terug  begin  verderprepost
[p. 9]

Godfried Bomans

‘Je komt nu eenmaal uit die put... je moet ermee leven... je moet leren je kwetsuren ten goede aan te wenden. Dat huis waar niemand tegen elkaar sprak. Sauve-qui-peut. Vijf bleke schimmen die zich tegen het behang drukten zodra de ploert voorbijkwam. Wie heeft de ander ooit kunnen helpen? We scheelden allemaal een jaar. De een sliep op een plank, de ander vond het nodig zich constant te geselen. En dan die ene die pelgrimstochten ging maken, op elk graf een kledingstuk achterliet om ten slotte door de politie in z'n onderbroek te worden opgebracht... thuisgebracht in dat kolossale pand...

Als je iets te zeggen had werd de mededeling op een zilveren blad naar boven gebracht. Naar hem...’

 

Achter grote ramen ligt de zandkleurige tuin, een kolossaal stuk duin beneemt het uitzicht op het bos daarachter. We drinken gescheiden een kopje thee. Bomans in de keuken, ik in de kamer. Dan staat hij plotseling naast me. Het is tien uur in de morgen. We kijken peinzend door de ruiten. Bomans belooft me een wandeling. Maar eerst de trap op, een nauwe gang door, naar zijn werkkamer.

Bomans: ‘Heb jij ooit gehoord van een jongen die op zijn achttiende sprookjes schreef? Dat is toch belachelijk, eigenlijk. We zochten allemaal ons klooster. Ik las maar, en ik las maar. Alles was beter dan dat huis... En toch, dat is zo vreemd... geen van de kinderen zal het ooit willen toegeven, ik zou het niet eens tegen ze durven zeggen. Twintig jaar ben ik ziek geweest, psychisch een wrak, ik heb twintig jaar in bed gelegen. Nu moet ik volwassen worden. Ik ben een nabloeier... 't Kost tijd. Maar ik ga vooruit... Dat vind ik zo merkwaardig... Jij zit hier volkomen ontspannen tegenover me, je luistert naar me, stelt me een vraag. Maar dat zou ik indertijd nooit gedurfd hebben. Zomaar op bezoek bij een schrijver. Ik zou bloedrood en stuntelig op diezelfde bank hebben gezeten. Ik was zover nog niet... ik moest genezen.

Ik voel me benauwd, laten we een wandelingetje maken.’

[p. 10]

Hij loopt voor me uit, een beetje gebogen, terwijl hij praat. Door de natte bladeren het heuveltje op. We kijken uit over het bos.

 

Bomans: ‘Maar ik ga vooruit. Wat ik gistermiddag op de televisie deed... zomaar in debat gaan over een actueel onderwerp... 't Was niet goed, dat weet ik wel... maar ik deed het. Ik schrijf nu in de Volkskrant elke zaterdag een stukje, dat zou ik vijf jaar geleden niet gedurfd hebben. Over gewone alledaagse dingen zomaar je mening geven. 't Gaat zo langzaam, weet je...’

 

We staan voor een gigantische, volkomen verlaten villa, gluren door de ruitjes, praten met de tuinman. Lopen daarna de weg op, het dorp Bloemendaal in.

 

Bomans: ‘Ik ben nu drieënvijftig, heb een dochtertje van zes. Eva zegt “jij” en “jou” tegen me, we praten over van alles, ze mag tegen me vloeken. En ik kom toch ook uit zo'n nest waaruit m'n vader kwam. Maar ja, die vader van me, dat kolossale mens, kwam ook uit een gek nest. Het eitje gaat open, er komt een kuikentje uit... dat kuikentje wordt een haantje dat pikt... en dat haantje krijgt kinderen. En die kinderen pikken hun kinderen. Ik niet.’

 

Het hotel waar we langzaam naartoe gewandeld zijn, is een bejaardenhuis geworden. We staan wat ontheemd in de hal waar we te horen krijgen dat het uit is met de koffie.

We lopen slenterend terug naar huis.

 

Bomans: ‘Ik vroeg je door de telefoon of je een angry young man was, weet je nog wel. Ik heb net Look Back in Anger gelezen. Dat vind ik een geweldig toneelstuk. Nu kun je wel zeggen dat de term angry young man uit is... ik heb me af zitten vragen, zo'n jongen die daar beschreven wordt... die is nog net te harden als hij op papier staat, maar ik ken zo veel jongens die net zo zijn als hij...

Ja natuurlijk, een unhappy childhood is a writer's goldmine... Van het Reve. Goed, goed, die had een thuis waar hij zich verveelde. Dat was ook niet alles. Maar ik heb uit dat boek begrepen dat die vader een lieve man was. Je kunt De Avonden niet met mijn jeugd vergelijken.

Dat stuk Op Weg Naar Het Einde, waarin hij zegt dat ik mijn hele leven nog nooit één eerlijk woord gezegd of geschreven heb. Wat is waar? Wat is eerlijk?

Ik heb geweldig genoten van dat stuk van Pinter. The Caretaker. Ik verbaas me altijd over dat toneelspelen in Nederland. Ik ga veel liever naar Londen om stukken te zien. Engeland is mijn vaderland.

Ze zijn zo bang in Nederland om te liegen. Dat kan best liggen aan het calvinisme. Inderdaad. Van het Reve beschrijft inderdaad altijd dingen die werkelijk gebeurd zijn.’

[p. 11]

We zitten in de keuken een boterhammetje te eten. Samen met zijn vrouw en zijn aanbiddelijk mooie dochtertje. Bomans zit wat voor zich uit te kijken, geeuwt af en toe. Het felle middaglicht valt onbarmhartig door de grote ruiten. Eva moet naar school.

Mari Andriessen komt binnen. De sfeer verandert op slag. Andriessen stapelt anekdote op anekdote. Er wordt gebruld van het lachen. Bomans vertelt geamuseerd over zijn recente televisieoptreden.

 

Bomans: ‘Ik ga dus met die man in debat over de uitreiking van de World Press Photo Prijs. Goed. Zegt die man even voor de uitzending: “Meneer Bomans, vindt u het goed dat ik Christus Aan Het Kruis erbij haal?” Ik zeg: “Moet dat stuk beton nou weer binnengerold worden? Laten we nou in godsnaam die twee kleine kiezeltjes slijpen.” Doet die man het toch. Wat heeft Jezus nou in godsnaam hiermee te maken? Met die man die achter die tank gesleept wordt... Dat is zo idioot, hè. Eva is doodsbang van alles wat maar eventjes eng is, maar bij die man aan het kruis denkt ze nooit aan die marteling die het geweest is... Heel vreemd... Ik vind het best dat mensen zich ontladen bij het kijken naar wrede plaatjes. Maar in dat boek van die wedstrijd staat een foto van een coureur die verbrandt in de benzine van z'n omgeslagen auto. Daaronder staat: niet alleen Tibetaanse monniken verbranden zich... of zoiets dergelijks. Dat is toch een vreselijke grap...’

 

Weer een gesprek met Andriessen over toestanden in Haarlem. Iedereen is gebrouilleerd met iedereen. Om de beurt.

 

Bomans (peinzend): ‘Die eerste ruzie met Kees Verwey...’

Andriessen: ‘Tja, iedereen hebben we ertegenaan gesmeten. Noem maar op: Roland Holst, Jan Engelman... Noem maar op.’

Bomans: ‘Maar nu wil ik er niet meer aan.’ Zegt (tegen mij): ‘Ik heb altijd het idee dat Haarlem de vleugel van een krankzinnigengesticht is. Dat wordt geweldig gespeeld. Niemand weet het. De bakker komt langs, alles gaat z'n gangetje... iedereen weet dat wij krankzinnig zijn, alleen wij niet. Ik schrijf elke week m'n stukje in de Volkskrant, maar weet niet dat daar speciaal één nummer van gedrukt wordt. Elk boek van me wordt in één exemplaar gedrukt. De monumenten van Mari zijn nergens in Nederland te zien, maar ze sturen hem trouw getrukeerde foto's... Zo houden ze ons rustig...’

Andriessen: ‘Nu we het er toch over hebben... Dat complot, Godfried, dat vreselijke complot, dat tonnen uitgeeft. Noem nu eens het simpele geval van die spoorwegovergang die telkens geblokkeerd is door die afschuwelijke bomen. Ik wacht een kwartier met m'n auto. En plotseling gaan ze weer omhoog. Er is geen trein voorbijgekomen. Dat kost een massa geld. Maar goed, sedert enige tijd werken ze op internationaal niveau. In Basel hebben ze spe-

[p. 12]

ciaal voor mij dat beeld van Marino Marini dat ik wilde zien in het depot gestopt. Dat kost geld, jongen... En al die verkeersborden die ze opzettelijk verzetten als ze weten dat ik ergens op tijd moet zijn...’

Bomans: ‘Ik begrijp ook niets van die dingen. Gisteren reed ik van Hilversum naar Bloemendaal en kom prompt in Zeist uit... ik heb die borden gevolgd...’

Andriessen (satanisch grinnik): ‘Dat komt, jongen, omdat ze weten dat je met mij bevriend bent. Mijn complot weet alles... de schoften.’

 

Bomans staat op. Loopt zonder iets te zeggen naar boven. We gaan nu weer in zijn kamer zitten. Het blijft een paar minuten doodstil.

Bomans (zonder overgang): ‘Jaren heb ik die man gehaat. Ik heb een manier gezocht om ervan los te komen. Ik kan niet over hem schrijven. Niet direct. Het is een hausse tegenwoordig om van alles van jezelf te zeggen. Direct. Daar val ik buiten, dat weet ik best. Ik ben erg gesteld op Harry Mulisch. Ik heb hem eens, een avond lang, over die walgelijke jeugd van me verteld. Hij was jaloers op dat materiaal... die zwarte tijd. Ik vind het niet fout dat al die mensen tegenwoordig maar direct op het papier zetten wat ze beleefd hebben. Ik kan het niet. Nog niet... Maar wie weet. Ik heb je al gezegd, ik genees langzaam.

Wolkers... dat vind ik geweldig... dat vind ik zo ontzettend goed. (Zacht.) Dat gedonder met die tors van gips... dat moet autobiografisch zijn. O, wat zal het moeilijk zijn om zoiets te beschrijven... Daar heb ik de diepste eerbied voor.

Striptease kan op twee manieren. Een vrouw trekt haar kleren uit en je ziet haar naakt. Gewoon en prachtig. Maar dan die Spaanse danseres, die suggereert. Met subtiele bewegingen van haar handen... Ik hoop dat ik te herkennen ben. Door mijn stukken heen. Maar ik zou nooit direct kunnen schrijven... In de laatste Katholieke Illustratie heb ik heel even over hem geschreven... Lees dat nou es...’

 

Hij loopt de kamer uit. Ik lees het stuk. Zijn vader is niet te herkennen. Het is een kwartier erg stil in de kamer. De schemering kruipt binnen.

 

Bomans (na lange stilte): ‘Hoe zit jij hier? Kom jij ook om me af te kraken? Kom jij ook met het idee om die ouwe stoffige man van jetje te geven in het stuk dat je nu gaat schrijven? Ik praat maar, en ik praat maar... Sorry, maar ik ben plotseling panisch van angst... Die jongen die hier kortgeleden binnenkwam. Een intelligente jongen... Urenlang zat die jongen te vragen. Een intelligente jongeman... met van die analytische kouwe vissenogen. Ik was in een lollige bui en gaf antwoord na antwoord.

Plotseling krijg ik een vreemde gedachte. Ik stop. Ik zeg dat ik nog moest werken. Vraagt die jongen: “Hoe moet ik naar het station?” Ik zeg: “Ik breng

[p. 13]

je wel even met de auto.” In de wagen vertelt die jongen dat hij was gekomen om me af te kraken. Ik stop, zet de auto aan de kant. Totaal verbluft. Ik vraag me af: hoe kun je zo leven? Bij iemand binnenkomen, een kopje thee drinken, praten - enkel en alleen om iemand in je artikel af te kraken. (Stilte.)

Nee, ik vraag maar...

Onzeker? Misschien, dat weet ik niet... Ik weet heus wel dat ik nog moet groeien. Het is al een stap vooruit dat ik heel even over mijn vader schrijf. Een ernstig boek, een echte roman... Dat is een heel zware vraag voor me. Echt, een heel moeilijke vraag.

Die serie leesboekjes voor de lagere school, die nieuwe Ot en Sien... dat was geweldig om te doen. Een heerlijke verantwoordelijkheid. Lezers van zes jaar, een enorm belangrijk publiek. Die kinderen staan in de vestibule van het leven. Nooit zullen ze meer zo de tekst van een boek inzuigen als die eerste leesboekjes...’

 

We lopen naar beneden. Drinken thee in de huiskamer. Worden verscheidene malen door de met speelgoedrevolver gewapende Eva met de dood bedreigd. Nog eenmaal een stukje van de tuin, die nu een desolate indruk maakt, donker en druipend van de regen. In de auto wordt nauwelijks gesproken, behalve wanneer ik Bomans moet porren voor een stoplicht dat al bijna een minuut op groen staat. Na een borrel in de stille kroeg begint hij weer te spreken.

 

Bomans: ‘Ik ben gek op Huxley. Toch heeft hij de wereld niet goed gezien in Brave New World... Ik ben optimistisch... Niets komt van buitenaf... Alles komt voort uit het brein van de mensen zelf. Steeds weer zullen ze hun eigen uitvindingen de baas kunnen.

Ja, ik zou zo dolgraag een keer met Wolkers praten. Zou dat kunnen? Ken jij die stukjes van Ferdinandusse? Ik moet altijd vreselijk om die man lachen... terwijl hij me toch van tijd tot tijd behoorlijk te grazen heeft genomen. Ik bedoel maar, ik heb dan toch een beetje het recht om die jongen leuk te vinden... Na zo'n tirade ben ik een paar uur down, maar dan is het wel over. Ik weet het wel: ik heb geen duidelijk gezicht...

Ik spring steeds weer naar andere dingen. Op mijn dak staan veel antennes. Daarom bewonder ik ook zo die jongen Wolkers. Ik zou me ook zo graag twee jaar willen concentreren op een boek, een werkelijk goede roman... Maar dan duik ik daar weer op af, dan weer op iets totaal anders... Ik geloof dat Wolkers gewoon hard werkt, zich niet te veel inlaat met literatoren, of hoe dat mag heten... Net als Elsschot, die vond het fijn als ik bij hem kwam. Dan gingen we pandoeren en een beetje babbelen... Elsschot heeft een duidelijk gezicht. Wolkers... Dat stuk in Kort Amerikaans... de dood van die broer... die vuist achter glas... Daar ben ik kapot van.

[p. 14]

Gewone mensen... hard werken... je tijd indelen...

Elke zaterdag werk ik met Cor in de tuin... Ze zeggen dat-ie niet goed snik is, maar daar geloof ik niets van... Ik ben zo gelukkig met m'n tuin. Dan zeg ik tegen Cor: “Ik zou die tuin niet willen missen.” En dan zegt-ie: “Ja, maar je kunt 't toch niet meenemen. In je laatste hemd zitten geen zakken.” Die gewone vent heeft de wijsheid van eeuwen op z'n rug. En de meeste letterkundigen die op de kring zo tegen elkaar moeten opbieden - dat is een flits van intellectueel vermogen. Daarom ben ik misschien ook zo blij dat ik bij een kerk hoor. Ik hoor het “Dies Irae” zingen, bij een begrafenis. De wijsheid van eeuwen. Om te ontkomen aan de macht van mijn vader heb ik Pieter Bas geschreven. Op gelinieerd papier, in keurig handschrift, met het kaartje van Dordrecht naast me, want ik was nog nooit in die stad geweest. Op een avond was het klaar. Ik deed er een lichtblauw bandje omheen. Toen ging ik de trap van mijn vader op. Iedereen in het huis had zijn eigen trap, moet je weten... Nog herinner ik het me: die lange tocht omhoog. De deur van zijn kamer stond open. Daar lag de dictator op bed, chocola te vreten. Zijn verbaasde gezicht.

“Wat kom jij hier doen...”

“... Vader, ik heb een boek geschreven...”

En daarna ruggelings de kamer uit. De volgende dagen... die halve bewusteloosheid waarin ik leefde. Op een morgen lag het manuscript weer op m'n bureautje. Zonder commentaar.

Toen ben ik van huis gevlucht zonder een cent. Ik was de debiel. De debiel, dat heeft hij zelf gezegd. Debielen hoeven niet te studeren. Ik kreeg geen cent voor m'n rechtenstudie in Amsterdam. Ik deed m'n kandidaats. Ik had honger, ik woonde in een miserabel keldertje, zonder licht.

Ik heb trouwens altijd spijt gehad dat ik die studie niet heb afgemaakt. Laatst werd ik weer in een artikel de gesjeesde student genoemd... ik moest m'n bek maar houden. Op een dag ging ik naar Nijmegen. De zon, de vriendelijkheid van die stad, al dat groen... Toen heb ik Erik geschreven. Dat werd een bestseller... Ik studeerde toen psychologie en hing de geniale student uit... Daar is die goeie ouwe Rutten nog in getrapt. Ik werd samen met een vriend erop uitgestuurd om het iq van de Zeeuwse kinderen te meten... Drie kinderen hebben we getest. Toen hebben we drie maanden gebiljart en zomaar de tabellen ingevuld. Te hoog. (Grinnikt.) Daarom staan de kinderen in Zeeland nog steeds aangeschreven als de intelligentste in Nederland. Trouwens, die Zeeuwse kinderen zijn schattig... Weer ben ik niet afgestudeerd. Die vriend waarmee ik in Zeeland zat, wel. Maar die man, die keurig zijn doctoraal gedaan heeft en nu ergens kinderpsycholoog is, voelt zich niet gelukkig in zijn vak. Dat lijkt me afschuwelijk. Gevangenzitten in een patroon waar je niet uitkomt. Ik kan me nog vernieuwen wat er nou precies gebeurd is weet ik niet. Misschien heeft hij de etalage van een boekwinkel vol

[p. 15]

zien liggen met Erik... Maar op een dag stopt de Mercedes van mijn vader voor mijn huis in Nijmegen. Ik stond verlamd achter het raam. Ik kon er niet uit. Maar de tiran, de Zeus stapt uit zijn wagen en belt aan. Ik moest open doen. En daar stond hij oog in oog met die debiel. Geen van beiden konden we iets zeggen. Toen zette hij een fles wijn op tafel en vertrok. Er is geen woord gevallen.

De volgende dag belt m'n moeder op om mij te vertellen dat hij gestorven was... Nee, ik weet niet wie ik ben... Ik zie die vuist achter glas...’

prepostterug  begin  verder