1Dit Treurspel, schoon het nu eerst, en wel een halfjaar na mijn 2 Ghulde Vlies, voor den dagh komt, heeft echter, al dry jaaren voor2 3 het zelve voltooidt, en over de twaalf jaaren onder handen ghe-4weest, zijnde al in den jaare 1652 opghezet. In zo gheruimen tijdt 5 hebben wy (met nutter, en noodigher beezigheeden meêrmaalen bekom-56merdt) by hooy en by ghras, als 't spreekwoordt zeidt, daar aan 7 ghewerkt, en het heeft somtijdts, gheheele jaaren na elkanderen, 8 achter de bank gheleeghen, en het zoude daar mooghelijk nóch legghen,8 9 hadde de verbouwinge, en verbeeteringe der Schouwburgh, in den jaare9-10 10 1665, my niet opghewekt, en, beneevens andere konstghenooten, aan-11gheprikkeldt, met hoop van het gheluk te zullen ghenieten, om 12 daar meede het hermaakte Tooneel in te zien wijen. Maar dat heeft 13 my ghemist, en die, welken dat bewindt, en opzicht, te dier tijdt,13-14 14 aanbevoolen stondt, hebben een ander tooneelspel tót dat werk14 15 waerdigher ghekeurdt. Van die tijdt af, heeft het altemets in15-16 16 eenen hoek opgheslooten gheleeghen, altemets den eenen, en anderen 17 mijner Vrienden, neevens vriendelijk verzoek van hun oordeel daar 18 over, en aanwijzinge zyner ghebreeken, bezócht, vólghens den raadt 19 van Horatius in zijne Dichtkonste:19-22
23Nu eindelijk, op hun aanteekenen, en ons oordeel, gheduurende dien23 24 tijdt, in Tooneelwerken wat ryper gheworden zijnde, door het licht24-25 25 der Konst, welk ons nóch onlanks eerst toeghescheenen heeft, hebben 26 wy, het voor den dagh haalende, en overloopende, daar in veele26-3426 27 gheen gheringe misslagen verholpen; veel, dat doof, en dóf van 28 ghlans was, luister by ghezet; veel, dat te slecht voor een treur-2829spel, en te laf vloeyde, met wat deftigheidts hoogher doen draaven,29 30 eenighe verouderde zinryke woorden, daar toe uit den schimmel voor 31 den dagh ghesleept, en andere nieuwghesmeede invoerende; veele 32 rouwigheeden beschaafdt; veel, dat zeenuwloos bezweek, met kracht32 33 en nadruk gheschoordt; veele weelighe overtólligheeden besnoeidt,33
34 en 't gheen lang uitgherekt was, bondigher en korter inghedrongen, 35 en eindelijk de lengte des Treurspels, welke tót omtrent de 24003535-37 36 vaerzen opsteegh, tót op weinigh over de 1800 ingekrompen, ons in 37 al dit na des voorghemelden Dichters voorschrift voeghende, Lib. 38 2, Epist. 2, daar hy zeght:
49Dóch, alhoewel het zo veele jaaren onder weeghe gheweest is; 50 zo lang na mijn voorghaande Tooneelspel, dat wy in een halfjaar 51 opgheslaghen hebben, en zo verbeeterdt te voorschijne komt,51 52 verzoeken wy echter den Konstkenneren, dat het daar na niet 53 gheoordeeldt werde: alzo, te dier oorzaake, de stijl zeer oneen-53-5454paarigh: en op de stóffe, en 't gheheele opstel, nóch evenwel,54 55 ghelijk uit het vólghende wil blijken, niet luttel te zegghen 56 valt.
57Den Inhoudt hebben wy ten deele van anderen ontleendt, ten 58 deele zelf verdicht. Uit een voortreffelijk treurspel van den 59 Heer Kórneille, Rodogune ghenaamdt, hebben wy ghenomen, de liefde59-68 60 der Tweelingbroeders; op eene en de zelfde Prinssesse, welke den 61 oudsten ter bruidt toebeschooren was; als ook de toezegghing der 62 keure ter scepterstaf voor het hoofdt der Beminde; en daarteeghen62 63 de trouwbelofte der Beminde voor het hoofdt des gheenen, die 't 64 haare gheeischt hadde. Deeze zo zeldzaame eisch en teegheneisch, 65 en warring, daar door ontstaan onder de broederen, ghemengdt met 66 onghewoone, en zeer heftighe teeghenstrydighe hartstóchten van66 67 liefde, staatzucht, en kinderplight; verlókte en bekoorde ons, om-6768ze t'onzen treurtooneele te voeren. Maar oordeelende hier niet 69 stófs ghenoegh voor onze Anschouwers, die overvloedt van werke-69-7070lijkheidt begheeren, hebben wy het overighe daar by ghedicht; en70 71 hadden, ten besluite, daaraan ghelascht het krachtighste uit 72 Senekas Thyestes, doende in het laatste bedrijf, Velleede haaren72-74 73 zoon Eduward, uit wraak, den Vader en Broeder opdisschen, en an 74 dat vleesch hunnen honger verzaaden. Maar dewyle hier door myn
75 werk, ten opzichte van 't slót, t'eene maale trok, en zweemde, 76 na een zeer beroemdt treurspel, dat met ghrooten toeloop, en76 77 naam, daaghelijks ten tooneele vertoondt wordt, wiens laatste 78 bedrijf meede uit het zelfde Latijnsche treurspel ontleendt was, 79 heb ik nu op 't anraaden myner Vrienden, wien toescheen, dat 80 die ghelijkenis mynen treurspeele ten nadeele zoude strekken, 81 des zelfs besluit vervórmdt, het eenighsins op de leest van8181-82 82 Korneilles Rodogune doende schoeyen; dóch de redenen, waar in82 83 ik Seneka naghevólght hadde, met luttel veranderings, t'onzen 84 ooghmerke passende. Ghelijk wy de eer, welke, uit dusdaanigh 85 een slagh van schriften, den Dichter over 't hoofdt hangt, 86 nimmer van ghrooten belange gheschat hebben; zo belyden wy ook 87 ghaerne, welke meesters ons een handt gheleendt, en wat noordt-87-8888sterren in deeze zee, met haare tintelende straalen, onzer zwak-89heidt toeghelicht hebben. Na de vertaalinge van twee tooneelspeelen,89 90 toelegghende een van ons eighen maaksel ter weereldt te brengen, 91 hebben wy, nóch onkundigh in de tooneelwetten, en reeghelen der 92 Konst zijnde, ons, zonder trouwe leidslieden, niet darren, met92 93 wasse pennen, in de lucht begheeven. Kórneille heeft my, van der93 94 aarde, om hoogh gheholpen, alwaar zijnde, hebbe ik my verstout 95 op myne wieken te dryven: dóch ten einde myner vlught, schroo-96mende over hals over hoofdt needer te koomen, hebbe ik mijne96 97 toevlucht na Seneka ghenomen, die my ghevat, en zachtelijk needer-98ghezet heeft. Deeze twee ghroote Meesters in de Tooneeldichtkonst 99 hebben wy dan te hulp gheroepen in ons leerstuk, en met hunne99 100 paerlen en diamanten, het zelve, van vooren en afteren, bezaaydt 101 en opghesmukt, hoopende, dat ons tusscheninghevlijdt doove loof-101-02102werk, van die schitteringen, eenighen luister zal toeblinken, en 103 anghestraalt worden; en dat, dewijle wy zo stip hunne stellingen,103 104 reedenen en woorden niet op de voet ghevólght hebben, óf daar is104 105 doorghaands niet weinigh af- en bygheraakt, het hunne ons, als 106 eigen ghoedt, eenighsins zal mooghen toeghereekendt worden, zoo 107 deeze zetreeden van Horatius in zyne Dichtkonste standt ghrijpt:107
113Hoe onkundigh, en ongheleerdt eevenwel dat wy gheweest zijn in de113-21 114 Konst, echter 't zeil ghaande na eenighe helderlichtende baaken,114-15 115 die ons zommighe treffelijke tooneelspeelen ontstaaken, en onder-116schoordt van eenighe waarneemingen; en opmerkingen, in de zelve 117 by ons ghedaan, heeft onze kiel niet angheloopen teeghen de dry 118 Hoofdtreeghelen, anghaande de eenheidt des handels, der dagh, en 119 plaats, en veele streeken ghehouden, en klippen ghemijdt, die wy 120 namaals bespeurt hebben, dat de ghrootste Stuurluiden in onze 121 Konst voorschryven, en aanwyzen.
122De gheschiedenis van ons Treurspel, ghelijk als zy van alle122-23 123 ghedicht zijn moet, is een en eenigh, na den reeghel van Aristote-123123-24124les, en den meêrmaals ghenoemden Dichter, in zijne Dichtkonste:
126Waar meede niet verbóden wordt, veele byzondere daaden in een126-27126 127 tooneelspel in te voeghen; want dan zoude het vry magher en schraal 128 vallen, en alle de tooneelspelen ghebrekkigh verklaardt worden: 129 maar ghebóden, dat alle die daaden te zamen moeten loopen, om den129 130 voornaamen handel uit te maaken: alzo de zelve hebben moet, na 't130-36130 131 zegghen van Aristoteles, in zijne Dichtkonste, op het 7 Hoofdtstuk,131 132 een bevoeghlijke ghrootte, dat is, dat zy niet zo overklein moet 133 zijn, dat zy 't ghezicht ontsnappe, als een veezelken: nóchte zo 134 onmaatigh ghroot, dat zy het gheheughen des anschouwers verwarre, 135 en overrompele, en zijne verbeeldinge verbystere, en doe zwerven: 136 in 't kort, zy moet hebben een beghin, midden, en einde: welke dry136-39 137 deelen, niet alleen zijn zo veele byzondere daaden, die op de voor-138naamste slaan: maar daarenboven magh nóch elk der zelve verschei-139dene andere bevatten, met de zelfde onderschikkinge. Deeze is in139 140 ons treurspel het Huwelijk der Koninksbruidt Mathilde, daar 141 Ghrimoald een zyner Tweelingen pooght toe te verheffen, en zy beide 142 ook na staan; het welke Velleede, als ook Mathilde zelf, en142 143 Atelstan trachten te beletten.
144Beneeven deeze eenigheidt, moet de handel ook een volkoomen144-50144-70 145 einde hebben, en gheen staert van overtólligheidt nasleepen. In 146 de uitkomst, welke haar sluit, dienen dieshalven de Aanschouwers146 147 zo wel onderrecht te zijn van den gheheelen toestandt der zaaken, 148 en der ghemoederen van alle die gheene, welke eenigh voornaam 149 deel an den handel ghehadt hebben, dat zy, t'eene maale voldaan, 150 en in allen deele verghenoeghdt, weghghaan. En wanneer in dus-150-55151daanighen standt het tooneelspel gheraakt is, staat daar wyders 152 niet achter aan te lappen, en klampen: vermits de Toehoorer, 153 als hy den uitslagh heeft, niet meêr verwacht, nóchte begheert:153 154 zijne aandacht verslapt, en verflaauwt, en alles, wat 'er vólght, 155 baart hem maar verdriet, en onbenoeghen: En dat zo zeer, dat de 156 ervaarenheidt, in onzen Schouwburgh, meenighmaals vertoont heeft, 157 dat, in dierghelijk gheval, nóchte hooghdravenheidt van vaerzen, 158 nóchte heerlijkheidt van konstwerken, de Kykers heeft konnen158 159 weêrhouden, dat zy niet opreezen, en doorghingen. Zo merkelijk159 160 eene klip der aanstoot hebben wy ghepoogt te myden, en zouden 161 zelf, te dier oorzaake, als Ghrimoald, Trasimond, en Velleede, 162 op het einde des vijfden bedrijfs, om hals gheraakt waaren, daar 163 meede ons treurspel beslooten hebben, hadden wy wegh gheweeten163-70 164 met Ottomar, die, Trasimond om 't leeven ghebraght, en ter 165 rijkskroon eenigh recht hebbende, den Anschouwer in nabedenken165 166 zoude ghelaaten hebben, wat van hem gheworden waare. Deeze zijn 167 wy derhalven gheparst gheweest teeghens Atelstan te doen opstaan, 168 en, in een daar op vólghend ghevecht, omkoomen; alle achterdacht168 169 alzo verdryvende, en den Toehoorer, t'eene maale voldaan, na 170 huis zendende.
171Om den handel eens Tooneelspels dan behoorlijk volkomen te171-77 171 172 maken, worden 'er veele byzondere onvolkomene daaden vereischt,172 173 die der zelve dienen tót trappen, en aanleidingen, en den An-175schouwer onderwylen ophouden, in een vermaakelijk, en aanghenaam175 176 verlangen. Ghevoeghlijk wordt dit verwekt, op 't einde van yder176 177 bedrijf, om den ghanschen handel aan een te schakelen: veroor-177-79178zaakende aldaar, in 't ghemoedt der Toehoorers, een ghraaghe ver-178179wachting van iets, dat in het navolghende uit te werken staat. In 180 ons Treurspel hebben wy hier na ghedoeldt, en ghepooght onzer180 181 Kykeren aandacht op te schorten met verlangen, achter het eerste181
182 bedrijf, hoe 't afloopen zal, met het mislukken van Velleedes en 183 Fastarads aanslagh; en met de onderlinge liefde der Tweeling-184broeders en hunne vuurighe min tót Mathilde, op het kiezen van184 185 den eerstgheboorenen. Achter het tweede, wat'er worden wil van 186 Ghrimoalds toornighen eisch, en Mathildes teegheneisch; als ook 187 van 't weederzijdsch besluit der Broederen. Achter het derde, óf 188 de valsche beschuldighing van Velleede niet zal voor den dagh 189 koomen, en óf Ghrimoald daar door misleidt, zijnen onschuldighen 190 zoone zal straffen. Achter 't vierde, wat uit zal werken Velleedes 191 dreighement, en woedende wraakghierigheidt; als meede Ghrimoalds 192 voorneemen van zijnen overghebleeven zoon te kroonen, en an Mathilde 193 inden echt te verbinden. By alle 't welke, na 't beghin des tweeden 194 bedrijfs, zich voeght, en invlijt een bedenken, wat Mathilde en194 195 Atelstan, neevens Leeuwenbald, met zijn eedtghenootschap ter handt 196 zullen slaan, om den Dwingelandt uit den troon te schoppen, en 197 den rechten Erfprins daar in te zetten.
198Dierghelijke verlangens zijn dan den Tooneeldichter te ver-199wekken, in de ghemoederen zyner Toekykers, op de einden der bedryven, 200 welke heedendaagsch by de Franschen, en ons tót vijf in ghetale 201 klimmen. De Spanjaarden blyven hardtnekkigh by drie, waar de Ita-201-06201-04202lianen ook dikwyls toe vervallen. Dusdaanigh eene onderscheidinge 203 des Tooneelspels in vijf bedrijven is ten tyde van Horatius al in 204 zwang gheweest, als blijkt uit zyne Dichtkonste:
207Maar niet ten tyde van Aristoteles, by den Grieken, wier tooneel-208speelen, zonder eenighe afdeelinge in bedrijven, eens sloeghs af-208209loopen. Hy schift, in het 12 Hoofdtstuk zyner Dichtkonste, het209-12 210 Tooneelspel in vier deelen, in Prologum, Episodium, Exodum, et 211 Choricum, in de Inleiding, het Tusschenvoeghsel, ófte byverdightsel,211 212 de Uitghang, óte het besluit, en de Rey. Andere jonger Dicht-212-15213konstenaars, dat op het zelfde uitkomt, deelen het eerstelijk in 214 Diverbium et Chorum, Ghesprek en Rey, en 't ghesprek daar na in214 215 Protasin, Epitasin, et Catastrophen, welk bequaamlijk vertaalt 216 kan worden, in het Voorspel, Middenspel, en Achterspel. De Reyen216-17 217 laaten de meeste heedendaaghsche Tooneeldichters achter. Het be-217-21218sluit, ófte achterspel, staat teeghen ons laatste bedrijf. Het218 219 tusschenvoeghsel, ófte middenspel, verbeelden onze dry middelste
220 bedrijven. En ons eerste bedrijf verstrekt voor inleiding, ófte 221 voorspel.
222De plicht van dit eerste bedrijf, waarom het ten tyde van Aris-222-27223toteles Inleiding ghedoopt wierdt, is opening te doen van den 224 inhoudt des tooneelspels, en dan Anschouweren te onderrichten 225 van alles, wat gheschiedt is voor den Handel, welke men toeleght225 226 te vertoonen; en vereischt wordt tót verstandt der zelve, en tót 227 het vólghende den wegh baant. Hierom kan zy volstaan, met de227-31 228 ghesteltenissen van de ghemoederen der Bedryvers voor ooghen te 229 stellen, en hoe verre zy ghekomen zijn inde gheschiedenis, 230 welke men af wil beelden, als zy lang van te vooren beghonnen230-31 231 heeft. De wijs om de Toekykers hier van te verwittighen is by231-34 232 tijden veranderdt. Euripides heeft somtijdts een Ghódt, in een 233 Konstwerk (Machinâ) ten tooneele ghevoerdt, somtijdts de voor-234naamste personaadje zijns treurspels, die dat verrichte. Plautus234-36 235 heeft, ten dien einde, een Voorreedenaar, die aan 't spel niet 236 verknócht was, vooruit ghezonden. Terentius heeft dusdaanighe236-46 237 voorreedens wel niet afghekeurdt; maar de stóf der zelve ver-238anderdt, die ghebruikende, om zich teeghen de berispingen zyner 239 benyders te verdeedighen: en een nieuw slagh van Personaadjen 240 inghevoerdt, den welken, in den aanvang des tooneelspels, een 241 der Hoofdtbedryvers den ghanschen omslagh der zaaken vertelt, 242 en die daar na t'eene maale achterblyven, en nooit weeder te 243 voorschyne koomen. De heedendaaghsche Tooneeldichters hebben 244 dusdaanighe personaadjen (die de Konstenaars Protaticae noemen)244 245 door het gheheele toneelspel heen laaten vloeyen, en aan 't 246 overighe werk vast ghehecht. Maar alzo alle langwijlighe ver-247tellingen, en reedenen, onze Toekykeren verdrietigh vallen, 248 hebbe ik, door de reedentwist van Velleede en Fastarad, als 249 meede door de beraadtslaghing van Trasimond en Alarik, alles wat 250 voor den aanvang van mijn treurspel voorghevallen was, en mijnen 251 Toehooreren, tót verstandt van 't ghansche vervólgh, te weeten 252 stondt, ghenoeghzaamlijk ontdekt,
255Daar in navólghende de voetstappen van den Heer Kórneille in zijn255 256 Heraklius, dat wy weleer vertaaldt hebben; die ons toen al zeer256
257 aanstonden, en hy zelfs niet zonder konst oordeelt.
258 Behalven de voorghemelde plicht des eersten bedrijfs, vereischt258-66 259 deeze uitsteekende Konstenaar, en Tooneeldichter nóch, dat daar 260 in gheleght werde de ghrondt, waar op alle het vólghende ghebouw 261 wil rusten, zo ten opzichte der voornaame handel, als alle de 262 bydichtsels, ófte uitbreidsels, Episodia ghenoemdt; en dat zo-263daanigh, dat 'er gheenigh bedryver in 't vervolgh te voorschijne263 264 treede, die hier niet al bekendt ghemaakt zy, ófte ten minsten 265 gheroepen werde door iemandt, die reets ten tooneele ghevoerdt 266 is. En dit verstaat hy van Bedryvers, die door eighene beweeghinge,266-70266 267 ófte voordeel werken, ófte die eenige tyding brengen, waar door267 268 iets van belang in 't spel te weeghe ghebraght wordt. En niet 269 van zulke, welke op 't ghebódt, ófte ten verzoeke van iemandt 270 anders voor den dagh koomen. Deeze Tooneelwet, zegt hy, nieuw,270-74270-82 271 en vry streng te zijn, en zeer weinigh by den Ouden waarghenomen: 272 hoewel zy overdienstigh is, om eene rechtschapene eenigheidt des 273 Handels te maaken, door de bandt van alle de daaden, welke in 274 het Tooneelspel invloeyen; als meede haare ghrondtvest heeft 275 op twee anmerkelijke plaatsen van Aristoteles. De eerste staat275 276 in 't 10 Hoofdtstuk zyner Dichtkonste, en is deeze: Ghroot onder-276277scheidt is 'er tusschen de voorvallen, welke de eene na de andere 278 koomen; en die, welke de eene ter oorzaake van de andere koomen. 279 De andere plaats vindt men in 't zelfde Hoofdtstuk, en belast 280 uitdrukkelijk, dat al, wat verhandeldt wordt in het Treurspel, 281 noodtzaakelijk, ofte waarschynlijk, moet voortspruiten van 't 282 gheene voorgheghaan is. Wy hebben deeze nieuwe Tooneelwet niet 283 t'eene maale verzuimdt. Door de t'zamenspraak van Velleede, en 284 Fastarad, die het tooneel ontsluit, en waar in zy hem ter wraake 285 zyner vermoorde voorouderen, en herwinninge zyner erfstaf anhitst, 286 wordt Ghrimoald met zyne Tweelingzoonen en Dóchter; als meede 287 Mathilde met Atelstan; en hoeverre 't met den Handel, die ten 288 tooneele te voeren staat, reets afgheloopen is, den Toehooreren 289 bekendt ghemaakt; 't welk door Ottomar, in den schijn van een 290 Gheest, en daarna door 't ghesprek der Broederen nóch wijder 291 verklaardt, en alzo de bron gheopent wordt, waar alle het na-292vólghende van afvloeidt. Alleen van Eduward is daar ter plaatse 293 gheenigh ghewagh, die echter, in 't derde en vierde bedrijf, een
294 verandering van belang in den handel veroorzaakt. Dóch, óf deeze294-97 295 van de voornaame bedryvers niet gheroepen wordt, ófte onder de 296 byloopende niet zoude mooghen ghereekent worden, draaghen wy op 297 aan 't oordeel der naauwkeurighe Konstkenners.
298Den aanslagh van Velleede en Fastarad, op het leeven der298-304 299 Tweelingbroeders, heeft iemandt myner Vrienden anghemerkt, dat 300 niet veel, tót het gheene in de vier vólghende bedryven voorvalt, 301 deede; 't welk wy ook niet voorhebben te ontkennen: ook is zy 302 maar een byverdichtsel (Episodium) om den inhoudt des Treurspels 303 te openen, en voor ooghen te stellen den toestandt des handels, 304 en der ghemoederen van de Hoofdtbedryvers.
305Het schijnt wat teeghen de reeden aan te horten, dat wy, op 't 306 neederbonzen der kamerdeure, en 't ghevecht van Fastarad met zijn 307 ghewapendt vólk, teeghen Trasimond en Alarik met hunne Dienaars, 308 't welk zonder ghroot ghetier, en ghedruisch, niet heeft konnen 309 toeghaan, niemandt van 't Hófghezin laaten toeschieten. Maar 310 wy antwoorden, dat het nacht, en elk in slaap zijnde, niemandt 311 zo haast voor den dagh quam, en de te rugh ghedreevene niet 312 lang weêrstandt booden; maar elk om een ghoedt heen koomen uit-313zaaghen, daar de donkerheidt der nanacht hen in beghonstighde.
314Noodeloos heeft het ons ghedacht, in 't vervólgh des Treur-315spels, veel gewagh van dit gevecht te maaken, ons ghenoeghende 316 dat ter loop aan te roeren, in de eerste uitkomst des tweeden 317 bedrijfs; alzo 't de daaden, die daar in voorvallen, gheensins 318 bevoordert: hoewel niet te ontkennen is, dat zo aanmerkelijk, en 319 wightigh een voorval, van een Dwingelandt, behoorde in acht ghe-320nomen te worden. Maar den Tooneeldichter is 't gheoorlóft, al 321 wat tót de af te beeldene geschiedenisse niet doet, zonder mis-322slagh achterweeghe te laaten, vólghens 't oordeel der ghrootste 323 Meesters. Het is niet noodigh, zeght Kórneille, dat de Dichter323-29 324 met alle de gheringe daaden, die niet strekken tót voortzettinge 325 van de voornaamste, zich ophoude. Horatius ontslaat hem ook van 326 die zórghe en moeyte, met deeze vaerzen in zyne Dichtkonste:
330Maar dat, over dit ghevecht, de Tweelingbroeders, hunne be 331 springers op de vlucht ghedreeven hebbende, zo weinigh hunne
332 ghedachten zullen laaten ghaan, en niet opspooren, van wie, en 333 waarom zy, in dier voeghen, belaaght zijn; maar voort vallen op333 334 het gheene hun, dien anstaanden dagh, over 't hoofdt hangt, is 335 een misslagh, daar wy gheen verschoon toe weeten; ten zy moo-335-42336ghelijk iemandt daar voor wilde aanneemen, dat zy, aleer zy, 337 van 't verjaaghen hunner bespringers, weeder te voorschijne 338 koomen, dies aanghaande ghesprooken hebben, en Trasimonds eerste 339 woorden het besluit van die reeden zijn, en een overtredt tót339 340 de vólghende, welke t'onzen ooghmerke beeter diende, als de340-42 341 plichten des eersten bedrijfs, dat zy eindight, behoorlijk hel-342pende nakoomen.
343De drie middelbedryven beghrijpen den handel, op het verwardste,343-47343 344 en in haare uiterste kracht. In het tweede ghroeijen de woelingen 345 aan. In het derde, staan zy in tóp ghesteeghen, en barnen op het 346 heftighste. En in het vierde raaken zy aan 't verflaauwen, en 347 verslappen. Zo klimt in ons tweede bedrijf de verwarring op, 348 eerstelijk door Mathildes weigheren aan Ghrimoald, van een zyner 349 tweelingzoonen ten bruideghom te willen aanvaerden, en haar 350 dreighen van zynen staat het onderst boven te keeren; daarna door 351 Ghrimoalds verbólghen eisch, op zyne zoonen, van Mathildes hoofdt,351 352 voor het recht der rijkskroone; en eindelijk door haare teeghen-352353eisch, op de zelve, van zijn hoofdt, voor 't ghenót van haare 354 weedermin, en trouw. Zo is zy, in ons derde, in tóp ghesteighert, 355 door 't om hals brengen van Heddewigh, aanghezien voor Mathilde, 356 door Alarik, en weeder van Alarik door Fastarad, en 't ghevangen 357 zetten van Trasimond, valschelijk voor broeder- en zustermoorde-358naar beschuldigdt van Velleede. Zo daalt zy, in ons vierde, door 359 't uitkoomen van Trasimonds onnoozelheidt, en 't straffen van359 360 Fastarads manslaght.
361De raadt der Tweelingen, als zy Mathilde, in 't vijfde tooneel361 362 des tweeden bedrijfs, verzoeken, eenen uit hun beiden ten brui-363deghom te verkiezen, om huns Vaders toorn, die haar hoofdt hun 364 afgheeischt hadde, af te keeren, schijnt zonder oordeel; en wy364 365 erkennenze ook van zeer kleenen oordeele te zijn, alzo zy effen 366 te vooren verstaan hadden, dat zulk een verzoek Mathilde hunnen 367 vader reets afgheslaaghen hadde. Maar men kan tót hunne verschoo-368ninge voorwenden, dat twee minnaars, in zulk eene schichtighe368
369 ontsteltenisse, dat zo naauw niet bevroededen; als ook, dat zy 370 aan huns vaders verslagh moghten twijffel slaan, en ten minsten 371 van haare welbeminde Koninginne het zo byster quaadt niet ver-372moeden, als het hen aanghediendt was, ghelijk der lievers aart 373 is, aan hun lief gheen leedt te zien; en eindelijk dat zy ver-373374hoopten, dat Mathilde, bezeffende 't ghevaar, daar zy zich in-375ghesteeken hadde, van opzet moghte veranderen. Dóch zy vinden 376 zich in die hoope bedrooghen, en door haare onverwachte teeghen-377eisch in bysterer doolhóf van verwarringen inghewikkeldt, barstende 378 daar op uit in weeklaghten, welke wy niet ontveinzen willen, dat 378-84 379 na 't laatste tooneel des eersten bedrijfs van de Cid t'eene379-80 380 maale trekken, en met eene ghezochte ghemaaktheidt pronken, door 381 de herhaaling der zelfde vier laatste reeghelen, welke beeter in 382 een lierdicht, dan treurspel, zoude passen, als buiten de waar-383schijnelijkheidt loopende, dat bedroefde natuurlijk zoo op de383 384 maat klaaghen.
385Wy laaten in het derde, en vierde, als ook laatste bedrijf,385-453 386 veele personaadjen op het tooneel, in het ghezichte der Toekykers, 387 om het leeven brengen: het welk, schoon het verscheelt van het 388 ghebruik der Fransche Tooneeldichters, die zich zeer zórghvuldigh 389 daar voor wachten; zoo loopt het nóchtans niet aan teeghen de389-98 390 reeghelen der Konst, nóchte t'eene maale teeghen het gebruik der 391 Ouden. Aristoteles, in het 11 Hoofdtstuk zyner Dichtkonste, leert391 392 ons, dat, om de ghemoederen krachtighlijk te beweeghen, men over-393maatighe rampen, quetsuuren, en moorderyen, ten tooneele moet 394 voeren. By Sofokles en verberght zich Ajax niet, als hy zich 395 doorsteekt, by Euripides hangt Phaedra aan een stróp ten toone, 396 en by Seneka vermoordt Medea haare kinderen op het tooneel, daar 397 de Anschouwers het zien, zich niet stoorende aan Horatius verbódt:
399Op dit, met eenighe byghaande vaerzen, steunen die, welke alle399399-440 400 moorderyen ten treurtooneele afbannen; daar by voeghende, dat 401 die bloedighe vertooghselen de ghemoederen te heftigh ontstellen, 402 ófte blyken doen, alzo zy niet leevendigh afghebeeldt konnen402 403 worden, datmen niet in der waarheidt, maar alleen in schijn, die 404 daaden verricht. Maar, iemandt in haastigheidt, ófte vechtender 405 handt doodt te steeken, kan zo ghezwindt in zijn werk ghaan, dat
406 de Toekyker gheen onderscheidt zal konnen maaken, óf in der waar-407heidt ófte in schijn de steek gheghaan is. Voegh hier by, dat 408 óf het vertoont, óf vertelt wordt (ghelijk zy willen, dat men doen 409 zal) de Toehoorers eevenwel het voor spel, en gheen ernst aanzien: 410 en alzo valt hunne laatste reeden om verre. Hunne eerste loopt410 411 reeghelrecht teeghen de plaats van Aristoteles, die wy byghebraght 412 hebben, aan. Het staat vast, dat de ghemoederen der Anschouwers, 413 dewijl men uit is om hen te vermaaken, niet te ontstellen zijn;413 414 dóch dat gheschiedt niet door slechtelijk doodt te steeken: want414 415 dat iemandt, t'onrecht vervólght zijnde, zijn leeven verdeedighende 416 zynen vyandt doet neederstorten, is zo rechtmaatigh, dat het be-417haaghen zal: maar door ghruwelijkheeden, en schrikkelijke ondaaden,417-24 418 als verkrachtingen, en bloedtschendingen, ófte onnatuurlijke moor-418419deryen; ghelijk als wanneer een zoon aan zijne moeder, ófte een 420 moeder aan haare kinderen moorddaadighe handen slaat; welke in 421 teere ghemoederen, die de menschlijkheidt beschaaft heeft, een 422 afschrik en walghing zullen baaren. Van dusdaanighe afghrijslijk-422-36423heeden meenen wy, met Kórneille, dat Horatius spreekt, en niet 424 van allerhande slagh van doodtslaghen. De voorbeelden altoos, die424 425 hy bybrengt, (want hy gheeft gheen reeghel) zijn ijsselijk. Hy 426 wil, dat de Dichter zal overweeghen, óf de daaden zo overwreedt, 427 zo moeijelijk om te vertoonen zijn, dat zy 't gheloof der Toezie-428ners niet zullen konnen verwerven; en wanneer dat ghevreest wordt, 429 wil hy, datmenze zal verberghen voor de ooghen der Anschouwers, 430 en daarna in een verhaal wijdtluftigh afschilderen, welk het ghe-430431moedt minder raakt, dan het zien zelf, en ons lichter verleidt. 432 Van dit slagh heeft hy in zijnen tijdt gheoordeeldt, naamelijk te 433 overwreedt de daaden van Medea, die haare beide kinderen vermoordt, 434 en van Atreus, die zyne neeven, van lidt tót lidt ghekorven, ziedt 435 en braadt; en te onvertoonbaar de ghestaltveranderinge van Prógne435 436 in een voghel, en Kadmus in een slang. Ieder tooneeldichter heeft 437 den ghrondt van de ghemoederen zyner Toehoorers te peilen. Altijdt437 438 dit staat vast, dat Horatius niet allerhande moorden ten tooneele 439 afbant: en wy alzo, nóchte teeghen der Ouden tooneelwetten, nóchte 440 der zelver ghebruik, in onzen treurspeele, die inghevoerdt hebben. 441 Wy willen wel niet ontkennen, dat wy, toen dit werk eerst opghezet 442 wierdt, ziende eenighe tooneelspeelen, daar veel moorden, en wreed-442
443heeden in ghepleeght wierden, met ghrooten toeloop van Kijkers, en 444 lóf der Dichters vertoonen, op zulk een dwaallicht t'zeil gheghaan 445 zijn: Maar sints heeft de ervaarenheidt gheleerdt, dat ook, zonder 446 zulke vertooningen, de Anschouwers te behaagen, en in den Schouw-447burgh te lókken waaren. Weshalven, indien het nu te maaken stonde, 448 zouden wy eenen heelen anderen streek houden: maar het ghansche-449lijk te vermaaken, heeft ons te veel moeiten, en niet noodigh 450 ghedacht; alzo daar vindingen en ghedachten in zijn, wier onze 451 zangghodinne zich niet heeft te schaamen, en uitghedrukt met 452 vaerzen, die, ons oordeels, voor gheenighe van de onze hoeven te452-53 453 wyken.
454Boven het om 't leeven brengen op het tooneel, komt ook voor,454-62 455 in het vierde bedrijf, eene vertellinge, welke Eduward aan Ghri-456moald doet, van 't gheen de Kijkers reets voorheen ghezien hebben, 457 welke te dier oorzaake overtólligh is. Maar Ghrimoald, om uit de 458 doolinge, daar Velleedes verdicht verhaal, weeghens de moordt 459 zyner dóchter en zoon, hem inghewikkeldt hadde, te gheraaken, 460 moest daar kennis van hebben. En wy hebben die zo kort inghekrompen, 461 als 't belang der zaaken lyden kon, en ook door het vólghende 462 tooneel doen afbreeken.462
463Het laatste bedrijf behelst het besluit, en hier in staat den463-65463-77 464 handel zo volkoomen ten einde te brengen, dat de Anschouwer, in 465 alles voldaan, gherust en verghenoeghdt wegh ghaat. Kórneille465-74 466 vereischt, dat de uitslagh der gheschiedenisse zo verre na ach-467teren ghevlijdt werde, als mooghelijk is: omdat de ghemoederen 468 der Toekijkers des te langer in verlangen blyven: en 't onghedult, 469 dat hen aanprikt om te weeten, hoe 't met den handel af wil loopen, 470 scherpt hunne aandacht, en schaft meêr vermaaks: 't welk niet 471 ghebeurt, wanneer de zelve, met dit bedrijf zijnen aanvang neemt.471 472 De Kijker, wien zy te vroegh opghedischt wordt, heeft gheen 473 ghraaghte meêr, zyne aandacht flaauwt gheduurende alle het overighe, 474 daar hy niet nieuws in verwacht. 't Besluit onzes Treurspels hebben 475 wy zo verre na achteren geschooven, en Ghrimoald, Trasimond, 476 Velleede, en Ottomar raaken niet om hals, dan op het uiteinde van 477 dit bedrijf.
478Maar schoon wy deeze streek wel ghehouden hebben, is echter 479 onze kiel, aan eene andere kant, teeghen eene ghroote klip anghe-
480dreeven; als wy Ghrimoald zijnen Dwinglandts aart hebben laaten480-86 481 vergheeten, en zo gheruimen tijdt beklaaghen zynen vermoorden481-85 482 zoone Eduward, en zich van Velleede, die hem omghebraght hadde, 483 zó trótselijk sarren, en braveeren, zonder op staande voet, van483 484 haaren driesten overmoedt, gherechte wraake te neemen; en zo lang 485 zyne vruchtelooze weeklachten spillen, tót dat zy hem eenen moordt-485-86486pook in den boezem plant. Senekas Thyestes, dien wyze ontleendt486-89486 487 hebben, is hier in verschoonbaar, alzo hyze wapenloos doet teeghen 488 zynen broeder Atreus, die den meester speelde, en de oppermaght 489 in handen hadde, 't welk in onzen Dwingelandt gheen plaats ghrijpt.489 490 Dóch wy verhoopen dat de kracht van vaerzen, daar deeze klaghten 491 meede afghebeeldt worden, de naauwkeurighe konstkenners eenighsins 492 de ooghen zal blindtdoeken, om deeze misghreep over 't hoofdt te 493 zien, ófte ten minsten ze niet zeer quaalijk op te neemen, steu-494nende op Aristoteles oordeel, als hy zeght: dat'er ongherijmd-494-99494-99495heeden zijn, die men in een ghedicht moet laaten, wanneer ons 496 hoope toeblinkt, dat zy welkoom ontfangen zullen worden: en dat, 497 in zulk een ghevalle, de plicht des Dichters vooral vereischt, 498 die te blanketten, met zo veel ghlimps, en ghlinrings, dat zy de498 499 ooghen konnen verblinden.
500De zelfde misslagh schijnt ook plaats te ghrypen in Trasimond, 501 hoewel niet zo ghroot, als zachter, en niet zo wreedtaartigh van501-02 502 inborst inghevoerdt. Maar in hem valt eevenwel iets voor, daar 503 niet over heen te loopen is, naamelijk, dat, terwijl zijn Vader 504 in klaghten overvloeyt, hy den zwyghenden speelt, daar deezen504 505 gheen minder stóffe, en reeden, daar toe aanmaant, dan den anderen.505 506 Dóch dit schijnt zo zeer niet my, als het Tooneel te wyten, het 507 welk niet lijdt, dat 'er twee ghelijk spreeken, schoon zy beide507 508 t'over daar toe verplicht zijn: en in dusdaanigh een voorval is 509 de Tooneeldichter, ghelijk ik hier gheweest ben, verleeghen, hoe 510 hy 't met een van beide die bedryvers stellen zal.
511Gheen minder zwaarigheid ghemoet, als een, ófte meêr bedryvers511-38511-20511 512 iets, terzyden af, spreeken; alzo de overighe onderwylen zonder512-13 513 werkelijkheidt staan. In dit bedrijf, valt dat voor in de reeden, 514 die Mathilde met Atelstan en Leeuwenbald, an eene zyde, onder hen 515 dryen, voeren, middelerwylen dat Ghrimoald, en Trasimond, de 516 krachtighste hunner hartstóchten af te beelden hebben, en eeven-
517wel die daarom af moet breeken. Zo dat de Heer Kórneille, niet517-19 518 zonder oorzaak, daar altijdt een zonderlinge afkeer van ghehadt 519 heeft, en ieder te raaden is, dat hy zich daar van, ten zy zy zeer 520 kort zijn, onthoude.
521Ghrooter misslagh beghaat de Tooneeldichter, wanneer hy iemandt521-30 522 invoert, ter zyden alleen spreekende, 't gheene hy een der by-523staanders laat hooren. Zo strompelen wy, als Fastarad, in 't 524 eerste tooneel des eersten bedrijfs, aanhoort, schoon niet beschei-524-25525delijk de reeden, die Velleede zyne moeder by zich zelven voert. 526 Want, dewyle, wanneer eenigh bedryver alleen op het tooneel spreekt, 527 en wel zonder heevighe hartstóghten, de Toehoorer zich verbeelden 528 moet, dat de dingen, die ghezeidt worden, maar ghedacht worden, 529 is het ghansch onghevoeghlijk, te vertoonen, dat iemandt die aan-530hoort.
531Dóch draaghelijker, ja eenighsins noodtzaakelijk zijn dusdaanighe531-38 532 alleenspraaken, byzonderlijk van twee Personaadjen; wanneer, ter-533wylen zy gheschieden, eenigh ander personaadje iemandt wat in 't 534 oor te luisteren heeft; alzo daar door het tooneel dan niet zonder534 535 werkelijkheidt ghelaaten wordt. Een staal verschaft ons hier van 536 Velleede, in 't zeevende tooneel van ons vierde bedrijf, met zich 537 zelven raadt leevende, wat haar te doen stondt, terwyle de Dwinge-538landt zyne lijfwacht in stilte eenighen last gheeft.
539Uit het voorghezeide blijkt ghenoeghzaam, dat elk van de vijf539-44539 540 bedryven, daar het tooneelspel in afghescheiden wordt, een ghe-541deelte des gheheelen handels moet behelzen, hoewel niet zo eeven-542ghroot, dat het verbóden zy, in het laatste meerder te vlyen, dan 543 in alle de voorghaande, en in het eerste minder, dan in alle de 544 vólghende. Echter dunkt ons zeer ghevoeghlijk het gheene de hee-544-47544-47545dendaaghsche Fransche Tooneeldichters in acht neemen, naamelijk, 546 dat zy met elkanderen in veelheidt van vaerzen, en tijdt van ver-547toonen, ten naasten by, over een stemmen. My, beneevens veele 548 andere liefhebberen, heeft meenigh maale niet luttel onghemaks 549 ghebaart, in 't anschouwen der tooneelspeelen, een zeer kort be-550drijf, ghehecht aan een onmaatigh lang. De reeden schijnt te weezen,550-53 551 dat, in het korte, de aandacht der Toehoorers niet ghenoeghzaam 552 vervult, en, in het lange, de zelve uit zijne kracht gherekt, en 553 te veel gheverght wordt. Dit laatste oordeel ik ook plaats te553-58
554 hebben in de overmaatighe lange tooneelspeelen, waar in de Kykers 555 niet alleen met toeluisteren, maar de Speelers met vertoonen zich 556 afarbeiden. Waarom ik den Tooneeldichter zoude raaden, het ghetal 557 van tweeduizendt reeghelen niet te oversteigheren; binnen welke 558 paalen de Heer Kórneille zeght, zich altijdt ghehouden te hebben, 559 en van ons dit teeghenwoorghe treurspel inghekrompen is, oordeelen-559560de, dat een Konstenaar, in zulk een ruimte van vaerzen, handels, 561 en werkelijkheidts ghenoegh bevatten, en voor ooghen kan stellen.
562Dóch, alhoewel dusdaanigh eene eevenghrootheidt den Bedryven562-68 563 voeght, de byzondere Tooneelen, ófte Uitkomsten, waar in yder be-563564drijf onderdeeldt wordt, zijn daar echter niet in ghehouden, alzo 565 der zelver ghrootte, nóchte ghetal, by de Konstenaars bepaalt565 566 wordt: en het dieshalven den Dichter vry staat, 'er weinigh, ófte 567 veel, in elk bedrijf in te vlyen, en de zelve zo lang uit te rekken, 568 en zo kort in te dringen, als hem raadzaam zal dunken. De veelheidt, 569 en kortheidt, valt onzen Kykeren het anghenaamste, alzo door 't 570 weghghaan, en bykoomen der vertooners de tooneelen haare verande-571ringe, daar zy na haaken, verkrijghen. In deeze veranderinge staat571-89571-612 572 naauwkeurighe in acht te neemen, dat, anghaande yder persoonaadje, 573 den anschouweren reeden ghegheeven werde, waarom hy ten toonele 574 verschijnt, en waarom hy daar weeder van ghaat. Ten opzichte van 575 het laatste, acht de Heer Kórneille, deeze Tooneelwet onverbreeke-576lijk, en niet dunkt hem zo wanschikkelijk, (ghelijk't ook waarlijk 577 is) als dat een Speeler van het tooneel scheidt, alleen om dat hy 578 niet meer vaerzen op te zegghen heeft. Ten opzichte van het eerste, 579 naamelijk het te voorschijne treeden, valt hy zo streng niet. De 580 Kykers, oordeelt hy, verwachten de bedryvers, en schoon het too-581neel afbeeldt de kamer, ófte zaal van die personaadje, welke 582 spreeken moet; hy kan daar echter niet in koomen, ten zy hy van 583 after de schermen her treede; en onnoodigh dunkt het hem te melden,583 584 wat hy komt te doen: dewyle het somtijdts ghebeuren kan, dat hy 585 niet uit gheweest is, ófte wel niets ghedaan heeft. En alzo schy-586nen hem verschoonbaar van deeze wet, alle de eerste tooneelen van586 587 yder bedrijf, maar gheensins de andere; ghemerkt een bedryver een-587588maal het tooneel inghenoomen hebbende, niemandt zonder reeden, en 589 oorzaak, zich daar by te voeghen heeft. Wy twijffelen, óf dit den 590 naauwkeurighen konstenaaren, en liefhebberen zal konnen ver-590
591noeghen. Zyne stellinge schijnt ons lydelijk te zijn, wanneer een591 592 eerste tooneel van een bedrijf ghestelt wordt af te beelden zoo-592593daanigh een plaats, daar de personaadje, vólghens zyne staat, en593-94 594 gheleeghenheidt, behoorde te zijn; ghelijk, zo een koning gheplaatst 595 wordt in zijn hóf, ófte vertrek; ófte eene prinssesse in haare slaap-596kamer, enz. Maar indien een koning, ófte prinssesse an 't strandt, 597 ófte in 't bosch vertoondt wordt, alschoon in 't voorste tooneel 598 eens bedrijfs, zo meenen wy nóchtans, dat 'er reeden behoorde by-599ghebracht te worden, waarom sy op die plaats verschijnen. Teeghen599-603 600 deeze reeghel zondighen wy in dit treurspel tweemaal, ten opzichte 601 der bykomst, eens van de Tweelingbroeders in 't tweede, en eens 602 van Trasimond in het derde bedrijf, beide in 't vierde tooneel. 603 In 't eerste tooneel des eersten bedrijfs wordt de reeden van der 604 bedryvers uitkoomen t'over bekendt ghemaakt. De eerste tooneelen 605 der vólghende, hebben de voorghemelde ooghluiking van nooden. 606 Naauwkeurigher zijn wy gheweest in het Ghulde Vlies, alwaar niet606-12 607 een, zelfs van de eerste tooneelen, deeze verschooninge hoeft te 608 verzoeken; behalven alleen die van 't derde bedrijf; daar nóchtans 609 de Meerman, met zyne Meereminne, zonder aanstoot, in zee op de609 610 baaren dóbberende te verbeelden zijn, die ik, zonder veele moeite,610 611 hadde van Juno konnen laaten uit de gholven opdaaghen, hadde my 612 dat van eenigh belang ghescheenen.
613Boven dit voorghemelde, staat, in de tooneelen, ook in acht te613-41 614 neemen haare bandt, en an een schakeling, in het zelfde bedrijf. 615 Deeze, als welke alle de byzondere daaden van yder bedrijf ver-615-19615616eenight, heeft my altijdt een zeer voortreffelijk sieraadt in een 617 tooneelspel ghescheenen. Ook schaft zy een gheduurighe verknócht-618heidt des handels, door de verknóchting en gheduurigheidt der618 619 vertooninge. En de Heer Kórneille verhaalt, dat de anschouwers619-24 620 der tooneelspeelen in Vrankrijk daar zo zeer toe ghewent zijn, 621 dat hen gheen ghaaping tusschen twee tooneelen voorkomt, zonder 622 de zelve te teekenen, als eene misslagh. Oogh, en oor stooten 623 zich daar aan, zeidt hy, aleer de ghedachten, en 't oordeel daar623 624 by koomen. En ik beken, dat 'er my nooit een voorghekoomen is,
625 welke my daadelijk niet teeghen de borst stiet. Hy stelt ver-625-37625626scheiden slagh van dusdaanighe an een schakelingen. Door gherucht,626 627 wanneer, op 't gherucht van eenen koomenden, iemandt van het tooneel 628 wegh ghaat, ófte van eenen weghghaanden, op het tooneel komt. Door 629 ghezicht, wanneer de weghghaande den koomenden, ófte de koomende 630 den weghghaanden ziet. Door ghesprek zonder teeghenwoordigheidt: 631 wanneer, van achter de schermen, teeghen die op het tooneel staat, 632 ghesprooken wordt. Door teeghenwoordigheidt zonder ghesprek, 633 wanneer iemandt op het tooneel blijft, om aan te hooren, wat die 634 gheene, die daar op te voorschijnetreeden, zegghen zullen. En 635 eindelijk door ghesprek en teeghenwoordigheidt te ghelijk, welke 636 laatste bandt hy, zonder teeghenspreeken, voor de voortreffelijk-637ste keurt, en welke alle de schoonheidt heeft, die zy hebben kan. 638 En van dit laatste slagh zijnze alle, waar meede wy onze tooneelen, 639 in dit treurspel, aan een gheknoopt hebben, behalven die van het639-41 640 vijfde en zeste tooneel des eersten bedrijfs, daar over eenighe 641 twijffel zoude konnen vallen.
642Deeze aan een hechting der Tooneelen sleept wyders na zich642-710642 643 eene byzondere opmerking weeghens de tijdt, in de welke het 644 gheheele treurspel afloopt. Deeze is in het mijne eene enkele644-50 645 dagh; en wel eene plechtighe, en doorluchtighe dagh, uitghekoozen, 646 en bestemdt, om van twee Tweelingbroeders den eerstgheboorenen te 647 noemen, en te kroonen ten nazaat in zijns vaders Koningsstoel, en647 648 hem uit te trouwen aan eene hooghgheduchte Koninginne, voor lange648-49 649 jaaren, hem ten bedtghenoote toebeschooren: het welk de Heer Kór-650neille voor gheen ghering sieraadt in een Tooneelspel oordeelt. 651 De vier voorste bedryven wyken, in haare dichte achtervólghing;651 652 niet van de ghemeene waarschijnlijkheidt af: Want het bespringen 653 der tweelingbroeders in hunne slaapkamer; Ghrimoalds eisch, en 654 Mathildes teegheneisch; Heddewighs en Alariks om hals koomen; en 655 eindelijk het straffen van Fastarad, met alle dezer voorvallen 656 omstandigheeden, brengen in haare achtervólghinge op eene dagh, 657 niet ghedwongens meede. Maar dat Ghrimoald, daar zijn eighen zoon, 658 en dóchter om 't leeven gheraakt zijn, daar hy zijnen stiefzoon, 659 met der doodt, voor des eenen moordt ghestraft heeft; op den 660 zelfden dagh, zynen overghebleeven zoon zoude kroonen, hort wat660-62 661 teeghens de ghewoone welbetaamlijkheidt, hoewel niet teeghens de661
662 onmooghlijkheidt, aan: ten zy men die haastigheidt hier meede662-68 663 verschoonen wil, dat, alles tót die plechtigheidt bereidt zijnde, 664 en de Dwingelandt voor nieuwe rampen, en hinderpaalen vreezende, 665 onaanghezien het voorghemelde, de bestemde krooning heeft, hoe 666 eêr hoe liever, willen laaten voortghaan. Indien deeze verschoo-667ninge proef houdt, springen wy de waarschijnlijkheidt niet te 668 buiten. Ons gheheele Treurspel loopt dan af, in eenen enkelen dagh: 669 Dóch elk byzonder bedrijf, dewijl alle der zelver tooneelen an een669-74669 670 gheschaakeldt zijn, in den tijdt, als het vertoondt wordt, de welke 671 omtrent dry uuren behelzende, moet het overighe, om eenen gheheelen671 672 dagh te vullen, verbeeldt worden, tusschen de bedryven, te verloo-673pen; in welke tusschentijdt men kan stellen, dingen te gheschieden, 674 die tót het lichaam des ghanschen handels behooren; als, tusschen674674-83 675 het eerste en tweede, de versterking met eede van de vriendschap 676 der Tweelingen, en 't raadtslaaghen van Mathilde en Atelstan met 677 Leeuwenbald; tusschen het tweede en derde, de vermomminge van 678 Heddewigh; tusschen het derde en vierde, het opsluiten van Trasimond, 679 en Ghrimoalds overweeghinge om hem te straffen; tusschen het vierde 680 en vijfde, het vermoorden van Eduward door Velleede, en het mengen 681 van zijn bloedt met verghift in de rijkskelk, neevens de voordere 682 toebereidinge ter krooninge, en 't gheveinsde toestaan van Mathilde 683 tót Trasimonds bedtghenootschap. Wy willen in gheenen deele ont-683-709684veinzen, dat het konstigher zoude zijn, indien ons ghansche Treur-685spel yder bedrijf eevenaarde, en de tijdt, die daar in verloopt, 686 de tijdt van des zelfs vertooninge niet te buiten ghing. Want686-93 687 het tooneelspel, zijnde eene schilderye des menschelijken handels, 688 en die schilderyen de beste, die 't meeste na de natuur trekken, 689 en 't naauwste daar na ghelijken; behoorde, te dier oorzaake, ook 690 gheen gheschiedenis van ruimer tijdt te behelzen, als het beezigh 691 is, om die te vertoonen; en alzo de tijdt der afbeeldinge op het 692 tooneel, en des handels in de natuur t'eene maale over een te 693 stemmen. Maar het valt zo moeyelijk, gheschiedenissen te vinden, 693-702
694die zo kort zijn, ófte zo kort in te krimpen zijn door de konst, 695 dat, mijns oordeels, een Tooneeldichter, die eene stóffe, met wat695-96 696 werkelijkheidts en ghewoels verzien, ghelijkze van onze Toekykers 697 begheerdt wordt, in 't bestek van vierentwintigh uuren weet te 698 besluiten, zich zeer wel ghequeeten heeft, en gheenen kleenen 699 loover aan zynen lauwerkrans verdiendt. Voor my, ik zoude de paalen 700 deezer wet wat wyder uitzetten, en een tooneelspel niet verdoemen, 701 al behelsde dat een tijdt van eenighe daghen, ja weeken, als men 702 maar tót gheenighe jaaren uitspronge. Vermits my dunkt, dat, in-703dien de Toekyker zich verbeelden kan, tusschen twee bedryven een 704 uur ófte twee verloopen te zijn, hy zich ook dat zelfde van een 705 dagh ófte twee kan verbeelden. Maar voor al wilde ik alle de too-706neelen eens bedrijfs an elkanderen gheschakeldt, en de tijdt; waar706 707 in de gheschiedenisse in de natuur, des zelfs vertooninge op het707 708 tooneel te boven ghaat, tusschen de bedryven, en tusschen alle 709 omtrent eevenveel inghevlijt hebben.
710Ghelijk met de tijdt, zo is 't ook met de plaats, in de tooneel-710-45711speelen, gheleeghen; en schoon Aristoteles, nóchte Horatius, dies711-12 712 anghaande niet een woordt reppen, zo rust de wet, welke willekeurt,712 713 dat het tooneelspel aan eene plaats ghehecht moet blyven, op de 714 zelfde ghrondtreeden, welke wy, eeven hier voor, te berde ghebraght714 715 hebben. Ik zoude, met den Heere Kórneille, wenschen, om den An-715-21716schouweren t'eene maale gheenighen aanstoot te gheeven, dat het 717 gheene men hen in dry uuren vertoont, waarlijk in dry uuren konde 718 gheschieden: en 't gheene men hen doet zien, op een en 't zelfde too-719 neel, welk niet verandert, konde voorvallen in een en de zelfde 720 kamer, ófte zaale, ófte andere plaats, vólghens de keur, die de 721 Dichter daar van ghedaan heeft. Ons treurspel magh, van vooren 722 tót achteren, in eene Hófzaale afspeelen; ófte zo iemandt, met ons 723 deeze plaats te eng oordeelde, het hoeft buiten het koningshóf 724 niet te springen. Maar dit is dikwyls zo moeyelijk, om niet te724-27 725 zegghen, onmooghelijk, om doen, dat men ghenoodtzaakt wordt, die 726 naauwte wat te wyen, ghelijk wy ten opzichte der tijdt ghedaan 727 hebben. De Konstenaars stellen dan, dat de eenheidt der plaats niet727-33 728 gheschonden wordt, als de tooneeldichter maar zijn tooneel niet 729 wyder uitbreidt, als een stadt met zijn bygheleeghen landt. Niet 730 dat het tooneel gheduurigh zo ruim een plaats kan afbeelden, want
731dat is onmooghelijk; maar by beurten daar van eenighe byzondere 732 plekken, neemt, nu de markt, dan het Hóf, dan een voornaame straat, 733 dan de vesten, en dan het omligghend veldt, ófte iets anders. En733-39 734 deeze plaatsverwisselingen woude ik invlyen tusschen twee bedryven, 735 omdat, de voorghordijn dan ghevallen zijnde, in die tusschenpoo-736zinge het, zonder eenighen aanstoot der Kykeren, veranderdt kan 737 worden; daar zy in 't midden eens bedrijfs ghemoetende, de gheduu-737738righe verknóchtheidt des handels breeken, en den anschouweren 739 gheen klein verdriet baaren. En diesvólghens zullen 'er niet, dan739-45 740 vijf verscheide plaatsen, in een tooneelspel te vertooghen zijn; 741 welk ghetal, mijns oordeels, ghenoeghzaam behoorde te weezen, en 742 voor den Tooneeldichter, welke, door verscheidenheidt van tooneel-743verzieringen, zynen treurspeele luister toeleght by te zetten, en 744 voor de Toekykers, die zich aan prachtighe en konstighe tooneelen 745 verghaapen.
746Dit alles dus wijdtloopigh, en van de ghrondt op te haalen, heeft746-84746-84 747 ons niet ongheraaden ghedacht, om den tooneelbeghonstighers, en747 748 konstghenooten, die door ongheleeghenheidt haarer beezigheeden gheen748 749 tijdt, ófte door onkunde der taalen, gheen gheleeghenheidt hebben, 750 om de reeghelen der tooneelkonst naauwkeurighlijk te doorsnuffelen,750 751 en na te vórsschen, wat lichts in hun oordeel, en arbeidt, toe te 752 straalen: opdat, de rechtschapene kennis eens volmaakten tooneel-752753spels, en in de maakers, en in de kykers, de overhandt krijghende, 754 de tooneeldichter niet meêr, door onkunde der wetten van de konst, 755 ófte om ghroot gheloop voor zijn werk te verwerven van de onver-755-56756standighe, die ghewoonlijk den ghrootsten hoop uitmaaken, vervalle, 757 om wanschepsels van schouwspeelen ten tooneele te voeren. Wy ver-758hoopen, dat dit bericht niet quaalijk opghenoomen zal worden, als758 759 met een ghoet ooghemerk ghedaan. Wy hebben daar in niemandt tót 760 bekrachtighing onzer stellingen anghetooghen, als Aristoteles, 761 Horatius, en Kórneille: de twee voorste, om de eerbiedigheidt, 762 die wy der Oudheidt toedraaghen, van wiens wetten wy zeer noode 763 zouden afwyken: en de laatste, omdat hy, ons weetens, de eenighste763 764 is, onder de heedendaagsche Meesters in de Konst, die uit eighene 765 ondervindinge van het tooneel, en opmerkinge, wat daar op zynen 766 anschouweren behaaghlijk, ófte onbehaaghlijk gheweest is, gheschree-
767ven heeft; daar de andere slechts, uit bloote bespieghelingen,767 768 de pen op papier ghezet hebben, wier achtbaarheidt, en zetreedenen,768 769 dierhalven by ons zeer weinigh weeghen: alzo de ervaarenheidt ons769 770 daghelijks leert dat men in zijne ghedachten, en onder zyne boeken, 771 aartighe tooneelwetten kan smeeden; maar als men de handt aan 't771 772 werk zal slaan, en die op het tooneel uitvoeren, meêrmaals zeer 773 verleeghen staat, en door schoone reeghelen veel schoone dingen 774 uit de Schouwspeelen bant. Wy hebben ook gheen voorbeelden, dan 775 uit ons eighen treurspel byghebraght, alzo dat allerreedtst by der775 776 handt was. Hebben wy daar in eenighe deughden, en volmaaktheeden 777 opghehaaldt, en ten toon ghesteldt, wy hebben weeder gheenighe777 778 ghebreeken, ons weetens, verzweeghen: hebben wy die wat ghevleidt,778 779 men denke, dat de aart der Ouderen ons meede aankleeft, dier ghe-780woonte het is, de wanschapenheeden haarer kinderen te streelen. 781 Het staat u vry, ghoedtghunstighe Leezer, met een scherper oogh,781 782 en oordeel, die te bezien, en op den toets te brengen. Dóch duidt782 783 alles ten besten; ghelijk wy het t'uwen besten ghedaan hebben, en 784 verhoopen, dat het t'uwen besten zal ghedyen.