|
|
|
| |
| | | |
De verloofde koninksbruidt, treurspel.
Eerste bedryf.
| |
I. Tooneel.
Velleede, Fastarad, Rey van ghewapende Dienaars.
Fastarad, ter vlught uitkoomende, en van Velleede vastghehouden.
1
Laat lós, Mevrouw, laat lós: uw' reeden quetst mijn oor;
Ghy pooght vergheefs......
Houw standt, mijn zoon, en gheef ghehoor,
Nócht wraak zo reukeloos den trouwen raadt uws Moeders. 3
Die mijn' doorluchte kling, ter schennisse van Broeders,
5
Verwaaten aanhitst, met ghevaar van lijf, en eer.
Die 't spoor u opent, om uw' Koningsscepter weêr
Te krijghen, en de moordt uws Ghrootvaârs, Ooms, en Vaders,
Te wreeken, door de moordt van schelmen, en verraaders.
Niet langs een heldenpadt van open oorelógh:
10
Maar met vervloekt verraadt, met lasterlijk bedrógh,
Tót woede storting van onschuldigh bloedt besteeken. 11
De wraak ziet dat niet aan. Wanneer men zich kan wreeken,
't Zy door het Vóssenbrein, 't zy door de Leeuwenklaauw;
Men kreunt zich luttel hoe, met zift dat niet zo naauw.
15
Zo wreekt zich 't bastaardtbloedt, zo wreeken zich aartsfielen,
En laffe ghuilen: Maar gheen hooghghebooren' zielen, 16
Gheen oorlóghshelden, dien, van kintsbeen opghequeekt
In 't school der Deughdt, de walgh van schelmeryen steekt.
Dies staak deeze euveldaadt, Mêvrouw, my meêr te verghen:
20
Ghy recht niet anders uit, dan my tót weêrwil terghen. 20
Ik heb het u voorheen ghezeghdt, en zegh het nóch;
Mijn' handt schrikt voor verraadt, mijn hart walght van bedrógh.
'k Beken, de Deughdt verbiedt verraadt in haare wetten:
Maar Reeden leert weêr 't quaadt met quaadt betaalt te zetten.
25
Indien de Dwinglandt, na 't bericht der Deughdt, zijn daân 25
Ghereegheldt had, hy hadde uw' Ghrootvaâr nooit verraân,
Uw' Oom, en Vader, nooit vermoordt, nócht 's Konings zeetel,
Als aartsgheweldenaar, beklommen; nócht vermeetel,
Met wreede dwang, ghemaakt uw' Moeder tót zijn vrouw,
30
Om zich te vesten, op den Rjjkstroon, door die trouw.
Nu heeft de staatzucht hem verrukt, tót all' die quaaden, 31
En vuil bezoetelt, met zo ghrouwzaame euveldaaden:
Dus eischt de Reeden, dat hy, met ghelijke munt,
Betaaldt werd, daar 't gheluk een schoonen kans toe ghunt, 34
35
Die, zo ghy 't reuk'loos niet verwaarloost, biedt de zeeghe.
| | | |
't Ghepleeghdt verraadt gheeft u verlóf, verraadt te pleeghen:
Dies buigh uw' strakken zin, en vólgh mijn ghoeden raadt.
Zo 't quaadt, by yder, te verghelden stondt, met quaadt;
Het menschlijk leeven smeede een reeks van euvelheeden;
40
Ja all', die 't lóflijk padt der ghoude Deughdt betreeden,
Verbondt ghestaâgh de Reên, ter slinker af te slaan, 41
En 't spoor te vólghen, welk een booswicht voor zou ghaan.
O neen; de Deughdt, wat stórm haar ook an boordt koomt klampen,
Streeft haaren heirbaan langs, door onghelijk, en rampen. 44
45
Dóch neem, 't stondt vry, verraadt te loonen met verraadt: 45
Hier schuilt iet arghers, welk uw' toelegh teeghenstaat, 46
En mijnen arm ghebiedt, 't gheen ghy haar verght, te weigheren.
De Dwingelandt, om op den Koningstroon te steigheren,
Schon slechts het scepterrecht, door Vórstenmoordery,
50
En plengde onnoozel bloedt; daar ik daarboven my 50
Nóch schandigh zou misghaan an Vader, en an Broeders.
Een Stiefvaâr, en Stiefbroêrs.
De bedtghenoot mijns Moeders,
De zoonen haars ghemaals.
Maar die 't is met gheweldt,
Die tót zijn huw'lijk my ghedwongen heeft.
55
My van mijn' plicht niet vry: 't was d'uwe, te verhinderen,
Na Vaders doodt, dat ik den Dwinglandt, nócht zijn' kinderen
Verschuldighdt waar t'ontzien, als broeder, nóchte als zoon.
Nu heeft uw huwelijk my dat ontzagh gheboôn,
Hem tót mijn' Vader, en hen tót mijn' Broêrs verheeven.
60
Mijn huwelijk heeft u, en my, gheborghen 't leeven,
't Welk anders schipbreuk leedt; opdat....
Het waar den Dwingelandt verplicht ten dienst te staan.
Opdat ghy Ghrootvaâr, Oom, en Vader, als uw' jaaren
Ter manlijke ouderdom, en kracht, gheklommen waaren,
65
Zoud' wreeken, en, den Rijksgheweldenaar ter troon
Afbonzende, in 't bezit u zetten van uw' kroon.
Ghy hebt my, door uw' trouw, verbóden my te wreeken,
En van mijn errifrecht ter scepterstaf versteeken. 68
Heb ik uw' wraak verboôn? versteeken van uw recht?
70
Ik, die, zo meenighmaale, u heb het padt gheslecht,
Heb hulp verschaft, heb moedt in 't lijf ghepooght te spreeken,
Om uw vermoordt gheslacht heldthaftighlijk te wreeken,
Te stijghen op uw' troon? wat schuiftghe uw' schuldt op my?
Hebtghe al mijn werk niet steedts te loor ghesteldt? 74
75
De kroon, van Ghrootvaâr, Oom, en Vader, na 's landts wetten,
| | | |
An u verstorven, niet bestaan op 't hoofdt te zetten
Den Rijksgheweldenaar? Den staf, die my toequam,
Na uwe doodt, als oir der Koninklijke stam, 78
Hebt ghy mijn' handt ontmaakt, by leevendighen lijve; 79
80
En dien Tiran ghemaakt, toengh' hem, ten echten wijve 80
Gheworden, plaatste, als man, en heer, an hoogher handt,
Op Ghrootvaârs zeeteltroon, tót wettigh Vórst van 't landt.
Indien 't weêrstreefde uw' wil, dat hy den staf zou zwaayen;
Waarom hem die ghelangt? Indien ghy 't bloedt woudt paayen 84
85
Van ons vermoordt gheslacht, met wraak; waarom die voort 85
Niet by der handt ghevat, op 't klinken van de moordt?
't Gheen ghy nu mijnen arm, Mêvrouw, verght uit te voeren,
U uit te voeren stondt, toen eerst in reppe, en roere,
Was hóf, en stadt, en landt, door 's Dwinglandts overmoedt.
90
Toen moest ghy hebben 't vuur der oploop, met zijn bloedt,
Ghelescht; hem van den troon gheweerdt; zijn' drift ghebrooken;
En door zijn' neederlaagh mijne Ouderen ghewrooken.
Ghy kost het toen, met eere; ik zoude 't nu, met schand'.
Mijne onmaght leedt het niet; hy had reê d'overhandt.
95
Nu lijdt mijn' plicht het niet: de Deughdt kant zich 'er teeghen,
En d'eer verbiedt mijn' handt te stroopen haaren deeghen 96
Tot broêr- en vadermoordt. Dies staak, Mêvrouw, an 't oor
My meêr te lellen; alle uw' moeit loopt tóch te loor.
Ontaarde zoon, houw op van plicht, en eer, te roemen;
100
En uwe snoode min daar onder te verbloemen.
Die ghy des Dwinglandts Dóchter draaght.
't Is waar, ik vier, en dien die ghóddelijke maaghdt; 102
Maar met zo schoon een vlam, als immer hart kon blaaken.
Een vlam, waar door uw hart verwaareloost de wraake
105
Van uw gheslacht, en, onghevoeligh in uw' hoon,
Met koelen moede, duldt een Dwinglandt, op uw' troon,
De hooghgheboorenheidt uws afkomsts te verneêren.
Verwijt ghy my, dat ik mijn' koningsstam onteere,
Door mijne liefde; ghy, die, door uw huwelijk,
110
Ghemaakt hebt 's Rijks tiran, tót wettigh Vórst van 't Rijk;
Uws mans doodtslagher tót uw' man, een aartsverraader
Tót heer van 't landt, den beul mijns Vaders tót mijn' Vader,
En 's Konings moordenaar tót 's Konings erfghenaam.
Een noodtdwang dreefme, opdat gheen ramp u overquaam'.
115
't Was moed'loosheidt, en vrees voor sterven, die u dreeven.
Men dwingt gheen eêl ghemoedt. Dies voeghde u, eêr het leeven
Daar in te schieten: dan, dus eerloos, den Tiran
Te dulden op uw' troon, te hulden tót uw' man.
Nu hebtghe vuil bevlekt de ghlorie uwer ouderen,
120
Door uw' lafhartigheidt; en uw', en mijnen schouderen
| | | |
Dit smaadelijke juk des Dwinglandts opgheleidt:
Ik draagh 't gheduldigh, en ik toon ghehoorzaamheidt.
Dóch port u 't naberouw van uw verghrijp te wreeken
Uw' neêrghevelde stamme, en den Tiran te steeken
125
Na 't harte, en uwe kroon; verschoon, Mêvrouw, mijn' dólk,
En voer uw' wraakzucht uit, met dit ghewapend vólk.
Het eischt een man tót hoofdt, die 't anvoere, en bescherrem;
En 's Ghrootvaârs bleeke schim de wraak van uwen arrem.
Zijn gheest, die stadigh om my zweeft.
130
Hy rust in vreede, en u gheen stóf van quelling gheeft.
Ach! al te veel. Wanneer de droeve nacht haar' schimmen
Strooit door de lucht, en zoomt met schaduwe onze kimmen,
Verschijnt my meêrmaals dat ghrootachtbaar aanghezicht,
Niet als 't, verheerlijkt met het eerentfeste licht 134
135
Der oppermajesteit, ontzagh'lijk plagh te zitten 135
Ter hooghe zeeteltroon der wijdtberoemde Britten:
Maar (laas!) beklonterdt, met het kladd'righ inghewandt
Des bekkeneels, begruist met bloedigh stóf, en zandt, 138
En onghezien, door wondt op wondt, die stadigh druipen.
140
't Zijn yd'le droomen, die uw' herssenen bekruipen,
En 't maalende verstandt beschertsen, in den slaap.
't Is waarheidt, en gheen droom, waar aan ik my verghaap:
't Ghemoet my waakende, en ik zie 't, met opene ooghen.
Mijns Ghrootvaârs schaduw zoude an my zich wel vertooghen;
145
Indien hy wraak eischte, op den moorder, van mijn' handt,
En, uit 's Rijks zeeteltroon, geschopt den Dwingelandt.
Nu is 't hoogh tijdt, om mijn' besteeken ról te speelen, 147
En proeven, óf bedrógh dit vruchteloos krakkeelen
Niet brengen kan ten einde, en lichter, dan mijn reên,
Ik smeek den Heemel, ons verschil te willen enden,
En, uit het zaligh dal der zielen, opwaarts zenden
Uws Ghrootvaârs gheest. Hy knikt. De Maane suizebólt,
In 't onderghaan. 't Ghestarnt zijn' doodtverw zet. Daar rólt 154
155
De donder, door de lucht; en braakt, uit vuur'ghe kaaken,
Een sterke bliksemghloedt, dat bergh, en toorens kraaken.
De Teems, door schrik ontbloot van zijnen ghlazen toom, 157
Stouwt, aarz'ling bronnewaarts, de ghólven zijner stroom. 158
Het koninklijk paleis bezwijmt, als van zich zelven.
160
De pijlers sidderen, door 't waggh'len der ghewelven.
De vloeren steigh'ren, steil om hoogh; en loeijen vast 161
Heel schor. De zólder, met een naare weêrghalm, bast.
De ghlazen rinkelen. De wanden yz'lijk huilen,
| | | |
Met heesch ghejank. Daar ploft, door 't zwijken van de zuilen,
165
Het schaliedak ter neêr. Oey my! 'k ben t'einde raadts! 165
Waar vlucht, waar bergh ik my?
't Hóf staat nóch op zijn plaats,
Daar barst, en splijt de korst der aarde.
Helpt Ghoôn! wat 's dit? Gheen schrik my ooit zo zeer vervaerde.
Daar welt een zwavelghloedt, doorvlamdt met ghólven smooks,
170
Ter spleete uit; en bezwalkt de lucht, vol stanks en rooks;
Het voorspel zijner komst.
| |
II. tooneel.
Velleede, Fastarad, Rey van ghewapende Dienaars, Ottomar in de schijn van een Gheest.
Zie hoe, van liever leede,
Hy opzweeft, uit het lógh; en herwaarts aan komt treeden. 172
De schim uws Ghrootvaârs.
Men houde stal, mijn zoon. Dit afghemarteldt lijk 174
175
Strekke u ten prikkel, om zijn' wreede moordt te wreeken.
Anschouw zijn' trótse borst, zo jammerlijk doorsteeken,
Met meenigh doodtwondt, daar noch 't reut'lend bloedt uit druipt,
En lanks het deeluwbleek der doodsche leeden kruipt. 178
Hoe deerelijk ziet dat gheraamt', met scherpe schinkelen.
180
Hoe staan zijn' blikken, diep ghedooken in hunn' winkelen, 180
Te flonkerbranden, met karbonkelroode ghloedt.
Hoor toe; hy spreekt: en prent zijn' stemme in uw ghemoedt.
Hoe lang, ontaarde neef, zultghe uwer Moeder weigheren 183
Mijn' doodt te wreeken, en ter zeeteltroon te steigheren?
185
Hoe lang, voor 's Dwinglandts juk, zal u de minnevlam
Verdwaasdt doen bukken, en verloochenen uw' stam?
Kontghe u erinneren de moordt van my, van Vader,
En Oom, en die, op den moordtdaadighen verraader,
Verwaareloozen streng te wreeken, zo 't betaamt?
190
Zo zijtghe een bastaardtrank, wiens zich mijn' stamboom schaamt.
Wat pooghtghe althans met ghlimp van plichtschuldt, te blanketten 191
Uw' minnevlammen, die daar teeghen zich verzetten?
Doof uit dat laffe vuur, en eed'ler vuur van wraak
Ontsteeke uw' boezem, tót handthaaving onzer zaak:
195
Of slaat ghyze in den windt, zo zal ik, met de zielen
Uws Ooms, en Vaders, u fluks zitten op de hielen,
En niet aflaaten, voor uw' handt ons wraak bestell'.
Dies schafze ons nu, en kom dat voor. Ik gha. Vaar wel.
| | | |
| |
III. tooneel.
Velleede, Fastarad, Rey van ghewapende Dienaars.
Wel nu: kan dit bedroefdt ghezicht u overtuighen?
200
Ik sta verzet: mijn hart beghint allengs te buighen, 200
Na Ghrootvaârs weeklaght, en tót uw' ghehoorzaamheidt:
Doe opening, hoe ghy den aanslagh hebt beleidt.
Men zoude, aleer de zon den nanacht quam verdryven,
Des Dwinglandts tweelingzoons, op 't leedekant, ontlyven......
205
Zijn' tweelingzoons, Mêvrouw? hoe, die zijn immers an
Zy zijn kroost van den Tiran,
En dat 's ghenoegh, om hen daar schuldigh aan te maaken.
Maar, waar 't niet raadzaamer, van hem ten eersten wraake
Te neemen, en eens sloeghs zijn ghang na 't koningdom? 209
210
Och ja, 't waar raadzaamst, zo zijn' lijfwacht, die rondtom
Zijn' leegherplaats, by nacht, by daghe, t'aller steeden,
Houdt scherpe wacht, dien wegh ons niet hielde afghesneeden.
Men wacht' gheleeghenheidt, en schort' zo lang dat werk.
Het lijdt gheen lunderen; de noodt nijpt veel te sterk: 214
215
Ghy hebt voorheen te vaak mijn' voorslagh afgheslaaghen.
Wat drijft u dan, dit zo voorbaarigh voort te jaaghen?
U is bewust, hoe dat Mathilde, Koningin
Van Kaledonien, door last haar 's Vaders, in
Zijn sterf bedt uitghedrukt, als zy, ter huwb're jaaren
220
Volwassen waare, in echte is opgheleghdt te paaren
Met hem, die hier, als Vorst, den rijksstaf zwaayen zou.
Ghy weet ook, hoe zy, tót voltrekking haarer trouw,
Met een wijdtlufte sleep van Ghraaven, Ridders, Heeren, 223
En Vrouwentimmer, om haar' bruilóft te vereeren, 224
225
Hier onlanks is ghelandt, en inghehaaldt met pracht:
En hoe de Dwingelandt deez' Koningsbruidt nu tracht
Den eerstgheboor'nen van zijn' tweelingzoons te gheeven;
Daar zy beschooren wierdt uw' Oom. Want toen dit leeven 228
Haar Vader afley, praald' hier op den zeeteltroon
230
De mijne, uw Ghrootvaâr; op wiens hooghbeghaafden zoon
Hy 't oogh hadde, als hy kroon, en Dóchter, voor zijn sterven,
Besprak den gheenen, die de Britsche kroon moest erven. 232
Van uwen Oom verviel de staf op my, en u;
Dien 't dies alleen toekomt, dat met Mathilde huw'.
235
Hy echter heeft, van daagh' den oudsten zyner zoonen
('t Geen hy steedts hiel bedekt) tót wettigh oir der kroone
Bestemdt te noemen, en, verheerlijkt met dat recht,
Voorts aan Mathilde te verknóchten in den echt. 238
| | | |
Dit moetghe, uit alle uw' maght, verhind'ren; hier met lijve
240
En ziel fluks teeghen zijn: want, zo dit werk beklijve,
En 's Dwinglandts zoon, daar door, eens voet krijghe op den troon;
Ghy mooght, voor eeuwigh, wel weghschrijven uwe kroon.
Wat draayboom schut een werk, zo hoogh reets opghesteeghen? 243
Des Dwinglandts zoonen te vernest'len met den deeghen, 244
245
Op hunne slaapkoets, eer de dagh anbreekt. Hunn' doodt,
Oft hunn' quetsuuren zijn verlets ghenoegh, dit ghroot 246
Voorneemen plotseling te rugh, ófte om te stooten.
't Is ghoedt, Mêvrouw: maar hunn' slaapkamer staat gheslooten.
Men loop' de deure, en al, wat weêr biedt, op de vloer.
250
Welaan; gheen euveldaadt, zo stout, die 'k niet volvoer.
Trouwanten, toont uw moedt. Een yder trekk' van leeder.
Nu met ghelijker handt. Daar light de deur ter needer.
En my an 't harte, en na den zin.
| |
IV. tooneel.
Velleede, Ottomar in den schijn van een Gheest.
Zo krijght, in 't eind', mijn' wraak zijn langghewenscht beghin,
255
Des Dwinglandts kroon een krak, mijn zoon zijn recht in handen,
En mijne onterfde vuist den breidel deezer landen.
Die mijnen anslagh hebt, van pas, ten steun ghediendt,
Gheen eeuw zal, uit het boek van mijn' ghedachtenissen,
260
De dankbaarheidt, en 't loon voor zulk een weldaadt, wisschen.
Uw' hulp my heiligh is? maar 'k hebze bet van doen. 261
De tweelingbroeders, die mijn zoon bespringt, zijn koen
En rap; en zullen met hunn' dienaars, door 't gerommel
Der neêrgebonsde deur ghewekt, hem, en zijn' drommel 264
265
Een harden weêrstandt biên; deez' past het by te staan.
Maar zacht; ik hoor ghedruis.
Al aarzelende; ik bid, verzuim niet hem te helpen,
Eer batser onheil ons all' t'zaam koome overstelpen. 268
Ik ben bereidt, Mêvrouw; waar bergh ik dit ghewaadt?
270
Neen, houw het aan, en toon een ysselijk ghelaat. 270
Mijn zoon zal waanen, dat zijn Ghrootvaâr komt beschikken, 271
Daar hy te korte in schiet. De vyandt zal verschrikken,
En deizen, op 't ghezicht van zulk een vreemdt ghedrócht.
| | | |
Welaan, pak u slechts wegh. Uw' voorslagh werd' volbróght.
| |
V. tooneel.
Fastarad, Trasimond, Alarik, Rey van ghewapende Dienaars, al vechtende, Ottomar in den schijn van een Gheest.
275
Houdt stal, spitsbroeders; niet te vlieden, 275
Ziet daar mijns Ghrootvaârs schim, om ons de handt te bieden.
Gheen helsch ghespook, ófte onderaardsche gheest,
Hoe wreedt van opzicht, die mijn' kling in 't minste vreest, 278
Ofte u voor my bevrijdt. Valt aan, mijn' trouwe knechten.
280
Bant alle schroom: mijn' vuist zal zelf den gheest bevechten.
Dat ghaat u voor. Houdt daar.
Nadat'er een wijl ghevochten, en Fastarad, met zijn ghezelschap, op de vlucht ghedreeven is: koomen Trasimond, en Alarik met hunne dienaars weeder te voorschijn.
| |
VI. tooneel.
Trasimond, Alarik, Rey van Dienaars.
't Ghespuis is wel ghevlucht,
Heer broeder, onder ghunst der nanacht; maar ik ducht,
Dat op eene uchtendtstondt, zo euvel, en verbólghen,
Een vry verbólghener, en euv'ler dagh wil vólghen.
285
Uw' zórghe ontbeert gheen schijn, en 't voorspel duit niet ghoedts: 285
Maar wapenenwe ons hart, met beukelaars, vol moedts, 286
Waar op de nijdt, en haat, haar' tanden stukken byten,
En 't anstaand onheil zijn gheweldt vergheefs op slijte.
Ik kreun 's my luttel, wat ons toeghrimt, nijdt, óft haat:
290
Maar weet voor 't onheil, welk onz' hoofden dreight, gheen raadt,
Nócht hulp, en duik daarom, vermeesterdt, voor zijn' plaaghen. 291
De broederliefd', die wy elkanderen toedraaghen;
D'oprechte vriendschap, die mijn hart hecht aan uw hart,
Maakt, dat de kleenste ramp, die u ghemoet, my smart,
295
Die my ghemoet, u pijnt; zodat alle onghelukken,
Welke overkoomen u, óft my, ons beiden drukken.
Nu wil deez' ghroote dagh bezaal'ghen u, óft my,
Met een Vórstinnenecht, en dubb'le heerschappy;
En zo, ter steiler tóp van 't hooghst gheluk, verheffen,
300
En weeder u, óft my, met zo veel onluks, treffen. 300
Wien onzer dit gheluk, ófte onluk valt te beurt;
Bey ploffenwe in verdriet, welk onze boezems scheurt.
'k Beken, 't ghevaar dreight hardt. Dóch, zo ik my darde uiten,
My blinkt een licht toe, om iets raadzaams te besluiten,
305
Tót weering, dat ons zulk een ramp niet overkoom'.
| | | |
Ghy quetst onz' broederliefde, en vriendschap, door die schroom.
Spreek vryelijk, wat raadt uw' gheest hebbe uitghevonden.
Ghy weet, hoe vast an een onz' zielen staan verbonden;
Hoe ik u meerder minne, als Hylas Herkules,
310
Als Kastór Póllux, ófte Orestes Pylades 309-310
Ooit heeft bemindt: zodat uw' weederspoên my deeren,
Ghelijk u zelfs. Dies woude ik, om de buy te keeren,
Die, zwanger van verdriet, ons beid' hangt over 't hoofdt,
Door 't ghroots gheschenk, welk een van bey slechts staat beloofdt,
315
Dien kóstelijken schat, in twee gheschenken, scheiden,
En, met de helft, verzien een yder van ons beiden.
'k Omhels met u een raadt, zo heilzaam en zo schoon,
Ik schift dat ghroots gheschenk, en ruim u vaders troon; 318
Laat my, in teeghendeel, Mathilde slechts ghebeuren,
320
En mijn vernoeghdt ghemoedt zal zich ghelukkigh keuren.
Hoe dus, baart u mijn anbódt droeffenis?
Ghy noemt het bieden, daar het waarlijk kiezen is.
Ik draagh u immers op de Britsche Koninkryken.
En deelt voor u een schat, daar by niet te ghelyken,
325
En daar 'k alleen na haak.
Is 't zelf, voor wiens ghenót, ik vaders heerschappy
U woude opófferen: maar ghy zijt voor my vaerdigh
Hoe, acht ghy haar dan zo waerdigh?
330
Het prachtighst koningdom.
Ja all' die van der aard'.
En ghy, ghy mint haar van ghelyken?
Zie daar de donderslagh, waar onder ik bezwyke!
Ik hoopte, dat de ghlants, welke uit de rijkskroon straalt,
Verschuilt zou hebben die, daar haar ghelaat meê praalt,
335
Voor uw ghezicht. Maar (ach!) 'k staa in mijn' hoop bedrooghen;
En 't zonnelicht, welk haar ten ghóddelijken ooghen,
En anschijne, uitblinkt, heeft zich meê, voor uw ghemoedt,
Ten toon ghesteldt, en 't hart ontvonkt, met minneghloedt.
| | | |
Hoe langer, hoe verwoeder!
340
Mijn broeder, 'k zagh 'er door, en waart ghy niet mijn broeder. 340
Ach broeder, en met een mijn meedevryer! ach!
Waar hólt dit heenen! wat bescheert ons deeze dagh! 342
Ach broederliefde, is dit een aanvang, waar wil 't enden!
Ach vrouwemin, wat sleeptghe een staert na van ellenden!
345
Hoe strijdt ghy t'zamen? wie bevecht hier d'overhandt?
De broederliefde 't veldt ruim', voor de minnebrandt.
Want, als een schoonheidt heeft vermeesterdt 's minnaars zinnen,
Zo hy haar laat, hy heeft gheen moedt, nócht weet van minnen. 348
Mathilde blaakt ons hart; men staa na haar bezit:
350
En wijl men niet, dan op den troon, beschiet dat wit, 350
Men streeve na den staf. Die zucht wil heerlijk ghlooren, 351
Om haar ghenót ghesmoordt, om haar ghenót herbooren:
En vaders kroon, voor haar eerst rustigh afghestaan,
Lókt ons, omz' haar op 't hoofdt te zetten, weeder aan.
355
Men doel vry hoogher aan: zodat, eer 't zonlicht daale,
Zo wel de broederliefde, als minzucht, zeeghepraale.
Laat zy, om pal te staan, als onbeweeghb're róts,
Mathildes min ten spijt, en vaders kroon ten tróts,
Met zulk een hechten knoop onz' harten samenbinden,
360
Dat elk, in 's broeders luk, zijn eighen luk magh vinden.
Ach! vernoegh u, dat ik 't wil.
Mijn reeden zal mijn hart vermeest'ren, dat het stil
Zal zwichten; ófte ik zal 't verlooch'nen, zo 't daar teeghen
'k Vólgh u, op dat spoor, vol heil, en zeeghen.
365
Men onderschoore voorts, met eeden, dit besluit, 365
Voor 't aanghezicht der Ghoôn.
Hunn' ghoedheidt voere 't uit.
Einde des eersten Bedrijfs.
|
3wraak: verwerp.
reukeloos: lichtzinnig.
11woede: dolle, wrede.
besteeken: beraamd.
25bericht: onderricht, lessen.
46toelegh: plan, onderneming.
74te loor ghesteldt: doen mislukken.
79ontmaakt: losgemaakt van, onttrokken aan.
80ten echten wijve: tot echtgenote.
84ghelangt: aangereikt, gegeven.
paayen: verzoenen.
96stroopen: (uit de schede) te trekken.
134eerentfeste: achtbare.
135ontzagh'lijk: verheven.
138bekkeneel: hersenpan.
begruist: besmeurd.
147besteeken: beraamde, listig opgezette.
154't Ghestarnt...zet: de sterren verbleken.
157De Teems: de Theems, voorgesteld als riviergod.
ontbloot...toom: beroofd van zijn doorzichtige teugel.
165schaliedak: leien dak.
174houde stal: blijve staan.
178deeluwbleek: vaalbleek.
191althans: nu.
blanketten: verbloemen.
209eens sloeghs: met één klap.
223wijdtlufte sleep: edel, verheven gevolg.
224vrouwentimmers: edelvrouwen, hofdames.
238verknóchten: verbinden.
243draaijboom: afsluitboom.
schut: houdt tegen.
244vernest'len: verdrijven.
246verlet: beletsel, verhindering.
261VRAAGTEKEN: lees PUNTKOMMA.
270ghelaat: voorkomen, uiterlijk.
271beschikken: verschaffen, zorgen voor.
275spitsbroeders: kameraden, strijdmakkers.
285schijn: schijn van juistheid.
300weeder...óft: hetzij...hetzij.
309-310befaamde vriendenparen uit de klassieke mythologie.
340'k zagh 'er door: ik zou er wel een gat in zien.
365onderschoore: ondersteune.
|
|