begin  verderprepost
[p. 7]

Jan Wolkers

Jan Wolkers liet zijn - praktisch voltooide - roman De walgvogel, waarvan de reeds ontworpen cover de wand siert, in de steek, om, geïnspireerd door de gebeurtenissen van de Veertiende Juni, subtiel te beginnen aan De hittegolf.

 

Wolkers: ‘Nee, het is geen beschrijving van de situatie van die dag. Het is een roman. Ik was erbij. Ik stond bij de bouwvakkers. Uit de gebeurtenissen van die dag ontstond de gedachte voor een roman. Nee, ik vertel u er niets van. Dat is m'n gewoonte niet.’

 

Als u terugdenkt aan die dag... Wat zijn de dingen die u het meest gefrappeerd hebben?

‘Dat zeg ik niet...’

 

Kunt u iets zeggen over de intrige?

‘Nee, dat is heel moeilijk. Voordat het kind geboren is, kan je d'r niks over zeggen, hè. Pas als het nageltjes en teentjes heeft... Ik laat m'n manuscripten nooit lezen voor ze af zijn. Nooit. Er is een enorm verschil tussen het boek van Mulisch over de provo's en het gedonder in Amsterdam. Mijn boek is een roman.’

 

We drinken koffie. De werkruimte van Wolkers is in tweeën gedeeld. Een grote ruimte waar hij overdag aan het beeldhouwen is, een trapje naar boven voert naar het tweede plan: een zitje en de tafel waaraan hij 's avonds schrijft. Direct op de tikmachine.

Wolkers: ‘Ik bewaar al m'n manuscripten. Nee, die laat ik ook niet zien. Er staan gekke dingen bij en zo. Nee, ik laat ze zelfs niet zien aan intimi. Eén keer heb ik het gedaan. Toen had ik te veel drank op, geloof ik.’

 

Werkt u hard?

‘Ik werk normaal. Overdag aan m'n beelden. 's Avonds schrijf ik. Ik heb twee vakken. Ja, ambachten. Nee, dat schrijven lukt niet altijd even goed. Soms op een avond twee regels, soms twee pagina's.

[p. 8]

Ja, beschouw het maar als een ambacht. Weet je, ik vraag me wel eens af, hè, die schrijvers die eens in de paar jaar een boek publiceren... Wat doen die mensen in de tussentijd? Ik zou gaan werken of zo.

Nee, het beroerde in de Nederlandse literatuur is dat ze te veel met elkaar omgaan. Ik ga met heel gewone mensen om. Net als die veertiende juni. Toen demonstreerde ik zelf.’

 

Het wordt dus weer een autobiografisch boek.

‘Ja, in zekere zin wel. Maar om de werkelijkheid te beschrijven heb je vaak, zo niet altijd, meer fantasie nodig dan voor een bedacht verhaal. Het gaat erom de dingen zo goed mogelijk te beschrijven. Dat eist fantasie, exactheid. Soms, als ik wel eens een verhaal voor een school voorlees, merk ik dat er een woordje te veel in staat. Dan kan ik wel de haren uit m'n kop trekken. (Lacht.) Nee, maar zo is het. Alles moet goed zijn. Op z'n plaats. Onbewust zal er inderdaad die veertiende juni wel de gedachte gespeeld hebben dat ik erover zou gaan schrijven. Maar dat onbewuste in te houden, zo dat het bewuste er niet als een skelet doorheen zal gaan steken, eist een zekere geraffineerdheid. In de gewone dingen van het leven zijn zo veel zaken die het waard zijn om beschreven te worden... Ik verbaas me over al dat geknoei dat tegenwoordig verschijnt... Bij dat boek van Hans Tuynman, Full-Time-Provo, zie je dat zo duidelijk. Die jongen heeft zo veel materiaal ongebruikt gelaten, hè. Doodzonde.’

 

Het gesprek gaat verder over prijzen van boeken. Wolkers houdt de prijzen van zijn eigen romans liefst zo laag mogelijk. Iedereen moet het kunnen kopen. We lopen door het atelier waar een vier meter hoge sculptuur voor de ptt op voltooiing staat te wachten. In een hoek een meer conventioneel werk, voorstellend Moeder en Kind. Ik zeg dat ik het mooi vind. Wolkers zegt dat het nog uit z'n ‘academie’-tijd stamt. Biedt me aan me in de jeep naar de krant te brengen. Helpt me vervolgens in m'n jas.

De jeep van Wolkers is uniek in Nederland.

We rijden door het nu rustige Amsterdam. Zwenken een gracht op. Een auto rijdt ons - van de verkeerde kant - levensgevaarlijk tegemoet.

 

Ik: ‘Het is een politieauto.’

Wolkers: ‘Die mogen...’

prepost  begin  verder