Wanneer Lodewijk Meijers treurspel Verloofde Koninksbruidt nog enige bekendheid heeft gehouden, dan is dat niet om het stuk zelf maar om de uitvoerige ‘Voorreeden’ die Meijer eraan heeft doen voorafgaan. Hierin immers werden voor het eerst enige belangrijke beginselen van het Frans-Klassicisme in min of meer systematische vorm aan het Nederlandse publiek gepresenteerd. Toen een werkgroep kandidaten zich in het semester januari tot juni 1977 aan de bestudering van de Koninksbruidt zette, was het dan ook de bedoeling dat ze zich in eerste instantie op die ‘Voorreeden’ zouden concentreren. Daar Meijer echter ter illustratie van zijn theorie steeds zijn eigen stuk gebruikte, bleek al spoedig dat een diepgaander bestudering van de Verloofde Koninksbruidt zelf niet achterwege kon blijven. We waren daar trouwens al gauw niet rouwig om. Al hebben we geen grote kwaliteiten in het stuk kunnen ontdekken, het bleek wel degelijk een boeiend studie-object.
Toen Meijer eraan begon, verkeerde hij nog sterk onder de invloed van Jan Vos en streefde hij ernaar een drama te schrijven dat de vergelijking met Aran en Titus doorstaan kon. Er gebeurt dan ook veel spectaculairs op het toneel: er vallen vele doden, er wordt menig duel uitgevochten, er is een waanzinscène, en er treedt een namaak-spookverschijning op. Treffend is het optreden van een klein jongetje dat later door zijn moeder vermoord zal worden en wiens bloed aan zijn vader en stiefbroer als gruwelijke feestwijn geserveerd wordt. Men herkent de elementen van het Senecaanse gruweldrama. Maar in de lange periode tussen 1652 en 1668 dat Meijer, zij het met onderbrekingen, aan zijn Verloofde Koninksbruidt werkte, zou hij een andere invloed ondergaan, die van Corneille. En zo werd hij voor de moeilijke, zo niet onmogelijke opgave geplaatst een Vossiaans gruweldrama om te bouwen tot een Corneillaanse tragedie. Die opdracht was te zwaar voor hem, maar het is heel interessant hem in zijn ‘Voorreeden’ te zien worstelen wanneer hij wil aantonen dat aan de eisen die de theorie van de zo bewonderde Corneille stelt, in de Verloofde Koninksbruidt zo goed mogelijk is voldaan.
Succes heeft de Koninksbruidt nauwelijks gehad: voor een spektakelstuk was het toch niet voldoende spectaculair, voor een klassicistische tragedie niet klassiek genoeg. Nu, ruim driehonderd jaar later, meenden we dat het stuk in elk geval literair-historisch belangrijk genoeg was om er een uitgave van te rechtvaardigen.
We moesten met onze tijd woekeren. Bij de annotatie hebben we daarom de meeste aandacht gegeven aan de ‘Voorreeden’. Die is vrij uitvoerig gecommentarieerd en voorts hebben we als paralleltekst de door Meijer bewerkte passages uit de Trois Discours van Corneille een plaats gegeven. De tragedie zelf heeft slechts summiere aantekeningen gekregen, toch voldoende naar we hopen om de student-lezer die we ons voorstelden, door moeilijke plaatsen heen te helpen.
In de inleiding is aan het treurspel wat meer aandacht geschonken. Na hoofdstukken over Meijers leven en toneelactiviteiten (voornamelijk op secundaire literatuur berustend) volgt een beschouwing over de Koninksbruidt waarin met name de optredende personages en de structuur van het stuk zijn behandeld, het laatste voornamelijk aan de hand van de theorieën van Steen Jansen. Hoofdstukken over de bronnen van de Verloofde Koninksbruidt, de ‘Voorreeden’ en de waardering bij tijdgenoot en nageslacht completeren dit geheel.
De studenten die aan dit project hebben meegewerkt, hadden allen in het volgende semester weer andere verplichtingen met colleges en tentamens. Er moest dus snel gewerkt worden, met het gevolg dat we bepaalde problemen hebben moeten laten liggen. Zo hebben we geen tijd besteed aan de stilistische en retorische aspecten van de Koninksbruidt en zijn we er - voorbeeld van een onopgeloste detailkwestie - niet achtergekomen wat Meijers bron is geweest voor r.343-347 van de ‘Voorreeden’.
Hetzelfde tijdgebrek heeft gemaakt dat Marion Blom-Hülsmann, Martine van der Eijk-Olij, Lia Reedijk, Els Sixma-Rutten en Gea Timmer na afloop van de college-periode niet langer konden meewerken, tot hun en onze spijt.
Tenslotte iets over de tekst. Gebruikt is het exemplaar van de Verloofde Koninksbruidt uit de Universiteitsbibliotheek te
Amsterdam (sign. 691 B 111) en de tekst is diplomatisch weergegeven, met dien verstande dat de sprekende personages boven, niet naast hun claus zijn afgedrukt, dat regeltelling is toegevoegd, en cursiveringen zijn aangeduid met onderstreping. Kennelijke drukfouten zijn in de aantekeningen verbeterd.
Van verschillende kanten is ons zeer gewaardeerde hulp geboden. Arie Gelderblom heeft een omslag voor de Koninksbruidt gemaakt, Annette van Hiele, Lieke van Noord en Margreet Leufkens hebben het typewerk voor hun rekening genomen.
Peter Blommendaal
Hennie de Jonge
Chaja Koops-van Bruggen
Marrianne van Riessen-Roza
Angela Wijers
Riet Schenkeveld-van der Dussen