De preciese geboortedatum van Lodewijk Meijer is niet bekend; wel weten we van de zoon van Willem Jansz. Meyer, laeckenbereider, en Maria Lodewijxdr. de doopdatum: op 18 oktober 1629 werd hij in het doopregister van de Oude Kerk te Amsterdam ingeschreven (Thijssen-Schoute 1967, p. 193). Pas in 1654, dus al bijna 24 jaar oud, ging hij naar Leiden als student in ds filosofie en weer vier jaar later, in 1658, werd hij als student in de medicijnen ingeschreven. In 1660 sloot hij zijn studie filosofie af met een dissertatie en in datzelfde jaar promoveerde hij ook in de medicijnen. In 1661 trouwde hij met Constantia Caret. Het huwelijk bleef kinderloos en het was tussen de echtelieden niet altijd pais en vree als we de pamflettenliteratuur uit die tijd mogen geloven. Daarin wordt verhaald hoe Meijer aangeschoten thuis komt en daar de huid volgescholden krijgt van zijn vrouw (id. p. 193). Andere roddels bevestigen die indruk, zodat mevrouw Thijssen-Schoute wel gelijk zal hebben met haar opmerking: ‘Een voorbeeldig echtgenoot zal Meyer dus niet geweest zijn, waarschijnlijk wel een trouw en onderhoudend vriend’ (id. p. 194). Voor zijn onderhoudendheid pleit in elk geval de karakteristiek van zijn persoon door een tijdgenoot: een man ‘kort en gedrongen van gestalte, van een zeer spotachtigen en raljanten aard’ (Meinsma 1896, p. 235). In november 1681 is Meijer overleden, zoals is op te maken uit de mededeling in het grafboek van de Oude Kerk: ‘25 Nov. 1681 Dr. Lodewijck Meyer op de oude Bierkay’ (Thijssen-Schoute 1967, p. 193).
Zoals hierboven al werd aangeduid, was Lodewijk Meijer met zijn 24 jaar tamelijk oud voor een aankomend student. Hij had echter al andere dingen gedaan. In 1654 bezorgde hij een tweede druk van J. Hofman's Nederlantsche woordenschat dat is verduytschinge van uytheemsche woorden, die somtijdts onder het Nederlantsch gevonden worden ... 1650. Toen van dit werk de vijfde druk verscheen (1669) stond Meijers naam op het titelblad en bestond het boek uit drie onderdelen: ‘I Bastaardtwoorden, II Konstwoorden en III
Verouderde woorden’. Meijer wilde door zijn konstwoordenschat de taal van vertaalde wetenschappelijke werken uniformeren, zodat niet iedereen zelf termen hoefde te ‘smeeden en verdichten, dat slechts verwarringe baart’. Als groot voordeel ziet Meijer ook dat scholieren niet meer zoveel tijd en moeite hoeven te spenderen aan het leren van vreemde talen, wanneer de belangrijkste werken van kunst en wetenschap in het door hem opgebouwde puristische Nederlands vertaald zouden zijn. De Woordenschat werd tot in de negentiende eeuw gebruikt; in 1805 verscheen de twaalfde druk (Thijssen-Schoute 1967, p. 176).
Ook op het terrein van de filosofie was Meijer actief. Als goed vriend van Spinoza bezorgde hij in 1663 de uitgave van de studie waarin deze de beginselen van Descartes' wijsbegeerte ‘more geometrico’ bewees. Drie jaar later verscheen een geruchtmakend geschrift van Meijers eigen hand, Philosophia S. Scripturae interpres, oftewel volgens de Nederlandse vertaling van 1667, waarschijnlijk ook van Meijer: De philosophie d'uytleghster der H. Schrifture. Meijer wilde met dit geschrift voor de theologie doen wat Descartes voor de filosofie had gedaan: alles verwerpen wat betwijfeld kan worden, zodat tenslotte alleen zaken overblijven waaraan geen twijfel mogelijk is. Meijer kiest als onbetwijfelbaar uitgangspunt dat de Heilige Schrift het onfeilbare Woord van God is en dat derhalve de ware zin van de Schrift samenvalt met de waarheid. Als tweede vaste punt voegt hij daaraan echter toe dat de wijsbegeerte, d.w.z. de kennis die de geoefende en van vooroordelen bevrijde rede verschaft, de onfeilbare norm voor de uitlegging van de bijbel is. Deze uitlegging van de Schrift leidt er dan vervolgens toe dat allerlei theologisch gemeengoed dat niet met de rede te vatten is, wordt afgewezen (Sassen 1959, p. 181-182). Men kan zich voorstellen dat Meijers boek een storm van verontwaardiging wekte in orthodox Nederland. Hier werd immers het geloof in feite ondergeschikt gemaakt aan de ratio. In 1674 werd het werk dan ook, op aandrang van de synodes van Noord- en Zuid-Holland, door de wereldlijke overheid verboden.
Hiermee besluiten we deze korte schets van Meijers diverse werkzaamheden. Zijn activiteiten op toneelgebied komen in het volgende hoofdstuk apart aan de orde, zijn rol in het genoot-
schap Nil volentibus arduum en zijn betekenis voor het bestuur van de Amsterdamse schouwburg in de jaren 1677 tot 1681, moeten in dit overzichtje dat immers niet verder dan 1668 reikt, buiten beschouwing blijven. Het bovenstaande maakt echter voldoende duidelijk dat de auteur van de Verloofde Koninksbruidt een vooraanstaand man was in het culturele leven van zijn dagen.