Ja, nu ik 't overlegh, met rypen raade, en zinnen,
Dunkt my, de Vadermoordt, in 't quaadt,
De doodtslagh eener vrouw veel verder t'overwinnen;
Dan 't lieff'lijk minghenót der Koninginne,
In 't ghoedt, den Koninklyken staat.
995
Ghewis, op 's Vaders stoel, door vrouwemoordt, te styghen,
Is vry een wenschelijker ghoedt;
Dan, door een Vadermoordt, 's liefs weêrliefd te verkryghen.
En doetme in 't een de min den moedt ontzyghen:
Van 't ander ghruwt, en ghrilt my 't bloedt.
1000
Dit 's klaare reeden, die men tasten kan, en voelen
Beghin dan werk, en streef 'er door
Mijn' handt, hoe zeer mijn hart daar teeghen wroete, en woele:
Eêr dat de min deez' blaakende yver koele,
En breng' my weêr van 't rechte spoor.
Alarik, dit ghezeght hebbende, vlieght, met uitghetooghen zwaarde, na Heddewigh, die, de vlucht neemende, om hulp roept: dóch echter van Alarik achterhaaldt, en ghetroffen wordt, eêr Fastarad tusschen beiden kan koomen.
Heddewigh
1005
Ach help!
Fastarad
Rampzalighe, hou standt. Waar zijn uw' zinnen?
Het is uw' zuster.
Alarik
Wat? het is de Koninginne.
[p. 132]
Heddewigh
Ik ben ter doodt ghewondt; helaas!
Fastarad
't Uitheemsch ghewaadt
Misleidt u.
Heddewigh
Ach! ik sterf. 'k Vergheef u deeze daadt,
Mijn' Broeder; het gheschach uit onkund': dies te zachter
1010
Valt my dit deerlijk eindt.
Fastarad
Ontmenschte zusterslachter,
En moordenaar mijns liefs, ik zal my wreeken van
Haar' doodt.
Alarik
En ik mijn lijf beschermen, zo ik kan.
VII. Tooneel.
Fastarad, en Alarik vechtende: Eduward, Velleede, Rey van Staatjoffers, en Trasimond, d'een na den anderen uitkomende.
Eduward van binnen.
Moordt, moordt. Hófwachters, moordt!
Velleede van binnen.
Trouwanten helpt!
Fastarad op het tooneel.
Gheen wachter,
Nócht hóftrouwant, zal u, vervloekte zusterslachter,
Ontrukken aan mijn' wraak.
Op dit zeggen raaken de Vechters, vechtender handt, binnen, en onderwylen koomen Velleede en Eduward, schielijk en verbaast, uitloopen.
Velleede Heddewigh ziende ligghen.
1015
Daar light de Koningin
Ter neêrghestort. Wat 's dit? Des Dwinglandts dóchter, in
Mathildes kleedt vermomdt, en wreedelijk doorsteeken.
Haare adem ghaat ....
Fastarad Alarik op het Tooneel weêr dryvende.
Hou standt, ghy bloode, ik zal my wreeken.
Velleede
Ghy vechters, houdt.
Fastarad
Hou daar, ghy Moorder.
Alarik
Ach! dat treft
1020
My 't hart. Helaas! mijn' kracht bezwijkt! mijne arm verheft
Ter naauwer noodt... Ach 't is ghedaan! Ik zijgh schier needer...
Eduward
Moordt! moordt!
Trasimond
Wat moordtgheschreeuw treft daar myne ooren weeder?
Waar is 't te doen?
Eduward
Ach help! onz' broeder wordt vermoordt.
[p. 133]
Trasimond
Staat af bloedtdorstighe, eêr ik u....
Fastarad
Mijne arrem stoort
1025
Zich aan gheen dreighement, zy kan zich nóch verweeren.
Trasimond
En wat de myne kan, dat wil ons d'uitkomst leeren.
Terwijl Fastarad en Trasimond vechten, zijght Alarik, an d'andere kant van het Tooneel, dan daar Heddewigh light, needer.
VIII. Tooneel.
Ghrimoald, Fastarad, Trasimond, Velleede, Eduward, Hófmeester, Rey van Staatjofferen, Hófknaapen, en Lijfwacht.
Ghrimoald
Houdt op, ghy vechters. Fluks, mijn' lijfwacht, scheidtze. Wel
Wat woedigheidt verrukt u, Prinssen? hoe? dus fel,
En wreedt, elkanderen het hoofdt, met uitghetoogen
1030
Gheweer, te biên; en dat in 't Hóf, ja voor mijne ooghen?
Wat tweespalt porde u tót zo overdwaalsch een strijdt?
Velleede
Gheduchte Vórst, zo haast, op 't yss'lijk moordtghekrijt,
Ik in de hófzaal quam, vond ik, met blooten deeghen,
Deez' dollen woeden op zijn broêr, die hem daarteeghen
1035
Vast afweerde, en ontweek. Uw' dóchter, die ik, door1035
Het Kaledoonsch ghewaadt verbysterdt, aanzagh voor1036
Mathilde, beezigh was de broederstrijdt te scheiden.
Nu stondtze, gheen ghevaar ontziende, tusschen beiden,
En ghaf haar boezem bloot aan 't broederlijk gescherm.
1040
Nu ghreepze, en weederhiel deez' raazenden zijn' arm,
En badt hem, dat hy tógh, om haarentwil, wou staaken
Dit schrikk'lijk opzet; maar zijn' woedigheidt, aan 't blaaken
Op 't felst, zich luttel kreunde an 't zusterlijk ghebedt;
En speurende, dat zy waar 't eenighste verlet,
1045
Welk zijn' bezeeten' drift haar ooghwit deede missen,
Heeft hy, om zich t'ontslaan van zulk een hindernisse,
Knarstandende, en ontzindt door ziedende overmoedt,
Zijn wreede kling gheverwdt in 't zusterlijke bloedt,
En, met dat rookend' staal, van stonden aan, zijn' broeder1049
1050
Ghetroffen, eêr mijn zoon, op 't schreeuwen zyner moeder......
Ghrimoald
Mijn zoon, en dóchter, bey doorsteeken? ras men toon'
840Scille, Charibd: Scylla en Charybdis, resp. een klip en een eilandje waarbij zich een draaikolk bevindt, in de straat van Messina; spreekwoordelijk voor van weerszijden dreigende gevaren.