Mêvrouw, verschaft, hoe ik u minne, ontzie, en eer';
Ik kniel deemoedighlijk voor uwe voeten neêr,
En wacht uit uwen mondt, dien my niets staat te weigheren,
Wat my, om uw gheloof zo verre te doen steigheren,
1505
Nóch ov'righ blijft; óft zo 't zo hoogh ghesteigherdt is,
Wat dat 'er wordt vereischt tót zijn' vermeerdernis,
En tót verzeekring, dat niet eerder zal begheeven
Dit minnevlammend hart mijn' liefde, dan mijn leeven.
Mathilde
Rijs Prins, en denk, dat ik daar aan gheen twyffel slaa,
1510
En met mijn' weedermin uw' min beloonen ghaa,
Tót koeling haarer vlam, en 's Konings verghenoeghen.
Ghrimoald
Hófmeester, is men reede, om zich ter troon' te voeghen?
Hófmeester
Men wacht slechts uw ghebódt.
Ghrimoald
Waar is mijn' ghemaalin?
Velleede
Hier is zy, Heer.
Ghrimoald
Kom zet u hier. De Koningin
1515
Neem daar haar' plaats. Mijn zoon zich op den rijkstroon vlyde.
Heer, het ghelieve u te bekleên de laegher zyde
Van uwe Koninginne; ik voegh my by de mijn'.
Atelstan
Schoon ikze onwaerdigh ben, wil 'k u ghehoorzaam zijn.
Onder dit zegghen, ghaat Trasimond op den troon, Velleede an zyne hoogher, en Mathilde an zijn laegher, en an des zelfs laegher handt Atelstan zitten. Ghrimoald an de hoogher handt van Velleede zich ghevoeght hebbende, spreekt de Heeren, en andere Omstanders, die zich ter weederzyden van den troon ghevlijt hebben, aan.
[p. 147]
Ghrimoald
Manhafte Ridderschap, en ghy mijne onderzaaten,
1520
Onwik'bre zuilen van mijn' heerschapye, en staaten,
Ziet hier, verheerlijkt op mijn' ghouden zeeteltroon,
Den rechten erfghenaam der rijkskroon, mijnen zoon,
Wien, als mijn' nazaat, ik den scepterstaf opdraaghe,
En mijnen stoel inruime. Ontfangt hem, met behaaghen.
1525
'k Gheef, met deez' staf, en kroon, hem 't Britsche koningdom,
En Kaledoniens Vórstin ten bruideghom.
Zy beide zullen, in mijn' plaats, voortaan regheeren.
Wilt haar, als Koninginne, en hem, als Koning, eeren.
Reyen.
Lang leef de Koning, met zijn' schoone Koningin.
1530
Zijn' trótse stamboom ghroeye, en bloeye, eeuw uit, eeuw in.
Trasimond
Heer vader, schoon 'k anvaerde uw' scepter, en uw' kroone,
Mijn' plicht u echter steedts ghehoorzaamheidt zal toonen;
En, alzo lang mijn' voet betreên zal dezen troon,
Zal daar van daveren de stem van uw' gheboôn.
Ghrimoald
1535
Uw' vaak beproefde deughdt belooft my deez' belooninge.
Maar, om staatplechtigh te besluiten uwe krooninge.
Wil 't oudt ghebruik, dat zy ghesterkt werd', door een dronk
Van rooden wijn, waar meê ons 't jongste jaar beschonk,
En die ons Priesterdom, met bidden, en met ófferen,
1540
Tót deeze inhulding heeft ghewijdt. Welaan, Staatjofferen,
Waar is de Rijkskelk?
Rey van Staatjoffers
Hier mijn Vórst.
Ghrimoald
Gheluk, mijn zoon,
Gheen ramp ghemoete u ooit, op uwe ontfangen' troon.
Trasimond
Heb dank, Heer Vader. En nooit drukk' myne onderzaaten,
Met onbenoeghinge, wat wy bestaan, óft laaten.1544
Ghrimoald
1545
De ghoede Heemel sterke uw' wensch, met zyne handt;
En hechte, op mórghen, uw' beschooren huwlijksbandt
Onscheidelijk aan een, tót heil der beide kroonen.
Men voeghe zich, om uwe inhuldinge ter troone,
Door 't plechtigh kroonbanket, te sluiten, voort ter disch.
1550
Maar, ach! wat 's dit? ay my! wat vreemde ontsteltenis,
En ghrilling, rijdt door all' mijn' leeden? Wat krioelt 'er?
Wat kriewelt 'er dus in mijn inghewandt? Wat woelt 'er
Dus door mijne aderen? Ach! 't klampt an boordt mijn hart,
En fóltert het, met een onlydelijke smart.
1555
Wat bomt daar in mijn' borst, met droevighe gheruchten?
Zy zucht, en steent somtijdts; maar niet door eighen zuchten,
En steenen. Ach! een diep gheluidt ghalmt heesch, en hól.
Mijn hoofdt wordt wervelziek, en draait, ghelijk een ból
Op d'assen. 't Zwindelt, en wordt donker voor mijne ooghen.1559
1560
De naare nacht schijnt met een nieuwe nacht betooghen.
Wat onweer stort daar neêr op 't Koninklyke huis,
En hólt van zaale in zaal', met zulk een brusk ghedruis,
En schud de pylers, en de muuren, dat zy trillen?
Wat wil dat moordtgheschreeuw? wat ysselijker ghillen
[p. 148]
1565
Treft daar mijne ooren? waar is dat benaauwdt ghesteen?
Wat akeligher spook snort daar voorby my heen?
Wie roept daar wee, en wraak, an broeder, en an vader?
Ach! 't is mijn zoon, gheen stem en zweemt der zyne nader.
Hy schijnt in noodt. Kom hier mijn kindt, en uw ghezicht
1570
Schuif van mijn hart den steen, die daar zo zwaar op light.
Trasimond
Hier ben ik, Vader, zegh, wat staat my aan te vangen,
Tót stilling van de weên, die uwen boezem prangen?
Ghrimoald
Ghy zijt mijn zoon, helaas! maar die niet, die my quelt.
Mijn Eduward, de lust mijns ouderdoms, ontstelt
1575
Dus mijn ghemoedt. Ghewis, men wil het kindt vermoorden.
Zijn gheest was 't, die ik zagh; zijn' stem was 't, die ik hoorde.
Ach! 't is gheen deegh met hem! Dit voorspook spelt niet ghoedts!1577
Velleede
't Zijn yd'le inbeeldingen. De vader zy ghoedts moedts.
Gheen dagh zal hem, zo lang hy leeft, zijn zoon ontvreemen.
1580
Neef Ottomar, ghelief de moeiten aan te neemen,
En breng hem herwaarts. Zijn verblijf is u bewust.
Ottomar
Uw' dienaar staat bereidt op 't wenken uwer lust.
II. Tooneel.
Ghrimoald, Velleede, Mathilde, Trasimond, Atelstan, Leeuwenbald, Hófmeester, Rey van Eedelen, Staatjoffers, Hófknaapen, en Dienaars.
Trasimond
Hoe nu toe? deel ik in d'onsteltenis van Vader?
Ik voel mijn bloedt, aan brandt, vast ziên van aâr tót ader;1584
1585
En spartelen, door 't hart, met overdwaalschen loop;
En dryven opwaarts aan, na 't hoofdt, een byst'ren hoop
Van woede dampen, die het schudden, ghins en weeder.
Ik suizeból, ik zwijm, en stort byna ter needer.
Mijn beenen beeven, en zijn 't lijf te zwak een schraagh.
1590
De zaalvloer rijst om hoogh, 't ghewelfsel daalt om laegh.
De wanden wentelen zich om, het bovenste onder.
Hoe schriklijk bliksemt het? hoe yss'lijk rólt de donder,
En dubbelt slagh op slagh, dat alles schud, en scheurt?
De balken buighen neêr, en kraaken beurt om beurt.
1595
Hoe ghonst, en ghiert de windt, en rinkelt op de ghlazen?
Wat yz're keetens hoor ik rammelen? wat raazen?
Wat roepen? wie smeekt daar om hulp? wie schreeuwt daar moordt?
Ach 't is mijns broeders stem; ik heb mijn naam ghehoordt.
Waar zijtghe broeder? spreek mijn lam, wie wil u dooden?
1600
Spreek broeder, spreek. Mijn' hulp wordt u terstondt ghebóden.
Wat 's dit? 'k hoor antwoordt; maar ik twijffel, waar van daan.
Een hól gheluidt schijnt, uit mijn' boezem, opwaarts aan
Te wellen, langs mijn' strót, tót teeghen het verheemelt.
Wat vreemder pijn? 't Is óf 'er in mijn buik iets weemelt,
1605
En kriewelt, en ter keel weêr uit te kruipen tracht.
Mijn' maagh onduldigh, en verleeghen met zijn' vracht,
En walght, en arbeidt, om dat pak zich quijt te maaken.
Ontmenschte Stiefmoêr, zegh, wat spógh van slange, en draaken,
Wat helsch verghift ghy, in de Rijkskelk, hebt ghemengdt,
[p. 149]
1610
Welk zo het bloedt besmet, en 't brein an 't hóllen brengt?
Laat hooren, fluks, wat hebt ghy ons voor nat doen nutten,
Opdat men magh intijdts zijn' razernyen schutten:1612
Of 'k zweer, ghy zult, eêr dat zijn' schennis my vermant,
De straf uw 's euveldaadts ghevoelen van mijn handt.
Ghrimoald
1615
Dat 's recht. Ontdek 't beleidt van deeze uw' schelmeryen,
Ofte eêr wy lyen, zult ghy zelve daar voor lyen.
Velleede
Bedaart, ghy Vórsten, en betoomt uw ongheduldt,
Tótdat neef Ottomar zy weêrghekeerdt. Dan zult
Ghy, wat voor wijn ghy hebt ghedronken, zien en hooren.
1620
Daar komt hy.
III. Tooneel.
Ghrimoald, Velleede, Mathilde, Trasimond, Atelstan, Ottomar, Leeuwenbald, Hófmeester, Rey van Eedelen, Staatjoffers, Hófknaapen, en Dienaars.
Ottomar, brengende het doode lichaam van Eduward, in een zijden kleedt ghewonden.
Hier 's uw zoon.
Ghrimoald
Wat ramp staat ons beschooren?
Velleede het kleedt openslaande.
Kom Vader, kus uw' zoon, en bergh hem in uw' schoot.
En ghy, omhels uw' broêr, en redt hem uit zijn' noodt:
Ghy kont, op uw ghemak, hier beide uw' lusten boeten.
Trasimond
O schrikkelijk vertoogh, wie zou niet yzen moeten!1624
Ghrimoald
1625
O teeder aanschijn, vuil met bloedt alsins bekladt!
Velleede
En kentghe uw' zoon niet? is hy u ontmunt zo radt?1626
Ghrimoald
U ken ik, heilloos wijf, tót mijn verderf ghebooren,
En tót mijn' ghemaalin, ter quader uur, ghekooren.
Wat razerny heeft u verrukt? wat helsch ghedrócht
1630
Uw' borst bezeeten, en ghedempt de zoete tóght,
Welke over zoon zo teer eens moeders hart doet hangen?
Hoe dórstghe zo verdoemdt een ghruwelstuk aanvangen?
Hoe kostghe de natuur verlooch'nen, zo ontzindt,
En schenden, zo ontaardt, uw' handen aan uw kindt,
1635
Het eenighst' van ons bedt? Waar zagh men ooit verwoeder,
Onmeededooghender, onmenschelyker moeder?
Velleede
Wat klaagtghe, en scheldt op my? 't Waar best uw' zoon ghekust,
Ghestreeldt, ghestrookt, en zo gheboet uw vaderlust.
Ghrimoald
Vermeetele, houdt op. Ghy hebt mijn kindt met arren,
1640
En euv'len moedt vermoordt, en zult ghy my nóch sarren,
En terghen, en dus driest verghuizen in 't ghezicht?
Maar zegh, waar door heeft dóch deez' straf verdiendt dit wicht?
Indien de doodt uw 's zoons de vlam hadde aanghesteeken
Van uwe wraakzucht, ghy hadt u op my te wreeken,
[p. 150]
1645
Niet dit onnoozel kindt. Nu hebtghe, dwars van aart,
D'onschuldighe ghestraft, de schuldighe ghespaart.
Velleede
Dien doolwegh heeft zich nóch mijn' wraak niet inghegheeven.1647
Ghrimoald
Heeft dan dit teeder lam iets, teeghen u, misdreeven,
Welk uwe ghramschap dreef tót zo verwoedt een straf?
Velleede
1650
Hy heeft mijn' zoon beklapt, en hem den wegh na 't ghraf
Ghebaant: en, schoon hy niet behipt waar met die daaden,
Zo was 't uw kroost, en dat verdiendt myne onghenade.
Ghrimoald
Het was ook 't uwe, en dat verdiende uw meedely:
En snerpt zijn' doodt mijn' ziele, uw' ziele en ghaat niet vry.
1655
Zo veel te heeter, als een moeder mint, dan vader,
Zo veel te scherper, nijpt uw' pyne, en treft veel nader.
Ghy speelt Medee, die stak, door 't haar', haar' man in 't hart;1657
Ghy quetst my ook; maar voelde eerst zelf veel feller smart.
Velleede
O neen. Om my, op u, van al mijn leedt te wreeken,
1660
Heb ik mijn' zoon door 't hart, tót in uw hart, ghesteeken;
Dóch 't mijn' niet eens ghequetst. 't Ghenoot meêr vreughdt, dan smart.
Ghrimoald
Zijt ghy een moeder, en hebt ghy gheen moeders hart?
Raakt u de vrucht, die ghy gheteeldt hebt, dan niet nader?
Velleede
By u, een aartstiran, den moorder van mijn' Vader,
1665
Mijn' broeder, mijn' ghemaal, en mijn' liefwaerden zoon,
Den dwinger tót zijn' trouw, en roover van mijn' kroon.
Wat waant ghy, dat ik u ooit liefd' heb toeghedraaghen,
Ofte, op mijn' koets, omarmt, met weelde, en minnevlaaghen?
Wat waant ghy, dat ik ooit ghekoesterdt heb de vrucht,
1670
Van u by my gheteeldt, met moederlyke zucht?
O neen. Indien ik ooit u heb ghetoondt een teeken
Van min, 't was slechts een laagh, om my op u te wreeken;
En heb ik 't kind niet straks verstikt, in zijn' gheboort',1673
Maar by het lijf ghespaardt, 't was slechts, om door zijn' moordt,
1675
Mijn' wraaklust, t' haarer tijdt, een beet'ren slagh te voeghen.1675
Ja, 'k hadme allang verschaft dat wensch'lijk verghenoeghen,
't En zy daar door de hoop, die 'k voede, om mynen zoon,
Door uwe, en uwer moordt, t' herplanten op zijn' troon,
Waare afghesneên. Maar nu zijn' doodt die heeft verbannen,
1680
En styver, dan voorheen, mijn' wraakboogh opghespannen,
Heb ik haar 't óffer, lang ghewijdt, al voort gheslacht;
En, om met eenen haar in haare volle kracht
Te zetten, en mijn' lust volop, in alle deelen,
Te boeten, gheen Medeê; maar Prógne willen speelen,1684
1685
Die Thereus Ytis slachte, en briedt de teere leên.
Ghrimoald
Wat hebtghe?
Velleede
'k Heb uw' kindt, zijn' strótaâr afghesneên,
En 't bloedt, met ghift vermengdt, ter rijkskelk ingheschonken,
Dat ghy, met uwen zoon, hebt ghulzigh inghedronken,
Inwyend', met dat nat, uw' nazaat, op uw' stoel.
[p. 151]
Ghrimoald
1690
Dit 's dan de bron, daar flus uit sproot dat vreemdt ghewoel?
Helaas! dit was 't, daar ons het hart, en bloedt afghrilde!
Trasimond
Helaas! dit was 't, dat my ter keele weêr uitwilde!
Ghrimoald
De spraaklooze natuur waarschuwde my, al vroegh!
Trasimond
Mijn' stomme maagh ghaf van deeze ondaân blijks ghenoegh?
Leeuwenbald teeghen Atelstan, en Mathilde, ter zyden.
1695
Mijn' Prins, 't schijnt, zonder dat wy onzen aanslagh waaghen,
Dat dit krakkeel u wil op uwen rijkstroon draaghen.
Mathilde
Het baant bequaamen wegh daar toe.
Leeuwenbald
't Beloofdt ons heil.
Atelstan
Men wachte 't af; en houd' terwyle een oogh in 't zeil.
Ghrimoald
Wat klachten storte ik, en waar zal ik woorden haalen,
1700
Ghenoeghzaam om all' myne ellenden af te maalen!
Mijn Eduward is dan van 's moeders handt verdelght!
Zijn bloedt van vader, en van broeder inghezwelght!
Heeft ooit de zon, sint zy den Aardtboôm quam verlichten,
Beschouwt een lasterstuk, welk hier voor niet moet zwichten?
1705
Wie ghruwt niet, die het ziet? Wie schrikt niet, die het hoort?
Gheen yss'lijk onghediert, ghebroeidt in 't kilste noordt,
Gheen wanghedrócht, by leeuw en luipaardt opghetooghen,
Was ooit zo woedigh, zo vervreemdt van meededooghen.
Verwaaten wijf, uw' wraak, en wreedtheidt, houdt gheen maat.
Velleede
1710
Wat maat hiel d'uwe, toen uw' dwinglandy den Staat
Verweldighde, en mijn' man, mijn' broeder, en mijn' vader
Vermoorde, en my nóch dwong te trouwen een verraader?
Ons smart het leedt, hoe kleen 't ook is, dat ons gheschiedt:
Maar 't gheenwe een ander doen, schoon 't ghroot is, voelt men niet.
1715
Wat waant ghy, dat ik my te buiten gha in 't wreeken?
O neen. Ik heb uw kindt den strót slechts afghesteeken,
Zijn bloedt ghemengeldt, in de Rijkskelk, met venijn,
En u, en uwen zoon dat slorpen doen voor wijn.
Maar 'k moest u zelf tót al dit hebben konnen dwingen,
1720
Het laauwe bloedt uit zijn' doen in uw' ghórghel springen,1720
U uwen bloedtdórst doen verslaan, met leevend bloedt,
U 't lillend vleesch, aan 't spit, doen roosten, voor de ghloedt,
En, teeghen heugh en meugh, dat lekker wildtbraadt eeten,
Dat ghy, en hy, het van te vooren hadt gheweeten:
1725
Dan zou mijn' wraak haar' lust eerst hebben recht ghekoeldt.
Ghrimoald
Hoort diepe zeên, die om dit Eilandt zwalpt, en spoelt;
Hoort landen, wijdt en zijdt, an allen oord, gheleeghen;
Hoor lucht, die, boven ons, ghaat ghroot van windt, en reeghen;
Hoor Hel, die, onder ons, zo diep ghedolven, daalt;
1730
Hoor Heemel, die, om d'aarde, op snelle naven, dwaalt,
Deez' ghruwelen; en ghy, o naare nacht, betooghen1731
Met dubb'le mist; schoon ghy gheblindtdoekt hebt uwe ooghen,
[p. 152]
Om niet hunn' heiligh licht t'ontwyen, door de damp
Van deeze afghrijslijkheên; ghy ziet nóchtans mijn' ramp,
1735
Hoor meê mijn' klaghten, en beghunstigh meê mijn smeeken;
Mijn beê wil niet voor my; maar voor u allen spreeken.
Ghy eerst dan, Aarde, die deeze ijss'lijkheeden lijdt,
En draaght op uwen ruggh', spalk open, scheur, en splijt
Den afghrondt van uw' balgh, om ons daar in te zwelghen.1739
1740
Wat mart ghy met dit woest wanschepsel te verdelghen?1740
Ruk wegh den ghrondtvest van dit Koninklyke huis,
En plóf het needer, met een schrikkelijk ghedruis,
In 't ghloeijenste van Styx, in 't diepst der helsche kólken,1743
Hoe nu, ghy light heel stille, o Aarde, en kreunt 's u niet?
Ghy dan, o Heemelvooghdt, die 't oogh houdt, in 't byzonder,
Op 't sterffelijk gheslacht, en davert met den donder,
En met den bliksem speelt, ter straf, ten onderghank
1750
Der quaân, uw' donder brulle, en uwe bliksem wank',1750
Niet met een zaft ghedreun, en zwakke schitterstraalen,
Welke uwe ghramschap doet, op kleene zonden, daalen:
Maar met de donderbuy, maar met de bliksemghloedt,
Waar meê ghy neederwierpt het onbesuisdt ghebroedt
1755
Der Reuzen, en 't ghevaert der opghehoopte berghen
Bonsde op hunn' kruinen neêr. Ghy moet uwe armen verghen1754-1756
Wat zeldzaams; hier is stóf voor onghewoone straf.
Werp, werp dien brandt uw 's toorns, op ons misdaadighe, af,
En plet dit heilloos wijf tót ghruis, en maak een open
1760
In deeze borst, waar lanks mijn kindt weêr uitghekroopen,
Ontworstele 't gheprang der maagh, daar in het zucht.
Mijn' bange boezem barst byna, en woelt om lucht.
Velleede
Nadien de Heemel, en 't verghift niet kort uw kermen;
Wil ik my over u, en mijne vrucht erbarmen.
1765
Hou daar dan Dwinglandt, braak door deeze wonde uw' zoon,
En met uw' zoon uw' ziele, en ruim my in mijn' troon;
En ghy.....
Velleede tusschen Ghrimoald en Trasimond instaande, nadat zy den Dwinglandt ghetroffen heeft, steekt ook na zynen zoon, die den steek ontspringende van leêr trekt, en haar, na Ottomar vluchtende, en hem te hulp roepende, doorstreekt, en weeder van Ottomar doorsteeken wordt.
Trasimond
Dat mist u.
Velleede
Help!
Trasimond
Ghy zult my niet ontvlieden.
Velleede
Neef Ottomar!
Ottomar
Mêvrouwe, ik zal u bystandt bieden.
Velleede
Ay my! ik ben doorwondt!
Trasimond
Ik ben ghequetst! ach!
[p. 153]
Ottomar
Gha
1770
Ghy Dwinglandts zoon, en vólgh des Dwinglandts stappen na,
En laat voor my de kroon, waar toe ghy waart ghekooren,
In 't oogh hebt, met dus op den troon een' vreemdeling
Te willen planten, en deez' valscheidt te beaâmen,
'k Hoop, u de Heemel zal, met uwen Vórst, beschaamen.
Ghy Heeren, wie met my mijn scepterrecht verstaat,
En haat eens vreemden juk, die trekk' van leêr. Dat ghaat
1835
U voor. Het zwaerdt moet dit verschil alleen beslechten.
Atelstan
Rechtvaerdigh vecht hy, die ghedwongen wordt te vechten.
Mijn' vrienden, steurt u aan gheen' vuilen lasteraar:
Elk weer' zich mannelijk, en vólgh zijn' koning naar.
Nadat van weederzyden van leêr ghetrokken is, neemen de Staatjoffers de vlucht, en men valt an 't vechten, en na een kort ghevecht stort Ottomar, met eenighe andere, ter neêr.
Ghy Heeren staat, en staakt dit vechten van weêrzyden.
1840
Het deert my meerder bloedts te storten, door dit stryden.
't Hoofdt der weêrspannighen, welk my stak na mijn' kroon,
Light, door mijn' kling, gheveldt, en heeft verdiende loon.
Ghy, die het met hem stondt, door plicht, óft door zijn raaden,
Bekent uw' misghreep, en versmaadt niet mijn' ghenade.
Op dit zegghen knielen de overghebleeven Heeren, en Dienaars van Ottomars zyde.
1845
Staat op, ghy Heeren; wy vergheeven u deez' daadt,
En zo daar onder u nóch iemandt twijffel slaat,
Of ik uw' Koning ben, dien zal men zulke blyken
Verschaffen, waar voor straks alle ongheloof wil wyken.
Voor teeghenwoordigh, sluit men deeze hófzaal toe,
1850
En elk zijn' mondt, opdat men gheenigh quaadt vermoê,
Alle oproer weere, en stopp' de deure voor ghevaaren.
Op mórghen, zullen wy den vólke ons openbaaren,
En al 't beslagh der zaake. Ik gha vernachten, in1853
Ons voorighe vertrek, met mijne Koningin.
1855
Ghy Leeuwenbald, wil met den Hópman, en de schaaren
Van 's Dwinglandts lijfwacht, ons, en 't ghansche Hóf bewaaren.
Ik gheef u deezen last, en laat het op u staan.
Leeuwenbald
De Vórst magh op mijn' zórgh gherust wel slaapen ghaan.1858