Het is tegenwoordig geen aanbeveling meer om een roman ‘experimenteel’ te noemen: voor een groot deel van het lezerspubliek is deze term, terecht of ten onrechte, synoniem geworden met ‘onleesbaar’. Maar experimenten met de romanvorm zijn zo oud als de roman zelf. Wat in de loop der eeuwen ‘roman’ werd genoemd is zo gedurig van vorm en inhoud veranderd dat dat nauwelijks een riskante bewering is. En misschien heeft het feit dat de roman eeuwenlang als een inferieur genre werd beschouwd er wel toe bijgedragen dat hij ook na het verwerven van een literaire status resistent is gebleken tegen allerlei rigide vormvoorschriften. Er bestaat geen definitieve vorm van de roman en alle doodverklaringen ten spijt is hij nog even vitaal als altijd.
Een van de vermakelijkste en merkwaardigste romanexperimenten uit de Europese literatuur is al bijna vier eeuwen oud, en stamt uit een tijd toen de roman nog absoluut niet serieus werd genomen als literair genre. Dat laatste blijkt ook uit die roman zelf, die de bespotting van de populairste romans uit die dagen als uitgangspunt heeft. Het is een roman als commentaar op de roman, om niet te zeggen: een antiroman.
Als De geestrijke ridder Don Quichot van de Mancha met terugwerkende kracht beschouwd kan worden als de eerste grote prozaroman in de Europese literatuur, dan is dat zeker ook vanwege het ironische karakter ervan: de roman blijkt in handen van Cervantes meteen al te beschikken over een enorme rijkdom aan mogelijkheden en middelen om zichzelf te relativeren, en daarin tegelijk zijn kracht en vitaliteit te bewijzen. Mogelijkheden die in later eeuwen - van Laurence Sterne tot Thomas Mann, Nabokov en Gombrowicz, om er maar een paar te noemen - ook volop zijn benut.
In De kunst van de roman heeft Milan Kundera zijn idee geschetst van een geschiedenis van de Europese roman, die parallel zou lopen met de geschiedenis van de moderne tijd - een geschiedenis waarin alle grote thema's geëxploreerd worden die de zich ontplooiende wetenschap laat liggen. Hij laat zich daarbij leiden door het idee van Hermann Broch dat de roman moet ontdekken wat alleen de roman ontdekken kan, en zijn geschiedenis begint ook bij Cervantes, die het eerste grote thema van de Europese roman aansnijdt: dat van het avontuur, volgens Kundera.
Zonder twijfel is ‘avontuur’ een centraal thema in De geestrijke ridder Don Quichot van de Mancha, maar als er één thema was dat al van oudsher centraal stond in verhalend proza, van de oudheid tot en met de gevulgariseerde ridderepiek die Cervantes op de hak nam, dan was het wel het avontuur. Om het boek recht te doen zou je eigenlijk moeten spreken over ‘avonturen met het avontuur’, want het is juist de merkwaardige dubbelzinnigheid van dat begrip die in het Spaanse meesterwerk zo kostelijk wordt uitgebuit - en waardoor de eerste ‘echte’ roman tegelijk een experimentele roman mag heten.
Avontuur - het is nog steeds een gewild artikel. Terwijl enerzijds alles in het werk gesteld wordt om alle mogelijke ongemakken en risico's uit te schakelen, klaagt men anderzijds dat het leven zo voorspelbaar en zo saai wordt. Een nogal schizofrene klacht. En onze wereld zou onze wereld niet zijn als die schizofrenie intussen niet ook driftig geëxploiteerd werd als een gat in de markt: voor een paar duizend gulden is het ‘avontuur’ te koop als een ‘onvergetelijke veertiendaagse safari’, compleet met Landrover, gegarandeerde olifanten, en natuurlijk: eersteklas airconditioned hotels. Want in het luilekkerland waar de klant koning is kunnen we het krijgen zoals we het hebben willen.
En zo willen we het blijkbaar: wel gekieteld worden, maar niet bedreigd. Koning Klant wil een comfortabel avontuur, liefst tot in de puntjes georganiseerd, want avontuur is vakantie. Of beter: de vakantie moet opgetuigd worden tot een avontuur.
Het is met het woord ‘avontuur’ hetzelfde als met alle woorden die opwindend en veelbelovend klinken: de wereld van de commercie en de media doen er goede zaken mee. Alleen al het feit dat het zo'n wervende kracht bezit en zo begerenswaardig lijkt doet vermoeden dat het een sterk geromantiseerd begrip is, en het woord ‘romantiseren’ wijst ons meteen in de goede richting: die van de roman.
Want het avontuur is niet wat het lijkt. Wie per ongeluk nog eens echt iets meemaakt en met de schrik is vrijgekomen, weet dat het glorieuze moment van het avontuur pas aanbreekt wanneer het achter de rug is: wanneer het in geuren en kleuren verteld wordt. Het eigenlijke avontuur is niet de chaotische reeks opwindende gebeurtenissen die je meemaakt, maar dat wat er naderhand van overblijft. Het is een produkt van het vertellen: een vormgegeven ervaring. En niet voor niets wordt de Odyssee - die archetypische avonturenroman - bevolkt door vele vertellers, waaronder Odysseus, die zijn meest fabelachtige avonturen zelf opdist.
Maar als het avontuur inderdaad pas in het vertellen ontstaat, dan verwijst dit eerste grote thema van de Europese roman meteen ook naar het avontuur dat het vertellen zelf is geworden: want wat de roman onderscheidt van de oeroude traditie van mondeling overgeleverde verhalen is, dat het vertellen hier zijn onschuld heeft verloren. De verteller is schrijver geworden.
Zoals Benjamin opmerkte in ‘Der Erzähler’: ‘De kraamkamer van de roman is het individu dat in zijn eenzaamheid niet meer in staat is, zich over zijn belangrijkste verlangens exemplarisch uit te spreken, dat zichzelf geen raad weet en geen raad kan geven. Een roman schrijven betekent het op de spits
drijven van het incommensurabele in het menselijk leven. Temidden van de volheid van het leven en door de uitbeelding van deze volheid geeft de roman blijk van de diepe radeloosheid van de levende.’ En aansluitend noemt ook hij de Don Quichot als het eerste grote voorbeeld van de roman. Het vertellen is in de roman geen vanzelfsprekende overdracht van ervaringen meer - het is een individuele poging geworden om de wereld op eigen houtje ‘uit te vinden’, en dus zelf een avontuur.
Don Quichot geeft inderdaad aanleiding genoeg tot bespiegelingen over de dubbelzinnigheid van het begrip ‘avontuur’. Niet alleen is het in zijn geheel een ironisering van de wonderbaarlijke avonturen zoals de ridderromans die boden, maar in de karikatuur die Cervantes ervan schildert wordt tegelijk dat andere avontuur geboren.
Wat meteen opvalt in dit boek is het grote plezier in het vertellen: dat straalt ervan af. Van meet af aan is duidelijk dat de manier waarop de dolzinnige avonturen van de held gepresenteerd worden een belangrijke rol voor zich opeist. Cervantes schept er een bijzonder genoegen in de vertelsituatie te compliceren: de geschiedenis die hij vertelt is zogenaamd ontleend aan een manuscript van de ‘Arabische geschiedschrijver Cide Hameti Benengeli’. Ze is dus uit het Arabisch vertaald, maar het is geen gewone vertaling, want ook de vertaler mengt zich af en toe in het verhaal, en ten slotte is er nog een derde in het spel, de ‘tweede verteller’, die af en toe weer commentaar op de vertaler geeft.
In het achtste hoofdstuk wordt het verhaal, uitgerekend op het moment waarop Don Quichot een gevecht op leven en dood begint tegen de ‘kloeke Biskajer’, plotseling stilgezet met de laconieke mededeling dat de verteller niet verder kan,
omdat het manuscript waaruit hij put hier afbreekt. In het volgende hoofdstuk vertelt hij dan hoe hij bij toeval het boek (van Benengeli) vindt waarin de complete geschiedenis staat opgetekend, en pas daarna kan de draad van het ijselijk gevecht weer worden opgevat.
Zo wordt een gelijktijdigheid van het vertellen en het vertelde bereikt die in feite een bespotting is van wat misschien wel de oudste vertelconventie mag heten: de suggestie dat het verhaal handelt over iets dat aan het vertellen vooraf gegaan is - iets dat ‘echt gebeurd’ is. Hier speelt het avontuur zich af op het moment waarop het verteld wordt, zodat het vertellen zelf ook iets avontuurlijks krijgt.
Dat blijkt opnieuw in het vierenveertigste hoofdstuk, waar verteld wordt hoe Don Quichot om protocolair-ridderlijke redenen weigert in te grijpen wanneer de waard van de herberg door een stel schurken wordt afgetuigd. Nadat hij de spanning behoorlijk heeft opgevoerd zegt de verteller plotseling: ‘Maar wij moeten hem hier achterlaten; waarlijk, er zal hem wel iemand te hulp komen (...); laat ons liever een vijftig schreden terugkeren om te horen wat Don Luis de rechter antwoordde...’ (Ik citeer steeds uit de vertaling van Werumeus Buning en Van Dam, de vijfde druk 1963)
Met een soevereine ironie laat Cervantes keer op keer merken dat de wereld waarin we ons bewegen een vertelde wereld is. En wanneer Sancho Panza een keer de gelegenheid krijgt een verhaal te vertellen pakt dat zo desastreus uit, dat je geneigd bent deze oerkomische episode te lezen als een klein college in de metafysica van het vertellen.
Sancho's verhaal gaat over een herder met een kudde geiten, die aan de oever van een rivier komt. Zijn geiten moeten stuk voor stuk overgezet worden met een klein bootje. Terwijl Sancho nauwgezet verslag doet van het heen en weer varen met telkens een geit (‘en nog een, en nog een...’), krijgt Don Quichot de opdracht om de tel bij te houden. Al na een paar geiten is hij de tel kwijt: ‘Laten wij maar zeggen dat hij
ze allemaal overzette,’ zei Don Quichot, ‘en vaar niet zo heen en weer, want dan krijg je ze nog in geen jaar over.’ Waarop Sancho zijn verhaal afbreekt en beëindigt met het argument dat hij onmogelijk verder kan vertellen als hij niet weet hoeveel er al aan de overkant zijn, want dan weet hij niet hoeveel overtochten hij nog moet beschrijven.
Zo heeft hij zijn meester, die verslaafd is aan verhalen, flink tuk, maar het is bovendien ook nog een prachtig ironisch argument: Sancho's realisme weerlegt zichzelf als het ware. Het laat precies zien waarin de soevereiniteit van een verteller bestaat, en waarom hij geen boekhouder van de feiten kan zijn. Over het verteltechnische probleem waarin Sancho zich hier verstrikt zou een mooie verhandeling te schrijven zijn. Maar dit alles is niet meer dan een terloopse grap, waardoor ook Sancho's nuchtere pragmatisme nog even fraai gecontrasteerd wordt met de verheven verhalenhonger van zijn meester. Cervantes toont zich een meester in zulke terloopse dubbelzinnigheden, en je hoort hem haast grinniken wanneer hij Don Quichot op een bepaald moment tegen Sancho laat zeggen: ‘Spreek op, vriend Sancho; ga voort, want je spreekt vandaag als een boek.’
In het begin van het tweede deel komt een hoofdstuk voor waarin de vertaler zich regelmatig in het verhaal mengt met de waarschuwing dat het hier moet gaan om een apocrief hoofdstuk, omdat hij niet gelooft dat Sancho Panza zijn vrouw heeft toegesproken op de wijze die hier wordt verhaald.
Nog zotter wordt het, wanneer Don Quichot zelf optreedt als verteller en verhaalt welke avonturen hij beleefde in de grot van Montesinos. (Net als bij Odysseus voor hem, en bij baron von Münchhausen na hem, vernemen we de meest krasse avonturen uit zijn eigen mond. En zo hoort het ook: wat is een avonturier zonder een sterk verhaal?) Onze ridder maakt het intussen wel erg gortig: de avonturen die hij opdist
zijn zozeer in strijd met alles wat redelijk en geloofwaardig is, dat Cervantes opnieuw een klein tussenspel invoegt. Hij vermeldt dat de vertaler in de marge van het handschrift van Benengeli hierbij een kanttekening vond, waarin zelfs Benengeli zijn twijfels uit over de waarheid van deze avonturen: ‘...maar als dit avontuur apocrief schijnt ligt de schuld niet bij mij, en daarom schrijf ik het neer zonder te beoordelen of het vals is of echt. Gij lezer, die een wijs man zijt, beslis zelf wat ge ervan denken moet, want ik mag en kan niet anders handelen, alhoewel het zeker schijnt dat hij het in het uur van zijn dood en verscheiden naar men zegt herriep, en verklaarde dat hij het had verzonnen omdat hij meende dat het in de trant en aard lag van de avonturen die hij in zijn boeken had gelezen.’
Bij een andere gelegenheid begint Cide Hameti Benengeli een hoofdstuk met de plechtige verzekering: ‘Ik zweer als katholiek christen...’, waarna de ‘vertaler’ zich haast om uit te leggen hoe het moet worden opgevat dat een moorse mohammedaan zweert als een katholiek christen. Dit soort schielijke toelichtingen lijkt verdacht veel op die van politici die precies kunnen uitleggen waarom ze niet gezegd hebben wat ze zeiden - wat hun geloofwaardigheid niet pleegt te vergroten.
Zo neemt Cervantes regelmatig afstand van zijn verhaal: hij creëert een speelruimte tussen het verhaal en de lezer, waarin de verschillende vertellers (Benengeli en zijn vertaler) het vertelde zelf becommentariëren en op losse schroeven zetten. En die speelse presentatie van het verhaal, dit regelmatig verbreken van de werkelijkheidsillusie, doet geen ogenblik geforceerd aan. Dat de personages uit een ingelaste pastorale geschiedenis plotseling figuren blijken te zijn die het verhaal van de dolende ridder binnenstappen, en dat Dorotea met hetzelfde gemak waarmee ze uit haar verhaal stapt even later de rol op zich neemt van de fantastische prinses Micomico-
na - dat alles maakt deel uit van het steeds ingewikkelder spel dat de schrijver speelt met de lezer, en met zijn held. Want Don Quichot is een bijzonder soort held.
Don Quichot is een van die zeldzame helden die letterlijk en figuurlijk zover buiten hun boekje gaan dat iedereen ze kent, ook al heeft men geen letter in het boek gelezen. Een van die superhelden die spreekwoordelijk zijn geworden, en ik geloof dat er in de Europese literatuur eigenlijk maar één andere held te vinden is die deze superstatus met hem deelt: Faust.
Merkwaardig genoeg zijn ze beiden, als literaire creaties, ook nog ‘tijdgenoten’ te noemen (het volksboek over Faust verscheen in 1587; het eerste deel van Don Quichot in 1605). En beiden zijn ze exponenten van die Europese expansiedrift die zich toen op alle gebieden deed gelden, en die in deze twee figuren de grenzen van het menselijke aftast. Maar wat een verschil tussen die twee! Terwijl Faust, zich pijnlijk bewust van de ontoereikendheid van zijn kennis, willens en wetens samenspant met de machten der Duisternis en zich zo in het verderf stort, trekt Don Quichot, die van de prins geen kwaad weet, de wereld in met een blind vertrouwen in zijn totaal inadequate boekenkennis. Wordt Faust het slachtoffer van zijn ongebreidelde zucht naar kennis, Don Quichot wordt het slachtoffer van zijn ongebreidelde zucht naar heldendaden.
Hij blijkt, om te beginnen, het slachtoffer te zijn van dat romantische misverstand dat ‘avontuur’ heet. Ook hij hongert naar avontuur, en niet toevallig is hij dan ook in de eerste plaats een hartstochtelijk lezer. Hij heeft zo veel ridderromans verslonden, zo veel adembenemende avonturen gelezen, dat ook hem het avontuur iets begerenswaardigs lijkt. Maar anders dan voor de moderne consument is het avontuur voor hem nog geen doel op zich. Uit zijn lectuur heeft
hij begrepen dat avonturen ergens toe dienen. Zij zijn slechts middel tot een doel: zij bieden gelegenheid tot het verrichten van heldendaden.
Don Quichot is, met andere woorden, een lezer die een held wil worden. Daarmee dient zich de onmogelijkheid van zijn ideaal meteen aan, want met het begrip ‘held’ is het al niet anders gesteld dan met het begrip ‘avontuur’: het is uit de literatuur afkomstig, een literaire fictie. Een lezer die een held wil worden - dat is dus eigenlijk een lezer die een verhaalfiguur wil worden.
En de grap die Cervantes uithaalt is, dat hij hem in dit onmogelijke voornemen glansrijk laat slagen - eenvoudig door deze lezer als verhaalfiguur te nemen. De fatale grens die Don Quichot overschrijdt is net zoiets als de spiegel waar Alice doorheen stapt, en zo verkeert in het wonderland van Cervantes' roman iedere Fehlleistung van zijn held in een heldendaad die bijdraagt aan zijn onsterfelijke roem.
Aldus treedt de verwoede lezer Don Quichot, vanaf het moment dat hij zijn boeken achter zich laat, de wereld van de lectuur toch weer binnen: onze lectuur. Deze lezer is inderdaad een held geworden. Maar wat voor één: de dubbelzinnigste held uit de Europese literatuur.
In het tweede deel, dat pas tien jaar na het eerste verscheen, gaat de schrijver zelfs zover, zijn helden op de hoogte te brengen van het feit dat deel I van hun avonturen in boekvorm is verschenen en gretig gelezen wordt. Tot hun grote tevredenheid uiteraard, al laten ze niet na kritisch commentaar te leveren. Door deze truc krijgen de ridder en zijn schildknaap plotseling iets reëels: ze blijken nu immers buiten het boek te bestaan en doen je bijna vergeten dat je ook dat leest in een boek.
‘En belooft de auteur bijgeval een tweede deel?’ informeert Don Quichot (in datzelfde tweede deel) gretig bij de baccalaureus Sansón Carrasco, die hun over het boek heeft verteld.
‘“Dat belooft hij,” antwoordde Sansón “maar hij zegt dat hij het handschrift nog niet heeft ontdekt of vernomen heeft wie het bezit, en zodoende zijn wij nog in twijfel of het al dan niet zal verschijnen.”’
Wanneer ze er vervolgens opnieuw op uit trekken, komen de ridder en zijn schildknaap steeds meer figuren tegen die hun geschiedenis hebben gelezen, en die er een groot plezier in scheppen hun ‘avonturen’ in scène te zetten.
Zo worden ook de lezers van hun avonturen in het verhaal opgenomen, en treden die op hun beurt op als medescheppers van en deelnemers aan hun avonturen. (Wie zei daar dat de creatieve rol van de lezer een idee was van de twintigste eeuw? Cervantes kent alleen maar creatieve lezers.) Zoals bijvoorbeeld de baccalaureus Sansón Carrasco, die Don Quichot van zijn ridderlijke waan denkt te genezen door zelf, verkleed als ridder, tegen hem in het krijt te treden; of het hertogelijk paar, dat hem juist in die waan wil stijven door de meest onwaarschijnlijke ‘avonturen’ te ensceneren.
Ook in werkelijkheid kende het boek trouwens creatieve lezers: één van hen ging na lezing van deel I zelfs zover dat hij op eigen houtje een tweede deel schreef. Maar zoveel creativiteit was nu ook weer niet de bedoeling. Cervantes strafte hem af door zijn helden in deel II ook met dit apocriefe geschrift te laten kennismaken en zij steken hun misnoegen daarover niet onder stoelen of banken. Wanneer blijkt dat het voor een deel in Zaragoza speelt, waarheen ze inderdaad op weg zijn, besluit Don Quichot op staande voet zijn reisdoel te wijzigen, om dit valse geschrift te logenstraffen. Want de kampioen van alle creatieve lezers blijft natuurlijk Don Quichot zelf.
De avonturen van Don Quichot zijn dus in de eerste plaats de avonturen van een lezer die een held wil worden. En welke lezer van avonturenromans zou dat eigenlijk niet willen? Wie droomde er in zijn jeugd niet van Winnetou of Arendsoog te zijn, en wie was ze niet, als hij hun avonturen las?
Met dit door en door dubbelzinnige en ironische uitgangspunt creëert Cervantes een reeks doortrapte avonturen, die even dwaas als diepzinnig zijn. Want het eigenlijke avontuur in alle avonturen van de dolende ridder blijkt het avontuur van de interpretatie te zijn.
Verzadigd van literaire avonturen gaat Don Quichot op zoek naar avontuur, en hij vindt ook wat hij zoekt, want hij creëert zijn avonturen zelf. In zijn onstuitbare dadendrang interpreteert hij de wereld zo dat zij hem volop gelegenheid biedt tot de heldendaden waarvan hij droomt. Dat die allemaal nogal catastrofaal en komisch uitpakken deert hem niet. Hoofdzaak is, wat hem betreft, dat hij zich kan manifesteren als de dolende ridder die hij zijn wil.
Ook in dat opzicht is Don Quichot een heel nieuw type held: een held die zijn avonturen zelf uitlokt. Hij provoceert de feiten met zijn interpretaties, waardoor herbergiers veranderen in kasteelheren, onschuldige burgers in vervaarlijke schurken en schurken op hun beurt in onschuldige gevangenen die bevrijd moeten worden. Zo schept hij zijn eigen werkelijkheid.
Maar een held heeft getuigen nodig: wat zijn de daden van een held als ze niet geboekstaafd worden? Alle legendarische ridders waarover hij gelezen heeft moeten wel voortdurend omringd geweest zijn door ijverig noterende chroniqueurs...En zo is het ook, want zelfs deze overwegingen van onze held heeft de auteur voor het nageslacht vastgelegd. De wereld is voor Don Quichot als het ware een boek dat hij leest en schrijft tegelijk. Maar hij schrijft het met daden - de
woorden moet hij overlaten aan zijn schepper, die daarmee op zijn beurt een spiegel schept waarin de verhouding tussen feit en fictie zelf in beeld komt.
Deze opzet verstrikt de lezer in problemen die verdacht veel lijken op die van de held zelf: iedere lezer wordt op zijn beurt een Don Quichot, die zich met overgave in de meest dwaze avonturen stort. Hij verliest zich in de zotte hersenspinsels die de auteur hem opdist en laat zich, lachend om deze zeventiende-eeuwse uitvoering van de Dikke & de Dunne, steeds dieper in het ironisch labyrint lokken. Dit boek lezen betekent verdwalen in een wereld waarvan de ‘werkelijkheid’ steeds twijfelachtiger wordt, en waarin de lezer zelf ongemerkt verandert in een dolende ridder die het moet afleggen tegen de bedrieglijke complexiteit van de Ridder van de Droevige Figuur.
Don Quichot blinkt namelijk niet alleen uit in daadkracht, hij blijkt ook te beschikken over een grote welsprekendheid en intelligentie. En gelukkig blijft er tussen alle avontuurlijke bedrijven door nog regelmatig genoeg tijd over voor een goed gesprek. In de geestige discussies tussen de dolende ridder en zijn schildknaap, die de eigenlijke ruggegraat van het boek vormen, wordt gaandeweg duidelijk dat Don Quichot lang niet zo gek is als hij lijkt. En dat maakt hem alleen maar ongrijpbaarder.
Zo blijkt dat hij, als het nodig is, heel goed in staat is zijn eigen waan te relativeren - maar tegelijkertijd dient zo'n relativering altijd ter verdediging ervan.
Een aardig voorbeeld daarvan is het geval van de ‘helm van Mambrino’. Deze trofee heeft Don Quichot buitgemaakt op een passerende barbier. Sancho Panza probeert hem ervan te overtuigen dat wat hij aanziet voor deze legendarische helm niets anders is dan het scheerbekken van een onschuldige barbier. ‘Luister eens goed, Sancho,’ zegt zijn meester dan, ‘Ik zweer je bij Hem bij wie jij zoëven gezworen hebt dat jij
het stomste stel hersens hebt dat ooit enig schildknaap ter wereld had of hebben zal. Hoe is het mogelijk dat jij, die al zo lang met mij rondtrekt, nog nooit gemerkt hebt dat alles wat met dolende ridders te maken heeft hersenschim, dwaasheid en waanzin lijkt en in tegenspraak is met de werkelijkheid? Maar eigenlijk is dat niet zo, er zwerft evenwel altijd een zwerm tovenaars om ons heen die alles wat wij waarnemen verdraaien en veranderen en naar hun hand zetten, al naar het hun lust ons te helpen of te gronde te richten. En zodoende schijnt wat jou het scheerbekken van een barbier lijkt, mij de helm van Mambrino en aan een ander kan het weer iets anders schijnen.’
Maar vervolgens verkeert hij deze relativering van gezichtspunten weer listig in zijn eigen gelijk: ‘Het was wel een bijzondere voorzienigheid van de wijzeman die mij terzijde staat om ervoor te zorgen dat wat wis en waarachtig de helm van Mambrino is, voor ieders ogen een scheerbekken schijnt, want waar het een voorwerp van zo hoge waarde geldt zou mij anders heel de wereld achtervolgen om het mij te ontnemen; zien zij echter dat het slechts een barbiersbekken is, dan zullen zij zich geen moeite geven om het in handen te krijgen.’
Ook de geliefde Dulcinea geeft aanleiding tot verrassende bekentenissen van Don Quichot. Wanneer Sancho Panza tot zijn verbazing moet concluderen dat de aanbeden jonkvrouwe eigenlijk een doodgewone boerenmeid is, vertelt Don Quichot hem ter rechtvaardiging het verhaaltje van een rijke jonge weduwe die verliefd was op een simpele lekebroeder. Als de overste haar daarom kapittelt en zich erover verbaast dat zij genoegen neemt met zo'n onnozele domme vent, terwijl ze maar te kiezen heeft uit doctoren en theologen, antwoordt zij dat hij de plank helemaal misslaat: ‘...want hoe dom u hem ook moogt vinden, in de zaken waar ik hem voor nodig heb weet hij evenveel van de filosofie als Aristoteles; en misschien wel meer.’
‘Om kort te gaan,’ voegt Don Quichot eraan toe, ‘ik verbeeld mij nu eenmaal dat al wat ik zeg zo is als ik het zeg, en niet anders, en ik zie haar in mijn verbeelding zoals ik wens dat ze is, zowel in schoonheid als in stand (...) Laat ieder daarover vrij denken zoals hij wil; want al zal ik hierom worden gelaakt door de bekrompenen, de gestrengen van oordeel zullen mij niets verwijten.’ Zo maakt hij van zijn waan een bewuste, vrije keuze en wordt zijn interpretatie van de feiten een creatieve daad: hij herschept de wereld naar zijn ridderlijke fantasie.
In het geval van Dulcinea blijkt er van feiten zelfs helemaal geen sprake te zijn. Wanneer ze in deel II naar El Toboso trekken om Dulcinea verlof te vragen voor een nieuwe reeks heldendaden, weet noch de ridder noch zijn schildknaap waar hij haar zoeken moet.
Sancho Panza, die hem eerder (onder druk van de pastoor) had voorgelogen haar een brief te hebben gebracht, raakt nu in een lastig parket als hij de opdracht krijgt haar te gaan opzoeken. Hij neemt zijn toevlucht tot een list: aangezien zijn meester er moeiteloos in slaagt om windmolens voor reuzen, en een herberg voor een kasteel aan te zien, moet het niet al te moeilijk zijn, redeneert hij, om hem te doen geloven dat de eerste de beste boerenmeid Dulcinea is. Temeer omdat hij al heeft toegegeven dat ze dat best kan zijn. Dus presenteert hij een willekeurige boerendochter die toevallig de weg af komt rijden aan Don Quichot als Dulcinea, waarbij hij zich uitput om haar voornaamheid en schoonheid te beschrijven in de trant van zijn meester.
Don Quichot staat perplex: hij ziet alleen maar een lelijke boerenmeid op een ezeltje. Even lijkt het erop dat Sancho's list een lelijke misrekening is, maar dan zorgt de vindingrijkheid van de dolende ridder zelf voor redding: als dit Dulcinea is, dan moet ze door kwaadaardige tovenaars betoverd zijn in een lelijk boerenmeisje - om hem in zijn ziel te treffen.
Hij proclameert dus weliswaar zijn vrijheid om in een wil-
lekeurig boerenmeisje zijn aanbeden jonkvrouw te zien, maar die ziet hij dan ook alleen maar wanneer hij dat wil, niet wanneer Sancho daarmee zijn voordeel denkt te doen. Dat Sancho's list toch slaagt is te danken aan het gemak waarmee Don Quichot de tegenspraak tussen Sancho's lyrische beschrijving en zijn eigen waarneming weet te verklaren: het filosofisch inzicht dat de dingen niet zijn wat ze schijnen te zijn komt hem goed van pas...
Overigens zal deze list Sancho later nog lelijk opbreken. Wanneer Don Quichot vertelt dat hij de betoverde Dulcinea nogmaals heeft gezien in de grot van Montesinos - waar alles en iedereen betoverd is - heeft zijn schildknaap nog een flinke binnenpret. Maar als later ook de hertog en de hertogin voorwenden dat zij onvoorwaardelijk geloven in de betovering van Dulcinea, en zelfs haar verschijning ensceneren, begint hij het zelf ook te geloven. Zo wordt hij het slachtoffer van zijn eigen grap, omdat de voorwaarde voor haar ‘onttovering’ blijkt te zijn dat hij zich 3300 geselslagen zal toedienen. Verontwaardigd, maar tevergeefs, vraagt hij zich af wat zijn billen te maken hebben met de betovering van Dulcinea: onder zware druk van de omstanders neemt hij de penitentie op zich (die hij vervolgens, tot verdriet van Don Quichot, eindeloos weet uit te stellen).
Met dat argument van de ‘betovering’ maakt Don Quichot keer op keer het onmogelijke mogelijk, en zijn waanwereld sluitend. Hij gelooft niet in wat zijn ogen zien, maar in zijn ideeën over wat hij ziet. Hij ziet wat hij wil geloven. Alles wat niet past in zijn interpretatie van de feiten, alles wat anders blijkt te zijn dan hij verwacht, is betoverd - en daarmee ingelijfd in de logica van zijn ridderlijke waan.
Deze dolgedraaide Plato is verblind door de zon van zijn ideeën. Je zou ook kunnen zeggen dat hij alle symptomen van een paranoïcus vertoont: als de werkelijkheid flagrant in tegenspraak is met de eigen interpretatie, dan is er boos opzet
in het spel, een complot van kwaadaardige tovenaars, waardoor men zich vooral niet moet laten misleiden. Want ‘in werkelijkheid’ is alles immers anders dan het schijnt te zijn. De werkelijkheid is betoverd. En wat wil dat anders zeggen dan: ondergeschikt gemaakt aan een Idee, of beter: een ideologie?
Geen ideologiekritiek kan doeltreffender zijn dan die van Cervantes, die laat zien hoe die ‘betovering’ van de werkelijkheid in zijn werk gaat. Want de enige die werkelijk ‘betoverd’ is, is de dolende ridder zelf: betoverd door zijn lectuur projecteert hij zijn betovering op de wereld. Dat is geen onbekend verschijnsel, en waar zo'n waan collectieve en autoritaire vormen aanneemt kan dat leiden tot absurde ‘betoveringen’ van de maatschappelijke werkelijkheid. Het is geen toeval dat het ook in zulke gevallen romanschrijvers zijn geweest - experts immers in de betoveringen van de fictie - die dat schitterend hebben laten zien: men leze Boelgakov, Terts of Vojnovitsj.
De enige echte tovenaar bij dit alles is uiteraard Cervantes - de schrijver. Met zijn betoverde hidalgo betovert hij de lezer, en hij weet deze twee betoveringen schitterend tegen elkaar uit te spelen: die van zijn held door de ridderromans, en die van de lezer door zijn verhaal - een verhaal waarin de ridderroman op een onvergetelijke manier wordt opgevreten door een schelmenroman.
Er valt over Don Quichot van alles te beweren, behalve dat hij een eenduidig en gemakkelijk te interpreteren personage is. Hij is een idealist, maar als het erop aankomt is hij bezorgder om zijn imago en zijn onsterfelijke roem, dan om het lot van rechtelozen en verdrukten. Hij is intelligent, maar uiterst lichtgelovig; edelmoedig, maar ook uiterst ijdel en
opvliegend; hij onderneemt de meest dwaze dingen, maar toont zich zeer verstandig en erudiet in gesprekken; hij is onverschrokken in het gevecht, maar neemt de benen wanneer Sancho Panza een aframmeling krijgt. Etcetera.
Een vat vol tegenstrijdigheden dus, en toch zit er een logica in al zijn handelen: het is consequent in strijd met het ‘gezonde verstand’. Maar het is dat willens en wetens, want dat vloeit nu eenmaal voort uit de taak van de dolende ridder die hij zelf na het avontuur met de leeuwen als volgt omschrijft: ‘...de dolende ridder moet zwerven tot in 's werelds uithoeken, binnendringen in de verwardste doolhoven, ieder ogenblik het onmogelijke ondernemen.’
Daar houdt hij zich aan, tot wanhoop van Sancho Panza en tot groot genoegen van de lezer, die hem in al zijn ongeloofwaardigheid gek genoeg steeds geloofwaardiger ziet worden.
Af en toe legt Cervantes zijn held opmerkingen in de mond die je wel moeten doen twijfelen aan zijn gekte. Zo merkt Don Quichot naar aanleiding van hun in boekvorm verschenen avonturen ondermeer op: ‘Geestig zijn en op aangename toon schrijven is slechts voor grote geesten weggelegd; de knapste rol in een toneelstuk is die van de gek, want wie de indruk wil wekken dat hij dom en gek is, mag het zelf allerminst zijn.’
Je zou zweren dat hij het over zichzelf heeft. En als dat zo is moet de lezer toegeven dat Don Quichot zijn rol voortreffelijk speelt. Bijvoorbeeld wanneer hij de poppenkast van meester Pedro aan gruzelementen slaat om te voorkomen dat de Moren in de voorstelling de geschaakte jonkvrouw zullen achterhalen. Waar hij bij andere gelegenheden zijn talent heeft getoond om van de werkelijkheid een kostelijk toneelstukje te maken, laat hij hier zien hoe hij een onschuldige poppenkastvoorstelling op slag kan veranderen in een bloedig strijdtoneel - en ook dat maakt deel uit van de voorstel-
ling. Want Don Quichot is geen gewone held: hij acteert een held. Hij is niet alleen een lezer die in een verhaalfiguur verandert, maar bovendien een verhaalfiguur die een heldenrol acteert. En hij gaat zozeer op in die rol, dat noch hijzelf, noch de lezer op den duur waan en werkelijkheid in zijn persoon kan onderscheiden.
Dat zijn waan uiterst besmettelijk is, blijkt ook binnen het verhaal: ook Sancho Panza krijgt een klap van de molen - hij groeit zo sterk in zijn rol van schildknaap dat hij ten slotte zijn droom werkelijkheid ziet worden: hij wordt eindelijk ‘gouverneur van een eiland’, en steekt dan op zijn beurt zelfs zijn broodnuchtere vrouw Teresa aan. En voor zover de waanzin van Don Quichot niet besmettelijk is, blijkt ze toch op z'n minst aanstekelijk: alle lezers van zijn geschiedenis die hij in deel II ontmoet, spelen het spel maar al te graag mee. Zodat geleidelijk aan de hele wereld rondom de dolende ridder en zijn schildknaap verandert in een geënsceneerde werkelijkheid: een toneelstuk.
Het is dan ook leerzaam, te lezen wat Don Quichot zegt wanneer hij, na de ontmoeting met een toneelgezelschap, zijn licht laat schijnen over het toneel. Hij betoogt dat het toneel het menselijk doen en laten naar het leven weerspiegelt: ieder speelt zijn rol, hetzij keizer, paus, koppelaar of schurk, ‘maar als het stuk uit is en zij hun kledij hebben afgelegd, zijn alle spelers weer gelijk.’ En vervolgens beschrijft hij het werkelijke leven als een toneelstuk. ‘“Welnu dan,” sprak Don Quichot, “hetzelfde geschiedt in het spel en het leven dezer wereld, waar sommigen voor keizer spelen, anderen voor paus, kortom voor al de verschillende personagiën die in een toneelstuk kunnen optreden; maar als het einde komt, dat wil zeggen als het leven eindigt, ontdoet de dood hen allen van de kledij die hen van elkander onderscheidde, en in het graf zijn allen gelijk.”’
Het toneel lijkt dus op het leven, zoals het leven lijkt op het toneel - een perfecte cirkel, waaruit je alleen maar kunt aflei-
den dat leven en toneelspelen, zo niet identiek, dan toch nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Dat moet de reden zijn waarom iedere interpretatie van Don Quichot ontoereikend lijkt: er ontsnapt altijd iets. Hij is een onmogelijke held, omdat hij voortdurend opereert op de grens tussen werkelijkheid en illusie - hij is als het ware de blinde vlek van de lezer, in wie de letter geest en het woord vlees wordt, en die dus al lezend op hetzelfde slappe koord danst als de Dolende Ridder.
Als het de taak van de roman is, te ontdekken wat alleen de roman ontdekken kan, zoals Hermann Broch stelde, dan mag Cervantes met recht een pionier heten. Want naast alle andere kwaliteiten die dit boek tot een meesterwerk maken heeft het ook nog de kwaliteit, dat het het lezen van romans op een buitengewoon meeslepende en geestige manier aan de orde stelt.
Don Quichot is een lezer - dat is een van de intrigerendste aspecten van zijn persoonlijkheid. Het boek behelst de geschiedenis van een hartstochtelijk romanlezer, en dat maakt de kostelijke avonturen van de ridder van de Droevige Figuur ook tot een spiegel van je eigen leesavonturen.
Want wat is dat eigenlijk: lezen?
Walter Benjamin heeft het ooit een ‘eminent telepathischer Vorgang’ genoemd, en dat is in zoverre treffend dat door het lezen een contact tot stand komt tussen schrijver en lezer dat elke ruimtelijke afstand, en zelfs elke afstand in tijd moeiteloos overbrugt. Wie leest - en dat geldt bij uitstek voor een romanlezer - beweegt zich in een imaginaire ruimte waarin de normale wetten van tijd en ruimte opgeheven lijken. Door de letters en de woorden heen zie je en hoor je dingen die er niet zijn - stemmen en gestalten van mensen die al eeuwen
dood zijn, of zelfs nooit bestaan hebben; landschappen, steden - een wereld waarin de onwaarschijnlijkste dingen kunnen gebeuren. Een mens kan in een boom of een kever veranderen, een neus gaat zelfstandig op stap en beleeft de krankzinnigste avonturen, en de lezer gelooft het voor de duur van zijn lectuur maar al te graag, want het lezen schenkt hem een onvervangbare vorm van vrijheid: in een boek, in de wereld van de woorden, kan alles - niets is uitgesloten. Lezen is, kortom, een milde vorm van betovering.
En wat voor het lezen (en het schrijven) van verhalen geldt, gold al veel langer voor het vertellen en beluisteren van een verhaal: het is misschien wel de oudste vorm van geestelijke activiteit, en het eigenaardige ervan is dat het zich weliswaar hier en nu afspeelt, maar dat het je tegelijkertijd verplaatst in een andere wereld.
Dit vermogen tot transcenderen (want dat is het: het overschrijden van je eigen grenzen in ruimte en tijd, het vertoeven in een imaginaire wereld) is ongetwijfeld het wonderlijkste vermogen waarover mensen beschikken. Het is het vermogen om van jezelf te verschillen en de fysieke beperkingen van ruimte en tijd op te heffen - in taal.
Dat aan dat vermogen oorspronkelijk een magische kracht werd toegekend, en een religieuze betekenis, ligt voor de hand. Het verhaal in zijn oudste vorm, de mythe, genoot de onaantastbare autoriteit van een openbaring, en het vertellen, of beter: het reciteren ervan was dan ook een sacrale, rituele handeling. En een collectieve aangelegenheid.
In de mythe was de transcendente ruimte van het verhaal het domein van ‘hogere machten’ - gestorven voorouders, goden of demonen - en die wereld werd als absoluut reëel ervaren omdat ze werd begrepen als de oorsprong (en derhalve de oorzaak en de verklaring) van de actuele wereld waarin men leefde. In mythische tijden bezat het verhaal dus in wezen een hoger werkelijkheidsgehalte dan de feitelijke realiteit, want die laatste werd er uit afgeleid en erdoor gelegiti-
meerd. (En voor zover onze verklaringen nog altijd de causale structuur van een verhaal bezitten is dat eigenlijk nog steeds zo...)
Het kon ook haast niet anders of men moest, al redenerend over die heilige verhalen, tot de conclusie komen dat er een andere, ‘hogere’, ‘transcendente’ wereld bestond, en zo ontstonden uit dat geloof in heilige verhalen alle religies. Maar daar is het gelukkig niet bij gebleven. Naarmate men wat vertrouwder werd met dat wonderlijke vermogen tot transcenderen, werd het heilige ook minder heilig en kreeg het vertellen van verhalen ook andere funkties.
Nadat vervolgens het schrift was uitgevonden, en ook dat zijn vreeswekkende heiligheid door gewenning een beetje was kwijtgeraakt, kwam langzamerhand de literatuur in zicht. En literatuur, zo bleek al bij de Grieken, verlangt weliswaar geloof, maar geen onvoorwaardelijk geloof: in de literatuur krijgt het transcenderen geleidelijk aan de trekken van een spel.
Er is, kortom, veel voor te zeggen, de geschiedenis van het vertellen (en in het verlengde daarvan: die van het lezen en schrijven) te interpreteren als een uiterst geleidelijk proces van verkenning en verovering van de transcendente ruimte van het verhaal. Ofwel: de transcendente ruimte van wat ik bij gebrek aan een beter woord maar ‘de menselijke geest’ zal noemen. Beetje bij beetje zie je dan ook goden en demonen het veld ruimen en plaats maken voor de menselijke hoofdpersoon. (Zo komt die geest ten slotte toch terecht waar hij thuishoort.)
De verovering en toeëigening van die transcendentie is dus een verovering en toeëigening van de eigen geestelijke vermogens. In die zin is de geschiedenis van de literatuur niets anders dan een emancipatieproces: een langdurige leerschool waarin sidderende gelovigen langzaam worden omgeschoold tot leergierige lezers. Lezers die hun geloof in goden en demonen leren herkennen als een geloof, en het vervolgens leren hanteren als een experimenteel vermogen.
Zo voltrok zich een geleidelijke individualisering en mobilisering van dat vermogen tot transcenderen. Een proces dat nog eens versneld werd met de uitvinding van de boekdrukkunst en de alfabetisering van de massa's: op die manier werd ten slotte uit de moeder van het verplichtende, collectieve geloof het spel van de vrije geest geboren.
Geen wonder dat die geest zich bij tijd en wijle ook behoorlijk overschatte. Hij is maar al te geneigd, te vergeten dat hij uit de leerschool van het verhaal voortkwam, en het heeft lang geduurd voordat filosofen wilden inzien dat de kernproblemen van hun discipline te herleiden zijn tot dat transcenderende karakter van de taal. Want of een mens nu over de wereld nadenkt in streng afgebakende begrippen, of zich laat leiden door zijn verbeelding - dat alles speelt zich onveranderlijk af in die transcendente, imaginaire ruimte die hij zelf schept. En heilig of profaan, de handeling van het actualiseren van een imaginaire wereld, het zich verplaatsen in een wereld van woorden en betekenissen, blijft dezelfde. De verleiding om die wereld te verwarren met de materiële wereld blijft groot. Die verwarring is misschien zelfs onvermijdelijk. Want hoe je het ook wendt of keert - wie denkt, transcendeert: zelfs de radicaalste scepticus hanteert de illusies die hij verwerpt; ook hij kan niet buiten zijn geloof in betekenissen. Daarom is Don Quichot minder gek dan hij lijkt.
Het is de verdienste van de literatuur dat ze van dat geloof een licht geloof heeft weten te maken, het spel van een wendbare geest die de zwaartekracht van de heilige overtuiging weet op te heffen met twijfel en ironie. Een manier om axioma's om te zetten in hypothesen. En dus een manier om na te denken over de werkelijke wereld. Een vorm van receptiviteit die openstaat voor de meest gedurfde en de meest onwaarschijnlijke hypothesen - niet om zich eraan te onderwerpen, maar om ermee te spelen en er spelenderwijs inzicht aan te ontlenen.
Zo is de geschiedenis van de literatuur, en van het lezen, dus een avontuur waarin de lezer inderdaad de rol van de held speelt. Een millennialange traditie van zangers, dichters en vertellers heeft dat oorspronkelijke geloof in de werkelijkheid van het vertelde beetje bij beetje van zijn heiligheid en absoluutheid ontdaan, tot daaruit ten langen leste het verlichte geloof van de verbeelding is ontstaan.
In die traditie ontdekte Cervantes op zijn beurt in de roman een ideaal instrument om zichtbaar te maken hoe dat werkt, en hoe ingewikkeld het is om tussen die transcendente wereld van betekenissen en de materiële van de feiten het juiste evenwicht te vinden.
Dat was hij natuurlijk helemaal niet van plan, maar zijn geniale inval om een verstokte lezer tot held van zijn roman te maken voerde hem ver voorbij zijn aanvankelijke bedoelingen. In die leerschool van de literatuur, zo zou je kunnen zeggen, is Alonso Quijano, alias Don Quichot, typisch een lezer die nog de nodige moeite heeft met de omscholing van zijn nobele geest. Zijn geloof heeft zich nog niet ontworsteld aan de goedgelovigheid: hij is een al te goedgelovige lezer die de wonderbaarlijke avonturen van Amadis van Gallië, Roland, Palmerijn van Olijven en menige andere fabuleuze ridder zeer serieus neemt. Hardnekkig blijft hij de transcendente wereld van zijn ridderlectuur projecteren op de realiteit van het zestiende-eeuwse Spanje. Dat levert niet alleen een buitengewoon geestig, maar ook een heel instructief verhaal op. Wie deze verdwaalde lezer op zijn tochten volgt, voelt zijn eigen geloof in de werkelijkheid licht en beweeglijk worden.
Lezen blijft een hachelijke bezigheid. Don Quichot kon daarvan meepraten: zijn belezenheid kwam hem duur te staan. Maar hij ontleende er ook zijn kracht aan. Het is niet
zozeer zijn ‘idealisme’ dat hem bewonderenswaardig maakt, maar vooral de koppigheid waarmee hij zijn droom verdedigt. Zijn grootheid schuilt in het feit dat hij de strijd niet opgeeft. Hij tart het gezond verstand door na iedere aframmeling, na iedere verpletterende nederlaag tegen de banaliteit van de feiten, opnieuw het banier van zijn Dolend Ridderschap te heffen: hij laat zich niet verslaan door de feiten. Die koppigheid is dwaas, maar heeft ook iets nobels en ontroerends. Hij is het tenslotte die de feiten hun betekenis geeft, en daarmee heeft hij zijn missie als lezer in elk geval op eervolle wijze volbracht.
De manier waarop hij uiteindelijk toch afstand doet van zijn waan getuigt dan ook van Cervantes' diepzinnigheid: pas wanneer hij verslagen wordt door een ‘ridder’ van gelijke allure legt hij de wapens neer en keert terug naar zijn dorp. En wel omdat dat volgens ridderlijk gebruik zo overeengekomen was voor het gevecht: de overwinnaar beslist over het lot van de overwonnene. Zo krijgt zelfs zijn capitulatie nog het karakter van de vervulling van een ridderlijke plicht.
Maar wat zou de nobele, vergeestelijkte dwaas Don Quichot zijn zonder zijn ongeletterde schildknaap, de trouwe dikzak Sancho Panza met zijn boerenslimheid? Het is onmogelijk, de een los te zien van de ander. En waarschijnlijk heeft niemand ooit een schitterender commentaar op dit verhaal geleverd dan Kafka, die erin slaagde de roman te herschrijven in minder dan een halve bladzijde, onder de titel: ‘De waarheid over Sancho Panza’. Omdat het onmogelijk is, het beter samen te vatten dan hij het zelf deed, citeer ik de tekst in zijn geheel:
‘Het lukte Sancho Panza, die zich daar overigens nooit op beroemd heeft, in de loop der jaren, door het beschikbaar stellen van een hoeveelheid ridder- en roverromans in de avond- en nachturen, zijn duivel, die hij later de naam Don Quichot gaf, zodanig af te leiden dat deze onbeheerst de
zotste dingen uitvoerde, die evenwel bij gebrek aan een bepaald voorwerp, dat juist Sancho Panza had moeten zijn, niemand kwaad deden. Sancho Panza, een vrij man, volgde, misschien uit een soort verantwoordelijkheidsgevoel, Don Quichot rustig op zijn tochten en dat verschafte hem tot aan zijn dood een groot en nuttig vermaak.’
Hier is dus Sancho Panza de held, maar ook aan hem kan de lezer zich spiegelen: Kafka's Sancho weet het lezen op waarde te schatten. Als lectuur demonen kan oproepen, dan kan ze ook dienen om ze te bezweren en onschadelijk te maken, om er ‘een groot en nuttig vermaak’ aan te ontlenen.
Don Quichot en Sancho Panza vormen een volmaakt duo, even onafscheidelijk en complementair als Scylla en Charybdis: het zeskoppige monster van een op hol geslagen verbeelding tegenover het gemakzuchtige monster van een platte realiteitszin: zelden zijn deze monsters overtuigender verbeeld en nooit was je zo rotsvast overtuigd van hun menselijkheid. Maar vergis je niet: het zijn monsters, demonen, opgeroepen in die onbestaanbare, transcendente wereld van een verhaal. En alleen dankzij het meesterschap van Cervantes, waardoor ze je allebei even dierbaar worden, lukt het je er tussendoor te zeilen - zonder een andere heldenrol te vervullen dan die van lezer.