade vnto his Feast,
Where were both Fish and Flesh, and all acates
3,
That men are wont to haue that feast great States
4.
5
To pay for which, next day he sold a Nagge
5,
Of whose pace, colour, Raine, he vs'd to bragge.
Well, Ile ne're care for red, or fallow Deere
7,
If that a horse thus cookt can make such cheere.
(Ongemeene kost).
Ian heeft sijn Peerd verkocht, en spilt het Geld met smeeren
1:
Antoni hielper laest een groot deel af verteeren,
En prijst het goede chier
3, en seght'er dag'lix
af,
'k Wist niet dat Peerdevleesch soo goe pottagie gaf.
Harington heeft de slaaf vervangen door een paard.
Daarmee wijzigt zich ook de pointe enigszins. Het slot wordt iets
‘gewoner’, omdat het waarschijnlijker is dat men een paard opeet
dan een mens. Het sneldicht stemt op dit punt overeen met Harington. Wel laat
Huygens, net als
Martialis, de verkoop voorafgaan aan het verteren.
Evenmin door
Wilterdink besproken is 7,263,4. Ik citeer weer
Martialis, Harington en Huygens.
Qui recitat lana fauces et colla revinctus,
Hic se posse loqui, posse tacere negat.
met een sjaal om wegens zijn keel,
die laat alleen maar zien
dat hij spreken kan noch zwijgen.
| | | |
Of an importunate prater, out of Martiall.
He that is hoarse, yet still to prate doth prease
1,
Proues he can neither speake, nor hold his peace.
Van Trijn.
Trijn is verkout, en schorr en hees:
Noch wil 't Wijf kaeckelen, seght Kees:
Dat 's van d'elendigste gebreken,
Een' Vrouw die swijgen kan, noch spreken.
Martialis' epigram is een van de vele die de frequent
gehouden voordrachten van poëzie hekelen (vgl. bijvoorbeeld ook het begin
van
Juvenalis' eerste satire).
Harington laat dit tijdgebonden element weg. Zijn
epigram gaat over zo maar iemand die schor is en toch wil praten.
Huygens maakt van die iemand een praatzieke vrouw, een
van de vaste mikpunten uit de epigrammatiek.
Huygens kon aan het opschrift van het Engelse epigram zien, dat
het aan Martialis was ontleend. Ik sluit niet uit, dat hij ook in de gevallen
waar Harington geen bron noemt, zo nu en dan de klassieke achtergrond heeft
herkend. Huygens was vertrouwd met het werk van de Romeinse epigrammaticus,
zoals Wilterdink heeft aangetoond.
25 Overigens moeten we er bovendien rekening
mee houden, dat er telkens ook een schakel kan zitten tussen Harington en
Martialis.
Van de andere acht sneldichten behoeven er vier geen nadere
bespreking (7,261,1 en 4; 7,263,6; 7,267,4). De Engelse epigrammen waar ze op
teruggaan, volgen namelijk de Latijnse tekst op de voet, zodat Wilterdinks
commentaar ook van toepassing is als we de sneldichten niet met Martialis, maar
met Harington vergelijken.
Over ‘Slechte loosheit’ (7,263,5) merkt Wilterdink op,
dat Huygens, ‘zoals zo dikwijls, wat uitvoeriger [is] dan zijn
voorbeeld’.
26 De bewerkte tekst,
Haringtons epigram nr. 167, blijkt evenwel nog twee jamben langer te zijn dan
Huygens' versie. Toch heb ik in het sneldicht niets kunnen vinden dat duidelijk
in de richting van de Engelse tekst wijst. De drie overige sneldichten bevatten
wèl derge- | | | | lijke elementen. Laten we ze eens nader bekijken.
Allereerst 7,264,2.
Nil tibi legavit Fabius, Bithynice, cui tu
Annua, si memini, milia sena dabas.
Plus nulli dedit ille: queri, Bithynice, noli:
Annua legavit milia sena tibi.
Niets liet Fabius jou na, Bithynicus, aan wie jij
jaarlijks, als ik het wel heb, zesduizend
gaf.
Niemand gaf hij meer. Je mag, Bithynicus, niet
klagen:
jaarlijks zesduizend liet hij je na.
(Bithynicus erft niets, maar gaat er toch op vooruit, omdat de
jaarlijkse schenking vervalt!)
Of a bequest without a legacy.
In hope some Lease or Legacy to gaine,
You gaue old Titus yeerely ten pound pension.
Now he is dead, I heare thou dost complaine,
That in his will of thee he made no mention.
5
Cease this complaint that shewes thy base intention.
He left thee more, then some he lou'd more
deerely,
For he hath left thee ten pound pension yeerely.
Gelijck een Beeck valt in een' grooten stroom,
Heeft onse Ian sijn' rijcken vrecken Oom
Sijn' Bors gestijft 's jaers met een vijftich Croonen
3.
Oom, hoopten hij, soud 't na sijn' dood beloonen.
5
Die slagh is miss; en in Ooms Testament
Is onse Ian noch voor noch na bekent.
Klaeght hij? mij dunckt hij heeft het goed te dulden,
Oom laet hem na 's jaers hondert vijftich gulden.
Op drie punten staat
Huygens dichter bij
Harington dan bij
Martialis. In de eerste plaats geeft hij net als
Harington de informatie waar Martialis mee begint, pas halverwege het epigram.
Verder | | | | vermelden
Huygens en
Harington expliciet de reden van de jaarlijkse
schenking (‘In hope some Lease or Legacy to gaine’ en ‘Oom,
hoopten hij, soud 't na sijn' dood beloonen’). Bij
Martialisblijft dit impliciet. Tenslotte lijkt
Huygens' formulering ‘in Ooms Testament Is onse Ian noch voor noch na
bekent’ meer op vs. 4 van het Engelse epigram dan op de aanhef van het
Latijnse versje.
Ik wijs nog op het speciale effect dat Martialis bereikt met de
herhalingen (tibi, legavit, Bithynice, annua, milia sena, dabas-dedit). Al bij
Harington is dat afgezwakt (nog wel: yeerely ten pound pension-ten pound
pension yeerely; He left thee-he hath left thee). Bij Huygens is er zo goed als
niets van over (alleen: 's jaers … vijftich in vss. 3 en 8).
Het tweede sneldicht is 7,265,3. Ik citeer weer de drie
versies.
Basia das aliis, aliis das, Postume, dextram.
Dicis ‘Utrum mavis? elige.’ Malo
manum.
De een geef je een kus, Postumus,
de ander geef je een hand.
Je vraagt me: ‘Wat wil je? Kies maar.’
Of a lady that giues the cheek.
Is't for a grace, or is't for some disleeke,
Where others kisse with lip, you giue the cheeke?
Some note that for a pride in your behauiour:
But I should rather take it for a fauour.
For I to show my kindnesse, and my loue,
Would leaue both lip and cheek, to kisse your Gloue.
Now with the cause, to make you plain acquainted,
Your gloue's perfum'd, your lip & cheek are
painted.
Van Trijn.
Ick weet niet wat haer schortt; Trijn magh 't self
overleggen:
Een dingh en moet ick seggen,
Als 't mij te kiesen stond,
Veel liever kusten ick haer' Handschoen als haer' Mond.
Bij Martialis gaat het om de twee verschillende manieren waarop
Postumus iemand begroet: met een kus of, wat afstandelijker, met | | | | een handdruk.
Harington maakt van
Martialis' personage een dame, die, als ze wordt
gekust, niet haar lippen, maar enkel haar wang biedt. De ik-persoon is hier
niet rouwig om en deelt mee nog liever te volstaan met haar geparfumeerde
handschoen. De wijzigingen ten opzichte van Martialis werken door in het
sneldicht, waar eveneens sprake is van een vrouw en haar handschoen. - Het
Engelse epigram komt overigens ook voor in de vorm van een lied.
28
Tenslotte 7,266,2;
Dimidium donare Lino quam credere totum
Qui mavolt, mavolt perdere dimidium.
Iemand die Linus liever de helft cadeau doet
dan hem het volle bedrag te lenen,
die is liever de helft kwijt.
Of Lynus borrowing.
Lynus came late to me, sixe crownes
1 to
borrow,
And sware God damn him, hee'd repai't to morrow.
I knew his word, as currant as his band
3,
And straight I gaue to him three crownes in hand;
5
This I to giue, this he to take was
willing,
And thus he gaind, and I sau'd fifteene shilling.
Behendige winst.
All wat ick Pieter leen is sonder keeren
1
quijt:
Soo wijs heeft mij de proef doen werden metter tijd.
Komt hij mij dan te veld
3, en soeckt mij Thien t'ontleenen,
Soo pass ick hem pas
4 Vijf, en schenck hem die met eenen.
5
Soo komt hem eigen t'huijs
5 half wat hij leenen souw,
En ick winn d'ander helft, die 'ck uijt den brand behouw.
Zowel
Huygens als Harington introduceren een ik-persoon.
Verder gaan de beide latere dichters in tegenstelling tot Martialis
expliciet | | | | in op het karakter van de persoon die wil lenen. In de
derde plaats komt het equivalent van ‘donare’, het tweede woord bij
Martialis, bij de andere epigrammatici pas in vs. 4.
Tenslotte ontbreekt in het Latijnse versje de vermelding van het voordeel dat
de slechte betaler bij de schenking heeft (Harington vs. 6a,
Huygens vs. 5).
Wilterdink merkt naar aanleiding van ‘Behendighe
winst’ op: ‘Huygens is weer bijzonder uitvoerig, zonder dat hij,
zakelijk gesproken, iets meer vertelt dan zijn voorbeeld. Het gaat hem altijd
meer om het verhaaltje dan om een kunstige formulering of om een verrassende
pointe’.
29 Deze uitspraak is niet meer relevant. We hebben
immers kunnen constateren, dat de verschillen tussen het sneldicht en het
Latijnse distichon op rekening van Harington komen.
Vergelijken we de elf sneldichten met Haringtons
Martialis-bewerkingen met het oog op de lengte, dan blijkt dat Huygens drie
keer de Engelse versie aanzienlijk heeft ingekort (7,262,1: ‘Neel in 't
bad’; 7,262,4: ‘Ongemeene kost’; 7,265,3: ‘Van
Trijn’). Slechts één keer is Huygens in vergelijking met
Harington vrij uitvoerig (7,261,1). De overige zeven sneldichten hebben
ongeveer dezelfde lengte als de bewerkte tekst (de verschillen zijn telkens
niet groter dan zes jamben).
In de volgende paragraaf zullen we zien, dat Huygens in de zestien
andere ontleningen over het algemeen zelfs aanmerkelijk beknopter is dan zijn
voorbeeld.
| |
4. De overige ontleningen aan Harington
Behalve de acht sneldichten die uiteindelijk op Martialis
teruggaan, is er nog één dat Wilterdink al had besproken. Het is
epigram 7,266,5, dat volgens hem is ontleend aan
John Owen. Ik citeer de drie versies.
In Pontiam.
In mare cornutos iaciendos, Pontius inquit:
Pontia respondit, ‘Disce natare prius’.
30
| | | |
Op Pontia.
Hoorndragers moeten in zee worden gegooid, zegt
Pontius.
Pontia antwoordt: ‘Leer eerst zwemmen’.
Of cursing cuckolds.
A Lord that talked late in way of scorne,
Of some that ware inuisibly the horne,
Said he could wish, and did (as for his part)
All Cuckolds in the Thames, with all his heart.
5
But straight a pleasant Knight reply'd to
him,
I hope your Lordship learned hath to swimme.
Aen Gerrit.
Ghij wenscht de Coeckoecken, met haer' verroeste
1 stemmen,
In 'tdiepste van de zee. Maer, Gerrit, kont gh' oock
swemmen?
Het woord ‘zee’ zou in de richting van
Owen kunnen wijzen, maar daar staan drie punten
tegenover waarop
Huygensniet met de genoemde epigrammaticus, maar wel
met
Harington overeenkomt. In de eerste plaats suggereert
Owen met behulp van de namen Pontius en Pontia, dat het dialoogje plaats vindt
tussen twee echtgenoten. Dit zorgt voor extra complicatie: Pontia zelf is het
immers die haar man tot hoorndrager maakt. Niet voor niets verwijst Owens
opschrift juist naar haar! Dit facet ontbreekt bij Harington en Huygens. De
eerste legt de afsluitende frase in de mond van ‘a pleasant
Knight’, terwijl de laatste er commentaar van de verteller van maakt. In
de tweede plaats staat Huygens met het woord ‘Coeckoecken’ dichter
bij het Engelse ‘Cuckolds’ dan bij het Latijnse
‘cornutos’. In het versje van Owen tenslotte krijgt Pontius de
opdracht eerst te leren zwemmen, terwijl het bij de andere twee dichters gaat
om de vraag of de persoon die vaardigheid beheerst.
‘Aen Gerrit’ is vergelijkbaar met het versje
‘Aen Mathijs de swijger’, dat ik in par. 1 heb geciteerd. Het zijn
allebei epigrammen die volgens Wilterdink aan Owen zijn ontleend, maar die
blijken te passen in reeksen naar andere bronnen. Het gedichtje over zwijgende
Mathijs maakt, zoals gezegd, deel uit van een serie naar de
apophthegmataverzameling van
Lycosthenes.
| | | |
Onder de 27 sneldichten die op
Harington teruggaan, zijn er zes die handelen over
poëzie of de relatie tussen auteur en publiek. Drie ervan staan in verband
met
Martialis (7,261,1; 7,263,6; 7,267,4). Ik heb ze in de
vorige paragraaf niet besproken, omdat de Engelse versie een getrouwe weergave
van het Latijn is (vgl. p. 152). De andere drie zijn getiteld ‘Dircks
gedichten’ (7,260,6), ‘Kaele letter-dief’ (7,261,6) en
‘Antoni gietleugen’ (7,264,5). Daarvan zijn de eerste twee het
aardigst. Ik citeer eerst 7,260,6 met de bron.
Dircks gedichten.
Dirck seght, syn Dicht heeft menighmalen
Den Leser aengenaem geweest.
Ick kan hem daerin niet behalen;
3
Indien hij 'tselver dickmaels leest.
IN PHILAUTUM.
Your verses please your Reader oft, you vaunt it:
If you your selfe doe reade them oft, I grant it.
Huygens draait de beide elementen uit Haringtons
tweede vers om: ‘I grant it’ is vergelijkbaar met ‘Ick kan
hem daerin niet behalen’, ‘If you your selfe doe reade them
oft’ met ‘Indien hij 'tselver dickmaels leest’. De wijziging
komt de puntigheid ten goede. De speaking name Philautus (‘hij die
zichzelf bemint’) heeft Huygens niet overgenomen. Hij geeft fictieve
personages in zijn sneldichten uitsluitend Nederlandse namen.
Vervolgens 7,261,6:
(Kaele letter-dief).
Teun light mij en besteelt
1 in 'tschrijven en in 'tspreken,
All waer hij spreeckt of schrijft vernem' ick ijet van
'tmijn.
Ick wouw dat kloecke Li'en mijn' Dieven wilden zijn,
En sulcke brodders
4 niet;
soo wist ick mij te wreken.
Of Faustus, a stealer of verses.
I heard that Faustus oftentimes reherses,
| | | |
To his chaste Mistris, certaine of my Verses:
In which with vse, so perfect he is growne,
That she poore foole, now thinkes they are his owne.
5
I would esteeme it (trust me) grace, not shame,
If Dauis, or if Daniel
631 did the same.
For would I thanke, or would I quarrell pike
7,
I, when I list, could doe to them the like.
But who can wish a man a fowler spight
9,
10
Then haue a blinde man take away his light?
A begging Theefe, is dangerous to my purse:
A baggage
12 Poet to my Verse
is worse.
De eerste vier verzen van Haringtons epigram, die een
situatieschets inhouden, hebben hun equivalent in de eerste helft van het
sneldicht. Hierop volgt in beide epigrammen de reactie van de ik-persoon. Die
bestaat in de wens, dat goede dichters de dieven zouden zijn
(Huygens vss. 3-4a,
Harington vss. 5-6). Dit wordt vervolgens gemotiveerd
(in resp. vss. 7-8 en vs. 4b). Huygens gebruikt voor zijn pointe slechts een
van de twee mogelijkheden die Harington in vs. 7 noemt. Hij laat de
mogelijkheid weg, dat de ik-persoon door zelf te ‘stelen’ zijn dank
betuigt voor de eer ‘bestolen’ te zijn. Hierdoor, evenals door het
ongebruikt laten van Haringtons laatste vier verzen, geeft Huygens zijn
bewerking de beknoptheid en scherpte van een
Martialis-epigram. Wel vraag ik me af, of het
sneldicht duidelijk is voor iemand die niet eerst de oorspronkelijke tekst
heeft gelezen.
Ik licht er nog drie epigrammen uit, te beginnen met 7,265,6:
Verraed.
Noyt en misluckt Verraed aen Steden of aen Staet.
Want, als het wel vergaet,
En derft geen mensch op Straet
Meer seggen, 'tis verraed.
Het versje is niet geheel logisch. Men zou verwachten:
‘Nooit lukt verraad …’.
Bilderdijk vroeg zich al af of de eerste regel wel
juist | | | | is: ‘Noyt en. Moest dit niet zijn: nooit
DAN mislukt verraad. Immers, zoo 't gelukte geen verraad is, moet
het 't mislukte alleen zijn’.
32 In de door hem voorgestelde versie fungeert ‘mislukt’
niet als persoonsvorm, maar als bijvoeglijk gebruikt participium: ‘Nooit
(is er van verraad sprake,) behalve (van) mislukt verraad’. Het Engelse
versje klopt wel:
Of treason.
Treason doth neuer prosper, what's the reason?
For if it prosper, none dare call it Treason.
Huygens moet zich dus inderdaad hebben vergist.
Ook de volgende dialoog (7,265,2) is ontleend aan
Harington:
Vader Ian.
Ian, hoe veel kind'ren hebt ghij wel?
Vraegd' ick onnooselick en sonder achterdencken:
Acht, seid' hij, heefter onse Nell.
Nell stond'er bij, en grimd', en seij, Mijn' eer te
krencken,
5
Dat soudt ghij beter laten, Ian.
Hij sprack, dat doen ick niet, maar hebb ick allemann
Bewijs en rekeningh tot naeld en draed te geven,
Van hoe veel' kind'ren ick noch elders hebb in 'tleven?
Another of the Table-talke.
Among some Table-talke of little weight,
A friend of mine was askt by one great Lady:
What sonnes he had? My wife (saith he) hath eight.
Now fie, said she, 'tis an ill vse as may be.
5
I would you men would leaue these fond conditions,
To put on vertuous wiues such wrong suspitions.
Tush, said her Lord, you giue a causelesse blame,
The Gentleman hath wisely spoke, and well:
To reckon all his sonnes perhaps were shame,
10
His wiues sonnes therefore he doth onely tell.
Behold, how much it stands a man in steede,
To haue a friend answere in time of neede.
De constellatie van de personages is in beide teksten
verschillend. De vrouw die verontwaardigd reageert, is bij Harington niet de | | | | echtgenote van de eerdere spreker, maar een willekeurige dame. Zij is
het ook die naar het aantal kinderen had gevraagd. Het antwoord op die vraag
wordt vergoelijkt door iemand die nog niet aan het woord is geweest, namelijk
de echtgenoot van de zojuist bedoelde dame. De aangevallene zal niet erg blij
zijn geweest met de hulp die hem werd geboden. Vandaar het ironische commentaar
van de ‘ik’ in de beide slotverzen.
In het sneldicht draait het om het echtpaar Ian en Nell. Ian komt
twee keer aan het woord. Eerst beantwoordt hij de vraag van de ik-persoon. Hij
doet dat op een manier die bij Nell wrevel wekt. Vervolgens gaat hij in op haar
reactie, en wel zodanig, dat hij zichzelf blameert en zijn vrouw allerminst
geruststelt. Het is een aardige vondst van
Huygens Ian te laten spreken in aanwezigheid van zijn
vrouw Nell en juist hem de motivatie van het antwoord in de mond te leggen.
Interessant is ook de wijze waarop 7,267,2 zich verhoudt tot de
bewerkte tekst, een gedicht getiteld ‘Of a womans kindness to her
husband’. De meest uitgebreide versie van Haringtons epigram telt maar
liefst 24 verzen. Een man dreigt te worden gestraft met een brandmerk op zijn
voorhoofd en verminking van zijn neus. Zijn vrouw vraagt de rechters de straf
te verminderen,
17
but grauely they replied,
It was great mercy that he thus was tried:
His crimes deserue he should haue lost his life,
20
And hang in chaines. Alas, repli'd his wife,
The grief of his disfiguring is such
His hanging would not grieve me halfe so much:
If you disgrace him thus, you quite vndoe him,
Good my Lords hang him, pray be good vnto him.
In deze vorm komt de tekst alleen in een handschrift voor, zo
blijkt uit McClures opgave van de varianten. Huygens heeft waarschijnlijk de
20-regelige versie uit de drukken onder ogen gehad. Daarin ontbreken onder meer
de vss. 21-22, die het gedicht ook beslist niet sterker maken. Ze verraden
immers de pointe al.
Huygens slaat bij het bewerken een andere weg in. Haringtons | | | | kleurrijke vertelling wordt bij hem een versje in de trant van
Martialis, waarin het ‘inexspectatum’ (het
onverwachte) is bewaard voor het laatste woord:
Barmhertige Agniet.
Myn Mann, mijn lieve Mann, om min als niet gevangen,
Een brandmerck op sijn' rugg! Mijn' Heeren, riep Agniet,
Doet hem die schande niet,
En laet hem liever hangen.
Vooral in deze vorm een aardig staaltje zwarte humor.
Van de zestien sneldichten die het onderwerp waren van deze
paragraaf, heb ik er zes nader besproken. Vier bleken aanmerkelijk beknopter
dan de bewerkte tekst, terwijl de andere twee maar weinig langer waren. De
overige tien sneldichten zijn zelfs allemaal korter dan hun Engelse
tegenhangers, zoals het onderstaande schema laat zien. De lengte van de
epigrammen is niet uitgedrukt in het aantal regels, maar in het aantal
versvoeten, omdat de regellengte kan verschillen, terwijl het metrum telkens
gelijk is (de genoemde epigrammen zijn allemaal jambisch).
|
Harington | lengte |
Huygens | lengte |
| 277 | 70 | 7,260,5 | 24 |
| 8 | 50 | 7,261,2 | 24 |
| 20 | 50 | 7,261,3 | 24 |
| 174 | 90 | 7,264,3 | 24 |
| 184 | 40 | 7,264,5 | 24 |
| 202 | 50 | 7,265,4 | 12 |
| 246 | 30 | 7,266,1 | 24 |
| 271 | 50 | 7,266,3 | 36 |
| 293 | 60 | 7,267,1 | 27 |
| 309 | 30 | 7,267,3 | 18 |
Misschien moeten we 7,260,5 en 7,265,4 uitzonderen. In het ene
versje benut Huygens slechts een enkel facet van het Engelse epigram en laat
hij de pointe ongebruikt. In het andere neemt hij alleen Haringtons slotvers
over, waar hij een eigen introductie aan | | | | toevoegt. In deze twee
gevallen is het minder juist te zeggen, dat
Huygens beknopter is, omdat hij voorbijgaat aan de
grote lijn van het oorspronkelijke gedicht.
| |
5. Besluit
Wilterdink laat zich in zijn artikel over Huygens en
Martialis niet al te positief uit over de wijze waarop
de latere epigrammaticus met het werk van zijn voorganger omgaat. In par. 3 heb
ik uitspraken geciteerd over de sneldichten ‘Slechte loosheit’ en
‘Behendighe winst’. Over een ander epigram zegt Wilterdink:
‘Als Huygens zijn sneldicht naar Martialis bewerkt heeft, dan heeft hij,
zoals zo vaak, door de toevoeging van allerlei elementen de puntigheid van zijn
voorbeeld niet bereikt’.
33 Acht van de sneldichten die Wilterdink heeft
besproken, blijken evenwel op
Harington terug te gaan. Het onderzoek naar de
ontleningen aan deze auteur levert een heel ander beeld op van Huygens' manier
van bewerken. Hij is veelal beknopter en soms ook puntiger dan de Engelse
dichter.
Ook over de ontleningen aan
Owen heeft Wilterdink uitspraken gedaan als de reeds
geciteerde. Zo merkt hij op: ‘Huygens streeft niet in de eerste plaats
naar een korte en bondige formulering’ en verder: ‘Het gunstig
oordeel over de puntigheid van Huygens, dat in vele litteratuurgeschiedenissen
en artikelen te vinden is kan ik, over het algemeen, […] beslist niet
onderschrijven’.
34 Het gegeven, dat belangrijke uitbreidingen ten
opzichte van Martialis op rekening komen van Harington, dwingt ons voorzichtig
te zijn met dergelijke opmerkingen. Hoe aannemelijk het ook is, dat Huygens
Owen heeft bewerkt naar een van de vele oorspronkelijke, Latijnse edities, toch
is het niet helemaal uitgesloten, dat hij een vertaling heeft gebruikt. Hij had
er in elk geval een in zijn bezit. De veilingcatalogus van zijn bibliotheek
vermeldt althans: ‘Owens Epigrams’. Ik veronderstel, dat dit op een
Engelse vertaling betrekking heeft.
35
Ik ga nog even terug naar ‘Kunst om kunst’, dat mij op
het spoor bracht van de ontleningen aan Harington. Huygens schreef het epigram
geruime tijd na de zojuist besproken reeks. We kunnen ons | | | | afvragen
of hij wel het versje ‘Cis, by that candle’ heeft gebruikt. De in
het sneldicht verwerkte stof komt ook voor in de vorm van een prozavertelling.
36 Maakt het epigram soms deel
uit van een reeks ontleningen aan een of andere anekdotenbundel? Het zoeken
naar de bronnen van
Huygens' sneldichten is een fascinerende
bezigheid.
Adres van de auteur:
Vrije Universiteit
Postbus 7161
1007 MC Amsterdam
|
*Dit artikel is geschreven in het kader van
NWO-project nr. 301-178- 026.
1Constantijn Huygens,
De gedichten. Naar zijn handschrift
uitgegeven door J.A. Worp. 9 dln. Groningen 1892-1899. Over de drie door
Huygens benutte prozawerken zie dl. 4 p. 159 n. 1 en p. 183-184 n. 5; dl. 5 p.
138-139 n. 3.
2Huygens, Gedichten ed. Worp, dl. 7 p.
192.
4In de literatuur over Owen worden niet altijd
dezelfde jaartallen opgegeven. Ik baseer me op J.B. Wilterdink,
‘John Owen en zijn invloed op Jeremias de Decker en
Revius’, in: TNTL 76 (1958-1959), p. 18-40 (18).
5Id., ‘
Huygens als navolger van John Owen’, in:
TNTL 84 (1968), p. 53-92 (84-85). Het gaat om Owens epigram 10,5, dat ik
citeer naar John Owen,
Epigrammata. Edited with introduction, notes,
indices by John R.C. Martyn. 2 dln. Leiden 1976-1978 (dl. 2 p.
122).
6Desiderius Erasmus,
Opera omnia. 10 dln. Lugduni Batavorum
1703-1706 (reprint Hildesheim 1961-1962), dl. 2 kol. 4C en dl. 4 kol.
339E.
7Conradus Lycosthenes,
Apophthegmata, ex probatis Graecae Latinaeque linguae
scriptoribus […] collecta, & per locos communes, iuxta
alphabeti seriem, digesta. […]. Excudebat Iacobus Stoer.
1602. (ex. UBVU 465 8 o), p. 433.
8Huygens, Gedichten ed. Worp, dl. 4 p.
168 en 203.
9Hoeveel versies er van bepaalde anekdoten
waren, blijkt bijv. uit Theodor Verweyen,
Apophthegma und Scherzrede. Die Geschichte einer
einfachen Gattungsform und ihrer Entfaltung im 17. Jahrhundert. Bad
Homburg v.d. H. [enz. 1970], bijlage II,2 (‘Quellennachweisungen’;
p. 193-235).
10Zie het artikel van Wilterdink genoemd in noot
5.
11Zie bijv. L. Strengholt, ‘
Over Huygens' epigrammen’, in: TNTL 97
(1981), p. 192-204 (192-193).
12J.B. Wilterdink, ‘
Martialis bij Huygens’, in: TNTL 84
(1968), p. 93-106.
13Huygens, Gedichten ed. Worp, dl. 8 p.
1.
14
Jan de Brune de Jonge,
Wetsteen der vernuften, oft bequaam middel, om van alle
voorvallende zaken, aardighlik te leeren spreken. Dl. 1. Aemsteldam
1644. (ex. UBVU XG.00005.-), p. 166.
15A.w., p. 110-111, met de aanhef ‘A lady of
great birth, great reputation’
16John Harington,
The letters and epigrams. Together with The prayse of
private life. Edited with an introduction by Norman Egbert McClure.
Foreword by Felix E. Schelling. Philadelphia [enz.] 1930, epigram nr. 176. Het
andere gedicht bij De Brune is epigram nr. 237.
17Voorbeelden daarvan in Harington, Letters
and epigrams ed. McClure, p. 3-4 n. 2. Ook A. G. H. Bachrach haalt twee
Haringtons door elkaar in
Sir Constantine Huygens and Britain: 1596-1687. A pattern
of cultural exchange. Dl 1: 1596-1619. Leiden [enz.] 1962 (p. 167).
De grootvader van Theodosia Noel is niet de Ariostovertaler en epigrammaticus,
maar Sir James Harington of Exton (zie The dictionary of national
biography, dl. 14 p. 532, s.v. Sir Andrew Noel, d.i. de vader van
Theodosia).
18Over het leven van de dichter zie Harington,
Letters and epigrams ed. McClure, p. 3-53 (‘Introduction’);
D.H. Craig,
Sir John Harington. Boston [1985], hst.
1.
19Harington, Letters and epigrams ed.
McClure, p. XIV.
20A.w., p. 412-427 (‘Notes on the
epigrams’). Over het onderzoek van McMahon Humez zie Craig, Sir John
Harington, p. 86 en p. 151 n. 11, waar verwezen wordt naar ‘Jean
McMahon Humez, “The Manners of Epigram: A Study of the Epigram Volumes of
Martial, Harington and Jonson,” (Ph.D. diss., Yale, 1971), p. 133.’
Dit werk heb ik niet ingezien. Het komt niet in de C.C. voor, evenmin in de
B.L.C., de L.C. catolog books: subjects 1970-1974 en de N.U.C. author list
1968-1972.
21Archie Armstrong,
A banquet of jests and merry tales. In the
original quaint spelling. London [enz.] 1889, p. 27-28. Dat Armstrong de auteur
van de bundel is, wordt weersproken in
Jest upon jest. A selection from the jestbooks and
collections of merry tales published from the reign of Richard III to George
III. [Ed.] John Wardroper. London 1970, p. 9-11 en 151.
3in lange niet: op verre na niet/geruime tijd niet
(opzettelijke dubbelzinningheid); begost: geprobeerd;
22De nummers van de geciteerde epigrammen van
Martialis en Harington zijn telkens te vinden in het schema uit par. 2.
Martialis citeer ik naar de uitgave van W. Heraeus (Leipzig 1982).
2meete: gepast, behoorlijk.
23Worp plaatst opschriften die niet in het
handschrift voorkomen en die hij heeft overgenomen uit de
Koren-bloemen, tussen
haken.
24Vgl. Martialis,
Epigrammaton libri. Mit erklärenden
Anmerkungen von Ludwig Friedlaender. Dl. 1. Leipzig 1886, p. 328, waar verwezen
wordt naar een aantekening bij 3,83: ‘ Chione. Eine
fellatrix.’ Zie ook id., Epigrammes. Texte établi et
traduit par H. J. Izaac. Dl. 1. Paris 1961 (Budé), p. 110: ‘M.
insinue qu'elle a d'autres complaisances pires.’
4feast great States: een feest houden met vertoon
van rijkdom (?);
7red, or fallow Deere: edelhert of
damhert.
1smeeren: flink eten en drinken;
1prease: ‘press’, proberen;
variant: please (willen)
25Wilterdink, ‘Martialis bij
Huygens’, p. 93.
*Damnum Cessans: gederfd verlies; Huygens speelt
met de juridische termen ‘damnum emergens’ (geleden verlies) en
‘lucrum cessans’ (gederfde winst);
27Zie R. Feenstra,
Romeinsrechtelijke grondslagen van het Nederlands
privaatrecht. Inleidende hoofdstukken. 4e herz. dr. Leiden 1984,
par. 299.
3Croonen: blijkens vs. 8 kon een kroon de waarde van
drie gulden hebben.
28Zie John P. Cutts, ‘Sir John
Harington's epigrammatic lyric’ in: Notes and queries n.s.
7 (1960), p. 60-61.
1sixe crownes: 30 shilling;
3as … band: zo betrouwbaar alsof hij er borg
voor staat (ironisch).
1sonder keeren: onherroepelijk;
3Komt … veld: gaat hij dan over tot de
aanval;
4pass ik hem pas: geef ik hem terstond, of: geef ik
hem precies;
5komt … t'huijs: ontvangt hij in
eigendom.
29Wilterdink, ‘Martialis bij
Huygens’, p. 101.
30Owen,
Epigrammata ed. Martyn, dl. 1 p. 27
(1,63); vgl. Wilterdink, ‘Huygens als navolger van John
Owen’, p. 61-62.
3Ik kan hem niet op een onwaarheid
betrappen.
1light … besteelt: zit mij te
bestelen;
4brodders: broddelaars, knoeiers.
6Dauis, Daniel: Sir John Davies en Samuel Daniel,
dichters die tijdgenoten waren van Harington;
31Dauis zou ook de dichter John Davies of
Hereford kunnen zijn, maar McClure verwijst in het register naar dit epigram
onder Sir John Davies.
7quarrell pike: ‘quarrel pick’, ruzie
zoeken;
9spight: ‘spite’, iets
ergerlijks;
32Constantijn Huygens,
Koren-bloemen. Nederlandsche gedichten. Met
ophelderende aanteekeningen van W. Bilderdijk. Dl. 6. Leyden 1825, p.
290.
33Wilterdink, ‘Martialis bij
Huygens’, p. 105.
34Id., ‘Huygens als navolger van John
Owen’, p. 57 en 60.
35
Catalogus der bibliotheek van Constantyn
Huygens […]. Opnieuw uitgegeven naar het eenig overgebleven
exemplaar. 's-Gravenhage 1903, misc. 8 o nr. 382. In deze catalogus
heb ik geen Latijnse Owen-uitgave kunnen vinden; wel in die van de bibliotheek
van Christiaan Huygens. Zie diens Oeuvres complètes.
Publiées par la Société hollandaise des sciences. Dl. 22.
La Haye 1950, misc. 12 o nr. 65 (‘Joh. Owen
Epigrammata’).
36De prozavertelling komt voor in A hundred
merry tales uit 1526. Zie: A hundred merry tales and other English
jestbooks of the fifteenth and sixteenth centuries. Edited by P. M. Zall.
Lincoln [1963], p. 117. Het versje van Harington komt ook voor in John
Cotgrave, Wits interpreter: the English Parnassus […]. The 3d
edition with many new additions. London 1671. (ex. B.L. 243.k.32), p. 286. Geen
van deze twee bundels, genoemd door McClure in zijn noot bij ‘Cis, by
that candle’, leverde verder iets op.
|
|