[p. 115]
Tweede bedryf.
I. tooneel.
Mathilde, Atelstan, Leeuwenbald.
Mathilde
Indien de Vórsten van dit Rijk zich, by mijn' Heeren,
Vervoeghen, om den staat des Dwinglandts om te keeren,
't Voorspelt ons d'overhandt, en d'aanvang, zo vol spoedts,
370
Beloofdt onz' anslagh in zijn' uitslagh alles ghoedts.
Leeuwenbald
En twijffelt gheensins an hunn' trouw, en ghoê gheneeghenheidt.
Zo haast hadde ik, mijn Vórst, hen allen de gheleeghenheidt
372
Van uwe ontkooming, met uw' trouwen voesterheer,
Uit 's Dwinglandts klaauwen, niet ontdekt; en hoeghe u neêr,
375
In 't Kaledoonsche hóf, had zo bedekt ghegheeven;
Dat niemandt twijffelde, óf ghy waart gheraakt om 't leeven,
Toen uw Heer Vader sneefde, en al zijn hófghezin;
En hoe ghy nu ten hoof waart, met uw' koningin,
Ghekoomen, neevens 't puik van haare Hovelingen,
380
Om uwen scepterstaf den Dwingelandt t'ontwringen:
Of elk van yver blaakte, op uw ghebódt bereidt.
Laat zy nu, onder uw manhaftigh krijghsbeleidt,
Den wegh u baanen, om ter zeetel op te steigheren.
Atelstan
't Waar reukeloosheidt, hunn' gheboden' hulp te weigheren;
385
Maar zy dient wel besteedt. Men kavele dan tijdt,
385
En houde een waakend ooghe in 't zeil. Ghy daarom vlijdt
U stil in 't hóf, en past naauwkeurigh af te meeten
All' 's Dwinglandts toelegh, om ons dat te laaten weeten.
Wy willen ghâ slaan, wat zijn' ghemaalinne brouwt;
390
Die (zo men mompelt) zich, dóch vrucht'loos, heeft verstout
Zijn tweelingzoonen, op hunn' slaapkoets, te bespringen,
Om, door hunn' doodt, haar' zoon in mijnen troon te dringen.
Uit zulk ghewoel kon licht voor ons een kans ontstaan.
Leeuwenbald
Ik vólgh uw' last, en dienze ons eedtghenootschap aan.
II. Tooneel.
Mathilde. Atelstan.
Mathilde
395
Zo raakt des Dwinglandts troon, van 't wagghelen, en sidderen,
An 't zinken, ondermijndt door zo veel braave Ridderen.
'k Beklaagh mijn' moeite niet, maar hou die vol betaaldt,
Als maar onze anslagh, op uw' vyandt, zeeghepraalt.
Atelstan
Helaas!
Mathilde
Wat 's dit, mijn Prins? vindt ghy dan stóf van klaaghen,
400
Daar 't alles komt, na wensch, voorspoedigh te beslaaghen?
400
Atelstan
Daar schort het niet.
Mathilde
Wat maakt u dan dus droef te moê?
[p. 116]
Atelstan
Mijn' Koningin, 't gheluk lacht ons zeer vriend'lijk toe,
En, zo dat wuft ghelaat niet staat ghezindt te keeren,
403
Vereevenaart haar' ghonst volkoomen ons begheeren.
404
405
Maar eevenwel hangt, aan dit zoet, veel bitters vast.
Ik steek in diepe schuldt, welke aanghroeit, en zo wast,
Dat ik gheen raadt zie, om daar immer uit te raaken.
Mathilde
Wie 's maghtigh, u tót zulk een schuldenaar te maaken?
Atelstan
't Is eene, die, vol ghonst, in 't barnen myner noodt,
410
Zich mijns erbarmt, en my ontfaân heeft, in haar' schoot.
't Is eene, die haar ghoedt, en bloedt, nóch op wil zetten,
Om my te kroonen, en den Dwinglandt te verpletten.
't Is eind'lijk eene, voor wiens schoont' ghebooghen light
Mijn minziek hart, vol schaamt, dat ik zo hoogh 't ghezicht
415
Hief, zonder voorspraak van verdiensten; en de haare
Aan my zo veele zijn, dat, om die t'eevenaaren,
Al overleefde ik zelfs een tallooze eeuwenry,
Mijn' maght niet toelangt: Daar mijn' dienst, mijn' slaverny
Moest, om tót weedermin haar' ziel te zien gheneeghen,
420
't Gewicht dier ghroote ghonst oneind'lijk overweeghen.
Mathilde
Mijn Prins, stel u gherust: 'k weet voor uw' quelling raadt.
Atelstan
Ghy mist, Mêvrouw; vermits 't uw' maght te boven ghaat.
Mathilde
Ben ik 't niet, wien ghy nooit haar' weldaân kont verghelden?
Atelstan
Ghy zijt het zelf.
Mathilde
Heb ik gheen maght u quijt te schelden?
Atelstan
425
O ja.
Mathilde
Wat is 't, dat uw' gheneezing dan belet?
Atelstan
Uw' quijting (laas!) op nieuws mijn' quelling scherpt, en wet.
Mathilde
Hoe kan dat zijn?
Atelstan
Mits zy mijn' schulden komt verghrooten.
Mathilde
Zy wischt die uit, als óf voldoening waar ghenooten.
Atelstan
Wel, by die quijtscheldt, maar, by dien men quijtscheldt, niet.
430
Een' hooghghebooren' ziel schaft niet alleen verdriet
Te hebben weldaân, met gheen weldaân, weêr vergholden;
Maar, van die weldaân, zelf te worden quijtghescholden:
Mits, by de weldaân, die hem reets zijn toeghebraght,
Hy dat quijtschelden, voor een nieuwe weldaadt, acht.
Mathilde
435
Wen ik u niet, wie zal u om betaaling quellen?
Atelstan
Ach! mijn gheweeten zal my staâgh voor ooghen stellen,
Wat ik u schuldigh ben, en niet betaalen kan.
[p. 117]
Te diep staan in mijn' borst d'indrukselen daar van....
Maar....
III. Tooneel.
Ghrimoald, Mathilde, Atelstan.
Ghrimoald
Nademaal mijn' keur een mijner tweelingzoonen
439
440
U zal, Mêvrouw, ten man, en koning van twee kroonen,
Van daghe, erweelen: en, door d'ondervinding, werdt
441
Gheleerdt, hoe hardt dat valt, voor 't maaghdelijke hart,
Een bruîghom, teeghen heugh en meugh, door dwang, ghenomen:
Zo ben ik, eer 'k, voor 't hóf, mijne uitspraak doe, ghekomen
445
Om t'onderstaan, tót wien van tweên uw' zinlijkheidt
445
Moght hellen: open dies, vry onbeschroomdt, hoe 't leidt
446
By u gheschooren, ik wil, om u te vernoeghen,
Schoon tot des oudsten schâ, my na uw' lusten voeghen.
Mathilde
Vermits, ghelijk ghy zeght, door d'ondervinding, werdt
450
Gheleerdt, hoe hardt dat valt, voor 't maaghdelijke hart
Een bruîghom, teeghen heugh en meugh, door dwang, ghenomen:
Zo wil, ten einde my die ramp niet overkoome,
Ik onbeschroomdelijk u openen, hoe 't leidt
By my gheschooren. Weet dan, dat mijn' zinlijkheidt
455
Tót gheen van beiden helt, nóchte, om my te vernoeghen,
Ghy u, tót 's oudsten schâ, hoeft na mijn' lust te voeghen.
Ghrimoald
't Scheelt u dan niet, wie 't zy?
Mathilde
Het raakt my eeven zeer:
Want, wie 't ook zy, hy wordt mjjn Bruîghom nimmermeer.
Ghrimoald
Hoe? zult ghy dan de wille uws Vaders weederstreeven?
Mathilde
460
Dat keer de Heemel! Wat hy my heeft voorgheschreeven,
Zal ik betrachten, zo als 't eener dóchter past.
Ghrimoald
Trouw dan een myner zoons.
Mathilde
Dat heeft hy niet belast.
Ghrimoald
Verloofd' hy u niet, aan die hier de kroon zal erven?
Mathilde
Ja, als een wettigh Vórst.
Ghrimoald
Zal dat niet, na mijn sterven,
465
Een myner zoonen zijn?
Mathilde
Hy waar 't, vol roems, zo ghy
Die niet verweldighdt hadt, door woede dwinglandy,
Den rechten erfghenaam, met onrecht, doende sterven.
Ghrimoald
Dat zy, zo 't wil; hy zal de kroon hier wettigh erven.
Mathilde
Onwettigh Koning nooit een wettigh oir naliet.
Ghrimoald
470
Zijn' last bedisselde dat zo spitsvinnigh niet.
[p. 118]
Hy, als ghy huwbaar waart, heeft u ten echt beschooren
Den Britschen erfprins, en dat 's nu mijn eerstghebooren,
Dien zo ghy wraakt, wraakt ghy, 't gheen Vader heeft ghewildt.
473
Mathilde
Doortrapte Dwingelandt, verbeeldt ghy u Mathild',
475
Zo slap van moedt, zo slecht van brein, dat, door schoon praaten,
Zy, tót dat trouwverbondt, zich zoude inluyen laaten,
Bezwalken, met die smet, de Kaledoonsche kroon,
477
En planten haaren voet op uw' gheroofden troon?
O neen. Mijn Vader, als hy my, met zijne kroone,
480
Brittanjes Prins besprak, hadde op uws voorzaats zoone
Het oogh......
Ghrimoald
Die is van kant, en stelt zijn wit te loor,
481
Mêvrouw.....
Mathilde
Dus lang gheweest: maar komt nu weeder voor
Den dagh, om u, Tiran, na zijne kroon te steeken,
Mijn' trouw t'anvaerden, en zijns Vaders doodt te wreeken.
485
Dus, zijt ghy welberaân, stijgh van zijn' zeetel neêr,
En ruim uw' Koning in, zijn plaats; eer hy 't u leer'.
Ghrimoald
Heeft dan dit straatgheruchte u hart meede inghenomen,
En steuntghe op d'aankomst, van die nimmermeer zal komen,
Die in den oploop, al te zeeker, raakte om hals?
490
Zo zultghe.....
Mathilde
Neen, ik weet dat straatgheruchte is valsch:
Maar weet ook ghy; ik ben te fier, mijn' trouw te gheeven
Den zoon eens Dwinglandts, die mijn bruîghom braght om 't leeven,
En in zijn erfghoedt zit met overdwaalsch verraadt.
493
Ghrimoald
Wat maaktghe dan ten hove?
Mathilde
Om u, en uwen Staat,
495
Het onderst' boven, tót mijns bruîghoms wraak, te wenden,
En 't ghansche koningdom u op het lijf te schenden.
Ghrimoald
Laatdunkende Mathild', denkt ghy wel, waar ghy zijt?
Mathilde
Daar zo veel schuld'loos bloedt om wraak gheduurigh krijt.
Ghrimoald
Wilt eens ter deegh, wie 'k ben, en wie ghy zijt, bezinnen.
Mathilde
500
Ghy zijt een Dwinglandt, ik een wettighe Vórstinne.
Ghrimoald
Hoe trótst ghy dus 't ontzagh van mijnen scepterstaf.
Mathilde
Zegh van uw' Dwinglandye, aan elk zo hardt, en straf.
502
Ghrimoald
Welaan: mijn' Dwinglandy, dewijl u mijn' zachtzinnigheidt
Schijnt voet te gheeven, tót deez' schamperheidt, en vinnigheidt,
505
Daar zy moest worden, met ghoedtaartigheidt, gheloont,
Zal u verleeren, dat ghy my dus smaadigh hoont.
Daar zijn mijn zoonen.
[p. 119]
IV. Tooneel.
Ghrimoald, Mathilde, Atelstan, Trasimond, Alarik.
Ghrimoald
Hoort mijn' kinderen, komt nader,
En wreekt de smaadt, en hoon van u, en uwen Vader.
Trasimond
Wie is het, die u hoont?
Alarik
Wie is het, die ons smaadt?
Trasimond
510
Hy heeft te wachten 't loon voor zulk een euv'len daadt.
Alarik
Deez' handt ons wreeken zal, ten kóste van mijn leeven.
Atelstan ter zijden.
En deez', ten kost' van 't myne, u beiden weederstreeven.
Ghrimoald
O eed'le vonken, van mijn' hooghgheboorenheidt,
Ghy aart na 't zaadt, waar van uw' stam wierdt opgheleidt.
514
515
Uw moedt tuight van mijn bloedt. Mijn' smaadt te willen wreeken
Is van uw' dapperheidt een onbedrieghlijk teeken.
Een ad'lijk hart, waar in de manhaft spant de kroon,
Ghedooght niet, in zijne eer, de kleenste kreuk van hoon.
Welaan dan, vólght dat spoor, en wilt de wraak beghinnen;
520
Daar staatze, dien het gheldt.
Trasimond
Wie is 't, de Koninginne?
Alarik
Wie, ons verloofde bruidt?
Ghrimoald
Gheen bruidt, gheen Koningin;
Maar woede vyandin. Wat waant ghy, datze in 't zin
Ooit heeft ghehadt, met u in d'echt zich te begheeven?
O neen. Zy is van stamme, en moedt, te hooghverheeven,
525
Om te bezalighen eens wreeden Dwinglandts zoon,
Met d'overmilde ghonst van haare trouw, en troon.
Dus hoontze, en lastert ons; en roemt, alleen ten hove
Te zijn verscheenen, om mijn' Staat het onderst boven
Te wentelen. Dóch zien wy haar, eerze ons benart,
530
Dien kans af...... Maar, ghy staat versuft. Waar zinkt uw hart,
Welk straks uw' tong deedt vuur, en vlammen, spuwen teeghen
Mijn' vyandin. Waar smelt de fierheidt uwer deeghen?
Zijn dit uitwerksels van mijn bloedt, en van uw' moedt?
Maar 'k merk, waar het u schort. Een vuîghe minneghloedt
535
Ontzeenuwt uwen arm: haar juk blutst uwe schouderen.
Verwijfde, quijtghe u dus tót bystandt uwer ouderen?
Mijn' zoons, waar steektghe? want ghy zijt mijn' zoonen niet,
Die t'mijner hulp voorheên niets achterweeghe liet.
Ben ik dan zwarmen ramps, en onspoedts doorghespartelt,
540
Om, van een teere maaghdt, te worden afghemarteldt,
In 't aanzien mijner zoons? O neen, 't zal anders ghaan.
De spijt wringt my 't ghemoedt. De wraak dient vol te staan.
542
'k Weet raadt, om, met een slagh, die op de Koninginne
543
Te neemen, van haar' tróts, en van hunn' dwaaze minne.
545
Lafhartighe, wie eerst van u wreekt deezen hoon,
[p. 120]
Zal eerstghebooren zijn, en erfghenaam der kroon.
Trasimond
Heer Vader...
Alarik
Denk...
Ghrimoald
Denkt ghy, wat u staat te beghinnen,
Oft vólghen mijn ghebódt, en zo mijn' schepter winnen,
Oft vólghen uwe min, en daar van zijn beroofdt.
550
Mijn' kroon is niet te koop, dan voor Mathildes hoofdt.
V. Tooneel.
Mathilde, Atelstan, Trasimond, Alarik.
Atelstan teeghen Mathilde.
Mevrouw, dat 's vonnis van uw' doodt, zo ghy uw leeven
Behouden wilt, laat ons dit heilloos hóf begheeven.
Mathilde teeghen Atelstan.
Hoe, met ghevaar daar in ghetooghen, uit mijn landt;
En al den adeldom ghekreeghen op mijn' handt,
555
Om, onverrichter zaak, zo lós van hier te scheiden?
O neen. 'k Hou standt, en wil het uiterste verbeiden.
Atelstan teeghen Mathilde.
Uw' wil strekt my een wet; en waaght ghy, om mijn landt,
Uw leeven; 't mijn', Mêvrouw, staat daar voor weêr te pandt.
Trasimond
Waar staat standtvastigheidt, ghevest op zulke wortelen,
560
Die deeze donderslagh niet neederslaat an mortelen?
560
Alarik
O schrikkelijk ghebódt! wat doller donderslagh
Plofte ooit, op 't menschdom, neêr, die hier by haalen magh.
Trasimond
Ach Broeder!
Alarik
Broeder, ik bezwijk in zulk een lyen!
Trasimond
Sta pal, en laat den moedt, zo moedeloos, niet ghlyen.
Alarik
565
Wat moedt magh teeghen zulk een onghemeeten' ramp?
Trasimond
De ramp weeght over: maar ghoê raadt heeft vaak een kamp
Ghewonnen, die alleen voor moedt stondt te verliezen.
Alarik
Wat raadt, voor ons, in dit verwoedt gheval, te kiezen?
Trasimond
Een, die ons redt, uit deez' erbarmelyken standt;
570
Zo ons de Koningin maar bieden wil de handt.
Alarik
Men ondersta, hoe 't by haar Hoogheidt light gheschooren.
571
Trasimond
Ghy hebt, Mêvrouw, 't ghebódt van Vader mooghen hooren;
Dóch wacht van ons, die, voor uw' leeven, staan ghereedt
Ons bloedt te storten, niet het allerminste leedt.
575
Wy koomen slechts, om, met uw' voorzicht, raadt te leeven,
575
Hoedat men dit ghevaar, op 't veilighst, door zal streeven.
[p. 121]
Mathilde
Doorluchte Broederen, welwaerdigh mijner trouw,
Ghelooft niet, dat mijn hart gheknaaghdt wordt van berouw,
Omdat ik my, voor die ik ben, heb laaten hooren,
580
En, door mijn' rondigheidt, gheterght uw 's Vaders tooren;
Oft dat het light zo laegh, dat daar zijn dreighement,
581
En wreevele eisch, een vonk van laffe vreeze in prent.
O neen. De Koninksstam, uit welke ik ben ghesprooten,
Blaast vry een eed'ler gheest, en fierheidt, in haar' looten,
585
Die ook mijn' boezem vult, en door mijne ad'ren vloeit.
Mijne inborst op de leest van haar vooroud'ren schoeit;
En zo hy zich, met eer- en ghódtvergheeten' handen,
Tót koeling zyner wraak, verstout my aan te randen,
Ontziende, nócht mijn' kunn', nócht mijn ghezallifdt hoofdt,
590
Hem is meêr weêrstandts, als hy wel verwacht, beloofdt.
Mijne eersleep zal, voor my, haar bloedt ten besten gheeven,
En, zo dat schiet te kort, zal 'k, neevens haar, mijn leeven
Besluiten, onvertzaaghdt, met een heldinnedoodt.
Maar eevenwel, om, in het nypen deezer noodt,
595
Uw' raadt niet reuk'loos in den windt te slaan, laat hooren,
Wat wegh, om dit ghevaar t'ontghaan, ghy hebt verkooren.
Trasimond
Indien haar' Majesteit zich wou verneed'ren, om
Uit ons, haar' dienaars, een tót haaren bruideghom
Te kiezen, heffend' hem alzo tót eerstghebooren,
600
't Ghevaar waare afghewendt, en kracht'loos Vaders tooren.
Ons hart belijdt rondtuit, dat onz' waardy, te kleen,
In gheenen deel' verdient, op 't bruilóftsbedt te treên,
Met uwe alwaerdighe, en doorluchtighste ghrootmooghendheidt.
Maar 't hoopt ook weêr, dat uw' ghenadighe meêdooghendheidt
605
Zich zal erbarremen der heete minneghloedt,
Waar in het brandt, en blaakt. Wy weeten ook, uw' moedt,
Voor gheenigh dreighement, te zwichten, nócht te bukken;
En dat uw vólk, veel eêr zich kappen liet in stukken,
Dan toestondt, dat men u in 't minst veronghelijkt.
610
Nóchtans is 't, dat hunn' maght zo verr' voor Vaders wijkt,
Dat het zich, t'uwer scherm, vergheefs in 't staal zal steeken,
Zo hy maar toeleght, zijn gheleeden leedt te wreeken.
Dies, wil haar' Majesteit ontvluchten 't anstaand quaadt,
Dunkt deeze ons ver de lichtste, en zórghelooste raadt.
614
Mathilde
615
Uw 's Vaders ghramschap wil, in woeder vlammen, blaaken,
Wen hy u, niet alleen zijn streng ghebódt ziet wraaken;
Maar, met zijn' vyandinne, anspannen, teeghens hem.
Alarik
Zijn' toorn ghroey, zoze wil: zijn' maght krijght minder klem;
Mits elk, dien ghy verkiest, zal eeren, en beminnen,
620
Als Errifvórst, en u, als 's Vórsten ghemaalinne,
Wien 't ghoudt der majesteit omstraalt het heiligh hoofdt.
Mathilde
Hy ondertusschen staat zo niet van maght beroofdt,
Oft zoudze, t'onzer schâ, te kóste legghen mooghen.
Trasimond
Elk onderdaan veel meêr beghroet, en ziet na d'ooghen
635
't Opghaande mórghenlicht, dan d'onderghaande zon.
[p. 122]
Mathilde
Mijn' keur gheen erfprins maakt; vermits zy doolen kon.
Uw Vader hoort dat recht: hy kent den eerstghebooren.
Alarik
Dien ghy verkiest, zy Prins, wien 't rijk sta toebeschooren.
Mathilde
Mijn keure is, Vórsten, blindt, en, 't hangt an 't lós gheval,
630
Indien zy de natuur niet weederspreeken zal.
Trasimond
De kroon hoort ons, Prinsses; en, zonder 't recht te krenken,
Kan elk den anderen van ons zijn aandeel schenken.
Wy ruimen, dien ghy kiest, u, en den rijkstroon in,
En, dien ghy wraakt, ontstaa de kroon, en uwe min.
634
Mathilde
635
Maar Prinssen, overweeght ghy wel, dat door mijn kiezen,
Den schat, die d'een verkryght, weêr d'ander zal verliezen;
En 's eenen voorspoedt baart des anders teeghenspoedt.
Alarik
Men heeft dien slagh voorzien, en teeghen haar 't ghemoedt
Ghewapendt, met een schildt van moedt.
Mathilde
Zo wilt ghy, Heeren,
640
Dat ik zal kiezen?
Trasimond
't Is ons eenighste begheeren.
Mathilde
Ik ducht, het werd' zo haast ghevólght van naberouw.
Alarik
Eer krijght ons minnevuur een afkeer van uw' trouw.
Trasimond
Eer wenscht het, eeuwigh, van uw' ghonst te zijn versteeken.
Mathilde
Ghy wilt het eindelijk?
644
Alarik
't Is 't eenighst, daarwe om smeeken.
Mathilde
645
Welaan dan, 'k vólgh uw' wille; en zo mijn' keur u smart,
Wijt dat u zelf, niet my, wienze afghedrongen werdt.
Manhafte Prinssen, 't licht der Deughdt, welk heeft gheblonken
Uit al uw doen, bequaam het kilste hart t'ontvonken,
Is my bekendt,; en u de ghlans der trótse stam,
650
En 't Koninglijk gheslacht, waar uit ik oorsprong nam,
't Welk, door uw aanwas, zou afschynen met meêr luisters,
Indien uw' ghlorie niet bezwalkt stondt, van veel duisters,
Welk draaiboomt u den wegh na myne troon, en trouw.
Want, dat ik d'eer mijns huis, nóch onbesprooken, zou
654
655
Bezoed'len, en, door schandt, zijne achtbaarheidt verneêren,
Mijn hart te preutsch is, en te keurigh op haare eere.
656
Ik min uw' deughdt, maar haat het bloedt des Dwingelandts,
Het een verlicht uw' lóf, het ander dooft haar' ghlants.
Bedenkt u, welk van bey ghy kiezen wilt, óft wraaken;
660
Uw' keure, óft wraaking zal mijn' keure óft wraaking maaken.
Ik vólgh, treedt ghy maar voor; en, die mijn' handt begheert,
Maak, dat het dwinglandtsbloedt zijn' deughdt niet meêr onteert.
Hy scheur de schakel, die hem hecht aan een verrader,
En, wassende zijn' schande in 't bloedt van zulk een vader,
[p. 123]
665
Toon, door een heldendaadt van hooghverheeven aart;
Dat zijne handt mijn hart, zijn' kruin mijn' kroon is waerdt.
Oft kleeft ghy nóch te vast an 't maaghschap uwes vaders,
Zo veest meê moordenaars, en dwinglandts, en verraders.
Ghy moet hem vólghen, zo ghy u zijn' zoonen roemt,
670
Oft moet hem straffen, zo ghy zijn misdrijf verdoemt,
En toonen, 't slechts na 't bloedt, niet na 't ghemoedt te weezen.
Wat 's dit? uwe yver flaauwt, terstondt zo hoogh ghereezen.
672
Ik had dit wel voorzien.
Trasimond
Vórstin....
Mathilde
Ghy komt te spa.
Het hoogh woordt is 'er uit; en 't ghaat mijn' kroon te na
675
Zo ik 't herriepe. Dies, wie eerst zijn bloedt verzaaken,
En zich, door 's Dwinglandts doodt, zal mijner waerdigh maaken,
Dien zal ik, op mijn' troon, en bruiloftsbedt, ontfaân.
Vaart wel. Ghy mooght u met ghemak daar op beraân.
VI. Tooneel.
Trasimond, Alarik.
Trasimond
O Vonnis, vol ghevlijmde woorden!
Alarik
680
O uitspraak, al te straf, en wreedt!
Trasimond
Dat my de borst doorsnijdt,
Alarik
Die my de ziel komt moorden,
Trasimond
Met onverdraaghlijk hartenleedt,
Alarik
Met weedom, die gheen weêrghâ weet,
Trasimond
Daar bystandt steedts voor zwichte,
Alarik
En weêrstandt onder smoorde.
Trasimond
685
Want kiest men niet, men steekt in pijn;
Alarik
En kiest men al, ons dreight nóch quaader.
686
Trasimond
Helaas! Mathildes hoofdt eischt Vader,
Alarik
En zy daarteeghen weeder 't zijn!
Trasimond
Indienwe, om 't Krooneghoudt te winnen,
Ghehoorzaam vólghen Vaders zin;
Wy worden moorders van onze eighen' Koninginne.
Alarik
Indienwe, uit liefde, stemmen in
Mathildes eisch, om weedermin,
Wy worden vaderbeuls, onwaerdigh haarer minne.
[p. 124]
Trasimond
695
Ach! kiest men niet, men steekt in pijn,
Alarik
En kiest men al, ons dreight nóch quaader.
Trasimond
Helaas! Mathildes hoofdt eischt Vader,
Alarik
En zy daarteeghen weeder 't zijn!
Trasimond
Hoe? zal men Vaders eisch weêrstreeven?
700
Maar zal men ook, om d'errifkroon,
Haar neemen 't leeven, daar men zonder niet kan leeven?
Alarik
Hoe? zal men wraaken haar' gheboôn?
Maar zal men ook, om weêrmins loon,
Hem neemen 't leeven, die ons 't leeven heeft ghegheeven?
Trasimond
705
Ach! kiest men niet, men steekt in pijn,
Alarik
En kiest men al, ons dreight nóch quaader.
Trasimond
Helaas! Mathildes hoofdt eischt Vader,
Alarik
En zy daarteeghen weeder 't zijn!
Trasimond
't Is best dan, welbedacht, te myden,
710
In deezen stórm, aan laegher wal,
Twee klippen, daar ons schip op schipbreuk staat te lyden.
Dies wacht ik, in dit ongheval,
Wat uitkomst ons verleenen zal
De Heemel, wiens ghenade ons kan alleen bevryden.
715
Ik kies niet, schoon ik steeke in pijn:
Want kies ik, my dreight nóch veel quaader.
'k Onzegh Mathildes hoofdt an Vader,
En haar daarteeghen weeder 't zijn.
Alarik
't Is best dan, ghoeden raadt te leeven,
720
Het heetste vuur voorby, en in
Het zwakst te stappen, en, vol moedts, daar door te streeven.
Ik voegh my dan na Vaders zin,
Uitdoovende de brandt der min,
En kies zijn' kroon voor 't heil, welk liefd' belooft te gheeven;
725
En troost my deeze kleene pijn,
Dewyle ik anders storte in quaader.
'k Breng dan Mathildes hoofdt an Vader,
En weigher haar daarteeghen 't zijn.
Einde des tweeden Bedrijfs
.
372
gheleeghenheidt van
: omstandigheden rond.
385
kavele...tijdt
: kieze het juiste ogenblik.
400
beslaaghen
: zijn beslag vinden.
403
wuft
: veranderlijk.
404
vereevenaart
: is...even groot.
439
nademaal
: aangezien.
441
erweelen
: kiezen.
445
onderstaan
: vernemen.
zinlijkheidt
: genegenheid, behagen.
446
open
: openbaar.
473
wraakt
: verwerpt.
477
bezwalken
: bezoedelen.
481
stelt...teloor
: doet...mislukken, mislopen.
493
overdwaalsch
: buitensporig, vermetel.
502
zegh
: zeg maar liever.
514
opgheleidt
: opgekweekt.
542
de wraak dient vol te staan
: de wraak moet volkomen zijn.
543
die
: nl. de wraak.
560
mortelen
: gruis.
571
Men ondersta
: men informere.
575
voorzicht
: wijsheid.
raadt leven
: raad inwinnen.
581
het
: nl. mijn hart (578).
614
zórghelooste raadt
: raad die de minste moeilijkheden zal opleveren.
634
ontstaa
: moet ontgaan.
644
eindelijk
: definitief.
654
nóch
: tot op heden.
656
preutsch
: trots.
keurigh
: zorgvuldig, kritisch.
672
terstondt
: zoëven.
686
al
: wel.