|
|
|
| |
| | | |
Godfried Bomans
‘Je komt nu eenmaal uit die put... je moet ermee leven... je moet
leren je kwetsuren ten goede aan te wenden. Dat huis waar niemand tegen elkaar
sprak. Sauve-qui-peut. Vijf bleke schimmen die zich tegen het
behang drukten zodra de ploert voorbijkwam. Wie heeft de ander ooit kunnen
helpen? We scheelden allemaal een jaar. De een sliep op een plank, de ander vond
het nodig zich constant te geselen. En dan die ene die pelgrimstochten ging
maken, op elk graf een kledingstuk achterliet om ten slotte door de politie in
z'n onderbroek te worden opgebracht... thuisgebracht in dat kolossale pand...
Als je iets te zeggen had werd de mededeling op een zilveren blad naar boven
gebracht. Naar hem...’
Achter grote ramen ligt de zandkleurige tuin, een kolossaal stuk duin beneemt het
uitzicht op het bos daarachter. We drinken gescheiden een kopje thee. Bomans in
de keuken, ik in de kamer. Dan staat hij plotseling naast me. Het is tien uur in
de morgen. We kijken peinzend door de ruiten. Bomans belooft me een wandeling.
Maar eerst de trap op, een nauwe gang door, naar zijn werkkamer.
Bomans: ‘Heb jij ooit gehoord van een jongen die op zijn achttiende
sprookjes schreef? Dat is toch belachelijk, eigenlijk. We zochten allemaal ons
klooster. Ik las maar, en ik las maar. Alles was beter dan dat huis... En toch,
dat is zo vreemd... geen van de kinderen zal het ooit willen toegeven, ik zou
het niet eens tegen ze durven zeggen. Twintig jaar ben ik ziek geweest,
psychisch een wrak, ik heb twintig jaar in bed gelegen. Nu moet ik volwassen
worden. Ik ben een nabloeier... 't Kost tijd. Maar ik ga vooruit... Dat vind ik
zo merkwaardig... Jij zit hier volkomen ontspannen tegenover me, je luistert
naar me, stelt me een vraag. Maar dat zou ik indertijd nooit gedurfd hebben.
Zomaar op bezoek bij een schrijver. Ik zou bloedrood en stuntelig op diezelfde
bank hebben gezeten. Ik was zover nog niet... ik moest genezen.
Ik voel me benauwd, laten we een wandelingetje maken.’
| | | |
Hij loopt voor me uit, een beetje gebogen, terwijl hij praat. Door de natte
bladeren het heuveltje op. We kijken uit over het bos.
Bomans: ‘Maar ik ga vooruit. Wat ik gistermiddag op de televisie
deed... zomaar in debat gaan over een actueel onderwerp... 't Was niet goed, dat
weet ik wel... maar ik deed het. Ik schrijf nu in de
Volkskrant elke zaterdag een stukje, dat zou ik vijf jaar geleden niet
gedurfd hebben. Over gewone alledaagse dingen zomaar je mening geven. 't Gaat zo
langzaam, weet je...’
We staan voor een gigantische, volkomen verlaten villa, gluren door de ruitjes,
praten met de tuinman. Lopen daarna de weg op, het dorp Bloemendaal in.
Bomans: ‘Ik ben nu drieënvijftig, heb een dochtertje van
zes. Eva zegt “jij” en “jou” tegen
me, we praten over van alles, ze mag tegen me vloeken. En ik kom toch ook uit
zo'n nest waaruit m'n vader kwam. Maar ja, die vader van me, dat kolossale mens,
kwam ook uit een gek nest. Het eitje gaat open, er komt een kuikentje uit... dat
kuikentje wordt een haantje dat pikt... en dat haantje krijgt kinderen. En die
kinderen pikken hun kinderen. Ik niet.’
Het hotel waar we langzaam naartoe gewandeld zijn, is een bejaardenhuis geworden.
We staan wat ontheemd in de hal waar we te horen krijgen dat het uit is met de
koffie.
We lopen slenterend terug naar huis.
Bomans: ‘Ik vroeg je door de telefoon of je een angry
young man was, weet je nog wel. Ik heb net Look Back in
Anger gelezen. Dat vind ik een geweldig toneelstuk. Nu kun je wel
zeggen dat de term angry young man uit is... ik heb me af
zitten vragen, zo'n jongen die daar beschreven wordt... die is nog net te harden
als hij op papier staat, maar ik ken zo veel jongens die net zo zijn als hij...
Ja natuurlijk, een unhappy childhood is a writer's goldmine...
Van het Reve. Goed, goed, die had een thuis waar hij zich verveelde. Dat was ook
niet alles. Maar ik heb uit dat boek begrepen dat die vader een lieve man was.
Je kunt De Avonden niet met mijn jeugd vergelijken.
Dat stuk Op Weg Naar Het Einde, waarin hij zegt dat ik mijn
hele leven nog nooit één eerlijk woord gezegd of
geschreven heb. Wat is waar? Wat is eerlijk?
Ik heb geweldig genoten van dat stuk van Pinter. The Caretaker.
Ik verbaas me altijd over dat toneelspelen in Nederland. Ik ga veel liever naar
Londen om stukken te zien. Engeland is mijn vaderland.
Ze zijn zo bang in Nederland om te liegen. Dat kan best liggen aan het
calvinisme. Inderdaad. Van het Reve beschrijft inderdaad altijd dingen die
werkelijk gebeurd zijn.’
| | | |
We zitten in de keuken een boterhammetje te eten. Samen met zijn vrouw en zijn
aanbiddelijk mooie dochtertje. Bomans zit wat voor zich uit te kijken, geeuwt af
en toe. Het felle middaglicht valt onbarmhartig door de grote ruiten. Eva moet
naar school.
Mari Andriessen komt binnen. De sfeer verandert op slag. Andriessen stapelt
anekdote op anekdote. Er wordt gebruld van het lachen. Bomans vertelt geamuseerd
over zijn recente televisieoptreden.
Bomans: ‘Ik ga dus met die man in debat over de uitreiking van de
World Press Photo Prijs. Goed. Zegt die man even voor de uitzending:
“Meneer Bomans, vindt u het goed dat ik Christus Aan Het Kruis erbij
haal?” Ik zeg: “Moet dat stuk beton nou weer binnengerold
worden? Laten we nou in godsnaam die twee kleine kiezeltjes slijpen.”
Doet die man het toch. Wat heeft Jezus nou in godsnaam hiermee te maken? Met die
man die achter die tank gesleept wordt... Dat is zo idioot, hè. Eva
is doodsbang van alles wat maar eventjes eng is, maar bij die man aan het kruis
denkt ze nooit aan die marteling die het geweest is... Heel vreemd... Ik vind
het best dat mensen zich ontladen bij het kijken naar wrede plaatjes. Maar in
dat boek van die wedstrijd staat een foto van een coureur die verbrandt in de
benzine van z'n omgeslagen auto. Daaronder staat: niet alleen Tibetaanse
monniken verbranden zich... of zoiets dergelijks. Dat is toch een vreselijke
grap...’
Weer een gesprek met Andriessen over toestanden in Haarlem. Iedereen is
gebrouilleerd met iedereen. Om de beurt.
Bomans (peinzend): ‘Die eerste ruzie met Kees Verwey...’
Andriessen: ‘Tja, iedereen hebben we ertegenaan gesmeten. Noem maar
op: Roland Holst, Jan Engelman... Noem maar op.’
Bomans: ‘Maar nu wil ik er niet meer aan.’ Zegt (tegen
mij): ‘Ik heb altijd het idee dat Haarlem de vleugel van een
krankzinnigengesticht is. Dat wordt geweldig gespeeld. Niemand weet het. De
bakker komt langs, alles gaat z'n gangetje... iedereen weet dat wij krankzinnig
zijn, alleen wij niet. Ik schrijf elke week m'n stukje in de
Volkskrant, maar weet niet dat daar speciaal één
nummer van gedrukt wordt. Elk boek van me wordt in één
exemplaar gedrukt. De monumenten van Mari zijn nergens in Nederland te zien,
maar ze sturen hem trouw getrukeerde foto's... Zo houden ze ons
rustig...’
Andriessen: ‘Nu we het er toch over hebben... Dat complot, Godfried,
dat vreselijke complot, dat tonnen uitgeeft. Noem nu eens het simpele geval van
die spoorwegovergang die telkens geblokkeerd is door die afschuwelijke bomen. Ik
wacht een kwartier met m'n auto. En plotseling gaan ze weer omhoog. Er is geen
trein voorbijgekomen. Dat kost een massa geld. Maar goed, sedert enige tijd
werken ze op internationaal niveau. In Basel hebben ze spe- | | | | ciaal
voor mij dat beeld van Marino Marini dat ik wilde zien in het depot gestopt. Dat
kost geld, jongen... En al die verkeersborden die ze opzettelijk verzetten als
ze weten dat ik ergens op tijd moet zijn...’
Bomans: ‘Ik begrijp ook niets van die dingen. Gisteren reed ik van
Hilversum naar Bloemendaal en kom prompt in Zeist uit... ik heb die borden gevolgd...’
Andriessen (satanisch grinnik): ‘Dat komt, jongen, omdat ze weten dat
je met mij bevriend bent. Mijn complot weet alles... de schoften.’
Bomans staat op. Loopt zonder iets te zeggen naar boven. We gaan nu weer in zijn
kamer zitten. Het blijft een paar minuten doodstil.
Bomans (zonder overgang): ‘Jaren heb ik die man gehaat. Ik heb een
manier gezocht om ervan los te komen. Ik kan niet over hem schrijven. Niet
direct. Het is een hausse tegenwoordig om van alles van jezelf te zeggen.
Direct. Daar val ik buiten, dat weet ik best. Ik ben erg gesteld op Harry
Mulisch. Ik heb hem eens, een avond lang, over die walgelijke jeugd van me
verteld. Hij was jaloers op dat materiaal... die zwarte tijd. Ik vind het niet
fout dat al die mensen tegenwoordig maar direct op het papier zetten wat ze
beleefd hebben. Ik kan het niet. Nog niet... Maar wie weet. Ik heb je al gezegd,
ik genees langzaam.
Wolkers... dat vind ik geweldig... dat vind ik zo ontzettend goed. (Zacht.) Dat
gedonder met die tors van gips... dat moet autobiografisch zijn. O, wat zal het
moeilijk zijn om zoiets te beschrijven... Daar heb ik de diepste eerbied voor.
Striptease kan op twee manieren. Een vrouw trekt haar kleren uit en je ziet haar
naakt. Gewoon en prachtig. Maar dan die Spaanse danseres, die suggereert. Met
subtiele bewegingen van haar handen... Ik hoop dat ik te herkennen ben. Door
mijn stukken heen. Maar ik zou nooit direct kunnen schrijven... In de laatste
Katholieke Illustratie heb ik heel even over hem
geschreven... Lees dat nou es...’
Hij loopt de kamer uit. Ik lees het stuk. Zijn vader is niet te herkennen. Het is
een kwartier erg stil in de kamer. De schemering kruipt binnen.
Bomans (na lange stilte): ‘Hoe zit jij hier? Kom jij ook om me af te
kraken? Kom jij ook met het idee om die ouwe stoffige man van jetje te geven in
het stuk dat je nu gaat schrijven? Ik praat maar, en ik praat maar... Sorry,
maar ik ben plotseling panisch van angst... Die jongen die hier kortgeleden
binnenkwam. Een intelligente jongen... Urenlang zat die jongen te vragen. Een
intelligente jongeman... met van die analytische kouwe vissenogen. Ik was in een
lollige bui en gaf antwoord na antwoord.
Plotseling krijg ik een vreemde gedachte. Ik stop. Ik zeg dat ik nog moest
werken. Vraagt die jongen: “Hoe moet ik naar het station?”
Ik zeg: “Ik breng | | | | je wel even met de auto.”
In de wagen vertelt die jongen dat hij was gekomen om me af te kraken. Ik stop,
zet de auto aan de kant. Totaal verbluft. Ik vraag me af: hoe kun je zo leven?
Bij iemand binnenkomen, een kopje thee drinken, praten - enkel en alleen om
iemand in je artikel af te kraken. (Stilte.)
Nee, ik vraag maar...
Onzeker? Misschien, dat weet ik niet... Ik weet heus wel dat ik nog moet groeien.
Het is al een stap vooruit dat ik heel even over mijn vader schrijf. Een ernstig
boek, een echte roman... Dat is een heel zware vraag voor me. Echt, een heel
moeilijke vraag.
Die serie leesboekjes voor de lagere school, die nieuwe Ot en
Sien... dat was geweldig om te doen. Een heerlijke verantwoordelijkheid.
Lezers van zes jaar, een enorm belangrijk publiek. Die kinderen staan in de
vestibule van het leven. Nooit zullen ze meer zo de tekst van een boek inzuigen
als die eerste leesboekjes...’
We lopen naar beneden. Drinken thee in de huiskamer. Worden verscheidene malen
door de met speelgoedrevolver gewapende Eva met de dood bedreigd. Nog eenmaal
een stukje van de tuin, die nu een desolate indruk maakt, donker en druipend van
de regen. In de auto wordt nauwelijks gesproken, behalve wanneer ik Bomans moet
porren voor een stoplicht dat al bijna een minuut op groen staat. Na een borrel
in de stille kroeg begint hij weer te spreken.
Bomans: ‘Ik ben gek op Huxley. Toch heeft hij de wereld niet goed
gezien in Brave New World... Ik ben optimistisch... Niets komt
van buitenaf... Alles komt voort uit het brein van de mensen zelf. Steeds weer
zullen ze hun eigen uitvindingen de baas kunnen.
Ja, ik zou zo dolgraag een keer met Wolkers praten. Zou dat kunnen? Ken jij die
stukjes van Ferdinandusse? Ik moet altijd vreselijk om die man lachen... terwijl
hij me toch van tijd tot tijd behoorlijk te grazen heeft genomen. Ik bedoel
maar, ik heb dan toch een beetje het recht om die jongen leuk te vinden... Na
zo'n tirade ben ik een paar uur down, maar dan is het wel over. Ik weet het wel:
ik heb geen duidelijk gezicht...
Ik spring steeds weer naar andere dingen. Op mijn dak staan veel antennes. Daarom
bewonder ik ook zo die jongen Wolkers. Ik zou me ook zo graag twee jaar willen
concentreren op een boek, een werkelijk goede roman... Maar dan duik ik daar
weer op af, dan weer op iets totaal anders... Ik geloof dat Wolkers gewoon hard
werkt, zich niet te veel inlaat met literatoren, of hoe dat mag heten... Net als
Elsschot, die vond het fijn als ik bij hem kwam. Dan gingen we pandoeren en een
beetje babbelen... Elsschot heeft een duidelijk gezicht. Wolkers... Dat stuk in
Kort Amerikaans... de dood van die broer... die vuist
achter glas... Daar ben ik kapot van.
| | | |
Gewone mensen... hard werken... je tijd indelen...
Elke zaterdag werk ik met Cor in de tuin... Ze zeggen dat-ie niet goed snik is,
maar daar geloof ik niets van... Ik ben zo gelukkig met m'n tuin. Dan zeg ik
tegen Cor: “Ik zou die tuin niet willen missen.” En dan
zegt-ie: “Ja, maar je kunt 't toch niet meenemen. In je
laatste hemd zitten geen zakken.” Die gewone vent heeft de
wijsheid van eeuwen op z'n rug. En de meeste letterkundigen die op de kring zo
tegen elkaar moeten opbieden - dat is een flits van intellectueel vermogen.
Daarom ben ik misschien ook zo blij dat ik bij een kerk hoor. Ik hoor het
“Dies Irae” zingen, bij een begrafenis. De wijsheid van
eeuwen. Om te ontkomen aan de macht van mijn vader heb ik Pieter
Bas geschreven. Op gelinieerd papier, in keurig handschrift, met het
kaartje van Dordrecht naast me, want ik was nog nooit in die stad geweest. Op
een avond was het klaar. Ik deed er een lichtblauw bandje omheen. Toen ging ik
de trap van mijn vader op. Iedereen in het huis had zijn eigen trap, moet je
weten... Nog herinner ik het me: die lange tocht omhoog. De deur van zijn kamer
stond open. Daar lag de dictator op bed, chocola te vreten. Zijn verbaasde
gezicht.
“Wat kom jij hier doen...”
“... Vader, ik heb een boek geschreven...”
En daarna ruggelings de kamer uit. De volgende dagen... die halve bewusteloosheid
waarin ik leefde. Op een morgen lag het manuscript weer op m'n bureautje. Zonder
commentaar.
Toen ben ik van huis gevlucht zonder een cent. Ik was de debiel. De debiel, dat
heeft hij zelf gezegd. Debielen hoeven niet te studeren. Ik kreeg geen cent voor
m'n rechtenstudie in Amsterdam. Ik deed m'n kandidaats. Ik had honger, ik woonde
in een miserabel keldertje, zonder licht.
Ik heb trouwens altijd spijt gehad dat ik die studie niet heb afgemaakt. Laatst
werd ik weer in een artikel de gesjeesde student genoemd... ik moest m'n bek
maar houden. Op een dag ging ik naar Nijmegen. De zon, de vriendelijkheid van
die stad, al dat groen... Toen heb ik Erik geschreven. Dat
werd een bestseller... Ik studeerde toen psychologie en hing de geniale student
uit... Daar is die goeie ouwe Rutten nog in getrapt. Ik werd samen met een
vriend erop uitgestuurd om het iq van de Zeeuwse kinderen te
meten... Drie kinderen hebben we getest. Toen hebben we drie maanden gebiljart
en zomaar de tabellen ingevuld. Te hoog. (Grinnikt.) Daarom staan de kinderen in
Zeeland nog steeds aangeschreven als de intelligentste in Nederland. Trouwens,
die Zeeuwse kinderen zijn schattig... Weer ben ik niet afgestudeerd. Die vriend
waarmee ik in Zeeland zat, wel. Maar die man, die keurig zijn doctoraal gedaan
heeft en nu ergens kinderpsycholoog is, voelt zich niet gelukkig in zijn vak.
Dat lijkt me afschuwelijk. Gevangenzitten in een patroon waar je niet uitkomt.
Ik kan me nog vernieuwen wat er nou precies gebeurd is weet ik niet. Misschien
heeft hij de etalage van een boekwinkel vol | | | | zien liggen met Erik... Maar op een dag stopt de Mercedes van mijn vader voor
mijn huis in Nijmegen. Ik stond verlamd achter het raam. Ik kon er niet uit.
Maar de tiran, de Zeus stapt uit zijn wagen en belt aan. Ik moest open doen. En
daar stond hij oog in oog met die debiel. Geen van beiden konden we iets zeggen.
Toen zette hij een fles wijn op tafel en vertrok. Er is geen woord gevallen.
De volgende dag belt m'n moeder op om mij te vertellen dat hij gestorven was...
Nee, ik weet niet wie ik ben... Ik zie die vuist achter glas...’
|
|
|