terug  begin  verderprepost
[p. 20]

Ed. Hoornik, Mies Bouhuys, K. Schippers, J. Bernlef, Eva Hoornik

‘Zijn wij soms de Alberdingk Thijms van de twintigste eeuw?’ vraagt een verschrikte Mies Bouhuys als ik de afspraak maak. Ik zei: ‘'t Is potsierlijk maar wel interessant, die vijf bij mekaar.’ En Ed. Hoornik belde me nog speciaal op om Gerrit Achterberg en Den Brabander te citeren. Achterberg die schreef: ‘Familie duurt een mensenleven lang.’ Den Brabander die jarenlang, tot de dood hem overviel, geen eind kon vinden voor een sonnet dat zo moest beginnen: ‘Altijd moe en op de rand van slapen / Aarzelend tussen droom en de familie / Dichters hebben nergens domicilie...’

Die avond als we bij elkaar zitten citeert hij die regels weer. Er ontstaat (vooral tussen het duo Schippers & Bernlef aan de ene kant en Hoornik aan de andere) een discussie over rijm. Hoornik: ‘Als er vroeger een dichtbundel uitkwam waarin de dichter zich bediend had van een te makkelijk rijm, schreven de critici: er is te veel om het rijm gedaan. Wij, dat waren Achterberg, Van Hattum, Den Brabander, zeiden dan: nee, er is te weinig om het rijm gedaan.’ Maar dat was toen ze er allemaal al waren.

Eerst alleen met Hoornik en Mies Bouhuys in het tot woonruimte herschapen winkeltje. Een trap omhoog voert naar Hoorniks studeerkamer. Hij vertelt over de nieuwe speciale nummers van De Gids (over Amerika, over Cuba). Hij zit prettig patriarchaal in de stoel (De Stoel) die een anekdote met zich meebrengt; iedereen die er direct mee te maken heeft gehad (het meisje dat hem bracht, de meubelmaker die hem bekleedde) stierf kort nadien. Niemand in Hoorniks omgeving durft erin te gaan zitten uit angst direct daarna te sterven. Hemzelf schijnt dit lot niet beschoren te zijn. ‘Het omgekeerde is dus ook waar,’ zei Bernlef later.

Dan komen ‘De Kinderen’ zoals Hoornik ze noemt. Schippers voorop. ‘Dag Pap!’ zegt hij met heldere frisse jongensstem. Wat lachorkanen veroorzaakt. Schippers met zijn iets te dik uitgevallen gezicht van Stan Laurel. Daarachter een clowneske, felle Eva Hoornik. Ten slotte Bernlef: de middenvoor van een solide elftal.

[p. 21]

Waarom ze schrijven.

Hoornik: ‘Ik schrijf om twee redenen. Uit onvrede met het bestaan en om mijn existentie grond te geven. Dus om de gaten in mijn bestaan te vullen. Die gaten zijn bij mij, en dat is ook het belangrijkste thema in mijn werk, de gaten van de dood. Ik leef met doden omdat ook de belangrijkste generatiegenoten van me dood zijn. Den Brabander, Anna Blaman, Gerrit Achterberg. En ik heb kennisgemaakt met de dood als kind, toen ik zeven jaar was stierf mijn moeder, en heb als volwassene die kennismaking verdiept in het concentratiekamp. Ik schrijf om gaten te vullen. Om mijn bestaan grond te geven.’

Bernlef: ‘Nou, de meesten van mijn generatiegenoten zijn niet dood, dus ik schrijf wel bij de gratie van wat leeft. Ik vind 't moeilijk om te zeggen waarom ik schrijf. Ik schrijf tenminste niet uit een innerlijke drang of zoiets dergelijks, maar altijd vanuit heel concrete dingen. Een bepaalde foto uit een tijdschrift. Een bepaalde tekst uit een krant. Maar wat nou de lijn is tussen die tekst en die foto... Ik heb een katalysator van buiten nodig om op gang te komen. Maar wat nou 't verband is tussen die katalysators onderling, dat vind ik de taak van critici. Het interesseert me niets om daar zelf achter te komen.’

 

Iedere schrijver rapporteert in zekere zin.

Hoornik: ‘Ik zou niet bestaan als ik niet schreef.’

Bernlef: ‘Nou, biologisch lijkt me dat een onhoudbare verklaring.’

Hoornik: ‘Het ligt er natuurlijk aan wat je bestaan noemt. Ik vind bijvoorbeeld het bestaan van een drogist geen bestaan. Bestaan is creatief bestaan.’

(Kreten van afschuw. Hoornik wordt door zijn familieleden scherp aangevallen.)

Mies Bouhuys: ‘Ik schrijf omdat ik 't niet laten kan, ik doe een heleboel andere dingen om 't niet te doen... maar ik kan 't niet laten.’

Eva: ‘...om dingen die me bezighouden van me af te schrijven, om dingen die me bezighielden op papier te zetten.’

 

Je bent de eerste die het woord ‘van me afschrijven’ gebruikt. Bij Bernlef heb ik 't gevoel dat-ie bijvoorbeeld best zou kunnen leven zonder te schrijven.

Bernlef: ‘Dat is dat soort vragen waar geen adequaat antwoord op te geven is; ik schrijf vanaf m'n zestiende... ik heb me nooit in de situatie bevonden dat ik niet kan schrijven... ik weet niet of ik daarzonder wel of niet kan leven...’

Eva: ‘Dan zou je gek worden.’

 

Waarom ze begonnen zijn en hoe.

Hoornik: ‘...1936. Crisis. Werkloosheid. Opkomend fascisme. Nationaal-socialisme in Duitsland. Vandaar dus dat ik (en ik niet alleen maar mijn gehele generatie) begonnen ben met het schrijven van sociale poëzie. Soms in de toon agressief, soms in de toon van medelijden. Verzet. Haat. Het ironise-

[p. 22]

ren van de burgerman. En het hopen op een andere samenleving waarbij wij niet, zoals Henriëtte Roland Holst en Gorter - onze oude voorgangers -, geloofden in, droomden van het socialisme. Daar waren we meteen sceptisch voor. En te klein. Te klein, geloof ik... We leefden naar die oorlog toe en laten we zeggen: die droom van dat socialisme kon niet vervuld worden want eerst moest die oorlog komen.’

Bernlef: ‘...vanuit die bepaalde onbestemde pubersfeer waarin je door je leeftijd terechtkomt. Van waaruit een heleboel mensen gedichten schrijven, kijk maar eens naar de dichtershoek in het Handelsblad. En, eh, een paar gekken houwen er niet mee op. Van die paar gekken zijn er dan nog een paar minder... bij mij is dat heel onbestemd...’

 

De sfeer van de school (eerst ohs in Amsterdam) waar jij samen met Schippers op gezeten hebt, jullie leraar Rob Nieuwenhuys...

Hoornik (tegen Bernlef en Schippers): ‘Mag ik jullie wat vragen? Toen jullie omstreeks vijftig begonnen, toen zei de Tweede Wereldoorlog jullie niets meer, de Koude Oorlog niet, Hiroshima zei je niets... Bij jullie was niets van de sociale bewogenheid van ons...’

Schippers: ‘...Over Rob Nieuwenhuys... In 1954 zakte ik voor m'n eindexamen...’

Bernlef: ‘Maar je kreeg wel een fiets...’

Schippers: ‘Ja, ik kreeg wel een fiets... die gestolen is op de hoek Martelaarsgracht en de Nieuwendijk. Weet ik ook nog heel goed. Ik was nooit zo geïnteresseerd in literatuur... Ik had tot '54 literatuur gehad op school op de manier die elke hbs-leerling afschrikt. Ze houden nu ook nog steeds op bij 1910/1920. Toen ik door dat zakken Nieuwenhuys als leraar kreeg, merkte ik dat literatuur ook nog wel iets aardigs is. Literatuur... Leuk. Goeie boeken...’

Bernlef: ‘Bij mij lag dat anders. Van m'n tiende af. Maar volslagen ongericht. Toen ik Nieuwenhuys kreeg werd dat anders. De eerste les die we van hem kregen, ik herinner me dat nog heel goed, toen informeerde-d-ie zo's in de klas wat we lazen. Tegen mij: “En Bernlef, wat lees jij?” En ik: “Nou, de laatste boeken waren Kinderen van mijn Volk van Coolen, Bint van Bordewijk, en een boek van Elsschot... Kaas...” Toen zei Nieuwenhuys: “Nooit meer iets van Bordewijk lezen, niet van Coolen, alles van Elsschot en alle verhalen van Nescio.” Hij leerde je selectief te werk gaan.’

Eva: ‘Ik heb ook Nieuwenhuys als leraar gehad. Ik zat op de mms. Precies wat met Henk is gebeurd is met mij gebeurd. Tot de derde lieten Erica (m'n zusje) en ik de opstellen door m'n vader schrijven... die leerden we dan uit ons hoofd. In de vierde kregen we Nieuwenhuys. Precies wat Bernlef ook zei; dit lezen en dat niet. En voor 't eerst ging ik ook zelf opstellen schrijven. En het gekke was, ik had toen een opstel geschreven en m'n vader had een zin veranderd en bij die ene zin heeft meneer Nieuwenhuys de aantekening ge-

[p. 23]

maakt: “Deze zin is veel te geijkt, je moet je eigen stijl gebruiken.” Maar de gekste anekdote van Nieuwenhuys is wel dat hij Bernlefs eindexamenopstel bij mij in de klas heeft voorgelezen en mijn eindexamenopstel bij hem in de klas. Terwijl we elkaar toen nog helemaal niet kenden.’

Mies Bouhuys: ‘...bij mij lag het heel simpel. Ik hoor dus bij die gekken waar Bernlef het over heeft, die in hun puberteit gedichten schrijven en daar waren d'r dan wel wat bij die de moeite waard waren neem ik aan. Die zijn toen met de Reina Prinsen Geerligs-prijs bekroond. “Ariadne op Naxos”. En ik ben het helemaal eens met Bernlef: dan rol je toch ergens in wat je wel of niet bent... Ik schrijf geen gedichten meer. Het milieu is ook bepalend. Bij mij was 't geen leraar zoals Nieuwenhuys. Mijn vader was een schoolmeester, een geweldige man. Er waren ook altijd kinderen. Misschien ben ik daarom wel zoveel voor kinderen gaan schrijven. Dat kan ik beslist niet laten.’

 

Het verschil tussen Mies Bouhuys en Hoornik enerzijds en de overigen anderzijds lijkt me dat Hoornik typisch sociaal bewogen is. De anderen niet.

Schippers: ‘Nee, nou geloof ik toch dat jij je verkijkt op de geijkte manier waarop de term engagement wordt gebruikt. Dat is een misvatting. Je kunt best geëngageerd zijn maar dan hoef je nog niet politiek geëngageerd te zijn. Ik geloof dat ik hier het misverstand wel mee rechtgezet heb. Is 't niet?’

 

Ik doelde op de sfeer van waaruit Hoornik begon en bijvoorbeeld die waaruit Bernlef z'n eerste gedichten schreef.

Bernlef: ‘Nee, ik kan me niet voorstellen dat een kind vanuit sociale bewogenheid gaat schrijven.’

Mies Bouhuys: ‘...ik schreef toen ik dertien was een gedicht tegen de Duitsers, later ook tegen de politionele acties...’

Hoornik: ‘Ik heb je ook leren kennen toen je op Vrij Nederland een gedicht kwam brengen...’

Mies Bouhuys: ‘...een parodie op het onze vader... erg slecht, maar god, ik ging meteen naar meneer Hoornik. Die wist d'r wat van.’

Hoornik: ‘Toen heb ik het gedicht afgewezen en haar genomen.’

Bernlef: ‘Schippers en ik zijn kinderen van de Koude Oorlog; die heeft het politieke gevoel van kinderen volledig kaltgestellt. De feiten waren toen wij vijftien, zestien, zeventien waren volledig duidelijk. Je had de communisten: een grote bende schurken. En de grote weldoeners: de Amerikanen. Dat heb ik misschien niet zo bewust ervaren, maar dat was de sfeer waarin je leefde. Tot voor een jaar of drie, vier was ik politiek niet geëngageerd. Maar nu zeker wel. Maar het is nog de vraag hoe je dat in je werk tot uitdrukking brengt. Ik ben niet van plan om een gedichtje over Vietnam te schrijven, enkel en alleen om “den volke kond” te doen dat J. Bernlef het ook zo verschrikkelijk vindt.’ (Instemmend gemompel.)

[p. 24]

Schippers: ‘Dat is het misverstand dat het engagement staat of valt bij de politiek. Iedereen die schrijft, goed schrijft, is geëngageerd. Voor mij is het een kwestie van research, is schrijven een kwestie van research zoals dat nu ook in de beeldende kunst gebeurt. Ik zal een voorbeeld van die research geven. Neem nou Arbeidsvitaminen. Mensen luisteren terwijl ze werken. Luisteren. Naar muziek. Mij houdt nou de vraag bezig of iemand tijdens z'n werk ook ergens naar kan kijken, iets zou kunnen voelen terwijl-ie werkt. Iets betasten... Als katalysator, als stimulans voor mijn part. Dat is een voorbeeld van research.’

 

Wat is creatief?

Hoornik: ‘De onderste steen boven krijgen. En dan nog onder de onderste steen kijken. Het is de wellust en de kwelling. Het is het echec. Mijn poëzie is die van het echec.’

Schippers: ‘Ik had het over research. Ik voel me wel verwant met wetenschapslieden, hoe die 't aanpakken... Je probeert iets aan de weet te komen met de zintuigen die je hebt, je probeert de zintuigen zo goed mogelijk te gebruiken om iets zo duidelijk mogelijk te registreren...’

Hoornik: ‘Je probeert iets over de mens te weten te komen...’

Schippers: ‘Natuurlijk, maar dat hoeft niet zo verschrikkelijk emotioneel gebonden te zijn. Voor mij tenminste niet. Je gaat ten eerste uit van een soort plezier ('t doet je plezier dat je schrijft) maar daarbij wil je iets aan de weet komen en het menselijk tekort dat Eddy zo aanspreekt... dat hoeft er helemaal niet aan te pas te komen. Je probeert informatie te verschaffen. Wetenschapsmensen gebruiken hun techniek... die ik niet heb. Ik gebruik mijn gevoel, de manier waarop ik kijk, ik luister. Je kunt informatie geven op een manier waarop niemand dat kan. Ik wil dat illustreren met een tekst waar bijna geen emoties aan te pas komen maar die mij bijzonder aanspreekt: “Wanneer de rook van tabak ook ruikt naar de mond die hij uitademt trouwen die twee geuren infrafijn.” Dat is informatie die mij iets doet. Van Duchamp. Die is net dood.’

Mies Bouhuys: ‘Bij mij, net als bij Bernlef, verwondering wat er op het blaadje komt... nieuwsgierigheid. Nijhoff dichtte: “De schrijfmachine mijmert gekkenpraat”. Als Nijhoff dicht: “Er staat niet wat er staat” is dat geen bevelen aan de lezer maar een verwondering van kijk nou es...’

Schippers: ‘...en wat me zo vaak tegenstaat in schrijvers is dat in de eerste plaats de emoties te serieus worden genomen en dat het registreren van emoties zo vaak meteen als een kwestie van kwaliteit wordt gezien...’

 

Wat zij bedoelen.

Schippers: ‘...ik wil een voorbeeld geven. Het is de film Playtime van Tati. Daarin wordt met pointes gespeeld. Daarin komen pointes voor op een ma-

[p. 25]

nier zoals dat allang gedaan is (de glazen deur van het restaurant is stuk, het restaurant wordt geopend dus de deur mag niet stuk; de portier houdt alleen de knop in z'n hand). Maar nou doet Tati iets anders, hè; in datzelfde restaurant wordt een vis geserveerd, een zalm op een serveerboy. En daar zitten dan twee mensen, die enorme vis wordt geserveerd... de ober komt eraan, gooit er zout op en peper. Maar even later zijn die mensen weggegaan, er zijn twee anderen komen zitten. En weer een andere ober en weer zout en peper op die vis. En dat gebeurt nog drie keer. Uiteindelijk denk je: die vis wordt opgegeten. Vergeet 't maar. Een gag die tegen die ouwe manier aanleunt maar niet afgemaakt wordt. Maar dan zitten d'r nog andere stukken in die film waarin niet eens meer een gag opgebouwd wordt maar waarin helemaal niks meer gebeurt. Maar je zit naar een film te kijken waarvan je verwacht dat-ie je zal amuseren, die conditie heb je gewoon, dus je zit te denken... In zo'n sfeer waarin je drie types pointes hebt: de ouderwetse, eentje die ertegen aanleunt en eentje die daar weer tegen aanleunt... daardoor komt alles een beetje los te zitten... Zo'n gevoel van: zal 't nou, zal 't niet... En dat is nou 't klimaat waar ik me verwant mee voel...’

Bernlef: ‘Waar jij 't al eerder op de avond over gehad hebt: over wetenschap en kunst dat komt nu ook weer duidelijk tot uiting. Het alleen maar geïnteresseerd zijn in het neerschrijven van een idee. Ik ben het daar in zoverre niet mee eens dat ik, om maar eens wat op te noemen, dat ik een gedicht over een hagedis of paard heb geschreven, maar geen enkel idee zit erin vervat. Het feit dat ik een paard zie is geen idee in wetenschappelijke vorm. Maar het feit dat ik dat paard zag heeft mij om een of andere reden iets gedaan... Ik schrijf dat neer, dan gaat 't om de totaalsom van woorden. Het gaat om de manier hoe buiten die woorden om iets kan worden overgebracht. Bij Schippers gaat 't zo dat je de partjes a, b, c, enz. van een gedicht uit elkaar kan nemen en als je ze weer bij elkaar voegt... dat je dan weer dat gedicht krijgt. Ik wil die ontmoeting met dat paard beschrijven. Dat gaat voor mij alleen op die en die manier. Schippers' benadering is zuiver wetenschappelijk. Er gaat geen ontroering aan vooraf.’

Schippers: ‘Die ontmoeting met dat paard kan net zo goed een intellectuele ervaring zijn; de wijze waarop je dat paard ziet doe je toch ook met je intelligentie...’

Bernlef: ‘Maar niet alleen daarmee...’

Schippers: ‘Ik wijs de voorervaring niet af maar voor mij is de heldere formulering van een idee belangrijk. Het van tevoren al weten hoe iets op papier moet komen.’

Bernlef: ‘Jij schrijft dus iets op wat je al weet. Dat is geen kunst.’ (Verwarring alom.)

Schippers (boven het rumoer uit): ‘luister! Ik wil iets schrijven... pam-pam-pam, zo komt het op papier precies zoals ik dat gedacht had. (Tegen

[p. 26]

Bernlef:) Jij wilt dat ik tijdens het schrijven iets verander... Ik vind of het idee zich op papier vormt of in je hoofd, dat maakt geen donder uit.’

 

Waar ze vandaan komen.

Hoornik: ‘Een klein middenstandsmilieu. Met een geheim in de familie. In het jaar 1910, toen ik geboren werd, verdronk zich de zuster van mijn vader in de haven van Rotterdam. En die zuster heette Sien. En dat was Sien van Vincent van Gogh met wie ze als hoer in 1881-1883 had samengeleefd. Een geheim dat ik pas enige jaren geleden heb mogen vernemen van de heer Hulsker van het departement. Toen ik geboren werd was mijn vader... aan dat ouderlijke huis wat van een onbeschrijfelijke armoe was en waarvan mijn grootmoeder die ik nooit gekend heb een soort hoerenmadam was op de Hekkenlaan in Den Haag met broers en zusters van mijn vader, die ik niet allemaal gekend heb maar van wie ik gehoord heb dat ze niet deugden en waarvan mijn vader dus de enige uitzondering moet zijn geweest... was mijn vader van dat rietvlechtersmilieu tot middenstander opgeklommen mede met behulp van z'n eerste vrouw die ik niet gekend heb, ze stierf voordat ik geboren was. Toen ik dus geboren werd was dat milieu een kleinburgerlijk milieu. Zeer katholiek. En dat duurde tot mijn zevende jaar toen mijn moeder stierf. Ik kreeg toen ik acht was een stiefmoeder. Mijn vader had een enorme angst om weer in zijn oude rietvlechtersmilieu terug te vallen, deed mij op het Aloysius-college (een rijkenschool waar veel roomse Kamerleden vandaan gekomen zijn) waar ik een enorme achterstand te overwinnen had. Ik had een enorme achterstand in cultuur; toen ik op m'n veertiende met een roman thuiskwam zei mijn stiefmoeder: “Dat komt hier niet huis, dat is onzedelijk...”’

Schippers: ‘En gelijk had ze...’

Bernlef: ‘...Als ik aan mijn milieu denk moet ik onmiddellijk denken aan die uitspraak van Tsjechov in een van zijn brieven: “Het ideale milieu voor een schrijver is ambtenarenmilieu.” Mijn vader was/is nog steeds een ambtenaar en dat houdt in uiterste consequentie in: een milieu waarin niets speciaal verboden is, niets speciaal moet of mag; het is eigenlijk een soort grijze, onbestemde massa. Mijn ouders hingen ook een van de meest onbestemde vormen van protestantisme aan die ik ooit heb meegemaakt... Remonstranten... een godsdienst op de rand van limonade. Alsmaar praten over Persoonlijk Contact Met God... nou, dan ben je ook gauw uitgeluld want dan valt er verder ook niet veel meer te converseren. Ik ben er vrij onbeschadigd doorheen gerold. Dit wil ik heel expliciet zeggen: dat vind ik een ontzaglijk pluspunt. Het is walgelijk om in een fanatiek milieu te worden opgevoed (Wolkers, de gebroeders Van het Reve). Dat is mij godzijdank bespaard gebleven. Als ik aan m'n jeugd terugdenk, denk ik... och... aan niks bijzonders... aan een oktoberregentje.’

[p. 27]

Schippers: ‘Ik heb ook nooit enige onvrede gevoeld met mijn afkomst. Ik heb me nooit hoeven af te zetten tegen iets. Ik ben niet eens heidens opgevoed. Gewoon niets. Prettig kleurloos noem ik het altijd. Er gebeurde niet zo veel. Zelfs van de oorlog herinner ik me maar twee dingen. Dat ik een keer wijtingkoppen van de kat lag af te kluiven. En dat mijn broer met krijt op de veranda heeft geschreven “negenentwintig april negentienvierenveertig”. Meer niet.’

Bouhuys: ‘Ik heb ook geen enkele spijt, geen enkele rancune tegen m'n jeugd hoewel 't niet een milieu is geweest dat mij het leven makkelijk heeft gemaakt. Ik kom uit een orthodox calvinistisch milieu; ik heb volledig de calvinistische onverdraagzaamheid van m'n vader geërfd. Met de voor- en nadelen van dien. Een gezin was 't met vier meisjes... m'n moeder, het meest verdraagzame wezentje dat je je kunt voorstellen. Ik kan er alleen maar naar terugverlangen...’

Eva Hoornik: ‘Ik kom dus zogenaamd uit een artistiek milieu. M'n vader was dus schrijver. Wat meebracht bijvoorbeeld dat als mijn zusje en ik naar een feestje gingen, we ons nooit aan een tijd hoefden te houden. Maar we hechtten verschrikkelijk aan een regelmaat... we waren jaloers op de andere meisjes die wel op een bepaalde tijd thuis moesten zijn. Als we uitgingen zeiden we dan trots: nou, wij moeten ook om elf uur thuis zijn...’

Hoornik zelf: ‘Wat ik vergat te vertellen is dat mijn moeder toen ze trouwde 45 was en mijn vader al in de vijftig. Ik had dus grootouders in plaats van ouders, wat uiterst belangrijk is. Bovendien, toen ik zeven jaar was, dat gat van die dood en daarbij kwam nog die stiefmoeder. Mijn vader was een vrij ouwe man... z'n hobby's waren bijvoorbeeld... lijstjes vergulden... ik zeg 't maar even om 't aculturele aan te geven. Mijn vader kon niet spelen, mijn vader kon niet stoeien... Wat-ie wel kon was met z'n vingers een konijn op de muur maken. Dat heb ik hem ook herhaaldelijk gevraagd en hij was steeds bereid het konijn op de muur te maken... Hij was een onbeschrijflijk goeie man. Ik vertel over hem in de roman, waar ik nu aan werk.’

Eva: ‘Nee pap, het vreselijkste is dat je met ons altijd spelletjes deed waarmee je tegen het concentratiekamp wilde reageren. Papa deed dus het volgende...’

Mies Bouhuys: ‘Doet-ie met mij ook.’

Eva: ‘...In de slaapkamer liggen met de sleutel van de slaapkamerdeur tussen z'n tenen. Dan moesten we om het bed staan en de sleutel proberen te pakken. Als we de sleutel niet binnen de vier minuten te pakken hadden ging-ie ons met de zweep achterna... Als straf dus...’

Bernlef en Schippers: ‘Hahahahahaha.’

Hoornik: ‘Is dat zo?’

Eva: ‘Of dat we tussen het opklapbed en de muur zaten en te klein waren

[p. 28]

om terug te klappen. En jij gillen van het lachen als we net niet terug konden klappen.’ (Hilariteit.)

Schippers zegt: ‘Tot slot wil ik verklaren dat ik als een rots achter iedere publicatie van al mijn familieleden sta.’ (Gejoel, gejuich, hoerageroep.)

prepostterug  begin  verder